type:coll:
Rb. Noord-Nederland, 10-10-2018, nr. C/19/117301 / HA ZA 16-256
ECLI:NL:RBNNE:2020:3553
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
10-10-2018
- Zaaknummer
C/19/117301 / HA ZA 16-256
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2020:3553, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 21‑10‑2020; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBNNE:2018:4009, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 10‑10‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBNNE:2017:5257, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 27‑06‑2017; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2020-0780
JA 2021/7
NJF 2018/588
PS-Updates.nl 2018-0822
PS-Updates.nl 2018-0550
Uitspraak 21‑10‑2020
Inhoudsindicatie
In vervolg op de antwoorden van de HR op de prejudiciële vragen van de rechtbank omtrent de schade door de gaswinning in Groningen, heeft de rechtbank einduitspraak gedaan. De vorderingen tegen de maatschap zijn niet-ontvankelijk verklaard. De vorderingen tegen de Staat stranden voor een groot deel op het gezag van gewijsde. NAM en EBN worden als exploitant aansprakelijk gesteld voor een deel van de fysieke schade, immateriële schade en gederfd woongenot. Voor wat betreft de fysieke schade heeft de rechtbank geoordeeld dat het bewijsvermoeden van toepassing is, maar dat NAM en EBN dit bewijsvermoeden hebben weerlegd. Wel wordt een vergoeding toegekend voor de schade waarvan de NAM eerder heeft erkend dat deze een gevolg is van de aardbevingen. De overige vorderingen die betrekking hebben op het treffen van versterkende maatregelen, waardedaling, het schade- en klachtafhandelingstraject door NAM, CBS en de Staat, schending van privacy, laagfrequent geluid en inkomensderving worden afgewezen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Assen
zaaknummer / rolnummer: C/19/117301 / HA ZA 16-256
Vonnis van 21 oktober 2020
in de zaak van
1. [eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiser],
van wie geen woon- of verblijfplaats bekend is,
eisers,
advocaat mr. M. Spithoff te Zwolle,
tegen
1. het samenwerkingsverband
MAATSCHAP GRONINGEN,
gevestigd te Utrecht,
advocaat mr. P.A.Th. Kostwinder te Groningen,
alsmede haar maten in hoedanigheid van maat alsmede afzonderlijk als partij:
a. de besloten vennootschap
NEDERLANDSE AARDOLIE MAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Assen,
advocaat mr. P.A.Th. Kostwinder te Groningen,
b. de besloten vennootschap
EBN B.V.,
gevestigd te Utrecht,
advocaat mr. J.F. de Groot te Amsterdam,
2. de publiekrechtelijke rechtspersoon
STAAT DER NEDERLANDEN,
gevestigd te 's-Gravenhage,
advocaat mr. K. Teuben te 's-Gravenhage,
gedaagden.
Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] worden genoemd en afzonderlijk [eiseres] respectievelijk [eiser] . Gedaagden zullen hierna afzonderlijk de maatschap, NAM, EBN en de Staat genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 10 oktober 2018. waarbij de Hoge Raad is verzocht om de in dat vonnis geformuleerde prejudiciële vragen te beantwoorden;
- -
de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad van 10 mei 2019;
- -
het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019, houdende een prejudiciële beslissing (ECLI:NL:HR:2019:1278);
- -
de nadere akte van NAM van 9 oktober 2019;
- -
de conclusie van repliek van [eisers] van 20 november 2019;
- -
de conclusie van dupliek van de maatschap en NAM van 26 februari 2020;
- -
de conclusie van dupliek van EBN van 26 februari 2020;
- -
de conclusie van dupliek van de Staat van 26 februari 2020;
- -
de akte van [eisers] van 11 maart 2020;
- -
het daartegen gerichte bezwaar van NAM van 23 maart 2020;
- -
de bij de stukken gevoegde producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Inhoudsopgave
Vanwege de omvang van dit vonnis volgt hieronder een inhoudsopgave van de overwegingen van de rechtbank.
2.1.
Vooraf
2.2.
De positie van de maatschap
2.3.
De positie van EBN
2.4.
De positie van de Staat
2.5.
Risico- en schuldaansprakelijkheid
2.6.
Fysieke schade
2.7.
Versterkende maatregelen ex art 6:184
2.8.
Waardedaling
2.9.
Gederfd woongenot
2.10.
Immateriële schade
2.11.
Het schadeafhandelingstraject door NAM
2.12.
Het schade- en klachtafhandelingstraject door de Staat en/of CBS
2.13.
Privacyschending
2.14.
Laagfrequent geluid
2.15.
Inkomensderving
2.16.
Resumé
2.1.
Vooraf
2.1.1.
In bovengenoemd tussenvonnis, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, heeft de rechtbank de Hoge Raad verzocht om de daar genoemde prejudiciële vragen te beantwoorden. De Hoge Raad heeft deze vragen beantwoord in zijn prejudiciële beslissing van 19 juli 2019. De rechtbank zal hieronder op die antwoorden ingaan, in verbinding met de vorderingen van [eisers]
2.1.2.
Onder verwijzing naar het proces-verbaal van comparitie van 14 november 2017 heeft [eisers] in haar conclusie van repliek nader toegelicht dat de eerder door haar overgelegde productie 99 vijf onderwerpen kent, te weten Epistemische onzekerheid, (Tijdelijke) Commissie Bijzondere Situaties (verder: CBS), Woningwaarde en schadeloosstelling, Seismische activiteit regio Oost en Laagfrequent geluid, en voorts, zij het impliciet, wat de betekenis hiervan zou moeten zijn voor haar vorderingen. Daarmee heeft [eisers] , anders dan de maatschap, NAM en de Staat menen, ten aanzien van deze vijf onderwerpen voldaan aan het vereiste van een behoorlijke rechtspleging, er hier op neerkomend dat wil een partij een beroep doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, die partij dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (onder meer HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, NJ 2017/147). Bij de verdere beoordeling zullen derhalve de hiervoor genoemde vijf onderwerpen worden betrokken.
2.1.3.
Dat heeft evenzeer te gelden voor de 'nieuwe' feiten en omstandigheden die [eisers] in haar conclusie van repliek benoemt, behoudens waar het gaat om de minderjarige kinderen van [eisers] Zij zijn immers geen procespartij.
2.1.4.
NAM heeft op zowel een formele als een inhoudelijke grond bezwaar gemaakt tegen de akte van [eisers] van 11 maart 2020 en verzocht deze terzijde te laten. De formele grond is dat de zaak op 11 maart 2020 op de rol stond voor uitlaten als bedoeld in artikel 2.6 van het rolreglement. De rechtbank is het met NAM eens dat de akte van [eisers] verder strekt dan een uitlaten als bedoeld in artikel 2.6 van het rolreglement. Behalve een verzoek om vonnis te wijzen, heeft [eisers] namelijk als productie 116 stukken overgelegd over de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen het vonnis van deze rechtbank van 1 maart 2017 (C/19/109680 / HA ZA 15-73, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, de zogenoemde Dijk-zaak). [eisers] heeft in de akte van 11 maart 2020 verwezen naar de uitspraak van het hof van 17 december 2019 in die procedure (ECLI:NL:GHARL:2019:10717) en daarbij opgemerkt dat het haar bevreemdt dat zij nog partij is in die procedure. [eisers] wil graag dat haar vorderingen integraal in de onderhavige procedure bij de rechtbank worden beoordeeld en beslist en heeft zich daarop, met instemming van NAM, onttrokken aan de procedure bij het hof. Als inhoudelijke grond heeft NAM aangevoerd dat het niet aangaat enerzijds te betogen dat alle vorderingen integraal in deze procedure beoordeeld moeten worden en anderzijds - nadat NAM haar medewerking had verleend - alsnog een beroep te doen op de uitspraak van het hof.
2.1.5.
De rechtbank verwerpt het bezwaar van NAM en zal de akte met overgelegde productie wel in de beoordeling betrekken. Hoewel de akte verder strekt dan de bedoeling was, is het een akte van beperkte omvang en strekking. De rechtbank acht het van belang er kennis van te nemen dat de procedure bij het hof in zaak tussen [eisers] en NAM is doorgehaald. De rechtbank begrijpt uit de conclusie van dupliek van NAM (onder 200), bevestigd in de brief van NAM van 23 maart 2020, dat NAM geen beroep doet op het gezag van gewijsde tussen partijen van de uitspraak van het hof van 17 december 2019 en overigens cassatie daartegen heeft ingesteld. Uit de akte van [eisers] maakt de rechtbank evenmin op dat [eisers] een beroep doet op het gezag van gewijsde van deze uitspraak.
2.2.
De positie van de maatschap
2.2.1.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit onderwerp voorop dat er met betrekking tot de (positie van de) maatschap geen prejudiciële vragen zijn gesteld aan de Hoge Raad. Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:4402) overwogen - onder verwijzing naar de daar genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad - dat een maatschap in rechte kan worden betrokken als de gezamenlijke maten onder de naam van de maatschap op voor derden duidelijk kenbare wijze aan het rechtsverkeer deelnemen.
2.2.2.
[eisers] stelt dat hiervan sprake is en heeft daarbij in de eerste plaats gewezen op de aankoop van een pand door NAM en EBN. Volgens [eisers] is er door de maatschap minimaal € 895.000,00 betaald, in de contractuele (OvS) verhouding van
€ 537.000,00 zijdens NAM en € 385.000,00 zijdens EBN. Verder heeft [eisers] verwezen naar (citaten uit) de Kamerstukken 26219, nr. 21a en 38209, nr. 2. Uit die stukken blijkt volgens haar dat de maatschap een publieke taak vervult.
2.2.3.
NAM is van oordeel dat de kwestie met betrekking tot de positie van de maatschap niet van wezenlijk belang is, omdat [eisers] beide maten heeft gedagvaard.
Bovendien kan uit de door of namens [eisers] overgelegde berichtgeving/ het uittreksel uit het Kadaster niet veel meer of anders worden opgemaakt dan dat NAM en EBN de mede-eigendom van een onroerende zaak hebben verkregen en dat de gerechtigheid tot die onroerende zaak overeenstemt met de onderlinge verhouding in de maatschap. Hieruit volgt volgens NAM niet dat de maatschap "op voor derden kenbare wijze deelneemt aan het rechtsverkeer". Ook de omstandigheid dat EBN via de maatschap een positie in het gasgebouw inneemt, waarop de door of namens [eisers] overgelegde kamerstukken zien, rechtvaardigt een dergelijke conclusie naar het oordeel van NAM niet. Volgens NAM schetst de Minister in deze stukken dat de structuur van de maatschap het mogelijk maakt om in de interne verhoudingen invloed te kunnen uitoefenen.
2.2.4.
Van EBN (en de Staat) is met betrekking tot de positie van de maatschap geen nader standpunt bekend geworden.
2.2.5.
De rechtbank overweegt dat uit de beide door [eisers] genoemde omstandigheden niet de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat de maatschap op voor derden duidelijk kenbare wijze aan het rechtsverkeer deelneemt. De stukken waaruit dat volgens [eisers] zou moeten blijken betreffen met betrekking tot het bewuste pand (productie 109 bij de conclusie van repliek) grotendeels suggestieve berichten van de website www.sikkom.nl, terwijl uit het eveneens overgelegde uittreksel van het Kadaster - hooguit - kan worden afgeleid dat NAM en EBN gezamenlijk eigenaar zijn geworden van een pand, alsmede dat zij gerechtigd zijn tot dat pand in een zelfde verhouding als in de maatschap. Behoudens die niet onderbouwde berichtgeving van het internet, blijkt verder nergens voldoende concreet uit dat de maatschap op enigerlei voor derden kenbare wijze betrokken is geweest bij de aankoop van dit pand. Ook uit de door of namens [eisers] overgelegde kamerstukken kan niet worden geconcludeerd dat is voldaan aan het hiervoor onder 2.2.1. verwoorde criterium.
2.2.6.
De rechtbank zal [eisers] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen tegen de maatschap. [eisers] zal daarbij als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat de maatschap wordt vertegenwoordigd door dezelfde advocaten als NAM, ziet de rechtbank aanleiding deze kosten te beperken tot en derhalve te begroten op het door de maatschap betaalde griffierecht. De begroting wordt op nihil gesteld omdat gebleken is dat de maatschap niet afzonderlijk griffierecht heeft hoeven te betalen.
2.3.
De positie van EBN
2.3.1.
[eisers] heeft, waar het gaat om de vorderingen tegen EBN, bij inleidende dagvaarding gesteld dat EBN mede-exploitant, althans gebruiker is in de zin van artikel 6:177 lid 2 onder b BW en om die reden - net als NAM - (primair) risico-aansprakelijk is voor de bij [eisers] door de aardbevingen ontstane schade. Gegeven die grondslag, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 10 oktober 2018 de volgende prejudiciële vraag gesteld met betrekking tot EBN:
"2. Is er ruimte voor het aansprakelijk houden van EBN op grond van artikel 6:177 lid 2 sub b BW naast het aansprakelijk zijn van NAM op grond van artikel 6:177 lid 2 sub a BW? Kan EBN mede gelet op haar bijzondere positie als staatsdeelnemer in de maatschap, als exploitant in de zin van artikel 6:177 lid 2 sub b BW, worden aangemerkt?".
2.3.2.
In de prejudiciële beslissing van 19 juli 2019 heeft de Hoge Raad deze vraag als volgt opgevat, voor zover van belang:
"De tweede prejudiciële vraag komt erop neer of ook EBN met betrekking tot de gaswinning uit het Groningenveld kan worden aangemerkt als exploitant van het mijnbouwwerk in de zin van art. 6:177 lid 2 BW."
en, in het verlengde hiervan, geantwoord:
"dat EBN in het onderhavige geval – naast NAM – als exploitant in de zin van art. 6:177 lid 2 BW moet worden aangemerkt.".
2.3.3.
Daartoe heeft de Hoge Raad het volgende overwogen, voor zover van belang:
"2.5.3 De rol van EBN ten aanzien van het mijnbouwwerk dat wordt gebruikt voor de opsporing en winning van gas in het Groningenveld blijkt uit de OvS (zie hiervoor in 2.1.5 onder (iii)).
In art. 1 OvS is opgenomen dat NAM en EBN via de Maatschap gezamenlijk het beleid voeren inzake en het economisch belang dragen bij de opsporing en ontginning door NAM in het Groningenveld. In art. 2 OvS is opgenomen dat alle werken die NAM voor de opsporing en winning van aardgas in het Groningenveld tot stand heeft gebracht voorafgaand aan de ondertekening van de OvS, worden ingebracht in de Maatschap en dat EBN 40% van de voor deze werken gemaakte kosten aan NAM zal vergoeden. In art. 3 OvS is geregeld dat het beheer van de Maatschap wordt gevoerd door een College van Beheer, dat bestaat uit twee door EBN en twee door NAM benoemde leden. Blijkens art. 6 OvS is NAM gebonden aan de door het College van Beheer te nemen besluiten en stelt het College van Beheer jaarlijks het plan van opsporing en winning voor het Groningenveld vast. In art. 5 OvS is overeengekomen dat het bedrijf van de opsporing en ontginning van aardgasvoorkomens binnen de aan NAM verleende concessie door NAM wordt gevoerd en wel te eigen name, maar uitsluitend ten behoeve van de Maatschap. Op grond van art. 7 OvS worden de uitgaven en opbrengsten van de maatschap tussen EBN en NAM gedeeld in een verhouding van 40:60.
2.5.4
Uit het bovenstaande volgt dat EBN een aanzienlijke invloed heeft op het ten aanzien van het mijnbouwwerk te voeren beleid, 40% van voor het mijnbouwwerk gemaakte kosten heeft gedragen en in diezelfde mate deelt in de winst en het verlies verbonden aan het mijnbouwwerk. Bovendien volgt uit het bovenstaande dat het mijnbouwwerk is ingebracht in de Maatschap.
Hoewel het antwoord op de vraag of EBN kan worden aangemerkt als exploitant in de zin van art. 6:177 lid 2 BW mede een in beginsel aan de feitenrechter overgelaten waardering van de omstandigheden van het geval vergt, laat het voorgaande geen andere conclusie toe dan dat de positie van EBN in het onderhavige geval zozeer is verweven met de positie van NAM dat EBN - naast NAM - als exploitant in de zin van art. 6:177 lid 2 BW moet worden aangemerkt.".
2.3.4.
Gelet op deze toelichting door de Hoge Raad, gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van EBN bij dupliek dat de Hoge Raad de aan hem voorgelegde vraag niet heeft beantwoord. Hoewel op zich juist is dat de rechtbank de Hoge Raad heeft gevraagd of EBN op grond van artikel 6:177 lid 2 sub b BW aansprakelijk kan worden gehouden, heeft de Hoge Raad die vraag verstaan in de hiervoor omschreven bredere zin en geoordeeld dat EBN als exploitant in de zin van artikel 6:177 lid 2 BW risicoaansprakelijk is. De beoordeling door de Hoge Raad - gebaseerd op artikel 6:177 lid 2 BW - kan in zoverre dan ook worden gezien als het meerdere van de door de rechtbank voorgelegde vraag - gebaseerd op artikel 6:177 sub b BW - en sluit de vraagstelling van de rechtbank in.
Niet valt in te zien welk belang EBN dan nog heeft bij een aparte beoordeling door de rechtbank of zij (d.i. EBN) aansprakelijk kan worden gehouden op grond van artikel 6:177 lid 2 sub b BW, zoals door EBN verzocht bij dupliek. Ongeacht de uitkomst van die beoordeling, kwalificeert EBN volgens de Hoge Raad in ieder geval als exploitant in de zin van artikel 6:177 lid 2 BW. Onder verwijzing naar de hiervoor geciteerde overweging 2.5.4 (en overweging 2.5.3.) van de Hoge Raad ziet de rechtbank evenmin aanleiding om, zoals eveneens bepleit door EBN, nogmaals feitelijk na te gaan of zij kwalificeert als exploitant in de zin van artikel 6:177 lid 2 BW. Zoals de Hoge Raad in voornoemde overweging(-en) uiteengezet heeft, laten de relevante feiten in dit geval immers maar één conclusie toe.
Dat het feitelijke debat onvoldoende (voldragen) zou zijn gevoerd, zoals EBN tot slot stelt, is de rechtbank niet gebleken.
2.3.5.
De rechtbank houdt het er dan ook voor dat EBN, net als NAM, risicoaansprakelijk is op grond van artikel 6:177 BW.
2.3.6.
EBN heeft aangegeven dat zij zich in dat geval (subsidiair) refereert aan de stellingen van NAM waaronder ten aanzien van de risico-aansprakelijkheid en schuldaansprakelijkheid.
2.4.
De positie van de Staat
2.4.1.
Hoewel er ook met betrekking tot de positie van de Staat prejudiciële vragen zijn gesteld aan de Hoge Raad, kan de beantwoording hiervan bij de beoordeling in het midden worden gelaten, op grond van het volgende.
2.4.2.
De Staat heeft zich beroepen op het gezag van gewijsde van het hiervoor al genoemde vonnis van deze rechtbank van 1 maart 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:715). Volgens de Staat trad [eisers] op in de procedure die heeft geleid tot dat vonnis (als eisers 15 en 16). De Staat heeft aangevoerd dat de rechtbank in bedoeld vonnis - voor zover van belang - heeft geoordeeld dat:
1. de Staat in de periode voorafgaand aan de aardbeving bij Huizinge op 16 augustus 2012 en het SodM-advies van begin januari 2013 niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisende partijen door de gasproductie in die periode niet te beperken;
2. de Staat in de periode vanaf januari 2013 tot 18 november 2015 onrechtmatig heeft gehandeld jegens de eisende partijen door in die periode de gasproductie niet eerder te beperken tot het niveau van 27 miljard m3 per jaar dat de Afdeling Bestuursrechtspraak in zijn uitspraak van 18 november 2015 toelaatbaar heeft geacht en
3. dat een causaal verband tussen dit laatste onrechtmatig handelen en de door de eisende partijen gestelde schade ontbreekt.
Tegen dit vonnis van 1 maart 2017, voor zover tussen de eisende partijen (waaronder [eisers] ) en de Staat gewezen, is geen hoger beroep ingesteld.
Dat betekent volgens de Staat dat de onder 1. tot en met 3. genoemde oordelen uit het vonnis van 1 maart 2017 gezag van gewijsde hebben gekregen tussen [eisers] en de Staat.
2.4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit beroep van de Staat op het gezag van gewijsde wat betreft de hiervoor genoemde beslissingen. Op grond van artikel 236, eerste lid, Rv hebben beslissingen in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht (gezag van gewijsde) als die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis. Op grond van artikel 236, derde lid, Rv wordt het gezag van gewijsde niet ambtshalve toegepast. De rechtbank stelt vast dat [eisers] partij was in de procedure die heeft geleid tot het hiervoor genoemde vonnis van 1 maart 2017 en dat de Staat en [eisers] (of de andere eisers in die procedure tegen de Staat) geen hoger beroep hebben ingesteld van dat vonnis, overigens in tegenstelling tot NAM. Aan de beide voorwaarden van artikel 236 Rv is daardoor voldaan. Dit betekent dat het vonnis van 1 maart 2017 - in beginsel - gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de daarin vervatte beoordeling van de verhouding tussen [eisers] en de Staat. Nu de Staat zich op het gezag van gewijsde beroept, moeten de vorderingen van [eisers] tegen de Staat wat betreft het gestelde onrechtmatig handelen door het niet verminderen van de gasproductie en de daardoor geleden (immateriële) schade worden afgewezen.
2.4.4.
[eisers] betwist bij repliek als zodanig niet dat is voldaan aan de vereisten van artikel 236 Rv, maar stelt zich op het standpunt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Staat zich op het gezag van gewijsde kan beroepen in de onderhavige omstandigheden en onder verwijzing naar de prejudiciële beslissing waar nieuwe aanknopingspunten zijn gegeven betreffende de aansprakelijkheid van de Staat. Volgens [eisers] is het de Staat geweest die over relevante informatie beschikte, welke informatie maar mondjesmaat en stukje bij beetje boven tafel komt. Er is bovendien geen sprake van een geofysisch stabiele toestand, zodat bodembeweging - met alle veiligheidsrisico's - nog onbekende tijd zal doorgaan. Het vonnis van 1 maart 2017 is in de ogen van [eisers] dan ook ingehaald door nieuwe feiten en juridische inzichten en het is in strijd met de goede procesorde om vast te houden aan dit vonnis.
2.4.5.
De rechtbank overweegt dat de prejudiciële beslissing op zich niet afdoet aan het gezag van gewijsde. Zij wijst in dit verband ook naar deze overweging van de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing:
"2.6.3 Indien het verweer van de Staat (het beroep op het gezag van gewijsde van het vonnis van deze rechtbank van 1 maart 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:715); rechtbank) doel treft, kunnen de vorderingen van [eisers] ( [eisers] ; rechtbank) tegen de Staat reeds om die reden niet worden toegewezen en bestaat geen belang bij beantwoording van de derde en vierde prejudiciële vraag.".
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] onvoldoende (concreet) onderbouwd waarom desalniettemin een uitzondering (ex artikel 6:248 lid 2 BW) in dit geval gerechtvaardigd zou zijn. Van strijd met een goede procesorde is de rechtbank evenmin gebleken. Sterker, het gezag van gewijsde dient in beginsel de goede procesorde en het ligt dan op de weg van [eisers] om aan te tonen dat dit hier anders zou moeten zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] dat onvoldoende gedaan.
2.4.6.
Voor wat betreft het bij repliek gevoerde verweer van [eisers] dat zij zich heeft onttrokken aan de Dijk-zaak, overweegt de rechtbank dat zij - ook - uit de eigen stellingen van [eisers] opmaakt dat dit uiteindelijk toch niet is geschied (randnummer 329 van de conclusie van repliek van [eisers] ). [eisers] is derhalve procespartij gebleven in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 1 maart 2017. Dat [eisers] mogelijk tegen haar bedoeling (en zin) in partij is gebleven in die procedure, maakt dit niet anders en betekent evenmin dat zij haar recht op hoor en wederhoor niet heeft kunnen benutten. Dat is geschied via de advocaat van [eisers] in die procedure. In voorkomend geval dient [eisers] zich met haar toenmalige advocaat te verstaan, maar het voorgaande vormt geen reden om het gezag van gewijsde buiten toepassing te laten.
2.4.7.
Het laatste argument van [eisers] waarom het gezag van gewijsde hier niet van toepassing zou moeten zijn, biedt haar evenmin soelaas. Want hoewel de stelling van [eisers] dat in het civiele recht het zogenoemde ne bis in idem- beginsel niet geldt op zichzelf juist is, kan een vordering of verzoek waarop al een keer is beslist, juist afstuiten op het gezag van gewijsde.
2.5.
Risico- en schuldaansprakelijkheid
2.5.1.
Voor wat betreft de risicoaansprakelijkheid gaat de rechtbank, onder verwijzing naar de hierna vermelde overweging 2.4.4. van de prejudiciële beslissing van 19 juli 2019, uit van een ruime toerekening van schade aan de hand van artikel 6:98 BW. Een dergelijke ruime toerekening verhindert niet dat NAM en EBN ook op een andere grondslag aansprakelijk kunnen zijn. [eisers] heeft aan haar vorderingen namelijk - mede - artikel 6:162 BW ten grondslag gelegd en met betrekking tot die grondslag, is de volgende vraag gesteld aan de Hoge Raad:
"1. In hoeverre heeft het onderscheid tussen aansprakelijkheid op grond van art. 6:177 lid 1, onder b, BW en op grond van art. 6:162 BW gevolgen voor de aanspraak op vergoeding van (im)materiële schade?".
2.5.2.
De prejudiciële beslissing vermeldt hierover het volgende:
"Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt dat, ondanks de ruime toerekening die plaatsvindt bij aansprakelijkheid op grond van art. 6:177 BW, zich gevallen kunnen voordoen waarin het voor de benadeelde tot een gunstiger resultaat leidt als zijn vordering niet (of niet alleen) op grond van art. 6:177 BW, maar (ook) op grond van art. 6:162 BW wordt beoordeeld.
Of het voor de toepassing van art. 6:100 BW, art. 6:101 BW of art. 6:109 BW verschil maakt op welke van beide grondslagen de vordering tot schadevergoeding berust, hangt af van de omstandigheden van het individuele geval.".
2.5.3.
Daarbij geldt de volgende toelichting van de Hoge Raad, voor zover van belang:
"2.4.4 Een vordering tot vergoeding van schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk, kan worden gebaseerd op art. 6:177 lid 1, aanhef en onder b, BW.
Als tevens sprake is van toerekenbaar onrechtmatig handelen van de exploitant, en de schade daarmee in condicio sine qua non-verband staat, kan een zodanige vordering ook worden gebaseerd op art. 6:162 BW. De hiervoor in 2.4.3 vermelde aard en strekking van art. 6:177 BW brengen mee dat bij aansprakelijkheid op grond van die bepaling ruime toerekening van schade aan de hand van art. 6:98 BW plaatsvindt, ook als de aansprakelijkheid niet tevens kan worden gebaseerd op art. 6:162 BW. Niet uitgesloten is echter dat desondanks in een concreet geval ten aanzien van bepaalde schadelijke gevolgen moet worden geoordeeld dat zij niet op grond van art. 6:177 BW in verbinding met art. 6:98 BW als gevolg van bodembeweging aan de exploitant kunnen worden toegerekend.
Indien de exploitant in een zodanig geval ook op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk is, omdat hij een toerekenbare onrechtmatige daad heeft gepleegd, en die schadelijke gevolgen met die onrechtmatige daad in condicio sine qua non-verband staan, is niet uitgesloten dat die schadelijke gevolgen wel als gevolg van die onrechtmatige daad aan de exploitant kunnen worden toegerekend.
Uit het voorgaande volgt dat zich gevallen kunnen voordoen waarin het voor de benadeelde tot een gunstiger resultaat leidt als zijn vordering niet (of niet alleen) op grond van art. 6:177 BW, maar (ook) op grond van art. 6:162 BW wordt beoordeeld.
Voor de toepassing van art. 6:100 BW, art. 6:101 BW en art. 6:109 BW geldt dat per individueel geval moet worden beoordeeld of het onderscheid tussen aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW en aansprakelijkheid op grond van art. 6:177 lid 1, aanhef en onder b, BW daarvoor gevolgen heeft.
2.4.5
Aansprakelijkheid van de exploitant voor schade die niet is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk, kan niet worden gebaseerd op art. 6:177 lid 1, aanhef en onder b, BW. Dat laat uiteraard onverlet dat de exploitant op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk kan zijn indien zijn onrechtmatig handelen of nalaten heeft geleid tot dergelijke schade.".
2.5.4.
De rechtbank leidt uit deze toelichting af dat artikel 6:162 BW naast artikel 6:177 BW kan bestaan als grondslag voor de vorderingen van [eisers] richting NAM en EBN, met dien verstande dat schuldaansprakelijkheid pas aan de orde komt (van belang is) als risicoaansprakelijkheid ten aanzien van bepaalde schadeposten niet tot aansprakelijkheid leidt of als schuldaansprakelijkheid tot een hogere schadevergoeding zou kunnen leiden. Gelet op de verschillende door [eisers] gevorderde schadeposten, moet dan vastgesteld worden dat voor wat betreft de vorderingen richting NAM en EBN artikel 6:162 BW vooral een rol speelt/kan spelen voor zover [eisers] NAM en EBN verwijten maakt ten aanzien van hinder door laagfrequent geluid - voor zover dat niet wordt veroorzaakt door beweging van de bodem maar wel door de gaswinning - en het schade- en klachtafhandelingstraject door NAM en/of CBS. Dit is anders ten aanzien van de vorderingen richting de Staat (voor zover deze niet afstuiten op het gezag van gewijsde). Omdat op de Staat geen risicoaansprakelijkheid rust, moeten deze vorderingen - voor zover deze niet afstuiten op het gezag van gewijsde - geheel aan de hand van de schuldaansprakelijkheid van artikel 6:162 BW worden beoordeeld.
2.6.
Fysieke schade
2.6.1.
[eisers] beroept zich met betrekking tot deze schadepost op het bewijsvermoeden van artikel 6:177a lid 1 BW. Volgens [eisers] staat vast dat er als gevolg van de gaswinning bodembewegingen plaatsvinden op de locatie van de woonboerderij. Dat dit voor schade heeft gezorgd, blijkt volgens [eisers] uit haar ooggetuigenverslag, de rapporten van Vergnes (uit 2014 en 2016) en het overleg tussen de eerstelijnsexpert en Vergnes, voor welk deel NAM schade heeft erkend binnen het Protocol Schadeafhandeling (versie augustus 2014). Volgens [eisers] staat eveneens vast dat de schade naar haar aard veroorzaakt kan zijn door aardbevingen. Dat wordt volgens [eisers] ook (deels) onderschreven door het RHDHV-rapport.
Aldus is er sprake van fysieke schade aan het pand die naar haar aard redelijkerwijs schade door gaswinning geïnduceerde aardbevingen zou kunnen zijn en wordt vermoed dat deze schade is veroorzaakt door de exploitatie van een mijnbouwwerk. Onder verwijzing naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 juli 2019 kan de exploitant dit vermoeden alleen weerleggen als hij er in slaagt te bewijzen dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk. Voor bewijs in het burgerlijk recht is niet vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk vast komen te staan, maar is het voldoende als de te bewijzen feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk worden gemaakt. Het is niet voldoende dat de exploitant twijfel zaait over de oorzaak van de schade. Als onduidelijk blijft of de schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk, moet er van uit worden gegaan dat de schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk. Uit het rapport van [naam 1] (Advies over de afwikkeling van mijnbouwschade in Groningen, 13 oktober 2017) volgt dat de rechter niet te licht mag aannemen dat het bewijsvermoeden is weerlegd. Het door NAM bij akte overgelegde RHDHV-rapport en de daarin gebruikte methode, richtlijn en data kunnen niet dienen ter ontzenuwing van het bewijsvermoeden. Er is slechts twijfel gezaaid met berekende kansen en het op dubieuze wijze uitsluiten en bewijzen van hypothesen. Omdat het bewijsvermoeden niet is ontzenuwd, zijn NAM en EBN aansprakelijk voor zowel de geconstateerde als de nog niet geconstateerde (niet onderzochte en toekomstige) fysieke schade aldus [eisers]
2.6.2.
NAM voert met betrekking tot deze schadepost de volgende verweren. NAM wijst er op dat de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 19 juli 2019 onder 2.9.2. ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat het bewijsvermoeden van toepassing zou zijn. Dat is tussen partijen nog in debat. Omdat [eisers] zich beroept op het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW, dient zij per schade of groep van met elkaar samenhangende schades te stellen en bij betwisting te bewijzen dat het fysieke schade betreft die naar haar aard redelijkerwijs door beweging van de bodem door aardgaswinning zou kunnen zijn veroorzaakt. Dat heeft [eisers] nagelaten. Het enkele feit dat de door [eisers] gestelde schade bestaat uit scheurvorming, is onvoldoende. Een scheur heeft geen onderscheidend vermogen en komt overal in Nederland voor. De uiterlijke verschijningsvorm van schade kan derhalve niet bepalend zijn voor de toepassing van het bewijsvermoeden. Wat NAM betreft komt het bij het al dan niet toepasselijk zijn van het bewijsvermoeden uiteindelijk aan op de vraag of er sprake is van een voldoende zekere en bepaalbare kans op schade (onder verwijzing onder andere naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2018, NJ 2018, 291). Zij verwijst naar het door haar als productie 35 overgelegde rapport van Royal HaskoningDHV (hierna: RHDHV) van 14 februari 2018 waarin staat dat de kans op schade (scheuren) aan de woning door aardbevingstrillingen 8,8% is. Dat is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van scheurvorming die naar haar aard redelijkerwijs door aardbevingen zou kunnen zijn veroorzaakt. De toepasselijkheid van het bewijsvermoeden kan evenmin volgen uit de buitengerechtelijke schadeafhandeling. Zou dat al anders zijn, dan geldt dat de toepasselijkheid van het bewijsvermoeden zich beperkt tot de kwalificatie als B-schade en de betreffende schades. NAM is slechts aansprakelijk te houden voor het verergeringsdeel en het is aan [eisers] om die verergering aan te tonen. Voor zover het bewijsvermoeden wél van toepassing mocht zijn, heeft NAM dat vermoeden ontzenuwd op basis van het RHDHV-rapport. Op basis van dat rapport is het aannemelijk dat de schade aan de woning niet de oorzaak is van de gevonden schadegroepen aan de woning. RHDHV heeft alternatieve oorzaken voor de desbetreffende schadegroepen vastgesteld waarbij de invloed van beweging van de bodem, in het bijzonder daaronder begrepen aardbevingstrillingen, is uitgesloten.
Het (niet wetenschappelijk onderbouwde) commentaar van [eisers] op het RHDHV-rapport betreft veelal algemene stellingen die niet zijn toegespitst op de woning en het onderzoek dat RHDHV aan de woning heeft uitgevoerd. Volgens NAM heeft RHDHV onafhankelijk en navolgbaar onderzoek uitgevoerd naar de schade aan de woning en haar onderzoek uitgevoerd op basis van de meest recente inzichten omtrent de oorzaken van gebouwschade. RHDHV is een professionele partij met een gedegen reputatie en heeft er belang bij om op objectieve wijze te rapporteren. Voor zover de rechtbank twijfel over dat laatste mocht hebben, geeft NAM de rechtbank in overweging om een deskundige te benoemen om het RHDHV-rapport te beoordelen. Omdat NAM het bewijsvermoeden heeft ontzenuwd, ligt de bewijslast voor het causaal verband tussen de schade aan de woning en bewegingen van de bodem door gaswinning van NAM bij [eisers] In dat bewijs zal zij niet slagen. Het door [eisers] overgelegde opname-rapport van Vergnes betreft slechts een opname van de schade, zonder dat daarbij het causaal verband met aardbevingen is beoordeeld. Voor zover de rechtbank van mening is dat het bewijsvermoeden niet is ontzenuwd dan wel het bewijs van causaal verband tussen de schade en de bodembeweging door gaswinning door [eisers] is geleverd, behoeft er geen verwijzing naar de schadestaatprocedure plaats te vinden. De fysieke schade kan in deze procedure worden begroot en afgedaan. NAM betwist de herstelkostenbegroting zoals die is overgelegd door [eisers] en biedt tegenbewijs aan, zowel voor wat betreft de in die begroting opgenomen herstelmethode als de hoogte van de herstelkosten.
2.6.3.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van
19 juli 2019 in overweging 2.3. de eerdere erkenning van NAM in deze procedure dat zij aansprakelijk is op grond van artikel 6:177 lid 1, aanhef en onder b BW, heeft herhaald en verder heeft vastgesteld dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd in deze zaak onder meer bestaat in fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard redelijkerwijs schade kunnen zijn door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld, als bedoeld in artikel 6:177a lid 1 BW. In overweging 2.9.2. verbindt de Hoge Raad hieraan de conclusie dat voldaan is aan de vereisten voor toepassing van het bewijsvermoeden van artikel 6:177a lid 1 BW. Hoewel de Hoge Raad dat niet als zodanig benoemt, neemt de rechtbank aan dat de Hoge Raad hierbij vooral het oog heeft gehad op de rapporten van Vergnes uit 2014 en 2016, het Dekra-rapport en de daarin concreet omschreven fysieke schade aan het pand van [eisers] Hieraan heeft de Hoge Raad, naar het oordeel van de rechtbank, terecht de conclusie verbonden dat dit schade zou kunnen zijn die redelijkerwijs door bodembeweging zou kunnen zijn veroorzaakt, zodat het bewijsvermoeden van toepassing is. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat NAM met betrekking tot de vraag of het bewijsvermoeden van toepassing is, de lat hier te hoog legt. De rechtbank verwijst hierbij naar het vonnis van deze rechtbank van 15 april 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:1890). Daarin is het volgende overwogen, voor zover van belang:
"Het bewijsvermoeden geldt bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld zou kunnen zijn. Ten aanzien van het Groningenveld is inmiddels duidelijk dat de aardbevingen veel gelijksoortige fysieke schade aan bouwwerken in de omgeving hebben veroorzaakt. Die veelvuldigheid van soortgelijke schadegevallen rechtvaardigt, volgens de minister bij de behandeling van het wetsontwerp in de Eerste Kamer, het vermoeden dat de schade door de gaswinning is veroorzaakt en daarmee toepassing van het bewijsvermoeden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat als het in de rede ligt dat de schade die zich heeft voorgedaan het gevolg is van gaswinning uit het Groningenveld, het bewijsvermoeden van toepassing is.
Bij de vraag of het bewijsvermoeden in een concreet geval van toepassing is, moet dus worden gekeken naar de uiterlijke verschijningsvorm van de schade. Anders dan in de stellingen van NAM besloten ligt, gaat het er daarbij dus niet om of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de fysieke schade waarvan vergoeding wordt gevorderd het gevolg is van gaswinning in het Groningenveld, maar of de schade naar haar aard redelijkerwijs het gevolg zou kunnen zijn van die gaswinning. Met andere woorden, of de schade lijkt op fysieke schade die door gaswinning in het Groningenveld veroorzaakt kan worden. Een andere opvatting zou leiden tot het door de wetgever niet gewenste gevolg dat, wanneer NAM er voorafgaand aan de beslissing over de toepasselijkheid van het bewijsvermoeden in slaagt om twijfels te zaaien over het causaal verband tussen schade en gaswinning, niet aan het bewijsvermoeden wordt toegekomen, zodat het bewijsrisico voor dat verband bij de benadeelde partij komt te liggen. Dat is uitdrukkelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest. In dit verband wijst de rechtbank op de toelichting die de minister aan de Tweede Kamer heeft gegeven bij de Novelle Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen, inhoudende: “Nu de fysieke schade aan gebouwen en werken die gemeld wordt in Groningen in het merendeel van de gevallen ook daadwerkelijk het gevolg is van bodembeweging door gaswinning, kan worden vermoed dat ook de overige gevallen, naar hun aard schade als gevolg van bodembeweging zouden kunnen zijn, aan bodembeweging door gaswinning kunnen worden toegeschreven.
Gelet hierop, en op de wens van de Tweede Kamer om voor het aardbevingsgebied in Groningen benadeelden te hulp te komen bij hun bewijsvoering, wordt met de novelle een wettelijk bewijs vermoeden opgenomen in artikel 177a van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ” (Kamerstukken I 2016/17,34041, nr. E). Bovendien is de door NAM verdedigde opvatting slecht verenigbaar met de hoogte waarop de Hoge Raad de lat heeft gelegd voor de weerlegging van het bewijsvermoeden, te weten dat de exploitant dient te bewijzen - waaronder is begrepen voldoende aannemelijk te maken - dat de schade niet is veroorzaakt door gaswinning.".
2.6.4.
Op grond van het voorgaande, houdt de rechtbank het er dan ook voor dat het bewijsvermoeden van toepassing is. In zijn prejudiciële beslissing van 19 juli 2019 heeft de Hoge Raad hierover het volgende overwogen, voor zover van belang:
"2.9.3 Dit wettelijke bewijsvermoeden beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting van
de minister, de positie van de benadeelden te versterken in discussies over het causaal verband tussen de mijnbouwactiviteiten en aardbevingsschade. Het te hulp komen van de benadeelden bij hun bewijsvoering is gerechtvaardigd geacht omdat de fysieke schade aan gebouwen en werken die gemeld wordt in Groningen, in het merendeel van de gevallen daadwerkelijk het gevolg is van bodembeweging door gaswinning.
2.9.4
Het wetsvoorstel voor de invoering van art. 6:177a lid 1 BW is blijkens een brief van de minister van Economische Zaken aan de voorzitter van de Tweede Kamer gedaan naar aanleiding van de wens van de Tweede Kamer om ‘de bewijslast om te keren’. Ook bij de behandeling van dit wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de minister van Economische Zaken het vermoeden van art. 6:177a lid 1 BW herhaaldelijk op een lijn gesteld met ‘omkering van de bewijslast’ en opgemerkt dat de omkering van de bewijslast “uiteindelijk in de vorm van een bewijsvermoeden wettelijk is ingeregeld”. Daarbij heeft hij bovendien verwezen naar voorlichting van de Afdeling Advisering van de Raad van State, waarin het bewijsvermoeden ook gekenschetst is als een omkering van de bewijslast en waarin de Raad van State duidelijk tot uitdrukking brengt dat het risico dat onzeker blijft of bodembeweging de oorzaak is van de schade, bij de exploitant ligt. Tot slot komt in de benaming van het wetsvoorstel, en van de uiteindelijke wet, de zinsnede voor: “en wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de omkering van de bewijslast bij schade binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk”.
2.9.5
Uit de tekst en de strekking van art. 6:177a lid 1 BW, alsmede uit de hiervoor aangehaalde bedoeling van de wetgever, volgt dat de exploitant het in die bepaling bedoelde vermoeden alleen dan met succes weerlegt, als hij erin slaagt te bewijzen dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk. Daarbij verdient opmerking dat voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan. Voor bewijs kan volstaan dat de te bewijzen feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk worden. Voor weerlegging van het vermoeden van art. 6:177a lid 1 BW is dus niet voldoende dat de exploitant twijfel zaait over de oorzaak van de schade.
2.9.6
Indien de exploitant niet erin slaagt te bewijzen dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk, draagt hij daarvan het risico. Dat geldt dus ook indien onduidelijk blijft of de schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk. In die gevallen moet op grond van art. 6:177a lid 1 BW ervan worden uitgegaan dat de schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk.".
2.6.5.
Het voorgaande komt er, gelet op de beantwoording van vraag 5 in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad, op neer dat de exploitant het bewijsvermoeden van artikel 6:177 a lid 1 BW "alleen dan met succes weerlegt als hij er in slaagt te bewijzen - waaronder is begrepen voldoende aannemelijk te maken - dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk.". In zoverre staat de rechtbank dan ook te beoordelen of NAM bewijs heeft geleverd in vorenbedoelde zin. Dat is wat de rechtbank betreft hier het geval. Daarvoor geldt de volgende motivering.
2.6.6.
In het al eerder genoemde rapport van RHDHV staat onder het kopje 'Samenvatting en conclusie' het volgende vermeld, voor zover van belang:
"Algemeen
NAM heeft Royal HaskoningDHV (RHDHV) gevraagd de fundamentele oorzaken te achterhalen van het optreden van een bepaald probleem of bepaalde schades aan de opstallen aan het adres [adres] te Bierum gelegen in het gaswinningsgebied in Groningen. Dit wordt gedaan met een door TNO op basis van een Root Cause Analysis (RCA) ontwikkelde methodiek voor onderzoek naar de oorzaak van gebouwschade (…) Een Root Cause Analysis is een methodiek die er op gericht is om de oorzaak van een schade te achterhalen door het inventariseren van alle mogelijke schadeoorzaken en het systematisch uitsluiten of aantonen (ook wel genoemd "falsificeren" of "verifiëren") van elk van deze oorzaken. Tevens behoort het vaststellen van het schadebedrag van schades die zijn veroorzaakt door aardbevingen tot de vraagstelling.
(…)
Het doel van het onderzoek is om één of meerdere oorzaken en de omvang van een schade bij de betreffende gebouwen vast te stellen. Mogelijk aardbevingsschades, zoals die zich kunnen voordoen in Groningen, maken onderdeel uit van het onderzoek. Daar waar geen eenduidige oorzaak is vast te stellen wordt dit gemeld. Wij hebben waar wij dat noodzakelijk of wenselijk achtten, nader onderzoek ter plaatse uitgevoerd om meer zekerheid of duidelijkheid rond de schadeoorzaak te krijgen. RHDHV heeft getracht de opnames en argumentaties navolgbaar en verifieerbaar weer te geven in verband met controleerbaarheid.
Royal HaskoningDHV hecht eraan te benadrukken dat hierbij onafhankelijkheid noodzakelijk is.
Gegeven het belang van onafhankelijk onderzoek heeft RHDHV prof. dipl. Ing. [naam 2] gevraagd een onafhankelijke beoordeling uit te voeren (…) De heer [naam 2] heeft de rapporten van RHDHV bestudeerd en van commentaar voorzien, welk commentaar wij in de rapporten verwerkt hebben. Hij heeft de rapporten beoordeeld en getoetst op basis van een onafhankelijke oordeelvorming en heeft de conclusie onderschreven.
Beschrijving onderzoek
Het pand [adres] te Bierum is een vrijstaande woning met losstaande schuur. Het pand is op 16 januari 2018, 23 januari 2018 en 30 januari geïnspecteerd waarbij de schades zijn vastgelegd.
In het bijzonder voor aardbevingen is onderzocht of trillingen schade hebben kunnen veroorzaken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van Ground Motion Prediction Equation (GMPE) of Ground Motion Model (GMM). EEN GMPE of GMM is een model op basis waarvan kan worden bepaald wat het maximale trillingsniveau is op de locatie van het pand, ten gevolge van aardbevingen in het verleden, afhankelijk van de afstand tot en de magnitude van de opgetreden aardbeving (het epicentrum). Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de Empirische GMPE (…)
Dit model is vastgesteld door middel van wetenschappelijk onderzoek en gebaseerd op daadwerkelijke metingen, in totaal zijn meer dan 1000 registraties van gemeten trillingen gebruikt. De EGMPE is het meest recente model en gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten.
Als op basis van de EGMPE de kracht (trillingssnelheid, trillingsversnelling) van de maximaal opgetreden bij het onderzoeksobject is bepaald, wordt vervolgens op basis van de (in november 2017 herziene) SBR Richtlijn A getoetst of de schade aan het gebouw zou kunnen optreden als gevolg van deze trilling (…) De beoordeling van de trillingsbelasting bestaat uit een vergelijking van de berekende trillingssnelheid, gebaseerd op daadwerkelijk bij KNMI meetstations betrouwbare gemeten waarden, met de grenswaarde. De grenswaarden in SBR Richtlijn A zijn vastgesteld op basis van praktijkervaringen en literatuuronderzoek.
Er zijn twee grenswaarden in de SBR Richtlijn A opgenomen:
- 1.
Een grenswaarde voor schade door trillingen van de constructie.
- 2.
Een grenswaarde voor schade door zettingen door verdichting of verweking van de grond door trillingen.
Resultaat onderzoek
In ons onderzoek hebben wij met betrekking tot het pand [adres] te Bierum een 23-tal schadegroepen geïdentificeerd. Elke schadegroep bestaat uit de bij inspecties vastgestelde één of meerdere schades (schades bestaan veelal uit scheuren) die bij elkaar in de buurt zitten en waarvan na beoordeling is vastgesteld dat ze dezelfde oorzaak hebben.
Uit het onderzoek is gebleken dat voor de eerste grenswaarde voor trillingen volgens de SBR A geldt dat voor [adres] de grenswaarde is overschreden. Berekend is dat er een kans is van 9% op lichte schade door de maatgevende aardbeving. Overschrijding van de grenswaarde betekent dat er een kans is op schade, maar niet dat daadwerkelijk schade is opgetreden door trillingen, er is immers een kans van 91% dat er in het geheel geen schade is opgetreden ten gevolge van aardbevingen. Omdat de grenswaarde is overschreden worden daarom in dit geval met de TNO-RCA methode aardbevingen als schade-oorzaak opgenomen in de falsificatie/verificatie. De beoordeling of een schade het gevolg kan zijn van aardbevingen wordt daar steeds afgewogen tegen andere mogelijke oorzaken.
De trillingen zijn zo beperkt van grootte dat er zeker geen trekspanningen op de fundering zullen optreden.
Uit het onderzoek is voorts gebleken dat voor de tweede grenswaarde voor trillingen volgens de SBR A geldt dat met het Empirische model bepaalde trillingen steeds ver onder de grenswaarde voor schade door zettingen door verdichting of verweking van de grond blijven. (…) Dit houdt in dat aardbevingen niet tot (extra) zettingen van de fundering geleid kunnen hebben en dat de schade die veroorzaakt is door zettingen (…), niet is veroorzaakt of verergerd door aardbevingen.
Bovendien is bij het verharden van de inrit tussen het huis en dat van de buren enkele jaren geleden een trilplaat gebruikt. (…) Dus als er al schade is ontstaan door trillingen, dan ligt de trilplaat als oorzaak meer voor de hand dan aardbevingen.
Uit ons onderzoek is gebleken dat bijna alle schade door overmatige zettingen of door verhinderde vervormingen door temperatuursinvloeden zijn ontstaan, en niet door aardbevingen.
De zettingen zijn ontstaan door de slappe grond waarop het pand is gefundeerd, welke is vastgesteld in het grondonderzoek van Fugro, in combinatie met een smalle fundering. Dat zettingen zijn opgetreden wordt bevestigd door de uitgevoerde vloerwaterpassing en metingen aan de gevels. (…) Uit de metingen blijkt dat de zettingen en zettingsverschillen dusdanig groot zijn dat deze altijd zullen leiden tot scheuren zoals hier zijn geconstateerd.
(…)
Verder is ook een aantal scheuren ontstaan door de wijze van bouwen en verbouwen.
De woning, waarvan het bouwjaar niet bekend is (…) verkeert in goede staat. In de loop der jaren is de woning vele malen verbouwd.(…)
Ondanks al deze verbouwingen is er relatief weinig scheurvorming van betekenis opgetreden. Vergnes heeft in 2016 weliswaar een groot aantal haarscheurtjes gefotografeerd maar die zijn vrijwel allemaal zo dun dat ze nauwelijks zichtbaar zijn en geen praktische betekenis hebben. Er zijn slechts enkele lichte scheuren ontstaan door verschil in zetting. Gezien de geschiedenis van het gebouw valt dat heel erg mee. De meeste geconstateerde scheurtjes zijn nauwelijks zichtbaar en zijn normaal voor een stenen woning waarover een stuclaag is aangebracht en voor een houtskeletbouw bovenbouw, afgewerkt met plaatmateriaal.
(…)
De hier toegepaste ongebruikelijk dunne wanden zijn erg gevoelig voor temperatuurverschillen tussen binnen en buiten. Dit veroorzaakt verhinderde lengteveranderingen als gevolg van temperatuurverschillen (…). Als gevolg hiervan ontstaan meestal verticale scheuren (…). Als het pleisterwerk een andere uitzettingscoëfficiënt heeft dan de wand, ontstaan door de temperatuurbewegingen ook haarscheurtjes in de pleisterlaag. Ook zijn dit soort wanden gevoelig voor een zogenaamde temperatuurgradiënt. (…) Op zich is dat geen probleem, maar als de wand wordt voorzien van stucwerk zoals in dit geval, dan kan het stucwerk deze kromming en rekken niet volgen en ontstaan scheuren; meestal haarscheuren. Indien het stucwerk was voorzien van een wapening (…) dan zouden veel van dit soort haarscheuren voorkomen zijn.
(…)
De metselwerk fundering met getrapte verbreding van het oorspronkelijk woonhuisgedeelte is erg ondiep aangelegd (…) en op een zeer zettingsgevoelige ondergrond.
(…)
De betonvloer in de vrijstaande schuur is een zogenaamde vloer op staal (…). De aanwezige grondslag bestaat uit zeer zettingsgevoelige klei/leem. Het eigen gewicht van de betonvloer samen met de belastingen op de vloer zorgen daarom voor zettingen van de vloer. Scheur 26 in de betonvloer is het gevolg van deze zettingen.
(…)De aangebouwde uitbreidingen zijn zonder dilatatie aan het eerdere woonhuis verbonden. De nieuwe uitbreidingen zullen nog zettingen ondergaan. (…) Het gevolg is dat de nieuwbouw onbedoeld krachten zal overbrengen naar de bestaande bouw, waardoor die bestaande bouw kan scheuren.
Door het in een latere fase toevoegen van de dakopbouwen wordt eveneens belasting toegevoegd op de bestaande fundering. Ook hier zal extra zetting van deze fundering optreden met het risico op scheurvorming in de bestaande muren;
In de woning zijn diverse doorbraken gemaakt. Ook hierdoor ontstaan extra zettingen welke weer leiden tot scheurvorming in de muren;
De oorspronkelijk ongeïsoleerde buitenmuren zijn, deels, later aan de binnenzijde voorzien van isolatiemateriaal. Dat wil zeggen dat de muur uitzet in zomer/overdag en krimpt in de winter/in de nacht. Omdat deze vervormingen nooit zonder spanningen kunnen optreden, zullen deze leiden tot extra krimpscheuren. (…)
Bij enkele gevels is in een latere fase een extra binnenmuur toegevoegd. Ook deze muur geeft extra belasting op de fundering en daarmee gepaard gaande extra zettingen.
De bovengenoemde schades zijn ontstaan onafhankelijk van het optreden van aardbevingen door gaswinning. Deze schades zouden ook zijn opgetreden indien geen aardbevingstrillingen bij het pand zouden zijn geweest.
(…)
Uit ons onderzoek is vast komen te staan dat de beving van Zeerijp de grootste trillingen heeft gegeven bij het pand ten opzichte van eerdere en/of latere aardbevingen. In een vergelijking met een opname van schades door Noordelijk Schade Taxatie Bureau op 22-07-2014 en Vergnes op 14-03-2016 blijken de toen aanwezige scheuren na de aardbeving van Zeerijp niet verergerd te zijn. Ter illustratie van deze conclusie is een schadevergelijking toegevoegd in deze rapportage en in bijlage G. Er is een vergelijking gemaakt van foto's van Noordelijk Schade Taxatie Bureau op 22-07-2014 en Vergnes op 14-03-2016 (voor Zeerijp) en de foto's van RHDHV (na Zeerijp) Er zijn door de beving Zeerijp 2018 ook geen scheuren bijgekomen. Daardoor is het aannemelijk dat alle opgetreden lagere aardbevingstrillingen, vóór Zeerijp, ook niet tot schade of verergering van bestaande schade hebben geleid.".
2.6.7.
RHDHV heeft vervolgens op pagina 11 en 12 van haar rapport in een tabel per schadegroep aangegeven wat de schadeoorzaken zijn. Dit betreft voornamelijk zettingen door verandering van de belasting op de ondergrond door de verbouwing en verhinderde vervormingen door temperatuursinvloeden. Ook voor de overige schade(-nummers) sluit RHDHV aardbevingen als oorzaak uit.
2.6.8.
De rechtbank is van oordeel dat NAM ( en met haar EBN) met het RHDHV-rapport, meer bijzonder de hiervoor opgenomen samenvatting en conclusie, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade niet is veroorzaakt door de exploitatie van het mijnbouwwerk en daarmee het hiervoor aangenomen bewijsvermoeden heeft weerlegd. Aan dat oordeel kan niet (voldoende) afdoen dat [eisers] bij repliek een groot aantal bezwaren tegen (de inhoud van) het RHDHV-rapport heeft opgevoerd. Deze bezwaren zijn naar het oordeel van de rechtbank in het door NAM als productie 41 overgelegde memo van RHDHV van 20 februari 2020 en het als productie 45 overgelegde addendum van RHDHV van eveneens 20 februari 2020 weerlegd. In het memo heeft RHDHV nagenoeg alle inhoudelijke kritiek van [eisers] gemotiveerd weersproken. De rechtbank acht deze weerlegging overtuigend.
Weliswaar heeft [eisers] nog niet gereageerd op dit memo en het addendum, maar in haar akte van 11 maart 2020 wordt de rechtbank namens haar uitdrukkelijk gevraagd om vonnis te wijzen. De rechtbank leidt hieruit af dat er bij [eisers] geen behoefte meer bestaat voor een nadere reactie. Aldus moet worden vastgesteld dat NAM de kritiek van [eisers] op het RHDHV-rapport voldoende deugdelijk heeft weerlegd.
2.6.9.
Omdat het bewijsvermoeden is weerlegd, dient [eisers] ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv - alsnog - het causale verband tussen de door haar gestelde schade aan het pand en de bodembeweging te bewijzen. In die bewijslevering acht de rechtbank [eisers] , behoudens de schade zoals vastgesteld in het Dekra rapport van
4 april 2016, niet geslaagd. Daarvoor acht de rechtbank het volgende redengevend.
2.6.10.
Uit het hiervoor geciteerde citaat uit het RHDHV-rapport volgt dat er na de beving van Zeerijp op 8 januari 2018 volgens RHDV geen scheuren zijn bijgekomen en dat de scheuren zoals die zijn opgenomen door het Noordelijk Schade Taxatie Bureau op 22 juli 2014 en Vergnes op 14 maart 2016 na deze beving niet zijn verergerd. [eisers] betwist dit weliswaar in de conclusie van repliek - volgens haar zou er ook na de beving van Zeerijp nieuwe schade zijn opgetreden - maar koppelt dit één op één aan haar kritiek op de bevindingen van RHDHV. Hierboven is al overwogen en uitgemaakt dat die kritiek van [eisers] met het memo en addendum van RHDV voldoende is weerlegd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de schade van [eisers] ná 8 januari 2018 niet (verder) is toegenomen. In zoverre resteert dan de schade vóór de beving van Zeerijp. Dat RHDHV het eveneens aannemelijk acht dat er ook voor die beving geen (verergering van) schade zou zijn opgetreden, mag zo zijn, maar laat onverlet dat het Noordelijk Schade Taxatie Bureau en Vergnes het er op 10 maart 2015 over eens zijn geworden dat er in ieder geval sprake is (geweest) van B-schade. Die schade is door zowel het Noordelijk Schade Taxatie Bureau en Vergnes op 15 januari 2016 onderzocht voor een schadecalculatie, waarbij ook de door [eisers] nieuw gemelde schade op 6 maart 2015 is meegenomen. Dekra heeft in haar rapport van 4 april 2016 de totale schade (waaronder de aanvullende schade naar aanleiding van de melding op 6 maart 2015) begroot op € 18.871,69 en NAM heeft bij brief van 4 mei 2016 aangeboden dat bedrag te betalen. Dat er, behoudens deze schade, nieuwe schade zou zijn opgetreden vóór de beving van Zeerijp op 8 januari 2018 volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de opname van Vergnes op 14 maart 2016 en zoals neergelegd in haar rapport van 15 augustus 2016. Meer bijzonder overweegt de rechtbank dat Vergnes in dat rapport geen enkele relatie legt tussen schade aan de woning en aardbevingen. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om met betrekking tot de fysieke schade van [eisers] aansluiting te zoeken bij de hoogte van schadebedrag van het rapport van Dekra van 4 april 2016. Voor het toekennen van een hoger bedrag ziet de rechtbank in het kader van deze procedure geen, althans onvoldoende grondslag.
2.7.
Versterkende maatregelen ex artikel 6:184 BW
2.7.1.
[eisers] stelt bij repliek dat ook preventieve maatregelen vallen onder de risicoaansprakelijkheid in de zin van artikel 6:177 BW. Het is de rechtbank evenwel niet duidelijk geworden of [eisers] hiermee heeft beoogd haar vorderingen te wijzigen/vermeerderen, in die zin dat zij daar nu ook artikel 6:184 BW aan ten grondslag legt. Voor zover dit het geval mocht zijn, overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat voor toewijzing van een op artikel 6:184 BW gebaseerde vordering voldaan moet zijn aan twee vereisten. Er moet sprake zijn van een ernstige en onmiddellijke dreiging en de maatregelen die in dat verband getroffen moeten worden, dienen redelijk te zijn. Het is niet zonder meer noodzakelijk dat het bij artikel 6:184 BW steeds moet gaan om reeds gemaakte kosten of om reeds opgetreden fysieke schade (vergelijk het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5849). Voor zover het verweer van NAM hier - mede - betrekking op heeft, slaagt dit verweer niet.
Met NAM is de rechtbank van oordeel dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW niet van toepassing is op artikel 6:184 BW. Dit vermoeden geldt immers alleen voor de aanwezigheid van fysieke schade. Het is dan aan [eisers] om te stellen en - bij gemotiveerde betwisting - te bewijzen dat aan de hiervoor genoemde beide vereisten is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] de noodzaak voor versterkende maatregelen, voor zover aan de orde en, afgezet tegen het gemotiveerde verweer van NAM, onvoldoende (feitelijk) onderbouwd. Daarmee heeft [eisers] in zoverre niet aan haar stelplicht ter zake voldaan.
2.7.2.
Verkort weergegeven, komen de stellingen van [eisers] er op neer dat zij niet uitsluit dat de schade zal verergeren. Dat is evenwel onvoldoende om aan te kunnen nemen dat er sprake is van een ernstige en onmiddellijke dreiging, zeker als bedacht wordt dat uit het rapport van RHDHV, dat hiervoor is besproken bij de beoordeling van de fysieke schade, volgt dat het bij [eisers] veelal gaat om schade in de vorm van haarscheurtjes. Zonder nadere toelichting, die in onvoldoende mate is gegeven door [eisers] , valt niet in te zien waarom de kans op dergelijke schade een onmiddellijke en ernstige dreiging oplevert. Het is de rechtbank evenmin gebleken dat de eerdere, zogenoemde acuut onveilige situatie (AOS) op dit moment nog actueel en daarmee nog onverkort van toepassing is. Nu reeds aan het eerste vereiste niet is voldaan, komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of de voorgestelde maatregelen redelijk zijn in de zin van artikel 6:184 BW. De rechtbank zal de vordering van [eisers] , voor zover die is gebaseerd op voornoemd artikel, dan ook afwijzen.
2.8.
Waardedaling
2.8.1.
Met betrekking tot de waardedaling van de woning heeft de rechtbank diverse prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld, zoals nader omschreven onder vraag 7 in het vonnis van 10 oktober 2018.
2.8.2.
Vraag 7a luidt als volgt, voor zover van belang:
"Kan waardedaling van een woning als gevolg van het risico op aardbevingen als gevolg van gaswinning aangemerkt worden als schade waarvoor de exploitant aansprakelijk is, ook als de schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij verkoop van die woning en, zo ja, wat is de peildatum voor de begroting van dergelijke schade?".
2.8.3.
In de prejudiciële beslissing van 19 juli 2019 is hierover het volgende opgenomen, voor zover van belang:
"Prejudiciële vraag 7a wordt aldus beantwoord dat de omvang van de verplichting van de exploitant om de schade te vergoeden die bestaat in waardevermindering van een woning die het gevolg is van het risico van toekomstige bodembeweging boven het Groningenveld zoals potentiële kopers dat zien en die zich nog niet heeft gemanifesteerd bij (serieuze poging tot) verkoop van de woning, nog niet kan worden begroot. De omvang van de schade kan pas begroot worden op het moment dat sprake is van een geofysisch voldoende stabiele toestand. Dit laat onverlet dat de rechter de mogelijkheid heeft om in zaken als de onderhavige aan de benadeelde een voorschot toe te kennen, indien dit gelet op de omstandigheden van het geval in de rede ligt, waarvan sprake is als voldoende aannemelijk is dat door de benadeelde uiteindelijk schade zal worden geleden.".
2.8.4.
Daarbij geldt de volgende toelichting, voor zover van belang:
"2.11.2. Prejudiciële vraag 7a luidt of waardedaling van een woning door het risico op bodembeweging als gevolg van gaswinning aangemerkt kan worden als schade waarvoor de exploitant aansprakelijk is, ook als de schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij verkoop van die woning, en, zo ja, wat dan de peildatum is voor de begroting van die schade.
(…)
2.11.4.
Voor het begroten van de hiervoor in 2.11.2 bedoelde schade is vereist dat sprake is van een - min of meer - stabiele situatie. Met betrekking tot de woningen die zich boven het Groningenveld bevinden, betekent dit dat een geofysisch voldoende stabiele toestand moet zijn bereikt. Alleen dan is immers voldoende zeker dat significante schommelingen in de waarde van de woning die samenhangen met het risico op bodembeweging, zullen uitblijven.
2.11.5.
In het Groningenveld is thans geen sprake van een geofysisch voldoende stabiele toestand. De omvang van de schade die bestaat in waardevermindering van de woningen is daarom afhankelijk van nog niet voldoende bepaalbare gebeurtenissen of omstandigheden in de toekomst. De gaswinning wordt afgebouwd maar is nog niet gestaakt. In mei en juni 2019 hebben zich nog aardbevingen voorgedaan met een kracht van 2 of hoger op de schaal van Richter.
In ieder geval zolang een voldoende stabiele toestand uitblijft, zullen deze omstandigheden een (verdere) negatieve invloed kunnen hebben op het bedrag dat potentiële kopers voor een woning gelegen boven het Groningenveld willen betalen. Hierbij kan ook een rol spelen dat burgers, onder wie potentiële kopers, (nog) geen groot vertrouwen hebben in een snelle en correcte afwikkeling door NAM/EBN en de Staat van de met bodembeweging gepaard gaande schade. Hier staat tegenover dat niet is uit te sluiten dat als gevolg van de afbouw van de gaswinning in de nabije toekomst de bodembewegingen in aantal en zwaarte afnemen, en dat de woningen boven het Groningenveld ten opzichte van de huidige situatie, los van de algemene marktontwikkelingen, weer in waarde zullen toenemen. Hieruit volgt dat het begroten van schade die bestaat in waardevermindering van een woning als bedoeld hiervoor in 2.11.2 op dit moment in het algemeen nog niet mogelijk is.".
2.8.5.
Zoals [eisers] ook bij haar verweer tegen het gezag van gewijsde van het vonnis van 1 maart 2017 heeft aangevoerd, is er op dit moment nog geen sprake van een geofysisch voldoende stabiele toestand. Reeds hierom kan schadevergoeding wegens waardedaling, indachtig voornoemde toelichting van de Hoge Raad, nu niet aan de orde zijn. Voor het toekennen van een voorschot ziet de rechtbank evenmin voldoende grond. De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciële beslissing van 19 juli 2019 onder 2.11.5 hieromtrent het volgende overwogen, voor zover van belang:
"Het voorgaande laat onverlet dat de rechter de mogelijkheid heeft om in zaken als de onderhavige aan de benadeelde een voorschot toe te kennen, indien dit gelet op de omstandigheden van het geval in de rede ligt. Daarvan is sprake als voldoende aannemelijk is dat door de benadeelde uiteindelijk schade zal worden geleden. De rechter kan aan een veroordeling tot betaling van een voorschot voorwaarden verbinden.".
2.8.6.
[eisers] stelt met betrekking tot dergelijke door de Hoge Raad bedoelde omstandigheden niet veel meer of minder dan dat zij een serieuze poging tot verkoop van de woning heeft gedaan. Daarvan is de rechtbank evenwel niet gebleken. Daarbij slaat de rechtbank acht op het verweer van NAM dat de woning inderdaad in de verkoop is geweest, maar al in 2011 onverkoopbaar was, onafhankelijk van (het risico op) aardbevingen, alsmede dat de woning al sinds mei 2015 niet meer te koop zou staan. [eisers] heeft dit niet betwist. Dat [eisers] een serieuze verkooppoging heeft gedaan, is wat de rechtbank betreft daarom niet komen vast te staan. [eisers] heeft behoudens het voorgaande verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd waarom nu een voorschot moet worden toegekend. Dit betekent dat de rechtbank deze vordering van [eisers] zal afwijzen.
2.9.
Gederfd woongenot
2.9.1.
De rechtbank overweegt met betrekking tot dit punt het volgende. Zoals de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 19 juli 2019 bij de beantwoording van vraag 8 heeft overwogen, komt gederfd woongenot als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking, indien er sprake is van zodanige overlast of hinder dat deze boven een bepaald niveau uitkomt. Dat niveau hangt volgens de Hoge Raad af van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard, de ernst en de duur van de overlast of hinder.
Hiervoor, in overweging 2.6.10. is uitgemaakt dat [eisers] bewezen heeft dat er sprake is van fysieke schade (B-schade) aan de woning. Volgens het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2019 brengt die enkele omstandigheid goed en wel mee dat het hiervoor bedoelde niveau wordt overschreden, zodat er sprake is van gederfd woongenot. De rechtbank sluit zich hierbij aan, zodat [eisers] recht heeft op vergoeding vanwege gederfd woongenot. NAM heeft weliswaar aangegeven in cassatie te zijn gegaan tegen de uitspraak van het hof, maar heeft geen gronden aangevoerd waarom de rechtbank deze uitspraak in dit geval niet zou moeten volgen. Dat NAM de procesopstelling van [eisers] niet chique vindt omdat zij zich enerzijds, met medewerking van NAM, heeft teruggetrokken uit de procedure bij het hof en anderzijds wel een beroep doet op de uitspraak van 17 december 2019, laat onverlet dat de rechtbank in haar beoordeling de (geldende) rechtspraak zal moeten betrekken.Dat er in dit geval, in afwijking van het hiervoor genoemde arrest, nog geen daadwerkelijke betaling van de fysieke schade door NAM heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. NAM heeft in ieder geval wel aangeboden deze schade te betalen. Daarmee is de onderhavige situatie toepasbaar op de omstandigheden in bedoeld arrest. Hoewel [eisers] nog een berekening in het geding heeft gebracht voor deze schade, gebaseerd op de aanwijzing van de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing, zal de rechtbank de zaak op dit onderdeel - overeenkomstig de vorderingen van [eisers] - verwijzen naar de schadestaatprocedure. Hetgeen [eisers] voor het overige op dit punt nog naar voren heeft gebracht, zal bij de beoordeling van de immateriële schade worden betrokken.
2.10.
Immateriële schade
2.10.1.
[eisers] vordert tevens vergoeding van immateriële schade als gevolg van de bodembeweging. Hetgeen zij in dit kader aanvoert laat zich, samengevat, als volgt duiden. NAM en EBN hebben, met toestemming van de Staat, jarenlang gas gewonnen, wetende dat deze gaswinning een aanzienlijk en vaak ook verwezenlijkt risico op aardbevingen en daaruit voortvloeiende schade met zich brengt. Dit risico zorgt ervoor dat het enkele wonen in het winningsgebied reeds onrust en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt, aldus [eiseres] . c.s. Zij wijst, ter illustratie hiervan, bijvoorbeeld op de onzekerheid omtrent de vraag of de zeedijk wel bestand is tegen (herhaalde) aardbevingen.
2.10.2.
De rechtbank oordeelt hierover - onder verwijzing naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 juli 2019 bij de beantwoording van vraag 9 (onder 2.13.) - als volgt. De schade die het gevolg is van bevingen, veroorzaakt door de gaswinning, kan ook bestaan in de aantasting in de persoon op andere wijze dan lichamelijk letsel of schending van de eer of goede naam, als bedoeld in artikel 6:106, lid 1 sub b, BW. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich daarop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan. Dit geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven kunnen worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van een aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. Degene die zich hierop beroept, moet de aantasting van zijn persoon met concrete gegevens onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Hiervoor volstaat niet het enkele feit dat de benadeelde in een gebied woont waar regelmatig aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden, in combinatie met een persoonlijke verklaring van die benadeelde over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben. Dat laat onverlet dat de rechter kan oordelen dat de aard en de ernst van de gebeurtenis (i.g. de aardbevingen) meebrengen dat de nadelige gevolgen van de gaswinning voor bewoners van een bepaald gebied boven het Groningenveld zodanig voor de hand liggen dat aangenomen kan worden dat dit leidt tot een aantasting in de persoon en dat de rechter daarbij aannemelijk kan achten dat de door deze aantasting in de persoon geleden schade voor deze bewoners ten minste een bepaald bedrag beloopt, aldus de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 19 juli 2019.
2.10.3.
Het gaat aldus onder meer om de mate van waarschijnlijkheid dat zich schade zal voordoen, en de mogelijke ernst van deze schade. In dit licht acht de rechtbank van belang dat vast staat dat gaswinning tot aardbevingen leidt, en aardbevingen tot schade aan woningen hebben geleid en kunnen leiden, hetgeen blijkens het rapport ‘Aardbevingsrisico’s in Groningen’ van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (2015, verder te noemen: het OvV-rapport) in elk geval sinds 1993 bekend is, terwijl tot begin 2013 de veiligheid van burgers in de besluitvorming geen rol speelde. Ook staat vast dat sinds het begin van deze eeuw de aardbevingen in frequentie en intensiteit toenemen. Tot slot staat vast dat deze feiten in elk geval tot 2015 niet tot nauwelijks aanleiding vormden voor NAM en EBN om terughoudendheid te betrachten in het (doen) winnen van aardgas uit het Groningerveld, integendeel, de hoeveelheid gewonnen gas is na de aardbeving in Huizinge in 2013 nog sterk gestegen. De rechtbank verwijst hiervoor naar het eerder genoemde vonnis van de rechtbank van 1 maart 2017.
2.10.4.
Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin er risico is op verzakkingen en instorten van woningen en de veroorzakers van dat risico geen blijk hebben gegeven van een serieus streven om dit te verminderen, laat staan te voorkómen. Dat bewoners daardoor in toenemende mate verontrust en zelfs angstig zijn geworden, is evident. [eisers] heeft, onderbouwd met schriftelijke verklaringen, aannemelijk gemaakt dat zij door deze situatie lijdt en heeft geleden aan stress, angst en gevoelens van onveiligheid. Beiden hebben onder behandeling gestaan van een psycholoog. In 2016 hebben zij een traumabehandeling gehad en is PTSS vastgesteld, terwijl [eiser] daarnaast last heeft (gehad) van depressieve klachten. Ter onderbouwing hebben zij brieven overgelegd van [naam 3] , Gz-psycholoog, orthopedagoog en EMDR therapeut, van juni 2016 (productie 55) en november 2019 (producties 111 en 114). De rechtbank merkt deze diagnose aan als geestelijk letsel en leidt uit de brieven van de psycholoog af dat de gaswinning (mede) oorzaak is voor dit letsel. Weliswaar is er sprake van meervoudige (pre-existente) problematiek, maar ook de problemen die zijn ontstaan door de gaswinning, hebben blijkens de diagnose van de psycholoog bijgedragen aan het ontstaan en blijven bestaan van de klachten. Beiden zijn in de periode tussen 2016 en (eind) 2018 voor dit trauma behandeld. De rechtbank verwerpt het verweer van NAM dat de brieven van de gz-psycholoog niet voldoende objectief zijn. Dat de brieven over [eiseres] en [eiser] gelijkluidende passages bevatten, is hiervoor niet voldoende. De rechtbank volgt NAM niet in haar stelling dat de diagnose uitsluitend is gebaseerd op eigen mededelingen van [eiseres] en [eiser] . Hoewel de psycholoog veel waarde heeft toegekend aan de mededelingen van [eiseres] en [eiser] , mag aangenomen worden dat de diagnose ook op eigen waarneming is gebaseerd. Een diagnose door een psychiater acht de rechtbank anders dan NAM niet nodig.
2.10.5.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat er zowel bij [eiseres] als bij [eiser] sprake is van aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Overeenkomstig de vorderingen van [eisers] zal er ook op dit punt een verwijzing naar de schadestaat plaatsvinden.
2.11.
Het schadeafhandelingstraject door NAM
2.11.1.
[eisers] heeft gesteld dat het schadeafhandelingstraject zijn weerslag heeft gehad op haar psychische gezondheid en dat van haar gezin. De rechtbank begrijpt hieruit dat [eisers] stelt dat de wijze waarop de schade is afgehandeld door NAM en de Staat mede reden is voor de toekenning van immateriële schadevergoeding. Ten aanzien van NAM heeft [eisers] aangevoerd dat NAM geen concrete actie heeft ondernomen tot het vergoeden van de schade of tot het zoeken van een definitieve oplossing voor haar gezin.
Volgens [eisers] heeft NAM het proces getraineerd en is zij daardoor tekortgeschoten in haar zorgplicht op grond van artikel 33 Mijnbouwwet.
2.11.2.
NAM betwist dat zij de schadeafhandeling heeft getraineerd. Volgens NAM heeft zij de klachten en schademeldingen voortvarend ter hand genomen en steeds naar behoren gereageerd op de vele brieven en verzoeken. Bepaalde stappen in het schade afhandelingsproces kosten nu eenmaal enige tijd, terwijl ook [eisers] voor vertraging heeft gezorgd. NAM wijst er in dit verband op dat [eisers] pas op 15 januari 2016 toestemming heeft gegeven voor een nadere opname van de schade waarvan de noodzaak door NAM al op 25 maart 2015 was aangegeven en [eisers] geen akkoord heeft gegeven op het aanbod van NAM van 10 december 2015 tot een veiligheidsinspectie.
2.11.3.
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] in het licht van de gemotiveerde betwisting door NAM onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat NAM het schadeproces heeft getraineerd. Anders dan [eisers] stelt, heeft NAM naar aanleiding van de meldingen van schade door [eisers] wel degelijk actie ondernomen en de schade onderzocht. De rechtbank onderkent dat dit traject psychisch belastend is geweest voor [eisers] Zoals de rechtbank heeft overwogen onder 2.55. brengt dit met zich dat er grond is om [eisers] immateriële schadevergoeding toe te kennen. Voor een extra schadevergoeding vanwege traineren van het traject door NAM is echter geen grond.
2.12.
Het schade- en klachtafhandelingstraject door de Staat en/of CBS
2.12.1.
Ten aanzien van de Staat heeft [eisers] aangevoerd dat hij een rol heeft gespeeld in het schadeafhandelingstraject door de Commissie Bijzondere Situaties (hierna: CBS) in het leven te (hebben ge)roepen. Nu het schadeafhandelingstraject geen soelaas heeft geboden, maar juist [eisers] verder heeft getraumatiseerd, heeft de Staat de artikelen 3 en 8 EVRM geschonden. [eisers] wijst daarbij op het rapport van de Nationale ombudsman waarin is vastgesteld dat de Nationale Coördinator Groningen gehandeld heeft in strijd met de eis van voortvarendheid. Ter zitting heeft [eisers] hieraan toegevoegd dat CBS niet heeft gereageerd op haar formele klacht.
Zij acht het de taak van de Staat om te waarborgen dat burgers met hun klachten terecht kunnen bij een onafhankelijke en onpartijdige instantie. De Staat heeft dit volgens haar nagelaten. [eisers] acht de Staat aansprakelijk voor het onrechtmatig handelen van CBS. Verder heeft zij in de door haar overgelegde productie 99 een uiteenzetting gegeven over CBS en daarin kritiek op het functioneren van CBS geuit.
2.12.2.
De Staat heeft aangevoerd dat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor eventuele gebreken in het traject dat [eisers] in 2014 en 2015 bij de (oude) CBS heeft doorlopen. Het ging destijds om een tijdelijke commissie die onder NAM ressorteerde. Bovendien heeft de Staat geen enkele invloed op het doen en nalaten van zowel de oude als de nieuwe CBS. Deze opereert volkomen onafhankelijk. Daarnaast merkt de Staat op dat het CBS traject geen gebreken heeft vertoond. Weliswaar duurde de aanwijzing van een contactpersoon in de beginfase relatief lang (circa twee maanden), maar dat hield verband met het feit dat CBS net was opgestart en in de zomermaanden kampte met een gebrek aan personeel. Na het intakegesprek en het aanleveren van informatie door [eisers] , heeft CBS op 10 december 2014 een voorstel gedaan voor een tijdelijke oplossing. [eisers] is hiermee niet akkoord gegaan. Nadat was vastgesteld dat [eisers] fysieke schade had geleden, heeft CBS op 7 mei 2015 een finaal voorstel gedaan. Ook dit voorstel is door [eisers] niet geaccepteerd.
2.12.3.
De rechtbank constateert dat de verwijten van [eisers] ten aanzien van het schadeafhandelingstraject zich met name toespitsen op het traject dat zij in 2014 en 2015 doorlopen heeft bij CBS. Het betreft hier de voormalige CBS, die -zoals overwogen in het vonnis van de rechtbank van 27 juni 2018 (onder 2.9) - op aangeven van de Minister van Economische Zaken was ingesteld en als zodanig verantwoordelijk was voor de uitvoering van de medio april 2014 ingevoerde Regeling Bijzondere Situaties (verder: de regeling).
2.12.4.
De regeling is bedoeld voor mensen die als gevolg van de aardbevingen in Groningen in medische, psychische, sociale en/of financiële nood verkeren. Het betreft bijzondere individuele situaties, waar dringend hulp nodig is en extra problemen spelen die door de bestaande compensatieregeling, afhandeling volgens het schadeprotocol, onvoldoende worden opgelost. In deze situaties is sprake van een stapeling van problemen: medische, psychische en/of sociale problematiek, vaak in combinatie met economische of financiële zorgen. De regeling dient als vangnet wanneer op korte termijn actie is vereist. CBS beoordeelde zelfstandig de aanvragen en besloot welke extra hulp kon worden geboden. NAM heeft zich gecommitteerd om uitvoering te geven aan de besluiten van CBS. De voormalige, tijdelijke CBS is in 2016 vervangen door een permanente CBS die door de Minister van Economische Zaken is ingesteld. In geschil is of de Staat verantwoordelijk is voor het handelen van de tijdelijke CBS. De rechtbank stelt vast dat de (tijdelijke) CBS weliswaar op aangeven van de Staat is ingesteld, maar dat zij door NAM was aangesteld en gefinancierd en dat ook de besluiten door NAM werden uitgevoerd. Dit blijkt onder andere uit het jaarrapport van CBS van 2014 en is ook door NAM ter zitting erkend. CBS was dus geen orgaan van de Staat. Uit die hoedanigheid kan de Staat niet aansprakelijk worden gesteld voor het handelen van de (tijdelijke) CBS. [eisers] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waarom de Staat desalniettemin aansprakelijk is voor het handelen van de (tijdelijke) CBS.
2.12.5.
Ook overigens is de Staat niet aansprakelijk voor schade geleden door [eisers] vanwege de schade- en klachtafhandeling. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
2.12.6.
[eisers] heeft naar het oordeel van de rechtbank haar stelling dat het handelen van CBS en/of de Staat onrechtmatig was, onvoldoende onderbouwd.
Nu [eisers] zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat het handelen van CBS en/of de Staat onrechtmatig is geweest, rust op haar de stelplicht en bewijslast daarvan (artikel 150 Rv). [eisers] dient duidelijk te maken welke verwijten zij concreet aan CBS maakt en welke (zorgvuldigheids)norm hierdoor door CBS dan wel de Staat is geschonden (artikel 6:162, tweede lid, BW). De verwijzing door [eisers] naar de door haar overgelegde productie 99 volstaat hiervoor niet. In deze productie wordt een groot aantal feiten, meningen en verwijten opgesomd. Welke gevolgen daaruit voort (zouden moeten) vloeien is door [eisers] echter niet onderbouwd, zodat het niet mogelijk is voor de Staat om daarop te reageren, en voor de rechtbank om hierover te oordelen. De rechtbank zal hier daarom niet nader op ingaan. Uit de stellingen van [eisers] kan wel worden afgeleid dat zij CBS verwijt dat zij onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en niet op haar klacht heeft gereageerd. Op deze twee verwijten zal de rechtbank hieronder ingaan.
2.12.7.
Wat betreft de voortvarendheid, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat het traject bij CBS (kort samengevat) als volgt is verlopen. Tussen partijen bestaat hierover geen verschil van mening.
* Op 26 juni 2014 berichtte CBS aan [eisers] dat zij de melding heeft ontvangen, maar dat het op dit moment niet mogelijk is om de melding direct toe te wijzen aan een contactpersoon.
* Op 22 september 2014 vond - na aanmaning van [eisers] - een intake plaats met de toegewezen contactpersoon, [naam 4] .* Op 10 december 2014 legde CBS legde twee opties aan [eisers] voor. Deze werden door [eisers] afgewezen.
* Op 13 februari 2015 vond een tweede gesprek met de casemanager plaats.* Op 13 maart 2015 verscheen een tussenrapportage van CBS.* Bij brief van 30 maart 2015 berichtte CBS aan [eisers] dat de situatie op dit moment niet als schrijnend kan worden aangemerkt vooral omdat de schade aan de woning niet als aardbevingsschade kan worden aangemerkt.* Bij brief van 7 mei 2015 berichtte CBS aan [eisers] dat - nu door NAM inmiddels is vastgesteld dat het gaat om B-schade - er ondersteuning nodig is en doet CBS [eisers] het aanbod om een garantie op de verkoopprijs te geven.
* [eisers] maakte bezwaar tegen dit aanbod en vroeg om verdere interventie.
* Bij brief van 26 juni 2015, handhaafde CBS het aanbod.* Bij brief van 19 augustus 2015 stuurde CBS een herinnering aan [eisers]* Bij brief van 18 november 2015 klaagde de raadsvrouw van [eisers] over de schrijnende behandeling door CBS.* Bij brief van 9 december 2015 berichtte CBS dat zij formeel nog geen reactie heeft gekregen op haar aanbod, zoals verwoord in de brief van 7 mei 2015. Hiervoor verleende CBS uitstel tot 31 december 2015.
* [eisers] accepteerde het aanbod niet.* Op 27 januari 2016 sloot CBS het dossier.
2.12.8.
De rechtbank is van oordeel dat het inderdaad lang heeft geduurd voordat de klacht feitelijk in behandeling is genomen en een intake heeft kunnen plaatsvinden. Zeker in aanmerking genomen dat het hier gaat om een commissie die speciaal is aangesteld om hulp te bieden in schrijnende situaties. CBS heeft echter tijdig aan [eisers] laten weten waarom de intake niet op korte termijn kon plaatsvinden. Dit had te maken met een tekort aan arbeidskrachten bij het opstarten en de zomerperiode. [eisers] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom deze vertraging als onrechtmatig moet worden beschouwd en welk nadeel zij daardoor heeft geleden. Voor het overige heeft CBS voldoende voortvarend gehandeld en ook twee keer een inhoudelijk voorstel gedaan. Dat deze voorstellen voor [eisers] niet afdoende waren en volgens haar geen recht deden aan de situatie, maakt nog niet dat CBS door deze voorstellen te doen onrechtmatig heeft gehandeld, laat staan dat hieruit een aansprakelijkheid van de Staat voortvloeit.
2.12.9.
Wat betreft de klachtafhandeling overweegt de rechtbank het volgende. Bij brief van 11 juni 2015 heeft [eisers] een klacht ingediend over het handelen van CBS bij de Minister van Economische Zaken, de provincie Groningen en de gemeente Delfzijl. Zowel de gemeente Delfzijl als de provincie Groningen heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Het Ministerie van Economische Zaken heeft de klacht doorgestuurd naar de Nationaal Coördinator Groningen die daarop bij brief van 10 november 2015 heeft gereageerd. Over de wijze van klachtafhandeling door het Ministerie van Economische Zaken, heeft [eisers] een klacht ingediend bij de Nationale ombudsman, die op 18 april 2016 een rapport heeft uitgebracht. De Nationale ombudsman acht de klacht over de wijze waarop de Nationaal Coördinator Groningen de klacht van [eisers] heeft afgehandeld, gegrond omdat deze onvoldoende voortvarend was. [eisers] heeft namelijk vijf maanden moeten wachten op een formele reactie.
Over het inhoudelijk voorstel van CBS en het doorlopen proces bij CBS heeft de Nationale ombudsman gezegd geen oordeel te kunnen en mogen vellen. Wel heeft de Nationale ombudsman de Nationaal Coördinator in overweging gegeven na te gaan of CBS een klachtenregeling heeft, op welke wijze de commissie klachten behandelt en of er een soort van herzieningsmogelijkheid nodig of wenselijk is voor burgers die zich tot de commissie hebben gewend.
2.12.10.
Anders dan [eisers] stelt, heeft de Nationale ombudsman niet vastgesteld dat CBS onbehoorlijk of onrechtmatig heeft gehandeld. De Nationale ombudsman heeft zich expliciet niet uitgelaten over het traject dat [eisers] bij CBS heeft doorlopen. Gesteld noch gebleken is dat [eisers] ook een klacht heeft ingediend bij CBS. [eisers] heeft wel een klacht ingediend bij de Minister van Economische Zaken, maar die klacht is wel degelijk behandeld, namelijk door de Nationaal Coördinator Groningen. Ook hieruit blijkt dus niet van onrechtmatig handelen van de Staat.
2.13.
Privacyschending
2.13.1.
[eisers] stelt dat het recht op privacy van haar en haar gezin is geschonden doordat CBS het toestemmingsformulier en mogelijk het gehele dossier aan NAM heeft gestuurd zonder de privacygevoelige informatie weg te lakken. Daarnaast is een verzoek op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) niet geanonimiseerd online gezet. (prod 62-64). [eisers] is van mening dat haar daarom een billijke in goede justitie te bepalen vergoeding toekomt.
2.13.2.
NAM betwist dat zij gegevens van derden, waaronder CBS, heeft ontvangen. Ter onderbouwing verwijst NAM naar een bericht van de casemanager van CBS van 26 januari 2015 (productie 57).
2.13.3.
[eisers] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat CBS de privacy van [eisers] heeft geschonden. [eisers] heeft het toestemmingsformulier (productie 61) in het dossier van NAM aangetroffen. In dat formulier heeft [eisers] verklaard dat de daarop ingevulde basisgegevens juist zijn en mogen worden gebruikt bij het opvragen van gegevens en heeft zij onder andere NAM toestemming gegeven om bouwtechnische gegevens en gegevens betreffende schadeafhandeling te verstrekken aan CBS. De privacy van [eisers] is niet geschonden doordat dit formulier aan NAM is verstrekt. Door CBS is in de persoon van [naam 4] aangegeven dat geen andere gegevens zijn verstrekt. Ook de Nationaal Coördinator Groningen heeft in zijn reactie van 10 november 2015 op de klacht van [eisers] opgemerkt dat andere gegevens dan het toestemmingsformulier door CBS niet met derden worden gedeeld (productie 78). Nu [eisers] geen enkele onderbouwing heeft gegeven van haar stelling dat ook andere gegevens aan NAM zijn verstrekt, gaat de rechtbank daaraan voorbij.
2.13.4.
Ten aanzien van de vermelding van het WOB verzoek op internet, voert de Staat aan dat de betrokken ambtenaar hiervoor destijds zijn excuses heeft aangeboden.
Hij heeft ervoor gezorgd dat de informatie binnen vier uur na publicatie weer verwijderd was. De Staat gaat ervanuit dat [eisers] hierdoor geen schade heeft geleden.
2.13.5.
[eisers] heeft gesteld dat de gegevens twee weken op internet hebben gestaan. Nu [eisers] voor deze stelling geen enkele onderbouwing heeft gegeven, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De rechtbank gaat er vanuit dat de gegevens (in ieder geval) vier uur op internet hebben gestaan, zoals tussen partijen niet in geschil is. [eisers] heeft niet onderbouwd welk nadeel zij daarvan heeft ondervonden. De rechtbank is van oordeel dat deze schending van de privacy van [eisers] niet dermate ernstig is dat dit grond oplevert voor de toekenning van immateriële schadevergoeding. [eisers] heeft wat betreft de privacyschending niet voldaan aan de vereisten die gelden voor het toekennen van immateriële schade zoals gesteld door de HR in haar arrest van 19 juli 2019 (bij de beantwoording van vraag 9 onder 2.13).
2.14.
Laagfrequent geluid
2.14.1.
De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat schade door laagfrequent geluid in de door [eisers] gestelde zin valt onder de risicoaansprakelijkheid van NAM en EBN, voor zover dat laagfrequent geluid is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning. Als het laagfrequent geluid niet wordt veroorzaakt door beweging van de bodem maar wel door de gaswinning, kan er sprake zijn van schuldaansprakelijkheid. Het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW geldt alleen bij fysieke schade aan gebouwen. [eisers] heeft niet gesteld dat haar woning fysieke schade heeft geleden door laagfrequent geluid. Het ligt daarom op de weg van [eisers] om (voldoende) te onderbouwen dat de klachten die zij stelt te hebben van het laagfrequent geluid worden veroorzaakt door/ samenhangen met de gaswinning, in het bijzonder van de productielocatie Bierum, nabij het pand van [eisers] Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] daar niet aan voldaan.
2.14.2.
Bij repliek heeft [eisers] , onder overlegging van diverse e-mailberichten, aangevoerd dat zij en de minderjarige kinderen hier serieuze lichamelijke klachten door hebben (gehad) en dat dit is aangegeven bij zowel NAM als bij de rijksinspectiedienst Staatstoezicht op de Mijnen (verder: SodM). Volgens [eisers] was de intensiteit van het laagfrequente geluid op een avond dermate hevig dat SodM dit als een zogenaamde full body reverberation heeft gekenschetst. SodM heeft bevestigd dat er zich in 2018 (zeer) ernstige productieproblemen hebben voorgedaan op de locatie Bierum en er is op voorspraak van SodM ook een onderzoeksvoorstel ingediend bij het wetenschappelijk expert panel van het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw. Dat onderzoek is nog niet goedgekeurd.
2.14.3.
De rechtbank overweegt dat NAM reeds bij antwoord, onder verwijzing naar het logboek van [eisers] , gemotiveerd heeft betwist dat de klachten van haar samenhangen met de boorlocatie. Vastgesteld moet dan worden dat [eisers] in het geheel niet op dat verweer van NAM heeft gereageerd bij repliek en in zoverre dan ook niet voldaan heeft aan haar (nadere) stelplicht. De vordering van [eisers] , voor zover die is gebaseerd op laagfrequent geluid, wijst de rechtbank om die reden dan ook af.
2.15.
Inkomstenderving
2.15.1.
[eisers] stelt schade te hebben geleden in de vorm van inkomstenderving. Die schade zou zijn ontstaan door laagfrequent geluid, schadeherstel bij de buren en het schadeafhandelingstraject (onder meer randnummer 144 van de dagvaarding). Hiervoor is beslist dat de vordering van de [eisers] , voor zover die is gebaseerd op laagfrequent geluid en het schadeafhandelingstraject, afgewezen moeten worden. In zoverre resteert dan de stelling van [eisers] dat zij als gevolg van schadeherstelwerkzaamheden bij de buren inkomsten is misgelopen. Zonder nadere toelichting, welke voldoende ontbreekt, valt niet in te zien dat en waarom NAM (of EBN) dan wel de Staat hiervoor zou kunnen worden aangesproken. Bij repliek heeft [eisers] nog gesteld dat zij opdrachten niet heeft kunnen aannemen, omdat zij veel tijd en energie nodig had voor de conclusie van repliek/ deze zaak. De rechtbank overweegt dat dit in beginsel een keuze is van [eisers] , terwijl de onderbouwing van de aldus misgelopen inkomsten, wat de rechtbank betreft, onvoldoende (feitelijk) is onderbouwd. Dit maakt dat de rechtbank deze schadepost afwijst.
2.16.
Resumé
2.16.1.
Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank [eisers] niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen tegen de maatschap. [eisers] zal daarbij op grond van de wet, als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van de maatschap op nihil begroot.
2.16.2.
De vorderingen van [eisers] tegen de Staat zal de rechtbank afwijzen. [eisers] zal daarbij op grond van de wet, als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van de Staat worden veroordeeld.
De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 3.903,00
- salaris advocaat € 5.121,00 (3 punten × tarief € 1.707,00)
Totaal € 9.024,00
De rechtbank heeft in deze begroting niet meegenomen de kosten van de Staat voor het voeren van de prejudiciële procedure bij de Hoge Raad, door de Hoge Raad begroot op € 1.800,00. Deze procedure is mede in het algemeen belang gevoerd en de rechtbank acht het niet redelijk deze kosten in de veroordeling te betrekken.
2.16.3.
Waar het gaat om NAM en EBN heeft de rechtbank hiervoor uitgemaakt dat NAM en met haar EBN aansprakelijk is voor de fysieke schade, zoals die blijkt uit en omschreven is in het Dekra-rapport van 4 april 2016, alsmede voor gederfd woongenot en immateriële schade, behoudens voor zover deze schade betrekking heeft op privacyschending. De in dat verband door [eisers] gevorderde verklaringen voor recht zijn met inachtneming hiervan toewijsbaar, op de wijze zoals in het dictum te bepalen.
2.16.4.
De rechtbank acht termen aanwezig om de proceskosten tussen [eisers] en NAM/EBN te compenseren, in die zin dat ieder van die partijen de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank
met betrekking tot de maatschap
3.1.
verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in haar vorderingen tegen de maatschap;
3.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de maatschap begroot op nihil;
met betrekking tot de Staat
3.3.
wijst de vorderingen van [eisers] tegen de Staat af;
3.4.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten aan de zijde van de Staat begroot op € 9.024,00;
met betrekking tot NAM en EBN
3.5.
verklaart voor recht dat NAM en EBN hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eisers] geleden fysieke schade, zoals omschreven in en blijkend uit het Dekra-rapport van 4 april 2016, gederfd woongenot en immateriële schade, niet zijnde privacyschending;
3.6.
verklaart voor recht dat NAM en EBN hoofdelijk gehouden zijn tot vergoeding van de schade die [eisers] bijgevolg heeft geleden;
3.7.
veroordeelt NAM en EBN hoofdelijk, tot betaling tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] van de onder 3.5. genoemde fysieke schade van € 18.871,69;
3.8.
veroordeelt NAM en EBN hoofdelijk, tot betaling tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] van het onder 3.5. genoemde gederfd woongenot en de onder 3.5. genoemde immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
3.9.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af;
Met betrekking tot de maatschap, de Staat, NAM en EBN
3.13.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onderdelen 3.2., 3.4., 3.7. en 3.8. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Groefsema, mr. J.E. Biesma en mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2020.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑10‑2020
Uitspraak 10‑10‑2018
Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft bij vonnis van 10 oktober 2018 prejudiciële vragen gesteld inzake aardbevingszaken.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Assen
zaaknummer / rolnummer: C/19/117301 / HA ZA 16-256
Vonnis van 10 oktober 2018
in de zaak van
1. [eiseres] ,
2. [eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisers,
toegevoegd advocaat mr. I.J. Woltman te Leeuwarden,
tegen
1. het samenwerkingsverband
MAATSCHAP GRONINGEN,
gevestigd te Utrecht,
advocaat mr. P.A.Th. Kostwinder te Groningen,
alsmede haar maten in hoedanigheid van maat alsmede afzonderlijk als partij:
a. de besloten vennootschap
NEDERLANDSE AARDOLIE MAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Assen,
advocaat mr. P.A.Th. Kostwinder te Groningen,
b. de besloten vennootschap
EBN B.V.,
gevestigd te Utrecht,
advocaat mr. J.F. de Groot te Amsterdam,
2. de publiekrechtelijke rechtspersoon
STAAT DER NEDERLANDEN,
gevestigd te 's-Gravenhage,
advocaat mr. K. Teuben te 's-Gravenhage,
gedaagden.
Eisers zullen hierna gezamenlijk ook wel [eisende partij] worden genoemd en afzonderlijk [eiseres] respectievelijk [eiser] . Gedaagden zullen hierna afzonderlijk de maatschap, NAM, EBN en de Staat genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 27 juni 2018, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;
- -
de akte uitlating prejudiciële vragen in de zin van artikel 392 lid 2 Rv van [eisende partij] van 5 september 2018;
- -
de akte uitlaten prejudiciële vragen van NAM van 5 september 2018;
- -
de akte uitlating ex artikel 392 lid 2 Rv van EBN van 5 september 2018;
- -
de akte uitlating prejudiciële vragen van de Staat van 5 september 2018.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
De rechtbank blijft bij en volhardt in hetgeen zij in het hierboven genoemde vonnis van 27 juni 2018 heeft overwogen en beslist. De rechtbank heeft in dat vonnis het voornemen uitgesproken om de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen:
1. In hoeverre heeft het onderscheid tussen aansprakelijkheid op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b, BW en op grond van artikel 6:162 BW gevolgen voor de aanspraak op vergoeding van (im)materiële schade?
2. Is er ruimte voor het aansprakelijk houden van EBN op grond van artikel 6:177 lid 2 sub b BW naast het aansprakelijk zijn van NAM op grond van artikel 6:177 lid 2 sub a BW? Kan EBN. mede gelet op haar bijzondere positie als staatsdeelnemer in de maatschap, als exploitant in de zin van artikel 6:177 lid 2 sub b BW, worden aangemerkt?
3. Onder welke omstandigheden kan de Staat - mede gelet op de artikelen 2, 3 en 8 van het EVRM - aansprakelijk worden gehouden voor aardbevingsschade op grond van artikel 6:162 BW?
4. Verhindert de formele rechtskracht van het instemmingsbesluit aansprakelijkheid van de Staat? Onder welke omstandigheden kan de Staat ondanks de formele rechtskracht van een instemmingsbesluit aansprakelijk worden gesteld?
5. Hoe ver moet het tegenbewijs gaan om het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 6:177a BW te kunnen weerleggen; moet het tegendeel komen vast te staan of kan twijfel zaaien voldoende zijn?
7a. Kan waardedaling van een woning als gevolg van het risico op aardbevingen als gevolg van gaswinning aangemerkt worden als schade waarvoor de exploitant aansprakelijk is, ook als de schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij verkoop van die woning en, zo ja, wat is de peildatum voor de begroting voor dergelijke schade?
b. Behoort ook het gemis van onstoffelijk voordeel, te weten het ongestoorde woongenot, omdat daarvoor onnodig uitgaven (zoals hypotheekrente) zijn gedaan, tot de door de exploitant te vergoeden schade?
c. Is bij schade op grond van de exploitatie van een mijnbouwwerk - in algemene zin of in bijzondere gevallen - plaats voor het oordeel dat sprake is van een zodanige aantasting van persoonlijkheidsrechten dat gesproken kan worden van een andere aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW?
d. In hoeverre verdraagt het hoogst persoonlijke karakter van immateriële schadevergoeding zich met het min of meer 'forfaitair' vaststellen van schadevergoeding?
2.2.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich conform artikel 392 lid 2 Rv over het voornemen van de rechtbank uit te laten, alsmede over de inhoud van de te stellen vragen. Bij aktes ter gelegenheid van de rol van 5 september 2018 hebben partijen dat gedaan als volgt.
2.3.
[eisende partij] hebben in hun akte aangegeven dat zij er geen bezwaar tegen hebben om de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen. Wat [eisende partij] betreft, kan worden volstaan met de door de rechtbank geformuleerde vragen. Wel zijn [eisende partij] van oordeel dat de feiten nog aangevuld en/of aangepast moeten worden, zoals nader omschreven in de akte en wordt aandacht gevraagd voor de huidige stand van zaken. Deze is aldus dat er in 2018 opnieuw schade is opgetreden in de woning. [eisende partij] hebben die schade gemeld, maar tot op heden niets mogen vernemen over de verdere afhandeling. Na de beving bij Zeerijp op 8 januari 2018, trok [eiser] het niet meer; sinds 1 februari 2018 woont hij bij familie in Noord-Holland. [eiser] wordt behandeld door een psychiater en krijgt ondersteuning van maatschappelijk werk. Op een urgentieverzoek voor een sociale huurwoning is recentelijk afwijzend beslist. [eiseres] heeft op 5 juni 2015 opnieuw melding gedaan bij NAM over laagfrequente geluidstrillingen, afkomstig van de NAM-locatie te Bierum . De ziekmakende effecten hiervan heeft [eiseres] bij SodM onder de aandacht gebracht.
2.4.
NAM ondersteunt het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen. Net als [eisende partij] dienen de feiten naar het oordeel van NAM op een aantal punten nog te worden aangevuld. Ook heeft NAM gewezen op twee recente ontwikkelingen, waaronder de instelling van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen. Deze commissie is - sinds 19 maart 2018 belast met de afhandeling van schade als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld. Voorts heeft NAM gewezen op het op 3 juli 2018 gepubliceerde wetsvoorstel dat strekt tot de oprichting van een onafhankelijk Instituut Mijnbouwschade Groningen. Dit Instituut zal de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen opvolgen en exclusief bevoegd worden voor kort gezegd de afhandeling van schade als gevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Als tweede omstandigheid heeft NAM er op gewezen dat De Minister op 29 maart 2018 heeft aangekondigd dat het kabinet de gaswinning uit het Groningenveld zo spoedig mogelijk zal staken. NAM verzoekt de rechtbank om de feitenvaststelling in het vonnis van 27 juni 2018 ook op dit punt uit te breiden. Waar het gaat om de voor te leggen vragen, doet NAM de suggestie om onder aanhaling van overweging 4.16 van het vonnis van deze rechtbank van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:4402) bij vraag 5 de volgende aanvullende vraag te stellen:
“Als bij de partij die schade lijdt als gevolg van mijnbouwactiviteiten waarvoor de exploitant aansprakelijk is, sprake is van een (al dan niet latente) kwetsbaarheid van hemzelf en/of van het aan hem toebehorende onroerend goed,
( a) dient de exploitant alle schade te vergoeden die als gevolg van de mijnbouwactiviteiten is ontstaan of verergerd of is er ruimte voor het oordeel dat vanwege die (al dan niet latente) kwetsbaarheid niet alle schade op de voet van artikel 6:98 BW naar redelijkheid aan de exploitant kan worden toegerekend?
( b) staat die (al dan niet latente) kwetsbaarheid in de weg aan een beroep van de exploitant op verweren die kunnen leiden tot matiging van de toe te kennen schadevergoeding, zoals eigen schuld of voordeelverrekening?”
2.5.
In verschillende procedures speelt de vraag of en in hoeverre NAM aansprakelijk kan worden gehouden voor gederfd woongenot, waaronder de procedure die heeft geleid tot het vonnis van deze rechtbank van 1 maart 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:715). NAM onderkent het uitgangspunt dat aantasting van woongenot in uitzonderlijke gevallen aanspraak kan geven op vergoeding van immateriële schade of vermogensschade. NAM meent wel dat voor schadevergoeding wegens aantasting van woongenot hoge drempels gelden. NAM heeft hoger beroep ingesteld van het vonnis van 1 maart 2017, waarbij één van de vragen is wanneer in het individuele geval sprake van een dusdanige derving van woongenot als gevolg van gaswinning dat aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding van vermogensschade. Daarbij speelt tevens de vraag hoe deze schade moet worden begroot en tegen deze achtergrond verzoekt NAM de rechtbank om vraag 7b als volgt aan te vullen:
“(I) Welke maatstaf moet worden gehanteerd om te beoordelen of sprake is van een derving als gevolg van door gaswinning veroorzaakte bodembeweging die aanspraak geeft op vergoeding van vermogensschade?
(II) Als een aanspraak bestaat op vergoeding van vermogensschade wegens derving van woongenot als gevolg van door gaswinning veroorzaakte bodembeweging, op welke wijze dien die schade te worden begroot?”
2.6.
NAM stelt voor om in het verlengde van vraag 7c ook de volgende vraag te stellen:
“Als het antwoord op vraag 7c bevestigend is, welke eisen moeten worden gesteld aan het bewijs dat de partij die aanspraak maakt op immateriële schadevergoeding op andere wijze in zijn persoon is aangetast? Meer concreet: volstaat daarvoor de vaststelling dat een partij woont in het gebied waar regelmatig aardbevingen worden gevoeld en schade wordt gelden in combinatie met een persoonlijke verklaring van die partij over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben?”
NAM geeft de rechtbank in overweging, vanwege een mogelijke overlap van vergoedingen, om ook de volgende vraag aan de Hoge Raad voor te leggen:
“Kan, als het antwoord op vraag 7a bevestigend is, een partij een vergoeding krijgen voor zowel waardevermindering van onroerend goed als voor het gemis van onstoffelijk voordeel wegens derving van woongenot?”
Teneinde een mogelijke dubbeltelling te voorkomen waar het gaat om derving van woongenot stelt NAM tot slot voor de volgende vraag aan de Hoge Raad voor te leggen:
“Kan een partij als compensatie voor een verstoring van het woongenot als gevolg van door gaswinning veroorzaakte bodembeweging gelijktijdig vergoeding verkrijgen van zowel immateriële schade als vermogensschade?”
2.7.
EBN heeft zich in haar akte uitgelaten als volgt. EBN kan zich vinden in het voornemen van de rechtbank en beperkt haar reactie tot de vragen 2 en 7a. EBN refereert zich met betrekking tot de andere vragen aan de aktes van NAM en de Staat. Voorafgaand aan het stellen van de definitieve prejudiciële vragen verzoekt EBN de rechtbank de vordering van [eisende partij] af te wijzen voor zover die is gebaseerd op schending van artikel 33 van de Mijnbouwwet, dan wel schending van het eigendomsrecht van [eisende partij] Zulks om te voorkomen dat de Hoge Raad mogelijk zou oordelen dat uitleg niet nodig is, nu de eis ook toewijsbaar zou zijn op een van deze grondslagen. EBN is ten aanzien van vraag 2 van mening dat de huidige formulering ervan de suggestie zou kunnen wekken dat de Hoge Raad zelf zou moeten nagaan of zich in het onderhavige geval feiten voordoen die aansprakelijkheid van EBN op grond van de b-grond rechtvaardigen. Een dergelijke vraag kan de Hoge Raad evenwel niet beoordelen. De vraag dient volgens EBN geherformuleerd worden zodat deze ziet op de uitleg in abstracto van de b-grond. EBN stelt de volgende formulering voor:
“Hoe dient het begrip 'eenieder die, anders dan als ondergeschikte, een mijnbouwwerk in gebruik heeft zonder dat hij houder is van een vergunning als bedoeld in onderdeel a' in de zin van art. 6:177 lid 2 sub b BW te worden uitgelegd, en/althans welke omstandigheden zijn bij de beoordeling daarvan van belang? Zijn daarbij in het bijzonder de volgende - door EBN gestelde en door [eiser] - [eiseres] niet betwiste - omstandigheden van belang, en zo ja in hoeverre:
( a) EBN verricht geen feitelijke mijnbouwwerkzaamheden.
( b) EBN is tot het verrichten van feitelijke mijnbouwwerkzaamheden niet geëquipeerd en is daartoe op grond van art. 1 en 5 lid 1 OvS '63 en wegens het ontbreken van een daartoe noodzakelijke vergunning ex artikel 6 van de Mbw niet gerechtigd.
( c) Alleen NAM is verplicht tot het treffen van veiligheidsmaatregelen ex artikel 33 Mbw bij het verrichten van de mijnbouwwerkzaamheden.
( d) EBN stelt geen winningsplan op ex artikel 34 Mbw en beslist niet over de wijze van uitvoering van de feitelijke mijnbouwwerkzaamheden.
( e) EBN neemt op grond van de OvS '63 via de Maatschap financieel deel in de mijnbouwwerkzaamheden in het Groningenveld en deelt als staatsdeelneming in (40% van ) de kosten en opbrengsten daarvan.
( f) Op grond van de OvS '63 is EBN is (40%) mede-eigenaar van (een aantal van) de mijnbouwwerken in het Groningenveld.”
EBN stelt voor om, onder verwijzing naar de toelichting in haar akte, vraag 7a te vervangen door de volgende vragen:
“7.a Kan in het kader van de aansprakelijkheid van de exploitant ex art. 6:177 BW bij de begroting van de waardevermindering van een woning als gevolg van het aardbevingsrisico van het Groningenveld op basis van praktische gronden of de billijkheid worden geabstraheerd van (het moment van) de daadwerkelijke verkoop van die woning?
7b. In hoeverre is bij beantwoording van vraag 7.a van belang (a) dat het kabinet op 29 maart 2018 besloten heeft de gaswinning in het Groningerveld zo snel mogelijk te beëindigen, waarmee het aardbevingsrisico wordt gereduceerd tot een algemeen aanvaardbaar niveau (van minimaal jaarlijks 10 ) en naar verwachting een positieve invloed zal hebben op de woningwaarde, en/of (b) de woningmarkt in het relevante gebied niet is gestabiliseerd, nu de woningwaarde in de toekomst nog (sterk) kan stijgen, mede als gevolg van vorenbedoeld beëindigingsbesluit en de miljardeninvestering die de (Rijks)overheid in de regio heeft geïnvesteerd en nog zal investeren ten behoeve van preventieve versterking, schadeafhandeling, economie en leefbaarheid.
7.c Indien vraag 7.a positief beantwoord wordt, geldt die abstrahering dan voor alle woningen die blootstaan aan het aardbevingsrisico van het Groningerveld of moet daarbij een gevalsdifferentiatie gemaakt worden. Indien een gevalsdifferentiatie gemaakt moet worden, hoe ziet de gevalsdifferentiatie eruit en welke omstandigheden zijn daarbij van belang?
7.d In hoeverre is bij de vraag of de waardevermeerdering geabstraheerd van de daadwerkelijke verkoop mag worden begroot relevant of vereist dat zich zaakschade aan de woning heeft voorgedaan als gevolg van het aardbevingsrisico of dat zich anderszins een moment heeft voorgedaan waarop de schade onomkeerbaar is ingetreden?
7.e Indien vraag 7.a positief beantwoord wordt, welk tijdstip dient gekozen te worden om de vermogensvergelijking te maken tussen de daadwerkelijke waarde van de woning en de hypothetische waarde van de woning in het geval geen aardbevingsrisico zou hebben bestaan (de peildatum).
7.f Indien vraag 7.a positief beantwoord wordt, in hoeverre hebben de eigenaren van de woning respectievelijk de voor de waardedaling aansprakelijke partijen de mogelijkheid om in geval van verdere waardedaling respectievelijk waardestijging ten opzichte van de peildatum die verdere daling of stijging (alsnog) terug te vorderen.”
2.8.
De Staat onderschrijft in algemene zin het voornemen van de rechtbank om een aantal vragen aan de Hoge Raad voor te leggen. Wel is de Staat - verkort weergegeven - van oordeel dat de vragen 3 en 4 zich hier niet (goed) toe lenen: in de eerste plaats omdat deze vragen niet noodzakelijk zijn voor de beslechting van het geschil tussen [eisende partij] en de Staat en daarnaast omdat het toepasselijk toetsingskader als zodanig al is neergelegd in bestendige rechtspraak en de beantwoording van deze vragen voor het overige een beoordeling en weging van de feitelijke omstandigheden betreft, die de Hoge Raad in een prejudiciële procedure niet kan geven. Voor zover de rechtbank - in weerwil van het voorgaande - toch zou willen overgaan tot het stellen van de vragen 3 en 4, hecht de Staat er aan dat zijn standpunt in het vonnis waarbij de prejudiciële vragen worden gesteld, uitgebreider wordt weergeven.
Daarnaast hecht de Staat aan een volledigere weergave van de feiten, waaronder de omstandigheid dat er sprake is (geweest) van meerdere instemmings- en wijzigingsbesluiten, en voorts dat tegen het instemmingsbesluit van 21 december 2007 geen rechtsmiddelen zijn aangewend, in tegenstelling tot de instemmingsbesluiten van 30 januari 2015 en 30 september 2016. Ten slotte wijst de Staat nog op de omstandigheid dat de Minister van EZK op 31 januari 2018 heeft besloten tot oprichting van een Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade, welke commissie overeenkomstig het daartoe opgestelde schadeprotocol nieuwe schadegevallen publiekrechtelijk kan afhandelen, de omstandigheid dat de minister op 31 juli 2018 een ontwerp-wetsvoorstel openbaar heeft gemaakt, strekkend tot de oprichting van een Instituut Mijnbouwschade Groningen (als opvolger van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade), dat bij uitsluiting bevoegd wordt om de aanspraak op en de omvang van de vergoeding vast te stellen van schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg en ten slotte op de omstandigheid dat de minister op 29 maart 208 heeft aangekondigd de gaswinning zo snel mogelijk naar nihil terug te brengen zodat uiteindelijk géén schade meer al optreden in Groningen. Om dit te realiseren zijn vergaande maatregelen nodig die er uiteindelijk toe moeten leiden dat op zijn laatst per oktober 2022 maar mogelijk al een jaar eerder het winningsniveau daalt tot onder de 12 miljard Nm3. In het geval van succesvolle ombouw van grootverbruikers wordt zelfs een daling naar 7,5 miljard Nm3 voorzien.
2.9.
De rechtbank overweegt, indachtig de hiervoor weergegeven standpunten van partijen, in de eerste plaats dat zij geen aanleiding heeft om de feiten aan te vullen, zoals zijdens [eisende partij] , NAM en de Staat is verzocht, en evenmin om de standpunten van de Staat uitgebreider weer te geven. Voor zover partijen dit wel noodzakelijk (blijven) achten, kunnen zij deze feiten en standpunten op de voet van artikel 393 Rv aan de Hoge Raad kenbaar maken. Desgewenst kan de griffier op de voet van artikel 392 lid 4 Rv de reacties van partijen op het vonnis van 27 juni 2018 aan de griffier van de Hoge Raad zenden. De rechtbank voegt aan het voorgaande voor de goede orde nog toe dat zij ambtshalve bekend is geworden met het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat van 31 januari 2018, waarbij de Tijdelijke Commissie mijnbouwschade Groningen is ingesteld, alsmede het concept wetsvoorstel van 3 juli 2018 dat strekt tot de oprichting van een Instituut Mijnbouwschade. Partijen hebben gewezen op deze recente ontwikkelingen, maar de rechtbank ziet hierin geen, althans onvoldoende aanleiding om af te zien van het stellen van prejudiciële vragen. Behalve dat de beantwoording hiervan van belang is voor lopende zaken en kwesties die buiten het besluit en/of het wetsvoorstel vallen, kan beantwoording naar het oordeel van de rechtbank ook relevant zijn voor de rechtsvorming bij de bestuursrechtelijke schade-afhandeling, zoals die op basis van het concept wetsvoorstel gestalte moet krijgen. De rechtbank ziet geen grond, zoals verzocht door EBN, om thans te beslissen op de vorderingen van [eisende partij] wegens schending van de Mijnbouwwet en/of inbreuk op hun eigendomsrecht. Die beslissing houdt de rechtbank derhalve aan.
2.10.
De rechtbank komt - met inachtneming van de opmerkingen van partijen naar aanleiding van de concept vragen - tot de volgende vragen:
1. In hoeverre heeft het onderscheid tussen aansprakelijkheid op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b, BW en op grond van artikel 6:162 BW gevolgen voor de aanspraak op vergoeding van (im)materiële schade?
2. Is er ruimte voor het aansprakelijk houden van EBN op grond van artikel 6:177 lid 2 sub b BW naast het aansprakelijk zijn van NAM op grond van artikel 6:177 lid 2 sub a BW? Kan EBN mede gelet op haar bijzondere positie als staatsdeelnemer in de maatschap, als exploitant in de zin van artikel 6:177 lid 2 sub b BW, worden aangemerkt?
3. Onder welke omstandigheden kan de Staat - mede gelet op de artikelen 2, 3 en 8 van het EVRM - aansprakelijk worden gehouden voor aardbevingsschade op grond van artikel 6:162 BW?
4. Verhindert de formele rechtskracht van het instemmingsbesluit aansprakelijkheid van de Staat? Onder welke omstandigheden kan de Staat ondanks de formele rechtskracht van een instemmingsbesluit aansprakelijk worden gesteld?
5. Hoe ver moet het tegenbewijs gaan om het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 6:177a BW te kunnen weerleggen; moet het tegendeel komen vast te staan of kan twijfel zaaien voldoende zijn?
6. Als bij de partij die schade lijdt als gevolg van mijnbouwactiviteiten waarvoor de exploitant aansprakelijk is, sprake is van een (al dan niet latente) kwetsbaarheid van hemzelf en/of van het aan hem toebehorende onroerend goed, dient de exploitant alle schade te vergoeden die als gevolg van de mijnbouwactiviteiten is ontstaan of verergerd of is er ruimte voor het oordeel dat vanwege die (al dan niet latente) kwetsbaarheid niet alle schade op de voet van artikel 6:98 BW naar redelijkheid aan de exploitant kan worden toegerekend dan wel dat de schade deels voor rekening komt voor de eigenaar vanwege eigen schuld of voordeelverrekening?
7a. Kan waardedaling van een woning als gevolg van het risico op aardbevingen als gevolg van gaswinning aangemerkt worden als schade waarvoor de exploitant aansprakelijk is, ook als de schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij verkoop van die woning en, zo ja, wat is de peildatum voor de begroting voor dergelijke schade?
7b. Indien vraag 7a. positief beantwoord wordt, geldt dit dan voor alle woningen die blootstaan aan het aardbevingsrisico van het Groningerveld of kan daarbij een gevalsdifferentiatie gemaakt worden, en welke omstandigheden zijn daarbij van belang?
7c. Indien vraag 7a. positief beantwoord wordt, in hoeverre hebben de eigenaren van de woning respectievelijk de voor de waardedaling aansprakelijke partijen de mogelijkheid om in geval van verdere waardedaling respectievelijk waardestijging ten opzichte van de peildatum die verdere daling of stijging (alsnog) terug te vorderen?
8. Onder welke omstandigheden behoort ook het gemis van onstoffelijk voordeel, te weten het ongestoorde woongenot, omdat daarvoor onnodig uitgaven (zoals hypotheekrente) zijn gedaan, tot de door de exploitant te vergoeden (vermogens)schade?
9a. Is bij schade op grond van de exploitatie van een mijnbouwwerk - in algemene zin of in bijzondere gevallen - plaats voor het oordeel dat sprake is van een zodanige aantasting van persoonlijkheidsrechten dat gesproken kan worden van een andere aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW?
9b. Als het antwoord op vraag 9a bevestigend is, welke eisen moeten worden gesteld aan het bewijs dat de partij die aanspraak maakt op immateriële schadevergoeding op andere wijze in zijn persoon is aangetast? Volstaat daarvoor de vaststelling dat een partij woont in het gebied waar regelmatig aardbevingen worden gevoeld en schade wordt gelden in combinatie met een persoonlijke verklaring van die partij over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben?
9c. In hoeverre verdraagt het hoogst persoonlijke karakter van immateriële schadevergoeding zich met het min of meer 'forfaitair' vaststellen van schadevergoeding?
2.11.
In afwachting van de beslissing van de Hoge Raad zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. Na ontvangst van een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich ter zake van de uitspraak van de Hoge Raad uit te laten.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat aan de Hoge Raad de hiervoor onder 2.10. omschreven vragen worden gesteld ex artikel 392 Rv.;
3.2.
bepaalt dat de griffier onverwijld een afschrift van dit vonnis, alsmede het tussenvonnis van 27 juni 2018 zendt aan de civiele griffie van de Hoge Raad, postbus 20303, 2500 EH Den Haag;
3.3.
bepaalt dat de griffier afschriften van de andere op deze procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad zendt;
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Groefsema, mr. J.E. Biesma en mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2018.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑10‑2018
type:coll:
Uitspraak 27‑06‑2017
Inhoudsindicatie
De rechtbank is voornemens prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad in een zogenoemde NAM-zaak. Partijen worden in de gelegenheid gesteld op de door de rechtbank voorgestelde vragen te reageren.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Assen
zaaknummer / rolnummer: C/19/117301 / HA ZA 16-256
Vonnis van 27 juni 2018
in de zaak van
1. [eiser]
2. [eiseres] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers,
toegevoegd advocaat mr. M. Spithoff te Leeuwarden,
tegen
1. het samenwerkingsverband
MAATSCHAP GRONINGEN,
gevestigd te Utrecht ,
advocaat mr. P.A.Th. Kostwinder te Groningen,
alsmede haar maten in hoedanigheid van maat alsmede afzonderlijk als partij:
a. de besloten vennootschap
NEDERLANDSE AARDOLIE MAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Assen ,
advocaat mr. P.A.Th. Kostwinder te Groningen,
b. de besloten vennootschap
EBN B.V.,
gevestigd te Utrecht ,
gedaagde,
advocaat mr. J.F. de Groot te Amsterdam,
2. de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelend te 's- Gravenhage ,
advocaat mr. K. Teuben te 's-Gravenhage,
gedaagden.
Eisers zullen hierna gezamenlijk ook wel [eisende partij] worden genoemd en afzonderlijk [eiseres] respectievelijk [eiser] . Gedaagden zullen hierna afzonderlijk de maatschap, NAM, EBN en de Staat genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 24 mei 2017;
- -
het proces-verbaal van comparitie van 14 november 2017
- -
de akte overlegging producties van NAM van 21 februari 2018.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eisende partij] . zijn sedert 26 juli 1999 eigenaar van een boerderij-woning aan de [xxx] (verder te noemen: de woning). Het achterhuis van de woning is in 1910 gebouwd; de rest van de woning in 1970. De woning is op 31 oktober 2005 getaxeerd op een onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik, van € 220.000,00 en - na verbouwing - op een onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik van € 225.000,00. Gedurende de jaren 2008 tot en met 2011 heeft [eiser] te kampen gehad met de ziekte van Lyme, waardoor hij zijn werkzaamheden als ICT-er en metaalbewerker niet meer heeft kunnen voortzetten. [eiseres] is als schrijfster, vertaalster en beeldend kunstenares hoofdkostwinner en thuis werkzaam. Op enig moment is de wens bij [eisende partij] . opgekomen om dichter bij de stad Groningen te gaan wonen, zodat de woning op 20 juli 2011 te koop is gezet voor een bedrag van € 224.500,00. De woning kende op peildatum 1 januari 2011 een WOZ-waarde van € 199.000,00.
2.2.
Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw wordt gas gewonnen uit het zogenaamde Groningenveld. Het Groningenveld bevindt zich onder de gemeenten Appingedam, Bedum, Delfzijl, Eemsmond, Groningen, Hoogezand-Sappemeer, Loppersum, Menterwolde, Slochteren, Oldambt, Pekela, Ten Boer, Veendam en een stukje Bellingwedde en Haren.
2.3.
Na de vondst van het Groningenveld heeft de toenmalige Minister van Economische Zaken, J.W. de Pous, op 11 juli 1962 een nota aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden waarin hij een overzicht gaf van de betekenis van de aardgasvondsten in de provincie Groningen. Deze nota vermeldt, voor zover van belang:
“dat het voor een goede en verantwoorde afzet van het aardgas noodzakelijk zou zijn, een nauwe coördinatie tussen winning en afzet tot stand te brengen. Een dergelijke eenheid van beleid bij winning en afzet zou het meest ideaal worden geëffectueerd, indien beide takken zouden worden ondergebracht bij één maatschappij.
(…)
De concessie voor winning van aardgas in de provincie Groningen wordt verleend aan de N.A.M., doch deze concessie wordt (…) geëxploiteerd voor rekening van de samenwerkende partijen Shell, Esso en Staatsmijnen, die terzake een maatschap zullen aangaan. Deze samenwerkende partijen bepalen dus gezamenlijk het beleid inzake de verdere exploratie en exploitatie binnen de concessie. Alle gewonnen aardgas - voor zover niet nodig binnen het eigen winningsbedrijf van de N.A.M. - wordt verkocht aan de op te richten nieuwe gasmaatschappij, waarin Shell, Esso en Staatsmijnen participeren in de hieronder aan te geven verhouding.”
2.4.
Bij akte van 27 maart 1963 hebben de Staatsmijnen (thans EBN geheten) en N.V. Nederlandse Aardolie Maatschappij (N.A.M., rechtsvoorganger van NAM) en haar aandeelhouders (thans Shell en Exxon Mobil geheten) een overeenkomst van samenwerking gesloten (hierna: OvS), waarbij EBN en NAM een maatschap zijn aangegaan. De OvS bevat onder meer de volgende bepalingen:
“Artikel 1. Doel en duur.
1. Staatsmijnen en N.A.M. gaan hierbij een maatschap aan met als doel, gezamenlijk het beleid te voeren inzake en het economisch belang te dragen bij de opsporing en ontginning door N.A.M. van de aardgasvoorkomens in de haar voor de provincie Groningen te verlenen concessie (…).
2. De maatschap treedt niet naar buiten op.
(…)
Artikel 7. Kosten en baten.
1. De uitgaven en opbrengsten van de maatschap worden tussen Staatsmijnen en N.A.M. gedeeld in de verhouding 40 : 60.
(…)
Artikel 19. Partijvervanging
1. Indien de rechtsvorm van het Staatsmijnbedrijf wordt gewijzigd in een naamloze vennootschap heeft Staatsmijnen het recht en de plicht zich als partij bij deze gehele overeenkomst te doen vervangen door bedoelde vennootschap, met dien verstande dat de Staat de bevoegdheden aan hem toegekend in de artikelen 4, 9, 13, 21 en 23 als partij bij deze overeenkomst blijft uitoefenen.”
2.5.
Op basis van de daarvoor bij koninklijk besluit van 30 mei 1963, nr. 39 (Stct. 126) verleende aardgas- en aardolieconcessie 'Groningen' (verder te noemen: de concessie) wordt door NAM gas gewonnen uit onder meer het hiervoor genoemde Groningenveld. De gaswinning uit het Groningenveld veroorzaakt bodemdaling en aardbevingen. Deze aardbevingen zijn in frequentie en zwaarte toegenomen. De woning bevindt zich boven het Groningenveld en daarmee ook in het gebied waar aardbevingen als gevolg van gaswinning plaatsvinden. De zwaarte van de aardbevingen is in voorkomende gevallen zodanig dat zij leidt tot fysieke schade aan onroerende zaken.
2.6.
Op 16 augustus 2012 heeft bij Huizinge, gemeente Loppersum, op een afstand van ruim 13 kilometer afstand van de woning, een aardbeving plaatsgevonden met een kracht van 3,6 op de schaal van Richter. Dit is de zwaarste aardbeving tot nu toe geweest.
Daags daarvoor, op 15 augustus 2012, heeft er een aardbeving plaatsgevonden bij Leermens, op 6 kilometer afstand van de woning, met een kracht van 2.4 op de schaal van Richter.
2.7.
Naar aanleiding van de aardbeving bij Huizinge heeft de rijksinspectiedienst Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) onderzoek gedaan naar de aardbevingsgevoeligheid in het Groningenveld. SodM heeft zijn bevindingen in een brief van 22 januari 2013 aan het Ministerie van Economische Zaken kenbaar gemaakt. SodM schreef in die brief dat de toegenomen gasproductie sinds 2000 niet alleen heeft geleid tot een toename van het aantal aardbevingen, maar ook tot een grotere kans op zwaardere aardbevingen. SodM verwacht niet dat het aantal aardbevingen op korte termijn zal afnemen; alleen door de gasproductie drastisch te verminderen of zelfs te stoppen, is volgens SodM te verwachten dat na enkele jaren vrijwel geen voelbare aardbevingen meer zullen optreden in het Groningenveld.
SodM rapporteert dat NAM, KNMI en hijzelf het erover eens zijn dat er een relatie bestaat tussen het productieniveau en het aantal en de sterkte van de aardbevingen. Hij stelt vast dat vermindering van de gasproductie tot een evenredige vermindering van het aantal aardbevingen leidt en dat indien de gasproductie in 2013/2014 ongewijzigd zou blijven, er een kans van 7% bestaat dat in die periode een aardbeving met een grotere sterkte dan 3.9 op de schaal van Richter optreedt.
2.8.
De WOZ-waarde van de woning is op peildatum 1 januari 2013 vastgesteld op een bedrag van € 145.000,00 en per 1 januari 2014 op een bedrag van € 135.000,00. Omdat er zich in het geheel geen potentiële kopers voor de woning meldden, is de vraagprijs van de woning medio februari 2014 verlaagd tot een bedrag van € 169.000,00.
2.9.
Op 4 april 2014, hebben [eisende partij] . een brief gestuurd aan de burgemeester van Delfzijl en aandacht gevraagd voor hun situatie, in het bijzonder de onmogelijkheid om de woning te (kunnen) verkopen. Die brief aan de burgemeester van Delfzijl heeft de opmaat gevormd voor een traject bij de zogenoemde Commissie Bijzondere Situaties (verder te noemen: CBS). CBS is op aangeven van de Minister van Economische Zaken ingesteld en als zodanig verantwoordelijk voor de uitvoering van de medio april 2014 ingevoerde Regeling Bijzondere Situaties (verder: de regeling). De regeling is bedoeld voor mensen die als gevolg van de aardbevingen in Groningen in medische, psychische, sociale en/of financiële nood verkeren. Het betreft bijzondere individuele situaties, waar dringend hulp nodig is en extra problemen spelen die door de bestaande compensatieregeling, afhandeling volgens het schadeprotocol, onvoldoende worden opgelost. In deze situaties is sprake van een stapeling van problemen: medische, psychische en/of sociale problematiek, vaak in combinatie met economische of financiële zorgen. De regeling dient als vangnet wanneer op kort termijn actie is vereist. CBS beoordeelt zelfstandig de aanvragen en besluit welke extra hulp kan worden geboden. NAM heeft zich gecommitteerd om uitvoering te geven aan de besluiten van CBS, maar geen zicht gehad op de wijze waarop de kwestie van [eisende partij] . door CBS in behandeling is genomen en verder behandeld.
2.10.
De woning heeft beschadigingen opgelopen. [eisende partij] . gaan er van uit dat dit een (in-)direct gevolg is van de gaswinning door NAM en heeft op 26 mei 2014 een schademelding bij NAM gedaan. De gemelde schade betreft scheurvorming in de woning. Bij e-mailbericht van 2 juni 2014 heeft NAM de schademelding bevestigd en in behandeling genomen.
2.11.
[eiseres] heeft in juni 2014 psychische hulp gezocht. [eiser] is in oktober 2014 gestart met een behandelingstraject bij de psycholoog. Beiden zijn in juni 2016 gediagnosticeerd met een post traumatische stress stoornis (PTSS).
2.12.
In juli 2014 en op 3 september 2015 hebben [eisende partij] . de NAM gemeld hinder te ondervinden in de vorm van laagfrequent geluid, volgens hen afkomstig van en veroorzaakt door de winningsactiviteiten van NAM in de buurt van Bierum.
2.13.
Conform het door NAM gehanteerde schadeprotocol (van medio augustus 2014, versie 1) heeft - in opdracht van en op kosten van NAM - onderzoek plaatsgevonden door Crawford & Company namens het Noordelijk Schade Taxatie Bureau B.V. te Akkrum (verder: NSTB).
In haar rapport van 12 september 2014 komt NSTB, verkort weergegeven, tot het oordeel dat de twee door haar geconstateerde schades, zoals vastgelegd op de foto's 1 tot en met 35, niet bevingsgerelateerd zijn, maar mogelijk veroorzaakt zijn door verzakking. In het schadeprotocol wordt schade geclassificeerd als A-, B- of C-schade, waarbij A-schade ziet op schade welke een direct gevolg is van een aardbeving, B-schade schade betreft die reeds aanwezig was vóór een aardbeving, maar ten gevolge van een aardbeving significant verergerd is en C-schade schade betreft die niet in verband kan worden gebracht met een aardbeving.
2.14.
Per peildatum van 1 januari 2015 is de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op € 133.000,00. Het daartegen gerichte bezwaar van [eisende partij] . is gegrond verklaard, waarna de WOZ-waarde is vastgesteld op een bedrag van € 108.000,00.
2.15.
[eisende partij] . hebben - conform de daartoe geboden mogelijkheid in het schadeprotocol op kosten van NAM - een contra-expertise uit laten voeren door Vergnes Expertise B.V. (hierna: Vergnes) omdat zij zich niet konden vinden in de conclusies van NSTB. In haar rapport, op 21 januari 2015 aan NAM verzonden, komt Vergnes tot de conclusie dat de door NTBS beoordeelde schades als B-schades moeten worden gekwalificeerd, behoudens de schade op de foto's 23, 30 en 35; de schade op de foto's 23 en 30 zou zijn veroorzaakt door werkzaamheden bij de buren, terwijl de schade op foto 35 niet aardbevingsgerelateerd is. De herstelkosten zijn door Vergnes niet begroot.
2.16.
Op 6 maart 2015, hebben [eisende partij] . opnieuw een schademelding gedaan bij NAM met betrekking tot scheurvorming aan de woning. Zijdens [eisende partij] . wordt tevens aangedrongen op een bouwkundige inspectie.
2.17.
NSTB en Vergnes hebben op 10 maart 2015 de verschillen van inzicht besproken.
Het overleg, dat tussen de experts heeft geleid tot consensus, is vastgelegd in een akte van akkoord van 25 maart 2015. In deze akte wordt de schade weergegeven op de foto's 1 t/m 32, 34 en 35 als B-schade aangemerkt. [eisende partij] . zijn , hoewel zij hiervoor wel zijn uitgenodigd, niet aanwezig geweest bij het overleg tussen NSTB en Vergnes en derhalve niet betrokken geweest bij de totstandkoming van het vergelijk tussen de experts en de akte van taxatie.
2.18.
In reactie op de schademelding van 6 maart 2015 heeft NAM voorgesteld om de beoordeling van de nieuwe schademelding eveneens door NSTB te laten plaatsvinden, welk voorstel [eisende partij] . bij e-mailbericht van 24 maart 2015 hebben afgehouden, onder meer omdat zij vindt dat de eerdere schade niet naar behoren is beoordeeld en zij slechte ervaringen heeft gehad met NSTB.
2.19.
Bij brief van 3 april 2015, gericht aan NAM, hebben [eisende partij] . NAM in gebreke gesteld met betrekking tot een bouwkundige inspectie aan de woning. Bij brief van 14 april 2015 heeft NAM gereageerd op deze brief van [eisende partij] . en een nadere inspectie naar de veiligheid (van de woning) voorgesteld. Omdat een inhoudelijke reactie uitbleef, heeft NAM bij brief van 29 september dat voorstel herhaald en tevens - nogmaals - gevraagd of een expert langs kan komen om de aanvullende schade op te nemen.
2.20.
Op 7 mei 2015 bericht CBS aan [eisende partij] . “dat de woning scherper in de markt gezet moet worden. De Commissie kan u daarin ondersteunen door (na verkoop van de woning) een aanvulling op de koopprijs te garanderen tot de huidige vraagprijs van € 135.000 met een maximum van € 30.000,-. Dit bedrag is inclusief de uitkomst van een beroep op de Waarderegeling.”. De 'Waarderegeling' waaraan wordt gerefereerd door CBS,
betreft een regeling die medio april 2014 door NAM is opgesteld, na overleg met de Minister van Economische zaken en andere betrokken partijen, en is bedoeld om woningeigenaren uit bepaalde gemeenten te compenseren bij de verkoop van hun woning. CBS heeft haar aanbod herhaald op 26 juni 2015.
2.21.
Bij brief van 18 november 2015, onder meer gericht aan NAM en CBS, heeft de raadsvrouw van [eisende partij] . aangegeven dat [eisende partij] . door NAM en CBS schrijnend zijn behandeld en voorts dat de privacy van [eisende partij] . meermalen is geschonden, doordat financiële en persoonlijke medische gegevens door CBS aan NAM zijn verstrekt. Onder overlegging van een offerte van Vergnes, wordt zijdens [eisende partij] . aangedrongen op een spoedige afwikkeling. Ter zake van de gestelde privacy schending is het [eisende partij] . gebleken dat een WOB-verzoek van haar tot twee keer toe enige tijd met naam en toenaam online heeft gestaan.
2.22.
Bij brief van 10 december 2015 heeft NAM met betrekking tot de door [eisende partij] . gestelde inbreuk op de privacy gemotiveerd betwist dat zij dergelijke gegevens van derden zou hebben ontvangen. Ook is zijdens NAM aangegeven dat meermalen - vergeefs - is voorgesteld om een expert langs te sturen voor het opnemen van de nieuwe schade en een calculatie van de herstelwerkzaamheden. Zijdens NAM wordt voorgesteld om een bouwkundige inspectie te laten verrichten door Royal Haskoning. CBS heeft in reactie op de brief van de raadsvrouw van [eisende partij] . van 18 november 2015, bij brief van 9 december 2015 aangegeven dat zij (d.i. CBS) formeel nog geen reactie heeft gekregen op haar aanbod, zoals verwoord in de brief van 7 mei 2015. Hiervoor verleent CBS uitstel tot 31 december 2015. [eisende partij] . hebben dat aanbod (uiteindelijk) niet geaccepteerd.
2.23.
Met het voorstel van NAM om een veiligheidsinspectie door Royal Haskoning te laten verrichten gaan [eisende partij] . niet akkoord.
2.24.
Op 15 januari 2016 hebben Vergnes en NSTB gezamenlijk een opname aan de woning verricht ten behoeve van de schadecalculatie. Ook is de door [eisende partij] . nieuw gemelde schade (op 6 maart 2015) onderzocht. In het naar aanleiding hiervan opgemaakte Dekra-rapport van 4 april 2016 wordt - ook - de aanvullende schade (gebaseerd op de schademelding van 6 maart 2015) als B-schade aangemerkt en de totale schade begroot op een bedrag van € 18.871,69 (inclusief btw). Dekra is getuige pagina 2 van voornoemd rapport namens NAM, door tussenkomst van NSTB, belast met het afwikkelen van schadedossiers waarbij een contra-expert betrokken is. Bij brief van 4 mei 2016 heeft NAM voormelde rapportage aan [eisende partij] . verstrekt en bij wijze van (finale) afwikkeling voorgesteld om het door Dekra begrote schadebedrag van € 18.871,69 aan haar uit te betalen. Dat voorstel is niet geaccepteerd door [eisende partij] .
2.25.
Tussentijds hebben [eisende partij] . opdracht gegeven aan Vergnes voor een inspectie, welke inspectie op 14 maart 2016 heeft plaatsgevonden. In haar rapportage van 15 augustus 2016 komt Vergnes tot veel nieuwe (niet bij NAM) gemelde schades.
2.26.
Timmerbedrijf [J.B.] heeft op 14 april 2016 een calculatie afgegeven ter zake van herstel van aardbevingsschade aan de woning van € 32.713,98 (exclusief eventuele verhuis- en opslagkosten).
2.27.
Op 31 oktober 2016 heeft de raadsvrouw van [eisende partij] . onder bijvoeging van een concept dagvaarding NAM verzocht om een oplossing. Het daarop volgende voorstel van NAM is niet geaccepteerd door [eisende partij] .
3. Het geschil
3.1.
Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, vorderen [eisende partij] . dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht zal verklaren dat gedaagden, althans enkele met name door de rechtbank aan te duiden gedaagden, - zo mogelijk hoofdelijk - aansprakelijk zijn voor de door [eisende partij] . geleden schade;
2. voor recht zal verklaren dat gedaagden, althans enkele met name door de rechtbank aan te duiden gedaagden, gehouden zijn - zo mogelijk hoofdelijk - tot vergoeding van de schade die [eisende partij] . door de onrechtmatige gedragingen, althans enkele nader door de rechtbank te duiden gedragingen, hebben geleden;
3. gedaagden alvast, zo mogelijk hoofdelijk, zal veroordelen tot betaling aan [eisende partij] . tegen behoorlijk bewijs van kwijting van de door [eisende partij] . ten gevolge van het onrechtmatig handelen van gedaagden geleden en te lijden schade, op een ten titel van voorschot te stellen bedrag van € 149.214,-- dan wel een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente sedert de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
4. gedaagden zal veroordelen, zo mogelijk hoofdelijk, tot betaling tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] . de door [eisende partij] . ten gevolge van het onrechtmatige handelen van gedaagden geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, verminderd met het bedrag dat reeds als voorschot door de rechtbank is vastgesteld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
5. gedaagden zal veroordelen in de kosten en nakosten van dit geding.
3.2.
Aan hun vorderingen leggen [eisende partij] ., samengevat, ten grondslag dat zij schade hebben geleden door aardbevingen die zijn ontstaan door de gaswinning.
Ten aanzien van NAM hebben [eisende partij] . het volgende aangevoerd: Primair rust op NAM een risicoaansprakelijkheid op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De omstandigheid dat NAM exploiteert op basis van een vergunning, vrijwaart haar niet voor kwalitatieve aansprakelijkheid dan wel aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Subsidiair stellen [eisende partij] . NAM dan ook aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW. NAM heeft namelijk toerekenbaar in strijd met artikel 33 van de Mijnbouwwet gehandeld. Ingevolge dat artikel rust er op de exploitant een specifieke zorgplicht.
Die zorgplicht vereist een inspanning van de vergunninghouder om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat door zijn activiteiten enigerlei schade wordt berokkend. De zorgplicht is eveneens terug te vinden in de artikelen 40, 44 en 45 van de Mijnbouwwet. Ondanks de vele verzoeken van [eisende partij] . heeft NAM geen concrete actie ondernomen om alle schade te vergoeden of om naar een definitieve oplossing te zoeken om [eisende partij] . schadeloos te stellen. NAM heeft, integendeel, het proces getraineerd zonder echt te luisteren naar [eisende partij] . Door dit onrechtmatig handelen van NAM is schade ontstaan, welke toerekenbaar is aan NAM. NAM heeft zich in het geheel niet de belangen van [eisende partij] . aangetrokken bij de gaswinning. Er is voldaan aan het relativiteitsvereiste, nu de geschonden norm strekt tot het voorkomen van de schade die [eisende partij] . geleden hebben . Naast het voorgaande heeft NAM inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eisende partij] . ex de artikelen 5:1 jo. 5:20 BW. De eigendom van het onroerend goed van [eisende partij] . omvat mede de daaronder bevindende aardlagen. Door de gaswinning komen deze aardlagen in beweging, waardoor schade aan de woning is ontstaan. NAM is derhalve aansprakelijk voor de (gevolg)schade die door de inbreuk op het eigendomsrecht van [eisende partij] . is ontstaan.
Waar het EBN betreft, hebben [eisende partij] . gesteld dat mede-exploitanten naast elkaar hoofdelijk aansprakelijk zijn (artikel 6:182 BW jo. artikel 6:177 BW). EBN kwalificeert als mede-exploitant, althans als gebruiker van de mijnbouwwerken, nu zij op basis van artikel 87 jo. artikel 95 van de Mijnbouwwet profiteert van de opbrengst van de gaswinning. NAM is verplicht om 40% van de opbrengsten af te staan aan EBN en daarmee aan de Staat der Nederlanden. Aldus kan EBN als mede-exploitant worden aangemerkt. [eisende partij] . hebben voorts gewezen op de uitspraak van deze rechtbank van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:4402), waarin is bepaald dat EBN de ten behoeve van de maatschap geëxploiteerde mijnbouwwerken mede in gebruik heeft en daarom exploitant in de zin van artikel 6:177 lid 2 onder b BW is. EBN is derhalve, net als NAM, primair risico-aansprakelijk voor de bij [eisende partij] . door de aardbevingen ontstane schade. Subsidiair is EBN aansprakelijk op grond van onrechtmatig handelen, waarbij wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt bij NAM.
Met betrekking tot de maatschap stellen [eisende partij] . dat zij zelfstandige dragers van rechten en verplichtingen zijn en derhalve ook zelfstandig en onrechtmatig kan handelen. De maatschap betreft een samenwerkingsconstructie die volledig verantwoordelijk is voor de exploratie en exploitatie van het Groningse gasveld. Nu de maatschap deze verantwoordelijkheid draagt, is zij ook aan te merken als mede-exploitant en bijgevolg risico-aansprakelijk op basis van artikel 6:177 jo. 6:182 BW. Subsidiair is de maatschap aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW, waarbij wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt bij NAM.
Ten aanzien van de Staat, stellen [eisende partij] . dat hij meerdere rollen bekleedt in het proces van de gaswinning. De staat is vergunningverstrekker, toezichthouder, maar ook door middel van EBN betrokken als exploitant in de maatschap. Daarnaast heeft de Staat een rol in het schade-afhandelingsproces door via de Minister CBS in het leven te hebben geroepen.
Een overheid die toerekenbaar nalaat te anticiperen, dan wel op vroege berichten nalaat adequaat te reageren en verzuimt de nodige maatregelen te nemen, is op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk als schade optreedt. Een zodanige plicht tot het nemen van veiligheidsmaatregelen blijkt onder andere uit het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3262 (Vuurwerkramp Enschede).
De Staat heeft zich laten bijstaan door adviesorganen en heeft talloze onderzoeken uitgevoerd naar de relatie tussen gaswinning en aardbevingen. De Staat heeft echter geen maatregelen genomen om een gevaar, dat door gaswinning ontstaat, te voorkomen, maar - integendeel - de gaswinning stevig doorgezet. De Staat is al sinds 1993 bekend, althans had bekend moeten zijn, met de gevaren van gaswinning alsmede met de aard en de ernst van de potentiële schade, waarbij er een aanzienlijke kans was op verwezenlijking van het gevaar. De Staat heeft nagelaten om tijdig en effectief passende maatregelen te treffen. Ondanks dat [eisende partij] . meermalen bij meerdere overheidsinstanties aan de bel hebben getrokken, kregen zij overal nul op het rekest. Ten onrechte heeft de Staat daarbij naar NAM verwezen. De Staat is ook aansprakelijk voor de bij [eisende partij] . ontstane schade, nu hij is tekort geschoten in zijn zorgplicht. De aansprakelijkheid van de Staat vindt haar grondslag tevens in de artikelen 2, 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Conform artikel 2 van het EVRM hebben [eisende partij] . recht op een veilig leven, maar zij voelen zich al jaren niet meer veilig in de woning en de leefomgeving. De Staat heeft geen enkele actie ondernomen om het leven van [eisende partij] . veiliger te maken, maar - sterker nog - bewerkstelligd dat de veiligheid nog verder achteruit ging. Er kan dagelijks nog een aardbeving plaatsvinden en de angst daarvoor grijpt diep in in het leven van [eisende partij] . Bovendien heeft het hele schadeafhandelingstraject, waar de overheid via CBS een grote rol in speelde, zijn weerslag gehad op de psychische gezondheid van [eisende partij] . [eisende partij] . zijn gediagnosticeerd met PTTS. Aldus heeft de Staat ook artikel 3 van het EVRM geschonden evenals artikel 8. De Staat heeft de gasproductie namelijk opgevoerd, hetgeen grote impact heeft op het gezinsleven van [eisende partij] .
[eisende partij] . hebben zich ter zake van het causale verband tussen de door hen geleden schade en de gaswinning beroepen op omkering van de bewijslast, aangevoerd dat het bewijsvermoeden van toepassing is en dat het leerstuk van de omkeringsregel hier van toepassing is. Waar het gaat om de omkering van de bewijslast, hebben [eisende partij] . gesteld dat zij afhankelijk zijn van de onderzoeken die door gedaagden zijn ingesteld. Dergelijke onderzoeken kunnen in redelijkheid niet van [eisende partij] . gevergd worden. Gegeven de grote ongelijkheid in partijen, is een omkering van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd. [eisende partij] . hebben, waar het gaat om het bewijsvermoeden, gewezen op een amendement dat in de Mijnbouwwet zal worden opgenomen. Dat amendement heeft zich inmiddels vertaald in het bewijsvermoeden van artikel 6:177b BW en [eisende partij] . beroepen zich hierop. Ook hebben [eisende partij] . verwezen naar de hiervoor al aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:4402). [eisende partij] . beroepen zich ten slotte op de omkeringsregel, nu gedaagden een specifieke zorgplicht hebben geschonden die strekt tot het beschermen tegen een bepaald gevaar, welk gevaar zich heeft verwezenlijkt. Dit betreft de zorgplicht van artikel 33 Mbw.
De schade van [eisende partij] . bestaat in ieder geval uit zaakschade, herstelschade, waardevermindering, tijdelijke huisvesting, ontruiming van de gebouwen, tijdelijke opslag ten tijde van herstel en versterking, immateriële schade in de zin van psychische schade, inkomstenderving door schadeherstel bij buren, schade door privacyschending en verlies van woongenot.
Bij wijze van bevoorschotting vorderen [eisende partij] . een bedrag van € 149.214,00, zijnde
€ 32.714,-- conform het rapport van Vergnes, vermeerderd met € 116.500,00, zijnde het verschil in WOZ-waarde van de woning tussen 2005 (€ 224.500,00) en 2015 (€ 108.000,00).
3.2.
Gedaagden voeren verweer, als volgt.
3.2.1.
De maatschap stelt dat zij een samenwerkingsverband betreft tussen NAM en EBN. De maatschap is derhalve geen zelfstandig drager van rechten en plichten nu zij geen rechtspersoonlijkheid heeft. Sprake is van een stille maatschap die niet op een voor derden kenbare wijze (zelfstandig) deelneemt aan het rechtsverkeer. In de artikelen 1.2 en 5 van de OvS is tussen NAM en EBN overeengekomen dat de maatschap niet naar buiten toe optreedt. Voorts is tussen partijen overeengekomen dat NAM het bedrijf van de opsporing en ontginning van aardgas op eigen naam voert. Feitelijk doet NAM dat ook. De maatschap kan derhalve niet als procespartij optreden. Eventuele aanspraken dienen te worden ingesteld tegen haar vennoten. In haar vonnis van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:4402) heeft deze rechtbank vastgesteld dat de maatschap een stille maatschap is en daarom niet zelfstandig in rechte kan worden betrokken. [eisende partij] . voeren in deze procedure geen gronden aan waarom dat oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn. Evenmin is tussentijds hoger beroep ingesteld van het hiervoor genoemde vonnis. Aan de maatschap kunnen ingevolge het bepaalde in artikel 51 Rv ook geen exploten worden betekend.
3.2.2.
NAM stelt dat tussen partijen in confesso is dat NAM risico-aansprakelijk is in de zin van artikel 6:177 lid 1 aanhef en onder b BW, zodat [eisende partij] . bij de onder 1. gevorderde verklaring voor recht geen belang hebben. Of NAM aansprakelijk is in vorenbedoelde zin, is afhankelijk van de vraag of en in hoeverre sprake is van schade die is veroorzaakt door aardbevingen. [eisende partij] . hebben gegeven de hiervoor genoemde risicoaansprakelijkheid geen belang bij een vordering gebaseerd op artikel 6:162 BW, de subsidiaire grondslag van de vorderingen van [eisende partij] .. [eisende partij] . stellen of onderbouwen dat belang ook niet. NAM betwist dat zij in strijd met artikel 33 Mbw heeft gehandeld. Het handelen van NAM is steeds gebaseerd geweest op de op dat moment best beschikbare kennis en dient op basis daarvan te worden beoordeeld en dus niet op basis van de kennis van nu. [eisende partij] . hebben gesteld noch onderbouwd waarom NAM de artikelen 40, 44 en 45 Mbw zou hebben geschonden. Aan de gestelde inbreuk op het eigendomsrecht van [eisende partij] . komt geen zelfstandige betekenis toe. De gaswinning op zichzelf vormt namelijk geen inbreuk op een recht en dient door [eisende partij] . op basis van de Mijnbouwwet gedoogd te worden. NAM betwist dat de schade-afhandeling niet naar behoren zou zijn afgehandeld, terwijl de verwijten geen onrechtmatig handelen harerzijds kunnen opleveren. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de aardbevingen en de schade aan de woning rusten conform de hoofdregel van artikel 150 Rv op [eisende partij] . Gelet op het inmiddels in werking getreden wettelijke bewijsvermoeden ex artikel 6:177a BW kan het hanteren van een bewijslastomkering/bewijsvermoeden dan wel de omkeringsregel niet aan de orde zijn. De zijdens [eisende partij] . aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen dat overigens ook niet. Het bewijsvermoeden is beperkt tot fysieke schade die naar haar aard redelijkerwijs door beweging van de bodem is veroorzaakt. Het is aan [eisende partij] . te stellen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen dat elk van de schades aan dit criterium voldoet. Het opname-rapport van Vergnes van 14 augustus 2016 biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Er is louter sprake van B-schades, zodat NAM meent dat er geen schades zijn die zijn veroorzaakt door aardbevingen.
Primair is er een andere, reeds aanwezige schadeoorzaak. Gelet op het bepaalde in artikel 6:177a lid 2 BW heeft NAM recht op een eigen onderzoek. De door [eisende partij] . opgesomde schade wordt betwist.
Wat betreft de gestelde waardevermindering heeft NAM onder meer aangevoerd dat een eventuele mindere waarde van de woning geen schade is omdat deze mindere waarde zich eerst bij verkoop manifesteert. Wat betreft de gestelde psychische schade heeft NAM aangevoerd dat in de rechtspraak en in de literatuur hoge eisen worden gesteld aan de onderbouwing van psychisch letsel. De door [eisende partij] . overgelegde diagnostische brieven zijn volgens NAM niet voldoende objectief en kunnen niet dienen als bewijs voor het causale verband tussen het psychisch letsel en de aardbevingen.
3.2.3.
EBN stelt dat zij niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:177 (lid 2 sub b) BW. NAM is (de enige) houder van de winningsvergunning voor het Groningenveld. EBN heeft geen vergunning, zodat [eisende partij] . hun vordering jegens EBN dan ook ten onrechte gronden op artikel 6:177 lid 2 sub a BW. Evenmin valt EBN, anders dan de rechtbank in haar vonnis van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:4402) heeft aangenomen, onder de b-grond van voornoemd artikellid. EBN heeft het mijnbouwwerk niet aangelegd of in gebruik. Uit de OvS volgt juist dat NAM de gebruiker is; NAM is de (feitelijke) exploitant als bedoeld in artikel 6:177 BW en niet EBN of de maatschap. Het profijtbeginsel maakt dat niet anders. EBN betwist verder aansprakelijk te zijn op grond van artikel 6:162 BW. De specifieke zorgplicht van artikel 33 Mbw rust volgens haar alleen op NAM. Naar het oordeel van EBN leent deze zaak zich bij uitstek voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
3.2.4.
De Staat heeft aansprakelijkheid betwist. De Staat meent in de eerste plaats dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] . De Staat heeft sinds het SodM-rapport van januari 2013 - dat een kanteling in de heersende inzichten teweegbracht - een reeks van preventieve en schadebeperkende maatregelen getroffen, waaronder substantiële productiebeperkingen. Leidraad hierbij is steeds geweest de veiligheid van de Groningse bevolking. Ten tweede meent de Staat dat causaal verband tussen de gestelde schade en de aan de Staat verweten handelwijze ontbreekt. [eisende partij] . onderbouwen in het geheel niet dat hun schade door onrechtmatig handelen van de Staat is veroorzaakt.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover aangewezen, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
De onderhavige procedure heeft, kort samengevat, betrekking op de vraag of er sprake is van schade die het gevolg is van gaswinning en zo ja, wie op welke grond aansprakelijk is voor die schade en wat de omvang van de te vergoeden schade is. Deze vragen zijn niet alleen onderwerp in deze en een groot aantal andere procedures, maar hebben daarnaast ook een grote maatschappelijke, sociale, economische en politieke betekenis. Deze rechtbank heeft zich in meerdere procedures met deze of soortgelijke vragen, die alle betrekking hebben op de gevolgen van gaswinning in het Groningenveld, geconfronteerd gezien en geconstateerd dat de daarin door haar gedane uitspraken niet tot een consensus tussen betrokken partijen hebben geleid. Genoemde vragen blijven de gemoederen verhit en de standpunten verdeeld houden. Om deze reden alsmede met het oog op het scheppen van rechtszekerheid, acht de rechtbank het van belang, zoals zij ook bij brief van 5 april 2018 aan partijen heeft meegedeeld, op de voet van artikel 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, als volgt.
4.2.1.
NAM erkent, en in eerdere procedures is dat ook geoordeeld, dat zij aansprakelijk is op grond van artikel 6:177 BW als de schade door aardbevingen is veroorzaakt. Zij stelt dat [eisende partij] . daarom geen zelfstandig belang hebben bij een vordering gebaseerd op grond van artikel 6:162 BW. Zij meent verder, kort gezegd, dat haar ten aanzien van haar handelen of nalaten geen verwijt valt te maken. [eisende partij] . menen echter dat NAM haar uit de Mijnbouwwet voortvloeiende zorgplicht heeft geschonden, door niet die maatregelen te treffen die nodig zijn om schade te voorkomen. NAM had meer onderzoek moeten doen naar de gevolgen van gaswinning en aan de hand van de uitkomsten van dat onderzoek maatregelen moeten treffen. Voorts heeft NAM inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eisende partij] . De rechtbank heeft in de zaken die hebben geleid tot het vonnis van
2 september 2015 (ECLI:NL:RBNNE:2015:4185), verkort weergegeven, overwogen dat eisers in die concrete zaken geen belang hebben bij een beoordeling van de vraag of NAM expliciet onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld, enerzijds omdat de aansprakelijkheid van NAM voor de vergoeding van de bevingsschade een rechtstreeks gevolg is van het bepaalde in artikel 6:177 BW en anderzijds andere mogelijke procestechnische of bewijstechnische belangen van eisers niet worden belemmerd door de beperking tot laatstgenoemd wetsartikel. In haar vonnis van 1 maart 2017 (ECLI:NL:RBNNE: 2017:715) heeft de rechtbank het verweer van NAM dat eisers in die zaak geen belang hebben bij een oordeel of zij ook, dat wil zeggen naast artikel 6:177 BW, (schuld)aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW verworpen, om reden dat de aard van de aansprakelijkheid volgens bestendige jurisprudentie één van de omstandigheden is die van belang is bij de vaststelling van de hoogte van een eventuele immateriële schadevergoeding. De rechtbank overwoog vervolgens dat sprake is van onrechtmatige overlast als gevolg van aardbevingen en dat NAM, die deze onrechtmatige overlast als exploitant van Mijnbouwwerken heeft veroorzaakt, daarom ook op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade die inwoners daardoor lijden. Voor zover NAM aansprakelijk is voor door eisers geleden schade op grond van artikel 6:177 BW is zij dat volgens de rechtbank derhalve eveneens op grond van artikel 6:162 BW. Een en ander brengt de rechtbank tot de volgende vraag, waarbij zij tevens wijst op artikel 6:98 BW, op grond waarvan de aard van de aansprakelijkheid een factor is bij de weging van het causaal verband.
1. In hoeverre heeft het onderscheid tussen aansprakelijkheid op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b, BW en op grond van artikel 6:162 BW gevolgen voor de aanspraak op vergoeding van (im)materiële schade?
4.2.2.
[eisende partij] . stellen vervolgens in de eerste plaats dat zowel de maatschap als EBN in elk geval feitelijk als mede-exploitant van de mijnbouwwerken heeft te gelden en daarom valt onder de reikwijdte van artikel 6:177 BW. Daarnaast hebben zij een op de Mijnbouwwet gebaseerde zorgplicht geschonden en inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eisende partij] . EBN stelt dat zij niet kwalificeert als mede-exploitant. Evenmin heeft zij, zo stelt zij, enige norm geschonden. In het vonnis van deze rechtbank van 5 oktober 2016 (ECLI:RBNNE:2016:4402) heeft de rechtbank geoordeeld dat EBN een exploitant in de zin van artikel 6:177 lid 2 onder b BW is en derhalve net als NAM risicoaansprakelijk voor de bij eisers ontstane schade.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank voornemens de volgende vraag aan de Hoge Raad voor te leggen, waarbij zij voor de feiten mede verwijst naar het vonnis van 5 oktober 2016:
2. Is er ruimte voor het aansprakelijk houden van EBN op grond van artikel 6:177 lid 2 sub b BW naast het aansprakelijk zijn van NAM op grond van artikel 6:177 lid 2 sub a BW? Kan EBN. mede gelet op haar bijzondere positie als staatsdeelnemer in de maatschap, als exploitant in de zin van artikel 6:177 lid 2 sub b BW, worden aangemerkt?
4.2.3.
[eisende partij] . stellen verder dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij heeft nagelaten tijdig adequate maatregelen te treffen om het ontstaan van schade als gevolg van gaswinning zoveel mogelijk te voorkomen. De Staat was in elk geval vanaf 1993 op de hoogte van de gevaren van gaswinning aldus [eisende partij] . Daarmee heeft de Staat de op haar rustende zorgplicht geschonden. Voorts is er sprake van een schending van het recht om veilig te wonen en een onmenselijke behandeling door de Staat. De Staat betwist onrechtmatig te hebben gehandeld en heeft gewezen op de formele rechtskracht van de destijds geldende instemmingsbesluiten. De Staat stelt dat zij daardoor in elk geval over de periode voor het advies van SodM van 22 januari 2013 ter zake de gaswinning geen onrechtmatig handelen kan worden verweten. De rechtbank heeft in haar meergenoemde vonnis van 1 maart 2017 (ECLI:NL:RBNNE: 2017:715) (ambtshalve) overwogen dat aan het instemmingsbesluit van de minister van Economische Zaken op grond van artikel 34 Mijnbouwwet van 21 december 2007 formele rechtskracht toekomt, zodat de civiele rechter in beginsel dient uit te gaan van de rechtmatigheid van dat besluit. Hoewel eisers in die zaak geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 derde lid Awb bij de minister hebben gedaan tot intrekking van het instemmingsbesluit, komt de rechtbank toch toe aan een inhoudelijke beoordeling, waarbij onderscheid is gemaakt tussen de periode vóór en die na de aardbeving in Huizinge op 16 augustus 2012 en het advies van SodM begin januari 2013. De rechtbank komt vervolgens in voornoemde zaak tot het oordeel dat de Staat vóór de beving in Huizinge en het advies van SodM niet aansprakelijk is, terwijl dat voor de periode nadien anders ligt. Dit brengt de rechtbank tot de volgende vragen, waarbij zij voor de feiten mede verwijst naar het meergenoemde vonnis van 1 maart 2017:
3. Onder welke omstandigheden kan de Staat - mede gelet op de artikelen 2, 3 en 8 van het EVRM - aansprakelijk worden gehouden voor aardbevingsschade op grond van artikel 6:162 BW?
4. Verhindert de formele rechtskracht van het instemmingsbesluit aansprakelijkheid van de Staat? Onder welke omstandigheden kan de Staat ondanks de formele rechtskracht van een instemmingsbesluit aansprakelijk worden gesteld?
4.2.4.
[eisende partij] . hebben zich - mede - beroepen op het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW. In het vonnis van deze rechtbank van 15 november 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:4351) heeft de rechtbank geoordeeld dat NAM in het kader van het door haar te leveren tegenbewijs aannemelijk dient te maken dat bodembeweging door gaswinning niet de oorzaak is van de schade, hetgeen NAM kan doen door aannemelijk te maken dat de schade een andere oorzaak heeft (vlg. MvT 2015-2016, 34 390, nr. 3). In het advies van Hammerstein, Asser en Van de Bunt aan de NCG e.a. van 13 oktober 2017 [bestandsnaam] wordt nader ingegaan op de vraag hoe ver volgens deze schrijvers het tegenbewijs tegen het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW moet gaan en welke maatstaf geldt voor de bewijswaardering.
Dit brengt de rechtbank tot de volgende vraag.
5. Hoe ver moet het tegenbewijs gaan om het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 6:177a BW te kunnen weerleggen; moet het tegendeel komen vast te staan of kan twijfel zaaien voldoende zijn?
4.2.5.
[eisende partij] . vordert vergoeding van zowel materiële als immateriële schade.
Wat betreft de daling van de waarde van de woningen in het aardbevingsgebied, heeft de rechtbank in het eerder genoemde vonnis van 2 september 2015 geoordeeld dat reeds op dat moment (ongeacht verkoop en ongeacht of fysieke schade is opgetreden) aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding van de schade die is geleden als gevolg van aardbevingen die door gaswinning door NAM zijn veroorzaakt en die bestaat uit waardevermindering van onroerende zaken die zijn gelegen in het aardbevingsgebied. Bij arrest van 23 januari 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:618) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep (eveneens) aansprakelijkheid vastgesteld voor de schade veroorzaakt door aardbevingen als gevolg van gaswinning door NAM bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken gelegen in het gebied waar aardbevingen ten gevolge van gaswinning door NAM voorkomen en geoordeeld dat die schade voor vergoeding in aanmerking komt ongeacht of er fysieke schade aan de onroerende zaken is opgetreden en ongeacht of de onroerende zaken al dan niet zijn verkocht. Het gerechtshof heeft zijn arrest uitvoerig gemotiveerd. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld.
Wat betreft de immateriële schade is in het eerder genoemde vonnis van 1 maart 2017 (ECLI:NL:RBNNE: 2017:715) geoordeeld dat voor het deel van het Groningenveld waar regelmatig aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden, gesproken kan worden van een situatie waarin door NAM een ernstige inbreuk wordt gemaakt op een fundamenteel persoonlijkheidsrecht, welke inbreuk ook zonder dat sprake is van geestelijk letsel, bij degenen die daardoor persoonlijke gevoelens van angst, zorg en psychisch onbehagen ervaren, leidt tot aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 BW. De rechtbank heeft ten aanzien van de eisers in die zaak die in dat gebied wonen èn een persoonlijke verklaring in het geding hadden gebracht waarin wordt beschreven dat de gevolgen van de aardbevingen hen rechtstreeks raken en dat deze in rechtens relevante mate invloed hebben op hun woongenot en levenssfeer, voor recht verklaard dat NAM aansprakelijk is voor de geleden en/of nog te lijden immateriële schade. De rechtbank heeft tevens ten aanzien van een groot aantal van de eisers in die zaak voor recht verklaard dat NAM aansprakelijk is voor de geleden en/of nog te lijden vermogensschade bestaande uit het gemis van het onstoffelijk voordeel, te weten het ongestoorde woongenot.
Dit brengt de rechtbank tot de volgende vragen:
7a. Kan waardedaling van een woning als gevolg van het risico op aardbevingen als gevolg van gaswinning aangemerkt worden als schade waarvoor de exploitant aansprakelijk is, ook als de schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij verkoop van die woning en, zo ja, wat is de peildatum voor de begroting voor dergelijke schade?
b. Behoort ook het gemis van onstoffelijk voordeel, te weten het ongestoorde woongenot, omdat daarvoor onnodig uitgaven (zoals hypotheekrente) zijn gedaan, tot de door de exploitant te vergoeden schade?
c. Is bij schade op grond van de exploitatie van een mijnbouwwerk - in algemene zin of in bijzondere gevallen - plaats voor het oordeel dat sprake is van een zodanige aantasting van persoonlijkheidsrechten dat gesproken kan worden van een andere aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW?
d. In hoeverre verdraagt het hoogst persoonlijke karakter van immateriële schadevergoeding zich met het min of meer 'forfaitair' vaststellen van schadevergoeding?
4.3.
Partijen zullen conform artikel 392 lid 2 Rv in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over het voornemen om de vragen te stellen alsmede over de inhoud van de te stellen vragen. De rechtbank zal de zaak daartoe naar de rol van 25 juli 2018 verwijzen voor akte uitlaten aan beide zijden. De rechtbank houdt iedere verder beslissing aan.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 25 juli 2018 voor uitlaten als overwogen in rechtsoverweging 4.3.
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Groefsema, mr. J.E. Biesma en mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2018.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑06‑2017
type:coll: