AB 2018/400
Geen rechtstreekse werking van richtlijnbepalingen in gedingen tussen particulieren.
HvJ EU 07-08-2018, ECLI:EU:C:2018:631, m.nt. M.J.M. Verhoeven (Smith)
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
7 augustus 2018
- Magistraten
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, T. von Danwitz, J. L. da Cruz Vilaça, A. Rosas en J. Malenovský, , E. Juhász, A. Borg Barthet, A. Arabadjiev, A. Prechal, E. Jarašiūnas, K. Jürimäe, C. Lycourgos
- Zaaknummer
C-122/17
- Noot
M.J.M. Verhoeven
- Roepnaam
Smith
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS929808:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:EU:C:2018:631, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 07‑08‑2018
ECLI:EU:C:2018:223, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 10‑04‑2018
- Wetingang
Art. 288 VWEU; art. 1 Derde Richtlijn
Essentie
Geen rechtstreekse werking van richtlijnbepalingen in gedingen tussen particulieren.
Samenvatting
Het Unierecht, en met name art. 288 VWEU, moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie die uitspraak dient te doen in een geschil tussen particulieren en niet in staat is de bepalingen van zijn nationale recht die in strijd zijn met een bepaling van een richtlijn die voldoet aan alle voorwaarden voor rechtstreekse werking, uit te leggen op een wijze die conform is met laatstgenoemde bepaling, uitsluitend op basis van het Unierecht niet verplicht is die nationale bepalingen, en een contractueel beding dat overeenkomstig laatstgenoemde bepalingen ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.