Rb. Den Haag, 07-05-2026, nr. NL26.1820
ECLI:NL:RBDHA:2026:10822
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
NL26.1820
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:10822, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 07‑05‑2026; (Voorlopige voorziening)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Asiel; Eritrea; identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig; relaas niet verder getoetst.
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.1820
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Boonen).
Inleiding
1. In deze uitspraak behandelt de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep van verzoeker tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Verzoeker heeft eerder op 13 oktober 2020 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen, omdat Italië hiervoor verantwoordelijk op grond van de Dublinprocedure. Verzoekers beroep daartegen is op 17 januari 2022 verklaard. Hierna heeft verzoeker op 3 december 2022, op 13 april 2023 en op 13 juni 2024 asielaanvragen ingediend. De laatste twee asielaanvragen zijn buiten behandeling gesteld, omdat verzoeker op dat moment met onbekende bestemming was vertrokken.
1.2.
Verzoeker heeft op 21 september 2025 opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, na een overdracht door de Franse autoriteiten in het kader van de Dublin. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker dient Nederland onmiddellijk te verlaten.
1.3.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep (NL26.1819), op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.1819, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 07 mei 2026