HR 10 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5322, NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen).
HR, 09-12-2014, nr. 13/02903
ECLI:NL:HR:2014:3547, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-12-2014
- Zaaknummer
13/02903
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:3547, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 09‑12‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2263, Contrair
ECLI:NL:PHR:2014:2263, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑10‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3547, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑12‑2013
- Vindplaatsen
NJ 2015/427 met annotatie van B.F. Keulen
SR-Updates.nl 2014-0506
NbSr 2015/25 met annotatie van mr. G.P.C. Janssen
NbSr 2015/25 met annotatie van mr. G.P.C. Janssen
Uitspraak 09‑12‑2014
Inhoudsindicatie
Doorzoeking auto i.s.m. art. 121 SvNA. Onherstelbare normschending. Geen bewijsuitsluiting ex art. 413 SvNA. Het Hof heeft geoordeeld dat aangenomen moet worden dat de doorzoeking van de auto van verdachte, waarbij het vuurwapen is aangetroffen, zonder zijn toestemming heeft plaatsgevonden, dat deze doorzoeking is geschied i.s.m. art. 121 SvNA en dat dit een onherstelbare schending oplevert van een voor de procesvoering wezenlijke norm. Het Hof heeft daaraan en aan de omstandigheid dat de verbalisanten onjuiste en/of onvolledige verklaringen hebben afgelegd ex art. 413 SvNA het gevolg verbonden dat het door de normschending veroorzaakte nadeel door strafvermindering moet worden gecompenseerd. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. In de omstandigheid dat het Hof bij zijn afweging van de in aanmerking komende belangen heeft betrokken dat de strafvermindering mede gerechtvaardigd is omdat daarvan een stimulans uitgaat voor verbalisanten geen misverstand te laten bestaan over toestemming voor een doorzoeking, behoefde het Hof geenszins aanleiding te zien zijn oordeel dat bewijsuitsluiting hier een te vergaand rechtsgevolg is nader te motiveren. De opvatting dat het Hof in de gegeven omstandigheden gehouden was van zijn hem in art. 413 SvNA verleende bevoegdheid op die wijze gebruik te maken dat het Hof aan de onderhavige onherstelbare normschending het rechtsgevolg van uitsluiting van het bewijs van het bij de doorzoeking aangetroffen vuurwapen had dienen te verbinden, is onjuist.
Partij(en)
9 december 2014
Strafkamer
nr. S 13/02903 A
CB/ARA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 2 mei 2012, nummer H 182/12, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren in Curaçao op [geboortedatum] 1981.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, aan de door hem geconstateerde normschending niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting heeft verbonden.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
"dat hij op 1 augustus 2012 te Sint Maarten, voorhanden heeft gehad een pistool (merk Smith & Wesson, kaliber 9 millimeter) en tien scherpe patronen."
2.3.
De bestreden uitspraak houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:
"De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De verbalisanten hebben zonder toestemming van de verdachte en derhalve zonder bevoegdheid de auto van de verdachte doorzocht. Het rechtstreeks door het verzuim verkregen bewijsmateriaal moet als onrechtmatig verkregen van het bewijs worden uitgesloten. De enkele bekentenis van de verdachte is onvoldoende voor bewezenverklaring.
Het Hof verwerpt het betoog van de raadsvrouw. Ter toelichting daarvan dient het volgende.
(...)
Ten aanzien van de vraag of er om toestemming voor de doorzoeking van de auto is gevraagd, hebben de verbalisanten als getuigen ter terechtzitting in eerste aanleg verklaringen afgelegd die elkaar uitsluiten. Verbalisant [verbalisant 1] verklaart om toestemming in het Papiaments te hebben gevraagd, terwijl verbalisant [verbalisant 2] verklaart dat [verbalisant 1] dat in het Engels heeft gedaan. Dat kan niet allebei waar zijn.
De gevolgtrekking die het Hof aan het voorgaande verbindt, is dat het ervan uit gaat dat de auto is doorzocht zonder dat toestemming is gegeven.
Dat levert een normschending op in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, nu de verbalisanten in strijd met artikel 121 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gericht en stelselmatig onderzoek in de auto hebben gedaan, zonder dat sprake was van ontdekking op heterdaad. De verbalisanten waren daartoe niet bevoegd, zodat sprake was van een onrechtmatige doorzoeking. Deze normschending is onherstelbaar.
Wat betreft het hieraan te verbinden rechtsgevolg, overweegt het Hof, rekening houdende met de in artikel 413 Sv lid 7 genoemde factoren en in het licht van recente jurisprudentie van de Hoge Raad
(HR 19 februari 2013, BY5322 en HR 9 april 2013, BX4439), als volgt.
Het Hof acht artikel 121 Sv een belangrijk strafvorderlijk voorschrift oftewel een voor de procesvoering wezenlijke norm. De verbalisanten hebben dit voorschrift in aanzienlijke mate geschonden.
Hierdoor is in de eerste plaats de privacy van de verdachte fors geschonden. Ook al bleken de papieren van de verdachte immers in orde, toch heeft de politie verder onderzoek ingesteld en heeft de politie geld van zijn bedrijf aangetroffen, waarna het onderzoek nog verder is voortgezet. Bovendien hebben de verbalisanten in het vervolg van de procedure tegen de verdachte, ofwel in hun ambtsedig proces-verbaal ofwel als beëdigde getuigen ter terechtzitting, onjuiste en/of onvolledige verklaringen afgelegd over de gang van zaken met betrekking tot de doorzoeking van de auto. Hierdoor is de verdachte in ieder geval in het voorbereidend onderzoek en gedurende de eerste inhoudelijke behandeling in eerste aanleg in een nadelige procespositie komen te verkeren, nu het zijn woord was tegen het - bijzondere bewijskracht bezittende, en - door twee politieambtenaren ambtsedig opgemaakte proces-verbaal.
Het Hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbare normschending is begaan, maar dat de normschending niet zonder verdere consequentie kan blijven. Anders dan de eerste rechter en de raadsvrouw acht het Hof, gelet op de maatstaf die de Hoge Raad daarvoor in eerdergenoemde arresten heeft aangelegd, bewijsuitsluiting echter niet de aangewezen consequentie maar moet het door de normschending veroorzaakte nadeel door strafvermindering worden gecompenseerd.
De verdachte heeft immers daadwerkelijk nadeel ondervonden dat is veroorzaakt door het verzuim, het nadeel is geschikt voor compensatie door middel van strafvermindering en strafvermindering is in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim ook gerechtvaardigd. In dit verband is het Hof van oordeel dat het belang van onverkorte bestraffing, van een zakenman die zonder vergunning een vuurwapen in de armconsole van zijn auto heeft als hij in de avonduren in Sint Maarten een som geld gaat storten bij de bank, in dit geval niet opweegt tegen het belang dat is gediend met een correcte toepassing van het dwangmiddel van doorzoeking van de auto in combinatie met het belang van een volledige en waarheidsgetrouwe verantwoording door de politieambtenaren van hun optreden met betrekking tot deze doorzoeking. Het Hof acht de strafvermindering als hierna te melden ook noodzakelijk als stimulans om bij doorzoekingen als de onderhavige - waarbij de rechtmatigheid afhangt van de toestemming van degene wiens recht op privacy in het geding is - geen misverstand kan ontstaan over de vraag of die toestemming is gegeven."
2.4.
Art. 121 Wetboek van Strafvordering voor de Nederlandse Antillen (verder SvNA) zoals voor Sint Maarten van toepassing, luidt:
"1. Opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde voor inbeslagneming vatbare voorwerpen in beslag nemen en daartoe, in geval van ontdekking op heterdaad, zonodig elke plaats betreden.
2. In geval van ontdekking op heterdaad zijn zij ter inbeslagneming tevens bevoegd in voer-, vaar- en luchtvaartuigen gericht en stelselmatig onderzoek te doen.
3. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing."
- Art. 413 SvNA luidt voor zover hier van belang:
"1. Indien normen, daaronder begrepen zowel wettelijk omschreven voorschriften als regels van ongeschreven recht, tijdens het voorbereidend onderzoek of het onderzoek ter terechtzitting, ook ingeval de behandeling van de zaak door de raadkamer plaatsvindt, zijn geschonden, kan de rechter, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of het verzoek van de verdachte of diens raadsman, de normschending herstellen, overeenkomstig de aard en de strekking van de geschonden norm, dan wel bevelen, dat dit zal geschieden. Hij kan daartoe de nodige aanwijzingen geven.
2. Herstel blijft achterwege, indien de normschending niet meer kan worden hersteld en de rechtsgevolgen daarvan reeds uit enige wettelijke regeling voortvloeien.
3. (...).
4. Kan herstel als bedoeld in het eerste en tweede lid niet plaatsvinden, dan blijft de normschending, behoudens in geval van het vijfde lid, zonder gevolgen.
5. De rechter kan in zijn eindvonnis, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij schending van voor de procesvoering wezenlijke normen, na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen, voor zover een bijzondere wettelijke bepaling niet reeds in de gevolgen van de normschending voorziet:
a. dat de hoogte van de straf, in verhouding tot de ernst van de normschending, zal worden verlaagd, indien het door de schending veroorzaakte nadeel langs die weg redelijkerwijze kan worden gecompenseerd;
b. dat de resultaten van het onderzoek, voor zover zij rechtstreeks door middel van de normschending zijn verkregen, niet tot het bewijs van het strafbare feit worden toegelaten, indien redelijkerwijze aannemelijk is, dat de verdachte door het gebruik van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn verdediging is geschaad;
c. dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien door toedoen van de normschending er geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak, die aan de eisen van een eerlijk proces voldoet.
6. (...).
7. Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen houdt de rechter in het bijzonder rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond."
2.5.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat aangenomen moet worden dat de doorzoeking van de auto van de verdachte, waarbij het vuurwapen is aangetroffen, zonder zijn toestemming heeft plaatsgevonden, dat deze doorzoeking is geschied in strijd met art. 121 SvNA en dat dit een onherstelbare schending oplevert van een voor de procesvoering wezenlijke norm. Het Hof heeft daaraan en aan de omstandigheid dat de verbalisanten onjuiste en/of onvolledige verklaringen hebben afgelegd op de voet van art. 413 SvNA het gevolg verbonden dat het door de normschending veroorzaakte nadeel door strafvermindering moet worden gecompenseerd. Bij zijn afweging van de in aanmerking komende belangen heeft het Hof betrokken dat strafvermindering "ook noodzakelijk [is] als stimulans [dat] bij doorzoekingen als de onderhavige (...) geen misverstand kan ontstaan over de vraag of die toestemming is gegeven".
2.5.2.
Aan het middel ligt in de eerste plaats de opvatting ten grondslag dat het Hof in de gegeven omstandigheden gehouden was van zijn hem in art. 413 SvNA verleende bevoegdheid om na een redelijke afweging van belangen een van de in het vijfde lid van die bepaling vermelde rechtsgevolgen aan het verzuim te verbinden, op die wijze gebruik te maken dat het Hof aan de onderhavige onherstelbare normschending het rechtsgevolg van uitsluiting van het bewijs van het bij de doorzoeking aangetroffen vuurwapen had dienen te verbinden. Die opvatting is onjuist.
2.5.3.
Het oordeel van het Hof dat aan de normschending in dit geval het gevolg van strafvermindering moet worden verbonden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. In de omstandigheid dat het Hof bij zijn afweging van de in aanmerking komende belangen heeft betrokken dat de strafvermindering mede gerechtvaardigd is omdat daarvan een stimulans uitgaat voor verbalisanten geen misverstand te laten bestaan over toestemming voor een doorzoeking, behoefde het Hof geenszins aanleiding te zien zijn oordeel dat bewijsuitsluiting hier een te ver gaand rechtsgevolg is nader te motiveren.
2.5.4.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2014.
Conclusie 07‑10‑2014
Inhoudsindicatie
Doorzoeking auto i.s.m. art. 121 SvNA. Onherstelbare normschending. Geen bewijsuitsluiting ex art. 413 SvNA. Het Hof heeft geoordeeld dat aangenomen moet worden dat de doorzoeking van de auto van verdachte, waarbij het vuurwapen is aangetroffen, zonder zijn toestemming heeft plaatsgevonden, dat deze doorzoeking is geschied i.s.m. art. 121 SvNA en dat dit een onherstelbare schending oplevert van een voor de procesvoering wezenlijke norm. Het Hof heeft daaraan en aan de omstandigheid dat de verbalisanten onjuiste en/of onvolledige verklaringen hebben afgelegd ex art. 413 SvNA het gevolg verbonden dat het door de normschending veroorzaakte nadeel door strafvermindering moet worden gecompenseerd. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. In de omstandigheid dat het Hof bij zijn afweging van de in aanmerking komende belangen heeft betrokken dat de strafvermindering mede gerechtvaardigd is omdat daarvan een stimulans uitgaat voor verbalisanten geen misverstand te laten bestaan over toestemming voor een doorzoeking, behoefde het Hof geenszins aanleiding te zien zijn oordeel dat bewijsuitsluiting hier een te vergaand rechtsgevolg is nader te motiveren. De opvatting dat het Hof in de gegeven omstandigheden gehouden was van zijn hem in art. 413 SvNA verleende bevoegdheid op die wijze gebruik te maken dat het Hof aan de onderhavige onherstelbare normschending het rechtsgevolg van uitsluiting van het bewijs van het bij de doorzoeking aangetroffen vuurwapen had dienen te verbinden, is onjuist.
Nr. 13/02903 Zitting: 7 oktober 2014 | Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] |
Verdachte is bij vonnis van 2 mei 2012 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens verboden vuurwapenbezit veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen vuurwapen en de inbeslaggenomen munitie.
Mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel komt er in de kern op neer dat het hof ten onrechte aan een onrechtmatige doorzoeking van de auto van verdachte geen bewijsuitsluiting verbindt, althans dat deze beslissing niet voldoende is gemotiveerd.
Het hof heeft in zijn vonnis het door de raadsvrouw gevoerde verweer, voor zover relevant met het oog op het middel, als volgt samengevat:
“Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De verbalisanten hebben zonder toestemming van de verdachte en derhalve zonder bevoegdheid de auto van de verdachte doorzocht. Het rechtstreeks door het verzuim verkregen bewijsmateriaal moet als onrechtmatig verkregen van het bewijs worden uitgesloten. De enkele bekentenis van de verdachte is onvoldoende voor bewezenverklaring.
5. Het Hof verwerpt het betoog van de raadsvrouw en bespreekt daarbij uitvoerig of op grond van de getuigenverklaringen en verklaringen van de verdachte kan worden aangenomen dat verdachte toestemming heeft gegeven tot de doorzoeking van zijn auto. Uiteindelijk komt het hof tot de conclusie:
“Ten aanzien van de vraag of er om toestemming voor de doorzoeking van de auto is gevraagd, hebben de verbalisanten als getuigen ter terechtzitting in eerste aanleg verklaringen afgelegd die elkaar uitsluiten. Verbalisant [verbalisant 1] verklaart om toestemming in het Papiaments te hebben gevraagd, terwijl verbalisant [verbalisant 2] verklaart dat [verbalisant 1] dat in het Engels heeft gedaan. Dat kan niet allebei waar zijn. De gevolgtrekking die het Hof aan het voorgaande verbindt, is dat het ervan uit gaat dat de auto is doorzocht zonder dat toestemming is gegeven.
Dat levert een normschending op in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, nu de verbalisanten in strijd met artikel 121 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gericht en stelselmatig onderzoek in de auto hebben gedaan, zonder dat sprake was van ontdekking op heterdaad. De verbalisanten waren daartoe niet bevoegd, zodat sprake was van een onrechtmatige doorzoeking. Deze normschending is onherstelbaar.
Wat betreft het hieraan te verbinden rechtsgevolg, overweegt het Hof, rekening houdende met de in artikel 413 Sv lid 7 genoemde factoren en in het licht van recente jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 19 februari 2013, BY5322 en HR 9 april 2013, BX4439), als volgt.
Het Hof acht artikel 121 Sv een belangrijk strafvorderlijk voorschrift oftewel een voor de procesvoering wezenlijke norm. De verbalisanten hebben dit voorschrift in aanzienlijke mate geschonden.
Hierdoor is in de eerste plaats de privacy van de verdachte fors geschonden. Ook al bleken de papieren van de verdachte immers in orde, toch heeft de politie verder onderzoek ingesteld en heeft de politie geld van zijn bedrijf aangetroffen, waarna het onderzoek nog verder is voortgezet. Bovendien hebben de verbalisanten in het vervolg van de procedure tegen de verdachte, ofwel in hun ambtsedig proces-verbaal ofwel als beëdigde getuigen ter terechtzitting, onjuiste en/of onvolledige verklaringen afgelegd over de gang van zaken met betrekking tot de doorzoeking van de auto. Hierdoor is de verdachte in ieder geval in het voorbereidend onderzoek en gedurende de eerste inhoudelijke behandeling in eerste aanleg in een nadelige procespositie komen te verkeren, nu het zijn woord was tegen het - bijzondere bewijskracht bezittende, en - door twee politieambtenaren ambtsedig opgemaakte proces-verbaal.
Het Hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbare normschending is begaan, maar dat de normschending niet zonder verdere consequentie kan blijven. Anders dan de eerste rechter en de raadsvrouw acht het Hof, gelet op de maatstaf die de Hoge Raad daarvoor in eerdergenoemde arresten heeft aangelegd, bewijsuitsluiting echter niet de aangewezen consequentie maar moet het door de normschending veroorzaakte nadeel door strafvermindering worden gecompenseerd.
De verdachte heeft immers daadwerkelijk nadeel ondervonden dat is veroorzaakt door het verzuim, het nadeel is geschikt voor compensatie door middel van strafvermindering en strafvermindering is in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim ook gerechtvaardigd. In dit verband is het Hof van oordeel dat het belang van onverkorte bestraffing, van een zakenman die zonder vergunning een vuurwapen in de armconsole van zijn auto heeft als hij in de avonduren in Sint Maarten een som geld gaat storten bij de bank, in dit geval niet opweegt tegen het belang dat is gediend met een correcte toepassing van het dwangmiddel van doorzoeking van de auto in combinatie met het belang van een volledige en waarheidsgetrouwe verantwoording door de politieambtenaren van hun optreden met betrekking tot deze doorzoeking. Het Hof acht de strafvermindering als hierna te melden ook noodzakelijk als stimulans om bij doorzoekingen als de onderhavige - waarbij de rechtmatigheid afhangt van de
toestemming van degene wiens recht op privacy in het geding is - geen misverstand kan ontstaan over de vraag of die toestemming is gegeven.”
6. Bij het bepalen van de straf heeft het hof de normschending gecompenseerd door af te wijken van de eis van de procureur-generaal en niet een gedeeltelijk maar geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
7. In de cassatieschriftuur wordt het standpunt ingenomen dat het hof, gelet op de hiervoor geciteerde overwegingen, nader had moeten motiveren waarom bewijsuitsluiting niet de aangewezen consequentie is en waarom het hof daarbij niet de omstandigheid heeft betrokken dat het gebruikte bewijs niet op een rechtmatige wijze had kunnen worden verkregen. Daarbij wordt ook gewezen op de omstandigheid dat het hof een sanctie noodzakelijk achtte als stimulans voor een rechtmatig optreden van de politieambtenaren in gevallen als de onderhavige in combinatie met de door het hof vastgestelde schending van het recht op een eerlijk proces, op grond waarvan bewijsuitsluiting meer in de rede ligt dan een strafvermindering.
8. Voor dit standpunt valt veel te zeggen. In zijn arrest van 10 februari 20131.heeft de Hoge Raad een aantal factoren benoemd die van belang zijn voor de vraag of bewijsuitsluiting ten gevolge van een verzuim als bedoeld in art. 359a Sv in de rede ligt.
9. Van belang voor de beoordeling van het middel zijn daarbij in de eerste plaats dat bewijsuitsluiting alleen aan de orde kan komen als het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen. Dat staat op grond van wat het hof heeft overwogen wel vast.
10. Vervolgens moet door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate zijn geschonden,2.waarbij een schending van het in art. 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces. In casu heeft het hof vastgesteld dat er niet alleen sprake is geweest van een forse schending van art. 8 EVRM, maar ook dat verdachtes recht op een eerlijk proces is geschonden doordat de verbalisanten in hun ambtsedig proces-verbaal of als beëdigde getuigen ter terechtzitting, onjuiste en/of onvolledige verklaringen hebben afgelegd over de gang van zaken met betrekking tot de doorzoeking van de auto, waardoor verdachte in ieder geval in het voorbereidend onderzoek en gedurende de eerste inhoudelijke behandeling in eerste aanleg in een nadelige procespositie is komen te verkeren.
11. Verder kan volgens de Hoge Raad ook in gevallen waarin het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar sprake is van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden, toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm. Ondanks het feit dat het hof van oordeel was dat ‘het belang van onverkorte bestraffing, van een zakenman die zonder vergunning een vuurwapen in de armconsole van zijn auto heeft als hij in de avonduren in Sint Maarten een som geld gaat storten bij de bank, in dit geval niet opweegt tegen het belang dat is gediend met een correcte toepassing van het dwangmiddel van doorzoeking van de auto in combinatie met het belang van een volledige en waarheidsgetrouwe verantwoording door de politieambtenaren van hun optreden met betrekking tot deze doorzoeking’ heeft het hof daar geen bewijsuitsluiting aan verbonden.
12. In zijn arrest van 19 februari 2013 heeft de Hoge Raad benadrukt dat het ook bij bewijsuitsluiting gaat om een bevoegdheid van de rechter - en geen verplichting - en dat de rechter bij de toepassing van de wettelijke beoordelingsfactoren ook kan betrekken of bewijsuitsluiting opweegt tegen de te verwachten negatieve effecten indien op een onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan aan zwaarwegende (andere) belangen zoals de waarheidsvinding en bestraffing van de dader van een – mogelijk zeer ernstig – strafbaar feit of de belangen van slachtoffers bij een effectieve bestraffing (rov.2.4.5.). Dat betekent dat de feitenrechter een grote vrijheid toekomt bij de toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in 359a Sv. De vraag is dan vervolgens welke ruimte er nog i n cassatie is om een beslissing, die zoals in onderhavige zaak uitgebreid is gemotiveerd en waarbij blijk is gegeven van de toepassing van de factoren die door de Hoge Raad zijn aangegeven, aan de orde te stellen. Deze vraag is niet alleen voor de feitenrechter van belang, maar ook vanuit het perspectief van d e verdediging relevant, als het gaat om de toetsing van het verbinden van gevolgen aan schending van processuele waarborgen in cassatie.3.
13. De Hoge Raad heeft in zijn voormeld arrest immers ook overwogen dat bij een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, zoals bijvoorbeeld de schending van het recht op rechtsbijstand bij het politieverhoor, ‘- zodra vaststaat dat zich een zodanig vormverzuim heeft voorgedaan – de ruimte om na afweging van de in 2.4.1. genoemde factoren af te zien van de toepassing van bewijsuitsluiting (zeer) beperkt’ zijn. Betekent dit dan niet dat er een extra motiveringsplicht is vereist als in vergelijkbare gevallen van deze lijn wordt afgeweken?
14. De beslissing van het hof om in plaats van bewijsuitsluiting, zoals toegepast door het gerecht in eerste aanleg, strafvermindering toe te passen valt in het licht van de door de Hoge Raad geformuleerde criteria niet goed te begrijpen. Dat geldt met name voor de overweging dat het hof dit gedaan heeft, als noodzakelijke stimulans om bij doorzoekingen als de onderhavige de opsporingsambtenaren tot naleving van de voorschriften te bewegen. Juist in dit soort gevallen acht de Hoge Raad kennelijk juist bewijsuitsluiting op zijn plaats.
15. Wat de toetsing in cassatie aangaat wil ik daarnaast nog opmerken dat de Hoge Raad hoge eisen stelt aan de door hem geformuleerde motiveringsvoorschriften als aan vormverzuimen een gevolg wordt verbonden, met name indien de feitenrechter tot bewijsuitsluiting overgaat.4.Ook van de verdediging wordt vereist dat een verweer met betrekking tot een vormverzuim goed moet worden gemotiveerd.5.Naar mijn mening zou de Hoge Raad eenzelfde toets moeten toepassen op de verwerping van een verweer tot uitsluiting van bewijsmateriaal, indien op zichzelf voldaan is aan de criteria die de Hoge Raad in zijn voornoemd arrest van 19 februari 2014 voor het toepassen van bewijsuitsluiting heeft geformuleerd.
16. In onderhavige zaak heeft de verdediging voldoende duidelijk gemaakt dat gelet op het ontbreken van enig vermoeden van schuld en het ontbreken van toestemming bij de verdachte geen alternatief scenario kan worden bedacht op welke wijze de auto van verdachte dan wel op een rechtmatige wijze zou kunnen zijn doorzocht, zodat hetzelfde bewijsmateriaal langs een andere weg toch zou zijn verkregen, zoals in het middel terecht wordt aangevoerd.6.Gelet op de ernst van de vormverzuimen, waarbij het niet alleen gaat om een onrechtmatige doorzoeking, maar ook om het gebrek aan openheid van de verbalisanten over de precieze toedracht, waarbij volgens het hof zelfs ter zitting beëdigde opsporingsambtenaren onjuiste en/of onvolledige informatie hebben verschaft en waardoor – eveneens volgens de vaststelling van het hof – de verdachte in zijn verdediging is geschaad, acht ik het oordeel van het hof, dat voor bewijsuitsluiting geen plaats is, onvoldoende gemotiveerd.
17. Het middel slaagt.
18. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑10‑2014
HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376
Zie bijvoorbeeld T. Schalken, Een renaissance van vormverzuimen in het strafrecht?, NJB 2013/1301, die aan de orde stelt voor welke problemen het door de Hoge Raad geformuleerde toetsingskader de feitenrechter stelt.
Zie bijvoorbeeld HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BX4439, rov. 2.8
HR 7 januari 2014 ECLI:NL:HR:2014:36NJ 2014/105 en HR 21 januari 2014 ECLI:NL:2014:144, NJ 2014/106 m.nt. Borgers
Borgers formuleert het in zijn noot bij voorgaande arresten als volgt: “Het arrest NJ 2014/105 lijkt daarmee ten opzichte van NJ 2014/106 een extra dimensie te bevatten, namelijk dat bij de inkleding van een op bewijsuitsluiting gericht verweer ook oog dient te bestaan voor (op zichzelf niet onwaarschijnlijke) alternatieve scenario’s waarin hetzelfde bewijsmateriaal langs een andere weg — rechtmatig of onrechtmatig — zou zijn verkregen, waarbij zo nodig moet worden toegelicht waarom ook in het licht van die scenario’s bewijsuitsluiting nog steeds het aangewezen rechtsgevolg is.” Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 27 mei 2014 ECLI:NL:HR:2014:1238 onder punt 8 en 9 die in de betrokken zaak wijst op alternatieve grondslagen die voorhanden waren voor een doorzoeking van de woning.
Beroepschrift 09‑12‑2013
Schriftuur, houdende middelen van cassatie
in de zaak van
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1981 op [geboorteland],
rolnummer: S 13/02903 A (parketnummer: H-182/2012)
Verzoeker tot cassatie, [verdachte], hierna te noemen [verdachte], is bij vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, uitgesproken op 2 mei 2013, veroordeeld, omdat hij
‘op 1 augustus 2012 te Sint Maarten, voorhanden heeft gehad een pistool (merk Smith & Wesson, kaliber 9 millimeter), en tien, scherpe patronen’.
[verdachte] draagt het volgende middel van cassatie voor:
Middel:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn artikel 402 en 413 van het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten geschonden, doordat het hof ten onrechte aan een door hem vastgestelde schending van de wettelijke regels omtrent het doorzoeken van voertuigen niet het rechtsgevolg bewijsuitsluiting heeft verbonden, althans zijn oordeel hieromtrent niet naar behoren met redenen heeft omkleed.
Toelichting:
1.
Het hof heeft, kort samengevat voor zover hier relevant, vastgesteld:
- —
[verdachte] heeft op 1 augustus 2012 als bestuurder van een auto voldaan aan een (kennelijk ter controle op de naleving van de plaatselijke Wegenverkeersverordening) door verbalisant [verbalisant] gegeven stopteken;
- —
hij heeft vervolgens op vordering van de verbalisant zijn papieren ter inzage gegeven;
- —
ofschoon die in orde waren heeft de verbalisant zonder toestemming van [verdachte] en zonder dat verdenking bestond van enig strafbaar feit diens auto doorzocht;
- —
daarbij heeft hij een vuurwapen aangetroffen;,
- —
vervolgens heeft de politie onjuiste en/of onvolledige verklaringen afgelegd over de gang van zaken.
2.
Het hof heeft geoordeeld dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 413 lid 7 Sv, omdat de verbalisant(en) zonder daartoe bevoegd te zijn, in strijd met art. 121 Sv, namelijk zonder dat sprake was van een ontdekking op heterdaad en zonder toestemming van [verdachte], zijn auto hebben doorzocht en vervolgens hebben geprobeerd dit toe te dekken. Er bestond een direct causaal verband tussen de onrechtmatige doorzoeking en de vondst van het wapen, zoals verlangd in de memorie van toelichting op de Nederlandse Wet vormverzuimen,1. die hier — nu sprake is van concordante wetgeving — dient te worden gevolgd. Van belang is verder dat het doorzoeken van de auto, bij gebrek aan wettelijke grondslag, alleen met uitdrukkelijke toestemming van [verdachte] (die, naar het hof vaststelde, niet werd gegeven) had kunnen plaatsvinden. Bij rechtmatig optreden van de politie had het vuurwapen van [verdachte], met andere woorden, nooit kunnen worden gevonden.
3.
Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat een belangrijk strafvorderlijk voorschrift is geschonden, ‘oftewel een voor de procesvoering wezenlijke norm’. Door de wijze, waarop vervolgens is geprobeerd dit vormverzuim toe te dekken (zo begrijpt [verdachte]), is hij naar het — terechte — oordeel van het hof in een nadelige procespositie komen te verkeren (waardoor, zo begrijpt hij, ook van een fair trial geen sprake meer was).
4.
Het hof heeft op grond hiervan terecht vastgesteld dat het begane verzuim niet zonder gevolgen kon blijven. De eerste rechter kwam tot bewijsuitsluiting; in beroep is door de verdediging eveneens bewijsuitsluiting bepleit. Het hof heeft echter gekozen voor strafvermindering. Die beslissing heeft het uitsluitend toegelicht met een verwijzing naar ‘de maatstaf die de Hoge Raad (…) in eerdergenoemde arresten heeft aangelegd’ (gedoeld werd op HR 19 februari 2013, BY5322, en HR 9 april 2013, BX4439; het gaat in het bijzonder om het eerste arrest). De verder door het hof gegeven overwegingen hebben slechts betrekking op de vraag waarom niet is volstaan met de enkele constatering van het begane verzuim. Gelet op de eerder door de eerste rechter gekozen positie en op het door de verdediging uitdrukkelijk en onderbouwd gevoerde verweer had het hof hiermee niet mogen volstaan, maar aan de hand van de in artikel 413 lid 7 genoemde criteria, zoals uitgelegd in onder meer voornoemde arresten, moeten aangeven waarom het de bepleite bewijsuitsluiting niet wenste toe te passen, en in het bijzonder moeten aangeven waarom het aan de omstandigheid, dat het gebruikte bewijs niet op rechtmatige wijze had kunnen worden verkregen, geen gewicht heeft toegekend.
5.
Een en ander klemt temeer nu het hof zelf heeft opgemerkt dat een procedurele sanctie op Sint Maarten noodzakelijk is als stimulans om bij doorzoekingen geen misverstand te laten ontstaan over de vraag of daartoe al dan niet toestemming is gegeven. Terecht heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2013 voornoemd juist bewijsuitsluiting in dergelijke gevallen aangewezen als een passende reactie. De bijzondere combinatie van schending van fair trial en de behoefte aan een krachtig voorbeeld dwong naar het oordeel van [verdachte] tot bewijsuitsluiting.
[verdachte] kiest te dezer zake woonplaats ten kantore van Hendriks Keulers Hamm Reijntjes Advocaten, Alexander Battalaan 65, 6221 CC Maastricht, van welk kantoor Mr. C. Reijntjes-Wendenburg verklaart deze schriftuur te hebben ondertekend en ingediend, tot welke ondertekening en indiening zij door rekwirant van cassatie bepaaldelijk is gevolmachtigd.
Maastricht,9 december 2013
Mr. C. Reijntjes Wendenburg
Gemachtigde
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 09‑12‑2013
Wet van 14 september 1995, Stb. 441, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering (Wet vormverzuimen),.