HR 20 mei 1986, NJ 1987/130 en HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1112. Naast echte sleutels die worden gebruikt in strijd met de bestemming die de rechthebbende daaraan heeft gegeven zijn er ook nog andere voorwerpen dan sleutels die worden gebruikt om een slot te openen, die ook onder de valse sleutels worden gerangschikt. Zie de conclusie van mijn ambtgenoot mr. Knigge voor HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1012.
HR, 20-03-2018, nr. 15/05029
ECLI:NL:HR:2018:370
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-03-2018
- Zaaknummer
15/05029
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:370, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 20‑03‑2018; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1591
ECLI:NL:PHR:2017:1591, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 19‑12‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:370
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑06‑2017
- Vindplaatsen
NJ 2018/325 met annotatie van N. Rozemond
Uitspraak 20‑03‑2018
Inhoudsindicatie
Diefstal van auto en autosleutel d.m.v. valse sleutel, art. 310 jo. 311.1.5 Sr. Staat toestemming van feitelijke eigenaar en/of van degene op wiens naam de auto stond tot wegnemen daarvan in de weg aan “oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening”? ’s Hofs oordeel dat verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening de autosleutel en de personenauto heeft weggenomen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. De HR neemt daarbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte zonder toestemming van de feitelijke gebruiker van de auto de sleutel van de auto, die zich bevond in de woning die bij deze feitelijke gebruiker van de auto in gebruik was, heeft weggenomen en deze sleutel en daarmee de auto onder zijn bereik heeft gebracht doordat hij zich, met zijn mededader, de toegang tot die woning had verschaft d.m.v. het ongeoorloofde gebruik van een huissleutel - en dus d.m.v. een valse sleutel - met de bedoeling zich eigenmachtig uit de opbrengst van de auto schadeloos te stellen.
Partij(en)
20 maart 2018
Strafkamer
nr. S 15/05029
JHO/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2015, nummer 23/002816-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S. Schuurman, advocaat te Breukelen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat de verdachte toestemming had om de auto mee te nemen en dat hij dus niet heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij omstreeks 8 juli 2011 te Naarden, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning ( [a-straat 1] ) heeft weggenomen een autosleutel (behorende bij een personenauto, merk Landrover kenteken [AA-00-BB] ) en nabij deze woning een personenauto (merk Landrover, kenteken [AA-00-BB] ) en uit voornoemde personenauto een paspoort op naam van [betrokkene 1] , geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 1] :
"Ik heb een huis gehuurd, ik geloof dat het adres [a-straat 1] in Naarden is. Vorige week kwamen [verdachte] en een andere jongen bij mij thuis. Deze mannen hebben mijn auto meegenomen, een Landrover Discovery, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] . Dit heeft op vrijdagnacht 8 juli (het hof begrijpt: 2011) plaatsgevonden. [verdachte] heeft de sleutel van mijn woning bij de huisbaas geregeld en is zo bij mij binnengekomen. Ik had [verdachte] op een eerder moment verteld dat ik daar woonde. Ik huurde de woning via ene [betrokkene 2] . De jongen die met [verdachte] mijn woning is binnengekomen heet [betrokkene 3] .
Dit geld (het hof begrijpt: dat voor de reparatie van een auto betaald moest worden), die € 3500,- wil [verdachte] van mij hebben. Ik heb alleen geen geld. [verdachte] wilde dat geld hebben. Ook wilde hij de papieren van mijn auto.
Ik had niemand de toestemming gegeven om de woning te betreden. Zoals ik al eerder vertelde had [verdachte] de sleutel van mijn appartement weten te bemachtigen. Terwijl ik sliep hebben ze kennelijk de sleutel van mijn auto uit mijn woning gepakt en hebben ze de auto weggehaald."
2. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 1] :
"Ik wens aangifte te doen van diefstal door [verdachte] . Ze hebben mijn autosleutels gepakt en mijn auto weggenomen.
[verdachte] is mijn woning binnengekomen omdat hij een sleutel heeft geregeld bij de vriendin van mijn huisbaas met een smoes. De vriendin van [betrokkene 2] is [betrokkene 4] . [verdachte] heeft gezegd dat ik een belangrijke afspraak had en weleens wat vergeet en dat hij daarom de sleutel wilde hebben van mijn huis om mij de volgende morgen wakker te maken en op te halen. [betrokkene 4] heeft de sleutel toen aan [verdachte] gegeven.
Ik wens dan ook uitdrukkelijk aangifte te doen tegen [verdachte] van diefstal van mijn auto, een Land Rover. Hij heeft mijn paspoort gestolen."
3. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
"Ik ben die vrijdagavond 8 juli 2011 om 19.00 uur naar Naarden geweest. Dat was de tijdelijke woning van [betrokkene 1] .
[betrokkene 1] lag te slapen. Van de eigenaar van de woning, [betrokkene 2] , had ik een huissleutel gekregen. Ik ben samen met [betrokkene 3] de woning binnengegaan en ik heb de autosleutels van de Landrover gepakt. Deze lagen op tafel. Ik heb vervolgens de deur dicht getrokken, ben in de Landrover gestapt en weggereden. [betrokkene 1] lag nog gewoon als een marmot in zijn bed. Ik ben toen naar het huis van [betrokkene 5] in Huizen gereden. Dat is de man die [betrokkene 1] dit jaar 130.000 euro heeft geleend. Ik had in de Landrover het paspoort van [betrokkene 1] gevonden en dat heb ik aan [betrokkene 5] afgegeven. De Landrover had ik geparkeerd in de buurt van het huis van [betrokkene 5] . Vervolgens ben ik samen met [betrokkene 3] teruggegaan naar de woning van [betrokkene 1] in Naarden. Ik heb [betrokkene 1] gezegd dat hij vandaag mijn schuld zou betalen. Het gaat om 3500 euro. Toen heb ik tegen [betrokkene 1] gezegd dat ik de auto bij [betrokkene 5] had gezet en dat ook zijn paspoort daar was. [betrokkene 1] was mij nog geld schuldig. Ik heb tegen [betrokkene 1] gezegd: "wees een man en kom je afspraken na". We zouden die Landrover belenen, zodat ik geld kon krijgen. Ik vroeg ook [betrokkene 1] om een kentekenbewijs, dat had hij in zijn zak zitten.
Ik had die vrijdag geen toestemming van [betrokkene 1] de Landrover en de autosleutels mee te nemen.
U vraagt mij waarom ik het paspoort van [betrokkene 1] aan [betrokkene 5] heb gegeven. Omdat [betrokkene 5] nog 130.000 euro van [betrokkene 1] krijgt. U vraagt mij wat er met het paspoort is gebeurd. Ik heb dat een paar dagen later weer bij [betrokkene 5] opgehaald. Ik begrijp dat de politie het bij mij in beslag heeft genomen."
4. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 maart 2015, voor zover inhoudende:
"Het klopt dat het conflict ging om de rekening van de garage. [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) moet zijn openstaande schuld jegens mij nog aflossen, maar hij komt zijn beloften nooit na. Ik heb in de avond van 8 juli 2011 samen met [betrokkene 3] de woning in Naarden waarin [betrokkene 1] verbleef betreden. Deze woning is aan [betrokkene 1] verhuurd door [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft mij vrijwillig de sleutel van de woning gegeven. Bij binnenkomst in de woning zag ik dat [betrokkene 1] lag te slapen. Toen ik de autosleutel zag liggen, heb ik deze gepakt en heb ik de auto vervolgens verplaatst. Daarvoor had ik op dat moment geen toestemming van [betrokkene 1] . Besloten is om de auto op naam van de vader van [betrokkene 1] te zetten. [betrokkene 1] was echter degene die de auto toen regelmatig gebruikte. De schuld die [betrokkene 1] nog aan mij had zou nu met de opbrengst van de auto worden afbetaald."
2.2.3.
Het Hof heeft voorts het volgende overwogen:
"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Daaraan is kort gezegd ten grondslag gelegd dat de verdachte
- (...);
- niet opzettelijk en wederrechtelijk de autosleutel en auto heeft weggenomen, omdat hij daartoe de toestemming had van zowel de feitelijke eigenaar van de auto, te weten [betrokkene 6] , als van de juridische eigenaar van de auto op wiens naam de auto stond, te weten [betrokkene 7] , en omdat hij de auto al wel vaker gebruikte.
(...)
Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.
Uit de stukken van het dossier blijkt dat [betrokkene 1] de feitelijke gebruiker was van de woning en van de auto ten tijde van het binnengaan door de verdachte van die woning en het daaruit wegnemen van de autosleutel (waarmee de verdachte vervolgens de auto heeft weggenomen, waarin zich het paspoort van [betrokkene 1] bevond). Ook blijkt uit die stukken dat de verdachte geen toestemming had gekregen van [betrokkene 1] om op dat moment de woning te betreden of om de autosleutel weg te nemen. Dat brengt mee dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van deze goederen met gebruik van een valse sleutel, zoals bedoeld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
(...)
Dat de verdachte toestemming zou hebben gehad van de feitelijke eigenaar van de auto en van degene op wiens naam de auto stond om zich de auto toe te eigenen en deze te gelde te maken teneinde een schuld die [betrokkene 1] aan hem had te verhalen, maakt niet dat van opzettelijke wederrechtelijke toe-eigening geen sprake was. Naar de verdachte bekend was, was [betrokkene 1] in elk geval de feitelijke gebruiker van de auto.
[betrokkene 1] moet worden beschouwd als degene aan wie de auto toebehoorde in de zin van artikel 310 Sr. De verdachte heeft door zijn handelen de autosleutel, auto en het paspoort opzettelijk wederrechtelijk onttrokken aan de feitelijke heerschappij van [betrokkene 1] en zich dus schuldig gemaakt aan diefstal van die auto en dat paspoort. Ten overvloede verdient daarbij opmerking dat [betrokkene 7] de auto niet gebruikte en deze - zo heeft de verdachte verklaard - alleen op zijn naam gezet had gekregen om de auto aan een door de deurwaarder gelegd beslag te onttrekken."
2.3.
Het oordeel van het Hof dat de verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening de autosleutel en de personenauto heeft weggenomen geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte zonder toestemming van [betrokkene 1] de sleutel van de auto, die zich bevond in de woning die bij [betrokkene 1] in gebruik was, heeft weggenomen en deze sleutel en daarmee de auto onder zijn bereik heeft gebracht doordat hij zich, met zijn mededader, de toegang tot die woning had verschaft door middel van het ongeoorloofde gebruik van een huissleutel - en dus door middel van een valse sleutel - met de bedoeling zich eigenmachtig uit de opbrengst van de auto schadeloos te stellen.
2.4.
Het middel faalt derhalve.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 150 uren.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 142 uren, subsidiair 71 dagen hechtenis, bedragen;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2018.
Conclusie 19‑12‑2017
Inhoudsindicatie
Diefstal van auto en autosleutel d.m.v. valse sleutel, art. 310 jo. 311.1.5 Sr. Staat toestemming van feitelijke eigenaar en/of van degene op wiens naam de auto stond tot wegnemen daarvan in de weg aan “oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening”? ’s Hofs oordeel dat verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening de autosleutel en de personenauto heeft weggenomen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. De HR neemt daarbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte zonder toestemming van de feitelijke gebruiker van de auto de sleutel van de auto, die zich bevond in de woning die bij deze feitelijke gebruiker van de auto in gebruik was, heeft weggenomen en deze sleutel en daarmee de auto onder zijn bereik heeft gebracht doordat hij zich, met zijn mededader, de toegang tot die woning had verschaft d.m.v. het ongeoorloofde gebruik van een huissleutel - en dus d.m.v. een valse sleutel - met de bedoeling zich eigenmachtig uit de opbrengst van de auto schadeloos te stellen.
Nr. 15/05029 Zitting: 19 december 2017 | Mr. A.J. Machielse Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 8 oktober 2015 voor: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het hof van het verweer dat verdachte toestemming van de rechthebbende had om de auto mee te nemen. Daartoe wordt onder meer verwezen naar hetgeen het hof heeft overwogen over de inhoud van de verklaring die de niet-verschenen getuige zou hebben kunnen afleggen.
3.2. Ter terechtzitting heeft de advocaat van verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een sleutel van de woning waarin [betrokkene 1] verbleef heeft gekregen, opdat verdachte [betrokkene 1] wakker zou kunnen maken als deze bijvoorbeeld naar het ziekenhuis zou moeten. [betrokkene 1] was daarvan op de hoogte. [betrokkene 1] had schulden bij verschillende mensen, onder wie verdachte. Verdachte zou met de vader van aangever hebben afgesproken dat de nieuwe kentekenpapieren van de auto naar verdachte zouden gaan. De auto stond op naam van aangevers vader en deze heeft inderdaad zijn medewerking verleend. Aangever zelf heeft het kenteken naar zijn vader overgeschreven. Verdachte heeft de auto met toestemming van de juridische eigenaar, [betrokkene 6], meegenomen. Dat betekende dat aangever [betrokkene 1] niet meer bevoegd was om de auto te gebruiken. Verdachte zelf heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de woning binnen is gegaan met de sleutel die hij van de eigenaar van de woning heeft gekregen, dat hij de autosleutel zag liggen, die heeft gepakt en toen [betrokkene 6] heeft gebeld. Zij heeft hem toen toestemming gegeven.
3.3. Het hof had ter terechtzitting van 18 maart 2015 beslist dat deze [betrokkene 6] ter terechtzitting zou worden gehoord. Op 24 september 2015 is deze getuige niet verschenen. De verdediging heeft verzocht deze getuige alsnog op te roepen en het hof heeft besloten daarvan af te zien, maar veronderstellenderwijs uit te zullen gaan van de juistheid van wat de verdediging ter terechtzitting naar voren heeft gebracht over wat de getuige [betrokkene 6] kan verklaren. Dat komt erop neer dat de auto feitelijk/economisch haar eigendom was, dat zij de auto had betaald, dat zij verdachte tevoren toestemming heeft gegeven om de auto te verplaatsen en later om de auto te verkopen.
3.4. Het hof heeft bewezenverklaard dat:
"hij omstreeks 8 juli 2011 te Naarden, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning ([a-straat 1]) heeft weggenomen een autosleutel (behorende bij een personenauto, merk Landrover kenteken [AA-00-BB]) en nabij deze woning een personenauto (merk Landrover, kenteken [AA-00-BB]) en uit voornoemde personenauto een paspoort op naam van [betrokkene 1], geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel."
3.5. Onder het hoofd "Bespreking van de bewijsverweren" heeft het hof in het arrest het volgende opgenomen:
"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Daaraan is kort gezegd ten grondslag gelegd dat de verdachte
- de woning van [betrokkene 1] niet onrechtmatig zonder toestemming is binnengetreden, omdat hij beschikte over een sleutel van die woning die hem in bijzijn van [betrokkene 1] door de eigenaar van de woning was gegeven met het doel [betrokkene 1] op bepaalde dagen wakker te kunnen maken;
- niet opzettelijk en wederrechtelijk de autosleutel en auto heeft weggenomen, omdat hij daartoe de toestemming had van zowel de feitelijke eigenaar van de auto, te weten [betrokkene 6], als van de juridische eigenaar van de auto op wiens naam de auto stond, te weten [betrokkene 7], en omdat hij de auto al wel vaker gebruikte.
Voorts is aangevoerd dat de aangever [betrokkene 1] als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt, gelet op de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen en zijn pogingen tot het beïnvloeden van de getuige [betrokkene 7] teneinde hem in het nadeel van de verdachte te laten verklaren, aldus de raadsman.
Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.
Uit de stukken van het dossier blijkt dat [betrokkene 1] de feitelijke gebruiker was van de woning en van de auto ten tijde van het binnengaan door de verdachte van die woning en het daaruit wegnemen van de autosleutel (waarmee de verdachte vervolgens de auto heeft weggenomen, waarin zich het paspoort van [betrokkene 1] bevond). Ook blijkt uit die stukken dat de verdachte geen toestemming had gekregen van [betrokkene 1] om op dat moment de woning te betreden of om de autosleutel weg te nemen. Dat brengt mee dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van deze goederen met gebruik van een valse sleutel, zoals bedoeld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De verdachte was zonder toestemming van [betrokkene 1] niet gerechtigd de woning op dat moment en met dat doel te betreden. Het gebruik door de verdachte van de sleutel van de woning terwijl hij daartoe geen recht had, maakt deze tot een valse sleutel in de zin van artikel 311 Sr (vgl. HR 20 mei 1986, NJ 1987/130 en HR 5 december 1989, DD 90/143). Dat de verdachte de sleutel van de eigenaar van de woning had gekregen doet daar niet aan af, net zomin als de verklaring van de verdachte dat hij de sleutel had gekregen om [betrokkene 1] wakker te maken, omdat - wat daar verder ook van zij - de verdachte niet met dat doel de woning is binnengegaan, maar met de bedoeling de autosleutel weg te nemen.
Dat de verdachte toestemming zou hebben gehad van de feitelijke eigenaar van de auto en van degene op wiens naam de auto stond om zich de auto toe te eigenen en deze te gelde te maken teneinde een schuld die [betrokkene 1] aan hem had te verhalen, maakt niet dat van opzettelijke wederrechtelijke toe-eigening geen sprake was. Naar de verdachte bekend was, was [betrokkene 1] in elk geval de feitelijke gebruiker van de auto. [betrokkene 1] moet worden beschouwd als degene aan wie de auto toebehoorde in de zin van artikel 310 Sr. De verdachte heeft door zijn handelen de autosleutel, auto en het paspoort opzettelijk wederrechtelijk onttrokken aan de feitelijke heerschappij van [betrokkene 1] en zich dus schuldig gemaakt aan diefstal van die auto en dat paspoort. Ten overvloede verdient daarbij opmerking dat [betrokkene 7] de auto niet gebruikte en deze - zo heeft de verdachte verklaard - alleen op zijn naam gezet had gekregen om de auto aan een door de deurwaarder gelegd beslag te onttrekken.
Met betrekking tot de verklaringen van aangever [betrokkene 1] overweegt het hof dat het feit dat deze op enkele punten tegenstrijdig zijn of onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal niet meebrengt dat niets van wat hij heeft verklaard bruikbaar is voor het bewijs. Voor zover het hof zijn verklaring voor het bewijs gebruikt, vindt deze in belangrijke mate steun in de verklaring van de verdachte."
3.6. De eerste vraag, die ook in de schriftuur centraal staat, is wat het effect zou zijn van de toestemming die [betrokkene 6] aan verdachte zou hebben gegeven om de auto mee te nemen en nadien om deze te verkopen. Volgens de verdediging kan er onder die omstandigheden niet meer van wederrechtelijke toe-eigening gesproken worden. Deze formulering sluit niet precies aan bij de inhoud van artikel 310 Sr waar immers sprake is van wegneming met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Daarom lees ik het verweer aldus dat bedoeld is te betogen dat verdachte niet heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, omdat hij toestemming had van de feitelijk/economisch eigenares van de auto om die auto mee te nemen. Van dat laatste is ook het hof uitgegaan.
3.7. De gelijkstelling van het feitelijk gebruik door [betrokkene 1] van de auto en het toebehoren aan [betrokkene 1] in de zin van artikel 310 Sr waarvan het hof uitgaat, acht ik niet vanzelfsprekend. Als dat wel zo zou zijn zou de verhouding met artikel 321 Sr naar mijn inschatting problematisch worden. Degene die een auto van een ander feitelijk mag gebruiken en uit dien hoofde de auto anders dan door misdrijf onder zich heeft, en vervolgens die auto eigenmachtig verkoopt, zou zich niet schuldig kunnen maken aan verduistering als het enkele feit van het feitelijk gebruik maken met toebehoren mag worden gelijkgesteld. Er zal toch wel dan mogen worden uitgegaan dat de uitleg van de toebehorenseis in artikel 310 en in artikel 321 Sr hetzelfde zal zijn. Artikel 3:119 BW spreekt slechts een vermoeden uit. Dat vermoeden kan op losse schroeven komen te staan door andere gegevens.
3.8. Toch ben ik van mening dat het middel tevergeefs is voorgesteld gelet op de overige vaststellingen van het hof. Het bijzondere van deze zaak schuilt in twee kenmerken. Het eerste is de achtergrond. Verdachte wilde de macht over de auto krijgen omdat [betrokkene 1] nog een schuld aan verdachte en een derde had en in gebreke bleef om die te voldoen. De opbrengst van de verkoop van de auto zou dus strekken tot delging van een deel van de schuld van [betrokkene 1]. Met dat doel voor ogen is verdachte naar de woning van [betrokkene 1] gegaan.
De tweede eigenaardigheid in deze zaak is de manier waarop verdachte zich de feitelijke macht over de auto kon verwerven. Uit bewijsmiddel 3 heeft het hof afgeleid dat verdachte de sleutel van de woning waar [betrokkene 1] verbleef heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze aan hem was verstrekt. Verdachte heeft immers de sleutel niet gebruikt om zich toegang tot de woning te verschaffen teneinde [betrokkene 1] wakker te maken. Hij heeft [betrokkene 1] immers - zo volgt uit de vaststellingen van het hof - gewoon door laten slapen. Dat betekent dus dat verdachte de sleutel heeft gebruikt om zich toegang tot de woning waarin [betrokkene 1] verbleef te verschaffen, hoewel niet aan de voorwaarden voor een rechtmatig gebruik van die sleutel was voldaan.
3.9. Op grond van artikel 90 Sr dient onder valse sleutel te worden begrepen een tot opening van het slot niet bestemd werktuig. Een sleutel die bij een slot hoort, maar is gestolen en vervolgens wordt gebruikt om dat slot te openen, is daarmee een valse sleutel.1.Ook wanneer men rechtmatig de beschikking heeft over een sleutel om die, bijvoorbeeld in noodgevallen, te kunnen gebruiken, maar deze zonder zo een noodzaak aanwendt om zich toegang te verschaffen tot de goederen die men wil wegnemen, maakt men gebruik van een valse sleutel.2.Idem wanneer men gebruik mag maken van een bankpas om geld te pinnen ter aanwending van een specifiek doel, bijvoorbeeld om boodschappen van te betalen, en men pint geld dat voor een ander doel wordt aangewend.3.Zijn er geen beperkingen gesteld aan het gebruik van een sleutel dan is kennelijk een verkeerde intentie bij het aanwenden van de sleutel nog onvoldoende om de sleutel tot 'vals' te bestempelen.4.Uit deze rechtspraak meen ik te kunnen opmaken dat het aanwenden van de huissleutel door verdachte als gebruikmaken van een valse sleutel is aan te merken omdat hij de sleutel heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor die sleutel aan hem was verstrekt.
3.10. Hiervoor gaf ik al te kennen het bezwaar van het middel tegen de veroordeling aldus te verstaan dat verdachte niet heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening omdat hij van de feitelijk/economisch eigenaar van de auto toestemming had gekregen de auto mee te nemen. In het kader van artikel 326 Sr, oplichting, heeft de Hoge Raad het "oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling" aldus ingevuld dat degene die gebruik maakt van de middelen die in artikel 326 Sr zijn genoemd dat oogmerk heeft.5.Ook wanneer men met onoorbare middelen, eigenmachtig probeert in zijn macht te krijgen waarop men meent recht te hebben is er sprake van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Illustratief is HR 16 oktober 1990, NJ 1991/153 m.nt. ThWvV, waarin een onderzoeksbureau in opdracht van de verzekeringsmaatschappij een gestolen auto bij een garage had opgespoord. Verdachten, eigenaren van dat bureau, hadden zich voorgedaan als aspirant kopers. Tijdens de proefrit hebben verdachten aan de hand van het chassisnummer vastgesteld dat het inderdaad om de gestolen auto ging, waarna zij hebben besloten die auto niet terug te brengen naar de garage. Het cassatiemiddel betoogde dat verdachten handelden namens de gesubrogeerde verzekeringsmaatschappij en dat daarom het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling ontbrak. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met de verwijzing naar de aanwending door verdachten van een samenweefsel van verdichtsels.
Met betrekking tot afpersing, artikel 317 Sr, geldt eveneens dat het sturen van een dreigbrief om een schuld te incasseren zozeer de grenzen van het maatschappelijk betamelijke overschrijdt dat, ook als verdachte zou hebben gemeend dat hij gerechtigd was tot het gevorderde bedrag, hij heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.6.
Ter zake van diefstal is een soortgelijke redenering gevolgd in HR 15 juni 1999, NJB 1999/107, p. 1332. Verdachte had voorwerpen die stonden op de kamer van een overledene meegenomen. De overledene had tegen verdachte gezegd dat verdachte zijn goederen na zijn dood mocht hebben en had dat ook op papier gezet. Verdachte had een sleutel van de kamer van de overledene en heeft deze gebruikt. Hij werd veroordeeld voor diefstal met een valse sleutel. Het verweer dat werd gevoerd werd door de Hoge Raad verstaan als een bewijsverweer en het middel dat klaagde over de verwerping ervan werd aldus verworpen:
"Dit bewijsverweer vindt zijn weerlegging in de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Immers, ook een voor de dood van H. gedane - schriftelijke - toezegging dat hij na diens dood bepaalde zaken aan de verdachte na zou laten, verschaft de verdachte geen titel om eigenmachtig die zaken weg te nemen na diens dood. De bewezenverklaring van het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening wordt niet uitgesloten enkel doordat de verdachte meende dat de in de bewezenverklaring bedoelde zaken reeds "feitelijk aan de verdachte toebehoorden"."
3.11. In de onderhavige zaak staat genoegzaam vast dat verdachte de sleutel van de auto heeft bemachtigd door gebruik te maken van een andere, valse sleutel van de woning van [betrokkene 1]. Aldus heeft verdachte de autosleutel weggenomen, nadat hij en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en de autosleutel en daarmee ook de auto onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel. Het was aan verdachte niet geoorloofd om de huissleutel hiervoor te gebruiken. Daar moet ook verdachte zich van bewust zijn geweest. Een dergelijke eigenmachtig handelen met gebruikmaking van een valse sleutel, teneinde te bewerkstelligen dat een deel van de schuld van [betrokkene 1] zou kunnen worden voldaan, is aan te merken als het wegnemen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
Het middel faalt.
4. Ambtshalve wijs ik erop dat het cassatieberoep in deze zaak is ingesteld op 22 oktober 2015 en dat op het moment waarop deze conclusie wordt genomen reeds meer dan twee jaar zijn verstreken. De redelijke termijn in de cassatiefase is dus geschonden, hetgeen tot vermindering van de opgelegde straf zal behoren te leiden.
5. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑12‑2017
HR 14 mei 1996, DD 96.304; HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1426.
Conclusie van mijn ambtgenoot mr. Hofstee over het tweede middel voor HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2579, NJ 2016/97 m.nt. Keulen (artikel 81 RO).
Vgl. HR 5 december 1989, DD 90.143.
HR 20 januari 1913, W9453; HR 30 januari 1928, NJ 1928, p. 292; HR 21 februari 1938, NJ 1938/929 (Hohner muziekinstrumenten).
Beroepschrift 27‑06‑2017
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Te 's‑Gravenhage
Geeft eerbiedig te kennen:
[verzoeker] , hierna te noemen ‘verzoeker’ , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats], voor deze aangelegenheid domicilie kiezende op het kantoor van zijn raadsman mr. S. Schuurman aan de Straatweg 43 te Breukelen (gemeente Stichtse Vecht);
dat verzoeker tot cassatie van te zijnen laste door het Gerechtshof Amsterdam, locatie Arnhem, op 8 oktober 2015 onder parketnummer 23-002816-13 gewezen arrest, waartegen tijdig op 22 oktober beroep in cassatie is ingesteld, het volgende middel van cassatie voordraagt:
Middel I
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 315 Sv juncto art. 359 lid 2 Sv. juncto art. 350 Sv. juncto. art. 358 Sv. juncto art. 349 Sv. juncto. art. 6 EVRM en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt, doordat het Gerechtshof Amsterdam, (hierna: het Gerechtshof), heeft overwogen: ‘Dat de verdachte toestemming zou hebben gehad van de feitelijke eigenaar van de auto en van degene op wiens naam de auto stond om zich de auto toe te eigene en deze te gelde te maken teneinde een schuld die [betrokkene 1] aan hem had te verhalen, maakt niet dat van opzettelijke wederrechtelijke toe-eigening geen sprake was. Naar de verdachte bekend was, was [betrokkene 1] in elk geval de feitelijke gebruiker van de auto. [betrokkene 1] moet worden beschouwd als degene aan wie de auto toebehoorde in de zin van artikel 310 sr. De verdachte heeft door zijn handelen de autosleutel, auto en paspoort opzettelijk wederrechtelijk onttrokken aan de feitelijke heerschappij van [betrokkene 1] en zich dus schuldig gemaakt aan diefstal van die auto en dat paspoort.’ dit terwijl er door de verdediging, met verwijzing naar hetgeen het Gerechtshof heeft overwogen met betrekking tot mevrouw [betrokkene 6], is aangevoerd dat er, gezien de toestemming die mevrouw [betrokkene 6], zijnde de juridische eigenaar van de auto, aan verzoeker heeft gegeven voor het meenemen van de auto geen sprake kan zijn van wederrechtelijke toe-eigening, hierdoor heeft het Gerechtshof een motivering gebruikt die niet-begrijpelijk, danwel onjuist, danwel onvoldoende gemotiveerd is en hierdoor niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
Toelichting:
Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 24 september 2015 is er door het Gerechtshof met betrekking mevrouw [betrokkene 6] overwogen:
‘Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof veronderstellenderwijs zal uitgaan van de juistheid van hetgeen de verdediging ter terechtzitting naar voren heeft gebracht over hetgeen de getuige [betrokkene 6] kan verklaren, te weten dat de Landrover met kenteken [AA-00-BB] feitelijk/economisch haar eigendom was, dat zij de auto had betaald, dat de verdachte met haar telefonisch contact heeft opgenomen en alvorens deze auto te verplaatsen, daarvoor haar toestemming heeft gekregen, alsmede dat hij later opnieuw contact met haar contact heeft opgenomen en toen haar toestemming heeft gekregen, alsmede dat hij later opnieuw contact met haar heeft opgenomen en toen haar toestemming heeft gekregen om de auto te verkopen en de opbrengst voor zichzelf te houden, waarmee een schuld die [betrokkene 1] aan de verdachte had zou worden afgelost.’
Door het Gerechtshof is overwogen dat het feit dat verzoeker toestemming van mevrouw [betrokkene 6] heeft gehad om de auto mee te nemen niet maakt dat er van opzettelijke wederrechtelijke toe-eigening geen sprake is. [betrokkene 1] moest volgens het Gerechtshof worden gezien als de feitelijke gebruiker van de auto en als degene aan wie de auto toebehoorde in de zin van artikel 310 Sr.
Verzoeker kan zich in dit standpunt van het Gerechtshof niet vinden. Mevrouw [betrokkene 6] dient, zoals het Gerechtshof zelf heeft overwogen, te worden gezien als de feitelijk/economische eigenaar van de auto. Verzoeker heeft, voordat hij de auto meenam, toestemming gevraagd aan mevrouw [betrokkene 6]. Mevrouw [betrokkene 6] heeft deze toestemming gegeven. Verzoeker meent dat op het moment dat mevrouw [betrokkene 6] deze toestemming gaf de auto niet meer aan [betrokkene 1] toe behoorde in de zin van artikel 310 Sr. Door de gegeven toestemming van de feitelijk/economisch eigenaar van de auto aan verzoeker om de auto mee te nemen is dit aan [betrokkene 1] toebehoren van de auto vervallen en kon [betrokkene 1] niet meer gezien worden als de feitelijke gebruiker van de auto. Vanaf de toestemming van mevrouw [betrokkene 6] dient verzoeker immers als feitelijke gebruiker van de auto te worden gezien. Van wederrechtelijk toe-eigening door verzoeker kan daardoor geen sprake zijn.
Gezien het voorgaande heeft het Gerechtshof een motivering gebruikt die niet-begrijpelijk, danwel onjuist, danwel onvoldoende gemotiveerd is en hierdoor niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
Op bovengenoemde gronden verzoekt verzoeker Uw College eerbiedig om het arrest zoals gewezen door het Gerechtshof Amsterdam, 8 oktober 2015 te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als Uw College als juist en noodzakelijk voorkomt.
Dit schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, aldaar kantoor houdende aan de Straatweg 43 (3621 BH), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie.
Breukelen, 27 juni 2016
Raadsman
S. Schuurman