Rb. Den Haag, 16-09-2019, nr. C/09/578945 / FA RK 19-6119
ECLI:NL:RBDHA:2019:10611
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
16-09-2019
- Zaaknummer
C/09/578945 / FA RK 19-6119
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2019:10611, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 16‑09‑2019; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBDHA:2019:10609, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 19‑08‑2019; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Uitspraak 16‑09‑2019
Inhoudsindicatie
De rechtbank spreekt de voorlopige voogdij uit over twee jonge kinderen, geboren in het kalifaat van IS en verblijvend in een Syrisch vluchtelingenkamp. Door het overlijden van de moeder en de onbekende verblijfsplaats van de vader, die bovendien in Nederland bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar en van wie de Nederlandse nationaliteit in 2017 is ontnomen, is sprake is van een gezagsvacuüm en staan de kinderen niet onder het vereiste wettelijk gezag. Teneinde de belangen van de kinderen te kunnen behartigen acht de rechtbank het dringend en onverwijld noodzakelijk dat in gezagsuitoefening van de kinderen wordt voorzien.
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Team Jeugd & Bopz
Zaaksgegevens: C/09/578945 / FA RK 19-6119
Datum uitspraak: 16 september 2019
Beschikking van de rechtbank
Voorlopige voogdij (ex artikel 1:241 van het Burgerlijk Wetboek)
in de zaak naar aanleiding van het op 19 augustus 2019 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),
betreffende:
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2016 te Syrië, hierna te noemen: [minderjarige 1] en
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2019 te Syrië, hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna samen te noemen: de kinderen.
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de man] ,
hierna te noemen: de vader,
geëmigreerd, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats;
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
de beoogd voogdes.
De rechtbank merkt als informanten aan:
[informanten] ,
hierna: de grootouders vaderszijde,
en
[informant]
hierna: de oom vaderszijde.
Het procesverloop
Bij beschikking van 19 augustus 2019 heeft de kinderrechter in deze rechtbank het spoedkarakter van het verzoek afgewezen en het verzoek voor het overige aangehouden tot de terechtzitting van 29 augustus 2019.
Op 29 augustus 2019 is de zaak door de kinderrechter verwezen naar de meervoudige kamer en is zitting bepaald op 30 september 2019.
Bij mail van 10 september 2019 heeft de Raad verzocht de geplande zittingsdatum van
30 september 2019 te vervroegen. De rechtbank heeft hieraan gehoor gegeven en op
16 september 2019 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Daarbij zijn verschenen:
- [vertegenwoordigers van de Raad]
, namens de Raad;
- mevrouw [vertegenwoordigers van de GI] , namens de gecertificeerde instelling;
- de grootouders vaderszijde, als informant;
- de oom vaderszijde, als informant.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
- voornoemde beschikking van 19 augustus 2019, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd.
Ter zitting heeft de oom vaderszijde aangegeven dat [minderjarige 1] is geboren op [geboortedag 1] 2016 en niet op [foutieve geboortdag] 2016 zoals in het verzoek staat. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat de geboortedatum van [minderjarige 1] [geboortedag 1] 2016 is, mede omdat de Raad zich hier ter zitting aan heeft gerefereerd en vooralsnog andere, objectieve informatie ontbreekt, waaruit de geboortedatum kan worden afgeleid.
Verzoek
Het verzoek strekt er toe de gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Ter zitting heeft de Raad het verzoek als volgt kort nader toegelicht. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven thans in het vluchtelingenkamp [verblijfplaats] in Syrië. Er zijn ernstige zorgen over hun veiligheid en ontwikkeling. Zij hebben onvoldoende voedsel en medische zorg en zij hebben ernstige medische klachten. De moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is overleden en het is onbekend waar de vader verblijft. Er is hierdoor sprake van een gezagsvacuüm. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden op dit moment in het vluchtelingenkamp opgevangen door een Nederlandse
IS-vrouw die de grootouders vaderszijde en oom vaderszijde telefonisch op de hoogte houdt van de ontwikkelingen van de kinderen en hun zorgelijke medische toestand. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dienen volgens de Raad zo spoedig mogelijk naar Nederland gebracht te worden, zodat zij de noodzakelijke medische verzorging kunnen krijgen en verenigd kunnen worden met hun grootouders vaderszijde en oom vaderszijde. Hiervoor is het noodzakelijk dat in het gezag over hen wordt voorzien, zodat contact gezocht kan worden met de nodige instanties om ervoor te zorgen dat zij naar Nederland gehaald kunnen worden.
Beoordeling
De rechtbank verwijst ten aanzien van de rechtsmacht, het toepasselijke recht en de relatieve bevoegdheid naar hetgeen in deze zaak is overwogen in de beschikking van de kinderrechter van 19 augustus 2019.
Op grond van de inhoud van het verzoekschrift met bijlagen en de verklaringen van de gehoorde personen gaat de rechtbank er thans vanuit dat door het overlijden van de moeder en het verdwijnen van de vader, die bovendien in Nederland bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar en van wie de Nederlandse nationaliteit in 2017 is ontnomen, sprake is van een gezagsvacuüm en dat de kinderen derhalve niet onder het vereiste wettelijk gezag staan.
Teneinde de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te kunnen behartigen en de nodige stappen te kunnen nemen om de kinderen naar Nederland te halen, acht de rechtbank het dringend en onverwijld noodzakelijk om in gezagsuitoefening van de kinderen te voorzien.
Derhalve zal als volgt worden beslist.
Beslissing
De rechtbank:
belast Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met de voorlopige voogdij over:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 te Syrië, en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 te Syrië;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J.M. Smid-Verhage, J.E.M.G. van Wezel en C.J. van der Wilt, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. van Dijk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2019. | ||
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld 24 september 2019
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- -
door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- -
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.
Uitspraak 19‑08‑2019
Inhoudsindicatie
Verzoek voorlopige voogdij over twee jonge kinderen, geboren in het kalifaat van IS en verblijvend in een Syrisch vluchtelingenkamp. Afwijzing van het spoedkarakter en aanhouding van de behandeling. Beoordeling rechtsmacht, het toepasselijke recht en relatieve bevoegdheid. Verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer.
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd & Bopz
Zaaksgegevens: C/09/578945 / FA RK 19-6119
Datum uitspraak: 19 augustus 2019
Beschikking van de kinderrechter
Voorlopige voogdij (art. 1:241 BW, 800 lid 3 Rv) / afwijzing spoedkarakter, aanhouding
in de zaak naar aanleiding van het op 19 augustus 2019 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),
betreffende:
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2016 te Syrië,
hierna te noemen: [minderjarige 1]
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2019 te Syrië,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna samen te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de man] ,
hierna te noemen: de vader,
geëmigreerd, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats;
de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
de beoogd voogdes.
De kinderrechter merkt op verzoek van de Raad vooralsnog als informanten aan:
[belanghebbenden] ,
hierna: de grootouders vaderszijde,
en
[belanghebbende] ,
hierna: de oom vaderszijde.
Het procesverloop
De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.
Feiten
De kinderrechter leidt het volgende af uit het verzoekschrift.
- de moeder van de kinderen is op 18 maart 2019 in Syrië omgekomen, de vader heeft zich overgegeven aan Koerdische strijders en is gevangen genomen, zijn verblijfplaats is onbekend.- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een vluchtelingenkamp, [verblijfplaats] te Syrië.
Verzoek
Het verzoek strekt er toe ex artikel 1:241 van het Burgerlijk Wetboek, Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (hierna: de gecertificeerde instelling) te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met toepassing van artikel 800 lid 3 Rv, op grond waarvan direct een beslissing kan worden gegeven als een verhoor op een zitting niet kan worden afgewacht zonder direct en ernstig gevaar voor de kinderen.
Volgens de bij het verzoek verstrekte informatie zijn de kinderen geboren in het kalifaat van Islamitische Staat. De moeder zou uit Duitsland naar Syrië zijn gegaan. De vader is in mei 2013 uit Den Haag naar Syrië gereisd om zich bij ISIS aan te sluiten. Hij is door de rechtbank te Den Haag bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar en zijn Nederlandse nationaliteit is in 2017 ingetrokken.
De moeder zou tijdens de tocht van het gezin uit Baghouz naar de noord-Syrische vluchtelingenkampen in maart 2019 door een bombardement zijn omgekomen. Van haar overlijden is geen officieel bericht. Daarna zou de vader zich hebben overgegeven aan Koerdische strijders en zijn gevangengenomen. De kinderen zijn na het verdwijnen van de vader en moeder terechtgekomen in het vluchtelingenkamp [verblijfplaats] in Syrië.
De kinderen hebben onvoldoende voedsel en medische zorg. De Raad maakt zich ernstige zorgen over hun veiligheid en ontwikkeling en richt zich op het uitgangspunt dat de toekomstige verblijfplaats van de kinderen in Nederland moet zijn, aangezien zij hier het familienetwerk van de vader hebben dat zich kan inzetten voor hun verzorging en opvoeding, is het noodzakelijk dat in het gezag over hen wordt voorzien. Zonder toestemming van een wettelijk vertegenwoordiger zullen instanties niet willen en kunnen meewerken om de kinderen naar Nederland te halen.
De Raad stelt - via een bijgevoegd schrijven - dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt kort gezegd ofwel op grond van artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), ofwel op grond van artikel 9 Rv.
De familie van vader heeft foto’s en filmpjes van de vader met de kinderen, die de vader eerder met zijn telefoon naar zijn familie zond. De vader bezat de Nederlands nationaliteit, tot deze in september 2017 werd ingetrokken. Als door DNA onderzoek blijkt dat [minderjarige 1] een kind van de vader is, verkreeg hij bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit. [minderjarige 2] werd geboren toen de vader de Nederlandse nationaliteit niet meer had, maar als broertje van [minderjarige 1] zal ook hij, bij bevestiging door DNA onderzoek, aanspraak op de Nederlands nationaliteit kunnen maken.
De AIVD beschouwt volgens een Ambtsbericht de kinderen als kinderen van de vader.
De kinderen hebben een band met de familie van vader in Nederland. Deze is aantoonbaar, via het contact dat via de telefoon heeft bestaan, tussen de vader, de kinderen, de grootouders vaderszijde en de oom vaderszijde. De familie heeft nu contact via een Nederlandse IS-vrouw die de zorg voor de kinderen draagt. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor verbondenheid van de kinderen met een ander land dan Nederland.
Als een voogd benoemd wordt, kan deze de status van de moeder en van haar familie onderzoeken, overleggen met instanties, en opdracht geven tot DNA verwantschapsonderzoek dat kan plaatsvinden op de Nederlands ambassade in Bagdad of Erbil.
Beoordeling
Rechtsmacht
Allereerst dient beoordeeld te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoekschrift van de Raad.
De Nederlandse rechter heeft naar het oordeel van de rechtbank rechtsmacht op grond van artikel 5 Rv. Dit artikel bepaalt dat de Nederlandse rechter onverminderd artikel 1 Rv in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht heeft indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, waarin hij zich in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. Daarvoor is vereist dat de zaak zodanige aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland heeft, dat het belang van het kind, dat zijn gewone verblijfplaats buiten Nederland heeft, het noodzakelijk maakt dat de Nederlandse rechter zich bevoegd verklaart.
De rechtbank acht zodanige aanknopingspunten aanwezig en acht het in het belang van de kinderen noodzakelijk dat de Nederlandse rechter zich bevoegd verklaart.
De kinderen verblijven in Syrië. De vader had, tot deze werd ingetrokken, volgens de Raad de Nederlands nationaliteit. Uit de gegevens betreffende vader uit het BRP blijkt dat deze in Nederland stond ingeschreven tot zijn emigratie op 3 juni 2015 en dat zijn nationaliteit (nu) onbekend is. Als uit DNA verwantschapsonderzoek blijkt dat de kinderen inderdaad van de vader zijn, zou ook [minderjarige 1] de Nederlandse nationaliteit bezitten. Van [minderjarige 2] kan dan worden vastgesteld dat hij het broertje van [minderjarige 1] is en de zoon van de vader wiens directe bekende familieleden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Deze familieleden hebben een band met de kinderen opgebouwd en onderhouden. Zij ontvangen ook thans nog foto’s en filmpjes van de kinderen. De familie spant zich in om de kinderen naar Nederland te halen.
[minderjarige 1] spreekt volgens de inhoud van het verzoek Nederlands en Engels en verstaat ook Arabisch.
[minderjarige 1] is 3 jaar en [minderjarige 2] is 6 maanden oud. Zij verblijven zonder ouders of familie in een vluchtelingenkamp in Syrië, waar de omstandigheden verschrikkelijk zijn, zo blijkt uit de informatie die daarover beschikbaar is. Nu voor zover bekend de moeder is overleden en de vader in gevangenschap verkeert, en geen gezagsvoorziening is getroffen, is er niemand die in het belang van de kinderen beslissingen kan nemen, hen bescherming biedt of stappen kan zetten om hen in veiligheid te brengen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. De rechtbank acht de zaak -ook met betrekking tot [minderjarige 2] - zodanig verbonden met de Nederlandse rechtssfeer, dat zij in staat is de belangen van de kinderen naar behoren te beoordelen voor zover het gaat om het verzoek de gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij over hen.
Hoewel het dossier geen geboorteaktes van de kinderen bevat en daarom nu geen authentiek stuk bevat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de kinderen uit de vader en de moeder zijn geboren, acht de rechtbank dat vooralsnog voldoende aannemelijk. De rechtbank is van oordeel dat - gelet op de omstandigheden waaronder de kinderen verblijven - niet van de Raad kan worden gevergd dat deze in dit stadium meer bewijs levert. De rechtbank gaat er vanuit dat de mate van verwantschap met de familie van de vader zo snel mogelijk door middel van een DNA-onderzoek op een Nederlandse ambassade zal worden vastgesteld.
Toepasselijk recht
Overeenkomstig de bepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de Nederlandse rechter Nederlands recht toe als zijn interne recht.
Relatieve bevoegdheid
Nu de kinderen hun gewone verblijfplaats in Syrië hebben, is deze rechtbank gelet op artikel 269 Rv relatief bevoegd om van het verzochte kennis te nemen.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van de inhoud van het verzoekschrift met bijlagen en de verklaringen van de gehoorde personen moet thans van het volgende feit worden uitgegaan:
de kinderen staan niet onder het vereiste wettelijk gezag.
Door het overlijden van de moeder en het verdwijnen van de vader is sprake van een gezagsvacuüm.
De kinderrechter is van oordeel dat een verhoor moet plaatsvinden, alvorens verder inhoudelijk wordt beslist. Naar het oordeel van de kinderrechter is op dit moment geen sprake van een situatie waarin dringend en onverwijld noodzakelijk is dat in de gezagsuitoefening over de kinderen wordt voorzien om hun belangen te kunnen behartigen
en is het niet zo dat een verhoor van de belanghebbenden en informanten niet kan worden afgewacht zonder dat onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen ontstaat.
Beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzochte spoedkarakter van het verzoek af;
houdt de behandeling van het verzoekschrift voor het overige aan tot de terechtzitting van 29 augustus 2019 te 16.00 uur;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de Raad voor de Kinderbescherming;
- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
- de grootouders vaderszijde en de oom vaderszijde als informanten.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J.M. Smid-Verhage, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A.W. Hoefnagels als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2019. | ||