NJB 2025/869
Schending redelijke termijn in ontnemingsprocedure, art. 6 lid 1 EVRM: in casu niet zonder meer begrijpelijk oordeel van het hof dat het geen aanleiding ziet om consequenties te verbinden aan (onder meer) de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg omdat bij de strafoplegging in de hoofdzaak rekening is gehouden met de lange duur van de behandeling. Nog daargelaten dat in de strafzaak in eerste aanleg op een eerdere datum uitspraak is gedaan dan in de ontnemingszaak in eerste aanleg, volgt uit de overwegingen van het hof in de strafzaak immers dat die strafvermindering alleen is toegepast ter compensatie van de schending van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep, en dus niet voor het tijdsverloop in eerste aanleg.
HR 15-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:577
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15 april 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
23/03119 P
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:577, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:223, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑02‑2025
- Wetingang
(art. 6 EVRM)
Essentie
Schending redelijke termijn in ontnemingsprocedure, art. 6 lid 1 EVRM: in casu niet zonder meer begrijpelijk oordeel van het hof dat het geen aanleiding ziet om consequenties te verbinden aan (onder meer) de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg omdat bij de strafoplegging in de hoofdzaak rekening is gehouden met de lange duur van de behandeling. Nog daargelaten dat in de strafzaak in eerste aanleg op een eerdere datum uitspraak is gedaan dan in de ontnemingszaak in eerste aanleg, volgt uit de overwegingen van het hof in de strafzaak immers dat die strafvermindering alleen is ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.