Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.2.1
3.2.1 Inhoud / Terminologische precisering / Verhouding tot andere bevoegdheden
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS589470:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 3:210 lid 1 BW (vruchtgebruik) en art. 3:246 lid 1 BW (pand).
Zie o.a. A.J. Verdaas in zijn noot onder Rb. Leeuwarden 18 augustus 2004, JOR 2004/313 (ING/Verdonk q.q.); A. Steneker in zijn noot onder Hof Leeuwarden 26 oktober 2005, JOR 2006/22 (ING/Verdonk q.q. ); Bartels 2007b; en Verdaas 2008a, nr. 234.
In het Van Dale woordenboek wordt innen onder meer omschreven als het 'in ontvangst nemen', hetgeen duidt op de passieve component. Het is tevens een synoniem voor 'invorderen' of 'beuren' (belastingen, contributies innen), waarbij 'invorderen' 'betaling eisen' betekent, hetgeen wijst op de actieve component.
Vgl. o.a. Heemskerk 1974; H.J. Snijders 1992b, p.18 e.v.; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 32.
Zie hiervóór nr. 15.
Zie in dezelfde zin, Faber 2005, nr. 294; en N.E.D. Faber in zijn noot (sub 2.2) onder HR 24 april2009, JOR 2010/22 (Dekker q.q./Lutèce).
Zie o.a. Asser/Perrick 4* 2009, nr. 524; B.M.E.M. Schols 2007, p. 344
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 655; Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1160; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 352, 362a en 881.
Zie o.a. Kortmann 1994a, p. 221; Asser/Kortmann S-Ill 1994, nr. 168; Asser 1999, p. 496, nt. 31; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 281. Vgl. Rb. Zutphen 23 november 1989, NJ 1991,89. Anders: Groefsema 1993, p. 16-17 en p. 111 e.v.; en F.E. Vermeulen 2005, p. 166, r.k.
Vgl. art. 5:1 lid 2 BW; en Van Gaalen 2001, par. 9.3 die het gebruik alleen op zaken betrekt. Het begrip gebruik kan daarnaast ook betrekking hebben op de objecten van intellectuele eigendomsrechten, zoals het gebruik van een merk of handelsnaam.
Zie Kortmann 1973, p. 434; en zie ook, in het kader van de huur van vorderingen, hierna nr. 443. Anders: Heemskerk 1974, p. 9.
Zie art. 3:207 lid 2 BW bij vruchtgebruik; art. 3:170 lid 1 en lid 2 BW en art. 3:169 BW bij gemeenschap; en vgl. art. 4:166 BW bij testamentair bewind.
De wetsbepalingen die spreken over het gebruik van goederen (zoals art. 3:168 BW, art. 3:201 en 3:207 lid 1 BW en art. 4:166 BW) hebben dan ook geen betrekking op vorderingen. Vgl. ook over (de mogelijkheid tot) de huur van vorderingen, hierna nr. 443.
63. De inningsbevoegdheid is de bevoegdheid om in en buiten rechte nakoming te vorderen en betalingen in ontvangst te nemen.1 De bevoegdheid om in rechte nakoming te vorderen (de procesbevoegdheid) kan verder in een aantal procesrechtelijke bevoegdheden worden onderverdeeld. De inningsbevoegdheid wordt ingekleurd door diverse bepalingen in Boek 3, 6, 7 en 8 BW, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet. Het BW kent nergens de 'inningsbevoegdheid' als zodanig toe aan de schuldeiser van een vordering. De bevoegdheid blijkt evenwel uit verschillende bepalingen, zoals art. 3:296 BW, art. 6:32 e.v. BW, art. 6:38-39 BW, (bij koop) art. 7:21 BW en de bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Over de inningsbevoegdheid kan wel als zodanig worden gesproken. Voor de rechtsgevolgen van de uitoefening daarvan dient echter te worden onderscheiden tussen de bevoegdheid om betalingen in ontvangst te nemen, de bevoegdheid om buiten rechte nakoming te vorderen en de bevoegdheid om in rechte nakoming te vorderen.
64. Binnen de inningsbevoegdheid kan het onderscheid worden gemaakt tussen de 'actieve' inningsbevoegdheid en de 'passieve' inningsbevoegdheid.2 De passieve inningsbevoegdheid is het in ontvangst nemen van betalingen. De actieve inningsbevoegdheid is het (in en buiten rechte) eisen van nakoming.3
In de literatuur wordt ook wei onderscheiden tussen het materiële recht van de schuldeiser, de bevoegdheid om dat recht geldend te maken (het 'vorderingsrecht' of 'ius agendi') en het daartoe te bezigen processuele middel (de 'rechtsvordering' of 'actie').4 Deze begrippen laten zich als volgt vertalen. Het materiële recht van de schuldeiser is zijn recht op de prestatie. Hij is bevoegd van de prestatie te genieten en om het geïnde te behouden. De bevoegdheid om het recht (de vordering) geldend te maken (het 'ius agendi') is de inningsbevoegdheid, en met name de bevoegdheid om nakoming te eisen. Het begrip 'rechtsvordering' of 'actie' (art. 3:296 BW) is (bij vorderingen) de bevoegdheid van de schuldeiser om in rechte nakoming te eisen van zijn schuldenaar.
Het begrip 'vordering' wordt in de literatuur en rechtspraak ook gebruikt om de bevoegdheid om nakoming te vorderen (eisen) te omschrijven. Men schrijft bijvoorbeeld dat de inningsbevoegde een vordering tot nakoming heeft.5 Door het gebruik van het begrip 'vordering' kan daardoor ten onrechte de indruk worden gewekt alsof naast de vordering nog een (andere) vordering (verbintenis) zou bestaan, terwijl alleen nakoming wordt geëist van een bestaande verbintenis. Het vorderen van nakoming is niet meer dan het uitoefenen van de bevoegdheid om nakoming te eisen van de schuldenaar. Deze bevoegdheid maakt onderdeel uit van de vordering. De vordering is een bundel van bevoegdheden6 waar de inningsbevoegdheid onderdeel van uitmaakt.
Het begrip 'vordering' wordt soms ook gebruikt om kortheidshalve het instellen van een 'rechtsvordering' mee aan te geven. Het in rechte uitoefenen van een bevoegdheid, zoals de bevoegdheid tot vernietiging op grond van art. 3:45 BW (actio Pauliana) of art. 42. e.v. Fw (de faillissementspauliana), wordt bijvoorbeeld omschreven als een 'rechtsvordering' en daarna (kortheidshalve) als een 'vordering'. Hierdoor kan ten onrechte de indruk worden gewekt dat de schuldeiser een vordering (in de zin van een vermogensrecht) heeft, terwijl aan hem alleen een bevoegdheid (tot vernietiging) toekomt.7
In deze studie wordt het begrip vordering alleen gebruikt om het vermogensrecht van de schuldeiser aan te duiden. Het begrip bevoegdheid wordt gebruikt om de bevoegdheden van de schuldeiser aan te duiden.
65. In sommige regelingen wordt niet gesproken van de inningsbevoegdheid, maar alleen van de bevoegdheid om een goed te gelde te maken, de beschikkingsbevoegdheid, de beheersbevoegdheid en/of de bevoegdheid om een goed te gebruiken. Het is de vraag of deze bevoegdheden de inningsbevoegdheid omvatten.
Wordt gesproken over het te gelde maken van een goed (al dan niet in het kader van de 'vereffening' of 'executie' van het goed), dan luidt het antwoord op deze vraag bevestigend.8 Hetzelfde geldt voor het beheren van goederen. De inningsbevoegdheid maakt onderdeel uit van de beheersbevoegdheid.9
Het beschikken over een goed daarentegen omvat niet de inning van een vordering.10 Beschikken heeft betrekking op het goed als zodanig, zoals bij overdracht en bezwaring. Inning is de uitoefening van een van de bevoegdheden uit de vordering. Uit verschillende regelingen, zoals die van bewind, volgt dat het innen van een vordering door de wetgever niet als een beschikkingsdaad wordt beschouwd. Daaraan doet niet af dat door de inning de vordering tenietgaat.
Het begrip 'gebruik' ziet op feitelijke handelingen en heeft betrekking op met name zaken.11 Het begrip leent zich slecht om de bevoegdheden van een schuldeiser aan te duiden, in het bijzonder diens inningsbevoegdheid.12 In verschillende regelingen wordt het gebruik van een goed onderscheiden van het beheer daarvan.13 Het gaat blijkens de desbetreffende wetsbepalingen om twee verschillende bevoegdheden. Omdat de inning van een vordering onder het beheer daarvan valt, volgt uit deze wetsbepalingen dat onder het gebruik van de vordering niet de inning daarvan moet worden begrepen.14