HR, 22-10-2024, nr. 23/00503
ECLI:NL:HR:2024:1411
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-10-2024
- Zaaknummer
23/00503
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1411, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:780
ECLI:NL:PHR:2024:780, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑08‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1411
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑01‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0261
Uitspraak 22‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Voorbereidingshandelingen t.a.v. handel in heroïne en cocaïne (art. 10a.1.3 jo. 10.4 Opiumwet) en aanwezig hebben van heroïne en cocaïne (art. 2.C Opiumwet). Toewijzing van vordering tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en omzetting daarvan in taakstraf, art. 6:6:21 Sv en art. 22d Sr. Is in strijd met art. 22d.3 Sr voor elke 2 uren van taakstraf meer dan 1 dag vervangende hechtenis opgelegd en beloopt duur van vervangende hechtenis meer dan 4 maanden? O.g.v. art. 6:6:21.2 Sv kan rechter een taakstraf gelasten i.p.v. last te geven tot tul van eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf. Op gronden vermeld in CAG berust het op kennelijke misslag van wetgever dat in deze bepaling art. 22d.3 Sr niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Art. 6:6:21.2 Sv moet daarom verbeterd worden gelezen. Dat brengt mee dat bij omzetting van eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf in taakstraf, de vervangende hechtenis, voor het geval dat veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, ten hoogste 4 maanden beloopt en dat voor elke 2 uren van taakstraf niet meer dan 1 dag vervangende hechtenis wordt opgelegd. HR merkt op dat in toekomstige gevallen, waarin bij beslissing over duur van vervangende hechtenis het voorgaande wordt miskend, sprake is van kennelijke misslag die zich bij uitstek leent voor herstel door hof zelf. Het gaat dan immers om onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door rechters die op zaak hebben gezeten, overeenkomstig HR:2010:BJ7243 en HR:2012:BW1478. Deze manier van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op eenvoudige manier ondubbelzinnig duidelijkheid ontstaat over de voor tul vatbare straffen. Wanneer in zo’n geval zekerheidshalve (naast het doen van verzoek om herstelarrest) ook cassatieberoep is ingesteld, kan dat beroep worden ingetrokken zodra herstelarrest is gewezen. HR bepaalt dat vervangende hechtenis 50 dagen beloopt.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00503
Datum 22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 januari 2023, nummer 22-001919-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de vervangende hechtenis die is bevolen bij de aan de verdachte opgelegde taakstraf, tot het bevel dat de vervangende hechtenis vijftig dagen beloopt en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel heeft betrekking op de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 09-817162-19 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en de omzetting daarvan in een taakstraf. Het klaagt dat in strijd met artikel 22d lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor elke twee uren van de taakstraf meer dan één dag vervangende hechtenis is opgelegd en dat de duur van de vervangende hechtenis meer dan vier maanden beloopt.
2.2
Het hof heeft over de vordering tot tenuitvoerlegging beslist:
“Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 september 2020 met parketnummer 09-817162-19, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 191 dagen waarvan na eerdere gedeeltelijke tenuitvoerlegging nog 165 dagen resteren, een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 165 (honderdvijfenzestig) dagen hechtenis.”
2.3
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
“1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden.
2. In plaats van het op grond van het eerste lid bevelen van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, kan de rechter de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:1:15, 6:3:1 tot en met 6:3:6, 6:3:14 en 6:6:23 van dit wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.”
- Artikel 22d Sr:
“1. In het vonnis waarbij taakstraf wordt opgelegd, beveelt de rechter, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast.
2. De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld.
3. De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste vier maanden. Voor elke twee uren van de taakstraf wordt niet meer dan één dag opgelegd.”
2.4.1
Op grond van artikel 6:6:21 lid 2 Sv kan de rechter een taakstraf gelasten in plaats van een last te geven tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf. Op de gronden vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.3 tot en met 2.10 berust het op een kennelijke misslag van de wetgever dat in deze bepaling artikel 22d lid 3 Sr niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Artikel 6:6:21 lid 2 Sv moet daarom verbeterd worden gelezen. Dat brengt mee dat bij de omzetting van een eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf in een taakstraf, de vervangende hechtenis, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, ten hoogste vier maanden beloopt en dat voor elke twee uren van de taakstraf niet meer dan één dag vervangende hechtenis wordt opgelegd.
2.4.2
Hieruit volgt dat het cassatiemiddel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad zal zelf bepalen dat in de zaak met parketnummer 09-817162-19 de vervangende hechtenis vijftig dagen beloopt.
2.5
Opmerking verdient nog dat in toekomstige gevallen, waarin bij de beslissing over de duur van de vervangende hechtenis het vorenstaande wordt miskend, sprake is van een kennelijke misslag die zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf. Het gaat dan immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten, overeenkomstig de beslissingen van de Hoge Raad in de arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze manier van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige manier ondubbelzinnig duidelijkheid ontstaat over de voor tenuitvoerlegging vatbare straffen. Wanneer in zo’n geval zekerheidshalve – naast het doen van het verzoek om een herstelarrest – ook cassatieberoep is ingesteld, kan dat beroep worden ingetrokken zodra het herstelarrest is gewezen.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de vervangende hechtenis ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 09-817162-19 bevolen tenuitvoerlegging van een taakstraf;
- beveelt dat de vervangende hechtenis vijftig dagen beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.
Conclusie 27‑08‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Kon het hof een vervangende hechtenis voor een taaskstraf op 165 dagen stellen? Plv. AG is van mening dat de klacht hierover slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en zelf afdoen door HR.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00503
Zitting 27 augustus 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 27 januari 2023 door het gerechtshof Den Haag wegens kort gezegd het voorhanden hebben van harddrugs en het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van de handel in harddrugs, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan één voorwaardelijk. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen.
1.2
Voorts - en dat is waar het in cassatie om gaat - heeft het hof in plaats van de tenuitvoerlegging te gelasten van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 165 dagen, de tenuitvoerlegging gelast van een taakstraf van 100 uur, subsidiair 165 dagen hechtenis.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat art. 22d lid 3 Sr is geschonden doordat het hof aan het gelasten van de tenuitvoerlegging van de taakstraf een vervangende hechtenis van 165 dagen heeft verbonden.
Het bestreden arrest
2.2
Het arrest bevat met betrekking tot de vordering tenuitvoerlegging het volgende:
“Vordering tenuitvoerlegging
Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 september 2020 onder parketnummer 09-817162-19 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 191 dagen, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, gevorderd dat een gedeelte van de vordering tenuitvoerlegging, groot 100 dagen, wordt omgezet in een taakstraf van 200 uren.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.
Het hof stelt vast dat is gebleken dat reeds eerder de voorlopige tenuitvoerlegging heeft plaatsgevonden van een gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde straf, namelijk een gedeelte groot 26 dagen. Daarom moet dat gedeelte op grond van artikel 6:6:21 Sv, lid 7 in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf.
Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte onder toezicht van en met begeleiding door de reclassering, na behandeling bij [A] en in coöperatie met zijn werkgever zich serieus heeft ingespannen zijn leven op de rit te krijgen en dat ook zo probeert te houden. Hij is sinds de feiten in de onderhavige strafzaak niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. De verdachte heeft een baan en zijn werkgever helpt hem bij het zoeken van een passende woning. Voorts heeft hij met beide handen de kansen gegrepen om eerder opgelegde taakstraffen alsnog positief af te ronden.
In plaats van toewijzing van de resterende 165 dagen zal het hof evenwel - gelet op de genoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan - aan de hand van een in het voordeel van de verdachte afwijkende maatstaf - een taakstraf voor de duur van 100 uren gelasten.
(…)
BESLISSING
(…)
Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 september 2020 met parketnummer 09-817162-19, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 191 dagen waarvan na eerdere gedeeltelijke tenuitvoerlegging nog 165 dagen resteren, een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 165 (honderdvijfenzestig) dagen hechtenis.”
De toepasselijkheid van art. 22d Sr
2.3
Art. 22d lid 3 Sr luidt als volgt:
“De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste vier maanden. Voor elke twee uren van de taakstraf wordt niet meer dan één dag opgelegd.”
2.4
De maximering tot vier maanden staat in de wet sinds 1 april 2012 (Stb. 2011, 545, i.w.tr. Stb. 2011, 615) en houdt verband met de maximale duur van de taakstraf (240 uur), hetgeen omgerekend volgens de vaste maatstaf 120 dagen oplevert.1.
2.5
Tot 1 januari 2020 luidde art. 14g lid 2 Sr:
“In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf te geven kan de rechter een taakstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, gelasten. De artikelen 22b tot en met 22k zijn van overeenkomstige toepassing.”
2.6
Per 1 januari 2020 is art. 6:6:21 lid 2 Sv voor art. 14g lid 2 Sr oud in de plaats getreden. Dit artikellid heeft een enigszins andere formulering en luidt als volgt:
“In plaats van het op grond van het eerste lid bevelen van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, kan de rechter de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:1:15, 6:3:1 tot en met 6:3:6, 6:3:14 en 6:6:23 van dit wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.”
2.7
Sinds 1 januari 2020 bepaalt de wet dus niet meer met zoveel woorden dat art. 22c en 22d Sr van overeenkomstige toepassing worden verklaard. De parlementaire geschiedenis geeft geen duidelijkheid over eventuele beweegredenen voor deze wijziging. Voor de aanname dat de wetgever heeft beoogd dat voor deze taakstraf geen vervangende hechtenis meer wordt bevolen (art. 22d lid 1 Sr) of dat geen maximum meer geldt voor het aantal uren taakstraf (art. 22c lid 2 Sr) bestaat geen grond.
2.8
Het voornemen bestaat om in het nieuwe Wetboek van Strafvordering de bepalingen die nu in boek 6 zijn opgenomen onder te brengen in een nieuw boek 7.2.Hetgeen nu in art. 6:6:21 lid 2 Sv staat, is, in het Conceptwetsvoorstel tweede vaststellingswet nieuw Wetboek van Strafvordering opgenomen in een nieuw art. 7.2.8 lid 6 Sv. Dit artikellid zal, zo is nu het voornemen, als volgt komen te luiden:
“Bij toewijzing van de vordering kan de rechtbank de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten in plaats van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. De artikelen 22b tot en met 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7.6.1 tot en met 7.6.7 en 7.6.21 zijn van overeenkomstige toepassing.”
2.9
In het nieuwe wetboek keert het van overeenkomstige toepassing verklaren van de artikelen 22c en 22d Sr dus weer terug in de wet. Een toelichting hierop heb ik in de Concept Memorie van Toelichting niet aangetroffen.
2.10
Gelet op het voorgaande lijkt mij te moeten worden aangenomen dat het niet van overeenkomstige toepassing verklaren van art. 22c en 22d Sr in het nu geldende art. 6:6:21 lid 2 Sv op een kennelijke vergissing berust, zodat moet worden aangenomen dat de in deze artikelen gegeven regels nog steeds in acht moeten worden genomen.
De beoordeling van het middel
2.11
De jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 22d in verbinding met 14g Sr heeft tot op heden steeds betrekking gehad op de tweede volzin van art. 22d lid 3 Sr. Zo heeft de Hoge Raad bepaald dat de wet er niet toe dwingt “bij het gelasten van een taakstraf ter vervanging van een vrijheidsstraf zulks te doen aan de hand van de maatstaf van twee uren taakstraf per dag vrijheidsstraf”, maar dat een “redelijke wetsuitleg mee[brengt] dat het de rechter niet vrij staat om (…) op de voet van art. 22d Sr vervangende hechtenis op te leggen die de duur van de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf overstijgt.”3.
2.12
Dit laatste is in deze zaak echter niet gebeurd. Het hof heeft de resterende voorwaardelijke gevangenisstraf als vervangende hechtenis opgelegd en niet een vrijheidsstraf van een langere duur. Wel komen deze 165 dagen uit boven het in art. 22d lid 3 Sr genoemde maximum van vier maanden oftewel 120 dagen.
2.13
Ook de verhouding tussen het aantal uren taakstraf en het aantal dagen vervangende hechtenis is in strijd met art. 22d lid 3 Sr, dat immers niet meer dan één dag hechtenis per twee uur taakstraf toelaat. Dat deze norm ook geldt voor de omzetting van voorwaardelijke gevangenisstraf in een taakstraf, wordt naar mijn idee nog eens bevestigd door HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:776, waarin voor een dergelijke situatie wordt overwogen “dat het ingevolge art. 22d, derde lid, Sr niet mogelijk is om per twee uren taakstraf meer dan één dag vervangende hechtenis op te leggen”.4.
2.14
Het middel slaagt.
2.15
Omdat duidelijk is dat volgens de gangbare normen bij een taakstraf van honderd uur een vervangende hechtenis wordt opgelegd van vijftig dagen, stel ik voor dat de Hoge Raad de zaak zelf afdoet.5.
Het tweede middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
3.2
In deze zaak is cassatie ingesteld op 9 februari 2023. De stukken van het geding zijn op 17 oktober 2023 bij de Hoge Raad binnengekomen, ruim een week na afloop van de termijn van acht maanden. Het middel is derhalve terecht voorgesteld. Gelet op de geringe overschrijding is deze inbreuk op het recht op berechting binnen een redelijke termijn voldoend gecompenseerd door de enkele constatering van die inbreuk.
Afronding
4.
4.1
Het eerste en het tweede middel slagen.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de vervangende hechtenis die is bevolen bij de aan de verdachte opgelegde taakstraf, tot het bevel dat de vervangende hechtenis vijftig dagen beloopt en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑08‑2024
HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:831, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie.
Helemaal vanzelfsprekend acht ik deze keuze van de wetgever overigens niet. Een taakstraf kan worden aangemerkt als een lichtere sanctie dan een vrijheidsstraf. Zo bezien is er meer reden om bij de oplegging van een taakstraf de duur van de hechtenis in de wet te beperken dan in het omgekeerde geval dat een (langere) vrijheidsstraf al vaststaat en in plaats daarvan de lichtere taakstraf wordt opgelegd. Vgl. toenmalig AG Knigge in zijn CAG van 4 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:324.
Het cassatiemiddel is nadrukkelijk niet gericht tegen de omzetting van de voorwaardelijke gevangenisstraf in honderd uur taakstraf, zie noot 3 op p.2 van de cassatieschriftuur..
Beroepschrift 11‑01‑2024
De Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Datum betekening: 30 november 2023
Geacht College,
Ondergetekende,
mr. D.J.M. Dammers, advocaat te Amsterdam, kantoorhoudende op het adres Van der Helstplein 3 (1072 PH) te Amsterdam (Cleerdin & Hamer Advocaten), die in deze zaak bepaaldelijk gevolmachtigd is door rekwirant in cassatie:
de heer [verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
wonende op het adres [adres] te ([postcode]) [woonplaats],
heeft hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest, alsmede de tussenbeslissingen van het Gerechtshof Den Haag gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 22-001919-21.
In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 27 januari 2023 rekwirant veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts zijn voorwerpen verbeurdverklaard, zijn beslissingen genomen over het beslag en over de vordering tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf in de strafzaak met parketnummer 09-817162-19.
Het beroep in cassatie tegen bovenvermeld arrest is op 9 februari 2023 namens rekwirant ingesteld door de daartoe bepaaldelijk gevolmachtigde, L. Kroep, administratief ambtenaar bij het Gerechtshof Den Haag.
Rekwirant voert de navolgende middelen van cassatie aan:
I. Schending van art. 22d sr en/of art. 6:6:21 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder getuigt het oordeel van het hof om bij oplegging van een taakstraf van 100 uren (in het kader van een vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 191 dagen, waarvan na gedeeltelijke tenuitvoerlegging nog 165 dagen resteren) dit bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 165 dagen vervangende hechtenis van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onvoldoende begrijpelijk (gemotiveerd). Dit nu het hof in strijd met artikel 22d, derde lid, Sr, althans onvoldoende begrijpelijk, heeft geoordeeld dat bij het niet naar behoren uitvoeren van de taakstraf van 100 uren dit wordt vervangen door 165 dagen vervangende hechtenis nu (i) de vervangende hechtenis de duur van vier maanden overschrijdt (hetwelk niet is toegestaan op grond van artikel 22d, derde lid, eerste volzin, Sr) en (ii) het oordeel van het hof om bij een taakstraf van 100 uren dit bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 165 dagen vervangende hechtenis niet voldoet aan artikel 22d, derde lid, tweede volzin, Sr, inhoudende dat voor elke twee uren van de taakstraf niet meer dan één dag vervangende hechtenis wordt opgelegd.
Toelichting
1.
In onderhavige strafzaak was tevens een vordering tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straf aan de orde. Door het hof is dienaangaande het volgende overwogen:
‘Vordering tenuitvoerlegging
Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 september 2020 onder parketnummer 09-817162-19 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 191 dagen, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, gevorderd dat een gedeelte van de vordering tenuitvoerlegging, groot 100 dagen, worde omgezet in een taakstraf van 200 uren.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.
Het hof stelt vast dat is gebleken dat reeds eerder de voorlopige tenuitvoerlegging heeft plaatsgevonden van een gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde straf, namelijk een gedeelte groot 26 dagen. Daarom moet dat gedeelte op grond van artikel 6:6:21 Sv, lid 7 in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf.
Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte onder toezicht van en met begeleiding door de reclassering, na behandeling bij [A] en in coöperatie met zijn werkgever zich serieus heeft ingespannen zijn leven op de rit te krijgen en dat ook zo probeert te houden. Hij is sinds de feiten in de onderhavige strafzaak niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. De verdachte heeft een baan en zijn werkgever helpt hem bij het zoeken van een passende woning. Voorts heeft hij met beide handen de kansen gegrepen om eerder opgelegde taakstraffen alsnog positief af te ronden.
In plaats van toewijzing van de resterende 165 dagen zal het hof evenwel — gelet op de genoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan — aan de hand van een in het voordeel van de verdachte afwijkende maatstaf — een taakstraf voor de duur van 100 uren gelasten.’1.
2.
De beslissing van het hof luidt dan ook als volgt:
‘Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 september 2020 met parketnummer 09-817162-19, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 191 dagen waarvan na eerdere gedeeltelijke tenuitvoerlegging nog 165 dagen resteren, een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 165 (honderdvijfenzestig) dagen hechtenis.’2.
3.
Door het hof is aangaande de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 191 dagen, waarvan na gedeeltelijke tenuitvoerlegging nog 165 dagen resteren, aldus beslist tot oplegging van een taakstraf van 100 uren.3. In dat kader is beslist dat bij het niet naar behoren verrichten van deze taakstraf dit wordt vervangen door 165 dagen vervangende hechtenis. Het is dit laatste oordeel waartegen dit cassatiemiddel zich richt.
4.
Van belang zijn de volgende artikelen:
‘Artikel 22d Sr
- 1.
In het vonnis waarbij taakstraf wordt opgelegd, beveelt de rechter, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast.
- 2.
De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld.
- 3.
De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste vier maanden. Voor elke twee uren van de taakstraf wordt niet meer dan één dag opgelegd.
Artikel 6:6:21 Sv
- 1.
De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden.
- 2.
In plaats van het op grond van het eerste lid bevelen van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, kan de rechter de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:1:15, 6:3:1 tot en met 6:3:6, 6:3:14 en 6:6:23 van dit wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
[…]’
5.
Uit artikel 22d, derde lid, Sr volgt aldus dat voor elke twee uren van de taakstraf niet meer dan één dag vervangende hechtenis wordt opgelegd en dat de vervangende hechtenis ten hoogste vier maanden beloopt.
6.
Hoewel de vervangende hechtenis in casu de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van (resterend) 165 dagen niet overschrijdt,4. heeft het hof in casu in strijd met artikel 22d, derde lid, Sr, althans onvoldoende begrijpelijk, geoordeeld dat bij het niet naar behoren uit voeren van een taakstraf van 100 uren dit wordt vervangen door 165 dagen vervangende hechtenis. Dit nu (i) de vervangende hechtenis de duur van vier maanden overschrijdt (hetwelk niet is toegestaan op grond van artikel 22d, derde lid, eerste volzin, Sr) en (ii) het oordeel van het hof om bij een taakstraf van 100 uren dit bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 165 dagen vervangende hechtenis niet voldoet aan artikel 22d, derde lid, tweede volzin, Sr, inhoudende dat voor elke twee uren van de taakstraf niet meer dan één dag vervangende hechtenis wordt opgelegd.5.
7.
Gelet op het voorgaande kan het arrest van het hof in zoverre dan ook niet in stand blijven.
II. Schending van art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
In het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR geschonden, daar sinds het instellen van het beroep in cassatie op 9 februari 2023 en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad in cassatie zoveel tijd is verstreken, dat de berechting niet meer heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. Dat dient strafvermindering tot gevolg te hebben.
Toelichting
1.
Op 9 februari 2023 is door rekwirant beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 27 januari 2023. Pas op 17 oktober 2023 zijn de stukken bij de Hoge Raad binnengekomen.
2.
Nu tussen het tijdstip waarop het beroep in cassatie is ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen meer dan acht maanden zijn verstreken, waarbij niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, moet naar de mening van rekwirant worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.3, NJ 2008, 358). Dat dient te leiden tot strafvermindering.
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om het arrest, zoals jegens hem op 27 januari 2023 gewezen door het Gerechtshof Den Haag te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bijzonderlijk gevolmachtigde,
mr. D.J.M. Dammers
Amsterdam, 11 januari 2024
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 11‑01‑2024
Arrest hof, p. 6–7.
Arrest hof, p. 9.
Tegen dat oordeel richt dit cassatiemiddel zich niet, vgl. HR HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:831, r.o. 2.4.
Zie hierover o.a. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:383, r.o. 2.5, HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:776, r.o. 3.5, HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:834, r.o. 2.4, HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1552, r.o. 2.4.1.
Vgl. over dat laatste HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:776, r.o. 3.4: ‘In aanmerking genomen dat het ingevolge art. 22d, derde lid, Sr niet mogelijk is om per twee uren taakstraf meer dan één dag vervangende hechtenis op te leggen, maar wel minder, levert de last tot tenuitvoerlegging van een taakstraf van dertig uren ter vervanging van de hechtenis van veertien dagen geen strijdigheid op met art. 22d, derde lid, Sr noch met art. 14g, eerste en tweede lid, Sr.’