Vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, r.o. 3.3.
HR, 04-06-2024, nr. 22/04626
ECLI:NL:HR:2024:804
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-06-2024
- Zaaknummer
22/04626
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Insolventierecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:804, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑06‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:300
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:10319
ECLI:NL:PHR:2024:300, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑03‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:804
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑07‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑06‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0114
NJ 2024/267 met annotatie van N. Jörg
Uitspraak 04‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Faillissementsfraude in vastgoedmarkt. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr), feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk door rechtspersoon en medeplegen bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd (art. 341.a (oud) Sr). Aanhoudingsverzoeken op de grond dat verdachte kort voor geplande inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak door vertrouwensbreuk met zijn raadslieden geen rechtsbijstand meer had en dat hij zich daarvan opnieuw wilde voorzien. Kon hof verzoeken van verdachte tot aanhouding om zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien en effectieve verdediging te kunnen voeren afwijzen (art. 6.3.b en 6.3.c EVRM en art. 28 Sv)? HR herhaalt relevante overwegingen van EHRM in zaak Galovic tegen Kroatië (nr. 45512/11) m.b.t. vraag of verdachte eerlijk proces heeft gehad. Op tz. in hoger beroep heeft hof aan afwijzing van verzoek ten grondslag gelegd dat procedure in h.b. al bijna 6 jaren duurde en ernstig was vertraagd doordat verdachte meermalen van raadsman is gewisseld en doordat hij, vlak voor geplande eerste regiezitting, stukken heeft ingebracht in verband waarmee hij inmiddels (zij het nog niet onherroepelijk) is veroordeeld wegens valsheid in geschrift. Daarnaast heeft hof erop gewezen dat verdachte zich uitvoerig heeft kunnen voorbereiden in jaren dat h.b. al duurde en dat omstandigheid dat het (om voor hof ondanks herhaalde vragen aan verdachte onbekend gebleven redenen) tot breuk kwam tussen verdachte en zijn raadslieden, voor zijn rekening moet blijven. Tegen die achtergrond heeft hof geoordeeld dat belang bij voortgang van zaak prevaleerde boven belang van verdachte bij aanhouding daarvan. In eindarrest heeft hof, n.a.v. aanhoudingsverzoek van nieuwe raadsman, overzicht gegeven van verloop van procedure in h.b. en door (opvolgende) raadslieden telkens gedane verzoeken. Aan hiervoor genoemde gronden voor afwijzing heeft hof toegevoegd dat het “vooral de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld” (te weten telkens net voor in overleg met verdediging lang tevoren geplande zittingen) zijn geweest die procedure hebben vertraagd. Hieruit, en uit hierop volgende (door wrakingskamer als misbruik van wrakingsprocedure aangemerkte) wrakingsverzoeken heeft hof afgeleid dat verdachte heeft geprobeerd ook inhoudelijke behandeling van zaak te frustreren. Verder heeft hof vastgesteld dat (toenmalige) raadsvrouw van verdachte bijlagen voor haar pleidooi al aan hof had toegestuurd en verdediging dus kennelijk al geheel was voorbereid. Geheel tijdverloop in aanmerking nemend heeft hof daaraan toegevoegd dat verdachte ruim voldoende tijd en gelegenheid had gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden, en geoordeeld dat zijn recht op eerlijk proces door afwijzing van aanhoudingsverzoek niet is geschonden. Klacht dat hof in zijn oordeel over lange duur van procedure in h.b. ten nadele van verdachte heeft betrokken dat zijn (toenmalige) raadsman groot aantal stukken in geding heeft gebracht die hebben geleid tot veroordeling van verdachte voor valsheid in geschrift, terwijl deze veroordeling nog niet onherroepelijk was, faalt. Klacht dat recht van verdachte op eerlijk proces is geschonden omdat hij onvoldoende tijd had om zijn verdediging voor te bereiden en omdat hij niet kon beschikken over rechtsbijstand van raadsman, faalt eveneens. HR is van oordeel dat (ondanks dat het een complexe zaak betreft) gezien bijzonderheden van zaak en met name gezien zijn proceshouding, verdachte niet zodanig is beperkt in zijn recht op voldoende tijd en faciliteiten voor voorbereiding van zijn verdediging of in zijn recht op rechtsbijstand, dat daardoor zijn recht op een eerlijk proces is geschonden. Volgt verwerping. Samenhang met: 22/04642 en 22/04686.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04626
Datum 4 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 december 2022, nummer 21-000014-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof artikel 6 lid 3, aanhef en onder b en c, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft geschonden doordat het hof verzoeken van de verdachte tot aanhouding van de behandeling van de zaak om zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien en een effectieve verdediging te kunnen voeren heeft afgewezen. Daarnaast klaagt het cassatiemiddel over de gronden waarop die afwijzing berust.
2.2.1
Het procesverloop in hoger beroep is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.2.
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2022 houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt mee dat het hof gisteren bericht heeft gekregen dat verdachte niet langer wordt bijgestaan door zijn (voormalige) raadslieden mr. R.E. van Zijl en mr. K.J. Zeegers en vraagt of verdachte daar iets over wil zeggen.
Verdachte verklaart:
Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil aanhouding van de zaak.
De voorzitter vraagt:
Kunt u iets meer zeggen over die breuk? En ik vraag dat hierom: in uw geval is het zo dat u aan uw derde advocaat of advocatenkoppel bezig was en we zitten een beetje met het probleem dat we die zaak een keer moeten afhandelen. We zijn nu zes jaar in hoger beroep bezig en we hadden het idee dat dit toch wel het moment zou zijn daarvoor. We kunnen niet aan de gang blijven met aanhouden. Ook hier geldt weer dat we een afweging moeten maken tussen uw belang om te worden bijgestaan door een advocaat, dat belang begrijpen we, en het belang dat de zaak een keer afgedaan moet worden en dat we niet tot in het oneindige kunnen doorgaan met het wisselen van advocaten. Wilt u daar nog iets over zeggen?
Verdachte verklaart:
Ik kan daar niets over zeggen. Het enige wat ik u kan zeggen is dat ik recht heb op rechtsbescherming. Klaar. Ingewikkelder is het niet. Ik heb recht op een advocaat.
De voorzitter vraagt het standpunt van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal voert het woord:
Ik verzet me tegen aanhouding. Ik heb het vorige week ook al bij zijn dochter gezegd: het begint toch op obstructie van de rechtsgang te lijken. Voordat we hier vijf dagen gepland hadden, kwamen er allerlei getuigenverzoeken. Toen heeft uw hof gezegd: die kunnen op de eerste dag behandeld worden, waarop het verzoek kwam van de advocaten van [verdachte] om toch een regiezitting te plannen en de behandeling uit te stellen met het argument “stel dat u onze verzoeken toewijst, dan hebben we voor niets ons pleidooi voorbereid”. Dat was al een eerste verzoek om te kijken of dit inhoudelijk niet door kon gaan. Vervolgens hebben we de wraking gehad. En ik zei het al, ik zat in de auto op weg naar de wrakingszitting en toen dacht ik: ‘Als de wraking wordt afgewezen, is het enige wat ze nog kunnen doen de verdediging neerleggen’. Het is gewoon obstructie van de rechtsgang. Het is een afweging van belangen en op dit moment is het van groot maatschappelijk belang, ook bijvoorbeeld voor de Rabobank die hier al jaren achteraan loopt (ik zie hier ook een vertegenwoordiger van de Rabo zitten), ook die mensen hebben er recht op dat er eens een einde komt aan de rechtsgang. Dus ik verzet me tegen aanhouding.
De voorzitter vraagt verdachte of hij daar nog op wil reageren.
Verdachte verklaart:
Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil aanhouding van deze zaak.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na hervatting deelt de voorzitter mee:
Het hof heeft een belangenafweging te maken. We constateren dat nu in totaal drie verschillende raadslieden of hun kantoorgenoten zijn geweest. De reden van de laatste onttrekking is totaal niet duidelijk en we zijn nu zes jaar bezig in hoger beroep. Een belangrijk deel van die vertraging is ook veroorzaakt door inbreng van stukken vlak vóór de eerste geplande regiezitting in oktober 2018. Stukken waarvan de authenticiteit werd betwist en waardoor een nieuw opsporingsonderzoek en een nieuwe vervolging heeft plaatsgevonden tegen u. En in die zaak bent u inmiddels veroordeeld - zij het nog niet onherroepelijk - voor valsheid in geschrift. Er was destijds al uitstel verleend in verband met de stukken en een nieuwe advocaat. De regiezitting in 2019 had een heel beperkt karakter door al die ontwikkelingen en is uiteindelijk verschoven naar 2020. U heeft zich de afgelopen jaren, we hebben het over bijna zes (in ieder geval ruim vijfenhalf) jaar in hoger beroep, uitvoerig kunnen voorbereiden en dat het nu tot een breuk komt om onbekende redenen, is bij deze stand van zaken voor rekening van de verdachte. Want inmiddels prevaleert de voortgang van de zaak boven het belang van verdachte om een nieuwe advocaat, dat wil zeggen zijn vierde, te zoeken. We moeten ook de belangen van anderen afwegen en de procesgang die een keer afgerond moet worden. En daar komt bij, u bent zelf uitstekend in staat uw zegje te doen. Dat betekent dus dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen en wij gewoon doorgaan met behandeling van de strafzaak en de ontnemingszaak. Is dat duidelijk, [verdachte] ?
Verdachte verklaart:
Ik heb het recht op rechtsbescherming en ik heb het recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil graag aanhouding van deze zaak.
De voorzitter merkt op dat het hof dat verzoek net heeft afgewezen.
(...)
De voorzitter richt zich tot verdachte:
We hebben gezien dat u bij de rechtbank uitvoerig heeft verklaard, u heeft bij de FIOD verklaard, ook dat hebben we uiteraard allemaal gelezen. U heeft al eerder een schriftelijk stuk gemaakt met uw visie en ook in 2020 in de appelfase heel uitvoerig uw visie op de zaak gegeven. Ik begin zo met u de gelegenheid te geven - en dat is gewoon de wettelijke volgorde - uw bezwaren tegen het vonnis kenbaar te maken. Dat mag u wat het hof betreft kort doen want we hebben de appelmemorie ontvangen van uw raadsman, destijds nog mr. Sijbers, later aangevuld. Die bezwaren zijn het hof eigenlijk wel duidelijk maar als u daar nog iets op wilt toelichten, dan kan dat. Daarna zullen wij de zaken met u doornemen. Dat zal veel korter zijn dan bij de rechtbank. Niet omdat we uw zaak niet belangrijk vinden maar omdat het ons duidelijk is wat uw standpunt is en dat u daar bij blijft. Dat hebben we gezien in uw toelichting van begin 2020 die u heeft geschreven. We zullen wel op onderdelen wat vragen stellen. Dat zal soms ook wel eens een vraag zijn die eerder gesteld is, maar wat het hof toch nog een keer van u wil horen en er zullen ook wat nieuwe dingen aan de orde komen. Ik wil u straks in ieder geval ook de gelegenheid geven om nog eens duidelijk te maken, als u wilt, waarom u de waardering van het onroerend goed zo belangrijk vindt. Want u heeft in uw stukken steeds aangegeven dat u dat heel belangrijk vindt en daarom wil ik u de gelegenheid geven om dat punt nader toe te lichten omdat het hof wel duidelijk is dat dat punt u zwaar op de maag ligt.
Kunt u uw bezwaren tegen het vonnis nader toelichten en wilt u een aanvulling geven op wat u daar eerder over heeft geschreven?
Verdachte verklaart:
Ik heb recht op rechtsbescherming, ik heb recht op rechtsbijstand, ik wil graag een advocaat. Ik kan mijn rechten niet verdedigen. Ik begrijp de juridische merites niet of volstrekt onvoldoende. Dat is mijn standpunt.
De voorzitter vraagt:
En betekent dat ook dat u vragen van het hof niet zult beantwoorden?
Verdachte verklaart:
Ik het recht op rechtsbescherming, ik heb recht op rechtsbijstand, ik wil graag een advocaat.
(...)
De oudste raadsheer merkt op:
Voor de volledigheid is het misschien goed om nog wel aan de orde te stellen dat er verhoren zijn geweest op verzoek van de verdediging. De verklaringen die zijn afgelegd bevinden zich bij de stukken.
De voorzitter vraagt verdachte of hij wel iets wil zeggen over zijn persoonlijke omstandigheden.
Verdachte verklaart:
Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand. Ik wil graag een advocaat.
De voorzitter geeft het woord aan de advocaat-generaal voor het requisitoir.
(...)
De voorzitter informeert of verdachte wil reageren.
(...)
Verdachte verklaart:
Ik kan mijzelf niet verdedigen. Ik zit zonder advocaat. U weet niet waaraan dat ligt. Ik vind het onrechtvaardig. Ik verzoek u nogmaals een beslissing op het verzoek tot aanhouding te nemen zodat ik een advocaat kan nemen dan wel mijn eigen verdediging kan doen. Ik wil graag reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal, maar ik kan het nu niet.
Dus nogmaals verzoek ik u de zaak aan te houden totdat eerder genoemde punten zijn ingevuld, dus dat ik een advocaat kan nemen dan wel zelf proberen mijn verdediging te schrijven. Ik wil graag dat u daar een uitspraak over doet.
De advocaat-generaal geeft zijn standpunt:
Ik begrijp op zich het standpunt van [verdachte] . Ik moet ook constateren dat hij jarenlang overleg heeft gehad met zijn advocaat en ik kan me niet voorstellen, dat er vóór het moment dat de verdediging is neergelegd geen contact is geweest en dat [verdachte] niet beschikt over een concept van het pleidooi.
Ik begrijp ook dat hij wil reageren op mijn requisitoir en even de gelegenheid moet krijgen om dat te schrijven. Dat zou vanmiddag om vier uur kunnen. Dan heeft hij in ieder geval een paar uurtjes de tijd gehad om iets te schrijven. Eventueel kan dat nog komende vrijdag. Dat was ook een zittingsdag die voorzien was om deze zaak verder te behandelen.
De voorzitter vraagt verdachte of hij daar nog op wil reageren.
Verdachte verklaart:
Nou dat antwoord weet u beter dan wie dan ook als advocaat of jurist. Dat is onmogelijk. Daar heb je gewoon tijd voor nodig om dat goed en netjes te doen. Dat kan niet anders. Het gaat niet om niks, het is geen pak suiker. Het gaat om vrijheidsontneming voor een langere periode. Dus ik wil toch wel even heel goed en gedetailleerd - of met een advocaat of dat ik het zelf doe - de verdediging kunnen voeren.
De voorzitter stelt vast dat er geen vragen meer zijn en onderbreekt voor beraad.
De voorzitter hervat het onderzoek en deelt mee:
Vanochtend had u al aanhouding gevraagd omdat u een raadsman wilde inschakelen. Dat hebben we afgewezen. U voegt er nu aan toe dat u in dat geval ook uw eigen verdediging wilt voeren. Wij snappen dat het best lastig is om dat zelf te doen en in ieder geval willen we u, waar dat in het bestaande schema kan, zoveel mogelijk tegemoet komen door verder te gaan met uw zaak op de uitloopdag, vrijdag 24 juni aanstaande om 9.00 uur. Dan heeft u in ieder geval nog ruim een week om nog een raadsman of raadsvrouw te raadplegen en de verdediging wat beter voor te bereiden dan wanneer we dat bijvoorbeeld overmorgen zouden doen. Dat is waar u in tegemoet willen komen (...).
Verdachte verklaart:
Met alle respect, dat is natuurlijk in de praktijk onhaalbaar. U weet net zo goed als ik dat als je dat redelijk goed wil voorbereiden, met advocaat of dat je dat zelf doet, daar heb je gewoon een langere tijd voor nodig. Dat is onhaalbaar, dat is niet realistisch en dat weet u ook. Het is niet anders.
Mijn recht op een eerlijk proces wordt mij ontnomen. Ik moet mij kunnen verdedigen en begrijp het echt niet meer. Dan blijft er voor mij maar één ding over, dat ik dit gerechtshof wederom wraak, omdat mij de kans op een eerlijk proces wordt ontnomen.”
2.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2022 houdt onder meer in:
“De voorzitter vraagt verdachte:
Gisteravond tegen half tien ontvingen we een mailtje van mr. Van Gessel uit Amsterdam, die vroeg om overleg in deze zaak. Hij is er niet vandaag?
Verdachte antwoordt:
Nee, dat is correct.
De voorzitter vraagt:
De vraag aan u is: Weet u ook waarom, want vandaag is de zitting gepland en om te gaan overleggen met iemand als het mailtje de avond ervoor om halftien komt; dat wordt wat ingewikkeld.
Verdachte antwoordt:
Ik ben op zoek naar een advocaat, driftig en met gezwinde spoed, maar dat valt niet mee om een aantal redenen. Je zit in een situatie waarbij je richting vakanties gaat, dus dat is al een element. Meneer van Gessel gaat mij mogelijk bijstaan in het hele traject zoals het er nu uitziet en hij heeft u daarover bericht. Dat is het verhaal, volgende week hebben we daar verder contact over.
De voorzitter deelt mee:
Ja, maar we zitten vandaag met de behandeling en u weet, we hebben gezegd dat we vandaag willen doorgaan ondanks uw advocatenperikelen.
Verdachte reageert:
Dat is dan een keuze van het hof.
De voorzitter merkt op:
Ja, dat is heel duidelijk. En verleden keer waren we in uw zaak in het stadium dat er gerekwireerd is door de advocaat-generaal en dat u daarop mocht reageren. Toen heeft u opnieuw een aanhoudingsverzoek gedaan en na de afwijzing een wrakingsverzoek. Dat weten we allemaal. Dus ik wil u nu alsnog in de gelegenheid stellen om te reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal.
Verdachte verklaart:
Dank u wel. Ik kan mij als verdachte niet zelf verdedigen. Ik ben niet deskundig en in de verhouding geen partij voor het openbaar ministerie. Equality of arms. Een fair trial is vereist, voorzien van deskundige bijstand. Ik heb recht op rechtsbijstand. Ik wil graag een advocaat en ben bezig een advocaat te vinden die mij bijstaat. Uw hof is daarover geïnformeerd. Ik kan mijn rechten niet verdedigen. Ik begrijp de juridische merites niet. Blijkbaar vindt dit gerechtshof het niet van belang dat ik mij kan verdedigen. Ik verzoek u nogmaals om aanhouding van de zaak.
(...)
De voorzitter (...) schorst het onderzoek voor beraad.
De voorzitter hervat en deelt mee:
[verdachte] , het verzoek bevat niets nieuws ten opzichte van de vorige keer en de beslissing is ook niet anders dan de vorige keer. Wij blijven bij onze beslissing en de motivering daarvan. Dat betekent dat u nu de gelegenheid krijgt om of inhoudelijk te reageren of het laatste woord te hebben. Daar krijgt u nu opnieuw de kans voor en als u zegt ‘nou ik maak daar geen gebruik van’, daar mag u ook voor kiezen, maar u krijgt nu de gelegenheid om inhoudelijk te reageren.
Verdachte verklaart:
Inhoudelijk zijn de punten net door mij benoemd, dus dat is een herhaling van zetten. Het laatste woord dat kan ik u ook nog wel vertellen:
Geacht hof, het is vanuit het oogpunt van gelijkheid mijn wens om bijgestaan te worden door een advocaat. Deze heeft zich zeer onlangs teruggetrokken omdat sprake is van een vertrouwensbreuk, die ik u, gelet op het vertrouwelijke karakter van advocaat en cliënt niet hoef uit te leggen. Ik kan mij niet professioneel laten vertegenwoordigen, omdat u de ruimte daarvoor niet biedt. Dit is triest en doet verder af aan mijn vertrouwen in de rechtspraak. Ik had nog veel te zeggen, maar doe dit niet.
Simpelweg omdat ik niet weet of dit mijn zaak kan schaden of juist goed zal doen.
De voorzitter deelt mee:
Goed, dat was het. Dan wordt in uw zaak het onderzoek geschorst tot 22 september 2022, 13.30 uur in Arnhem voor de sluiting en dan zullen we mogelijk ook direct uitspraak doen, maar in ieder geval wordt de zaak voor vandaag gesloten.”
2.2.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2022 houdt onder meer in:
“Als gemachtigde raadsman van [verdachte] is ter terechtzitting aanwezig mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam.
(...)
De voorzitter deelt het volgende mee:
Het hof heeft ter terechtzitting van 24 juni 2022 meegedeeld dat het onderzoek in alle zaken op 22 september 2022 zou worden gesloten en dat dan ook in alle zaken arrest zou worden gewezen.
Op 6 september 2022 heeft mr. van Gessel zich gesteld als raadsman voor [verdachte] en op 7 september 2022 heeft mr. Zuketto zich gesteld als raadsman van [betrokkene 7] . Zij hebben beiden bij e-mail van 19 september 2022 het hof verzocht om geen arrest te wijzen op 22 september 2022, maar hen in de gelegenheid te stellen om op een later tijdstip de zaken van hun cliënten alsnog inhoudelijk te behandelen.
Het hof heeft daarop meegedeeld dat een andere zittingscombinatie de arresten zou wijzen en dat de verzoeken daarom niet op 22 september 2022 behandeld konden worden. Ter zitting van 22 september 2022 is het onderzoek geschorst tot vandaag, 18 november 2022.
(...)
De voorzitter deelt verder mee dat vandaag geen inhoudelijke behandeling van de zaken zal plaatsvinden, maar dat de raadslieden in de gelegenheid gesteld worden om hun verzoeken nader toe te lichten. Het hof zal op 2 december 2022 te 14.00 uur arrest wijzen in alle zaken bij tussenarrest of bij eindarrest.
(...)
Mr. Van Gessel voert het woord overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde ‘Toelichting op heropeningsverzoek’ (opmerking griffier: zowel het heropeningsverzoek van 19 september 2022 als de toelichting zijn aan dit proces-verbaal gehecht)
Hij voegt daar (inleidend) aan toe:
In de overgelegde toelichting worden geen nieuwe argumenten aangevoerd. Mr. Zuketto en ik zijn relatieve buitenstaanders, wij kennen het dossier nog niet zo goed. Ik heb de dag voor de zitting van 24 juni 2022 al contact met het hof opgenomen. Toen heb ik me niet als raadsman gesteld omdat ik nog niet van de zaak op de hoogte was. Uit het proces-verbaal van de zitting van 24 juni proefde ik wel al een polarisatie tussen het hof en cliënt. Cliënt heeft mij verteld dat hij toen het gevoel had er helemaal alleen voor te staan. Ik heb net, tijdens het wachten op het begin van de zitting, aan mijn collega's gevraagd waar het in dit proces is misgegaan. Het lijkt alsof het hof een stok zoekt om mee te slaan: ik zie dat het op zich een langdurig proces is, maar dat de procedure objectief gezien niet door de verdediging is vertraagd bijvoorbeeld door heel veel getuigen op te laten roepen. Ik zie niet in dat je met de vinger naar de advocaten of cliënt kan wijzen. Cliënt wordt al sinds 2018 bijgestaan door het kantoor Jebbink Soeteman, ik ben pas de derde advocaat. Dus een opmerking van het hof over de advocatenwissels doet er volgens mij niet toe. Dat argument wordt wel gebruikt als een verdachte het erg bont maakt, maar dat kun je hier toch niet zeggen. Ik begrijp dat het vervelend is voor u, u wilt het spoorboekje afwerken, maar ik zeg dan maar: Haal diep adem en zorg voor een eerlijk proces.
De voorzitter merkt op dat mr. Van Gessel al de vierde advocaat is.
Mr. Van Gessel reageert:
Dat is in - aanmerking genomen dat het over heel veel jaren en behandeling bij twee instanties gaat - niet veel.
(...)
De advocaat-generaal voert het woord als volgt:
Het hof heeft andermaal alle belangen af te wegen. Wat mij betreft heeft vandaag geen enkel nieuw inzicht opgeleverd. (...)
De voorzitter stelt de raadslieden in de gelegenheid het laatste woord te voeren.
(...)
De voorzitter sluit het onderzoek (...) en deelt mee dat volgens de beslissing van het hof de uitspraak (...) zal plaatsvinden op 2 december 2022 te 14:00 uur te Zwolle.”
2.2.5
De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2022 gehechte ‘Toelichting op heropeningsverzoek’ houdt onder meer in:
“Cliënt (...) wijst (...) er nogmaals op dat er weliswaar sprake is geweest van bijstand (in twee instanties) door diverse advocaten maar dat hij sinds medio 2018 werd bijgestaan door kantoor Jebbink Soeteman in Amsterdam. Voorts wijst hij erop dat de wijziging in 2018 op geen enkele wijze van invloed is geweest op de vertraging van de behandeling in hoger beroep. Uw opmerking zoals hiervoor weergegeven dat uw Gerechtshof niet tot in het oneindige kan doorgaan (lees: aanhouden) omdat van advocaat wordt gewisseld, wordt niet onderbouwd door feiten en omstandigheden die direct voortvloeien uit de onderhavige strafzaak, maar wordt veeleer als een argument (pour besoin de la cause) gebruikt om te komen tot een voorgenomen afhandeling van de strafzaak.
In het schrijven van 19 september 2022 is uitgebreid ingegaan op het recht dat mijn cliënt heeft op effectieve rechtsbijstand en dat door de beslissing van uw Gerechtshof dit recht illusoir wordt gemaakt. Ik verwijs u nogmaals naar de jurisprudentie welke in het schrijven van 19 september 2022 wordt genoemd.”
2.2.6
Het arrest van het hof houdt over de afwijzing van het op de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2022 gedane verzoek in:
“Het hof zal het verzoek tot schorsing van het onderzoek afwijzen. Het overweegt daartoe als volgt:
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdediging niet valt te verwijten dat de procedure inmiddels al zo lang duurt. Objectief gezien zou het proces niet door de verdediging zijn vertraagd. Daar wreekt zich misschien het feit dat de raadsman het dossier nog niet zo goed kent. Het hof zal daarom nog kort recapituleren (...) welke handelingen van verdachte de procedure hebben vertraagd:
- De eerste regiezitting was gepland op 17 oktober 2018. Die zitting was gepland in overleg met mr. F.H.H. Sijbers, de toenmalige raadsman van verdachte. Hij had verzocht om 16 getuigen te horen.
- Kort voor de geplande regiezitting van 17 oktober 2018 (die uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden) heef mr. Vlaar zich gesteld in plaats van mr. Sijbers. Per brief heeft mr. Vlaar verzocht 75 getuigen te horen. Hij heeft een omvangrijk dossier ingediend dat deels bestond uit vervalste documenten, althans zo luidt de conclusie van de rechtbank Oost-Brabant. Omdat het hof geen beslissing kan nemen op verzoeken die (mogelijk) zijn gebaseerd op valse documenten, zou er eerst onderzoek naar die documenten worden uitgevoerd (het onderzoek-Maruoka). De eerste regiezitting in hoger beroep is daarom uitgesteld tot 6 februari 2019.
- Eind december 2018 hebben mr. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging overgenomen van mr. Vlaar. Op 6 februari 2019 heeft de eerste regiezitting plaatsgevonden. Tijdens die zitting hebben de raadslieden aangegeven dat zij hun onderzoekswensen nog niet konden toelichten omdat zij de zaak pas net hadden overgenomen. Bij tussenarrest is beslist dat de zaak in handen van de raadsheer-commissaris werd gesteld om de getuigenverhoren in de onderhavige zaak en de zaak-Maruoka te coördineren.
- Op 13 mei 2020 vond opnieuw een regiezitting plaats. Het hof heeft naar aanleiding van die zitting beslist dat onder meer acht van de gevraagde getuigen moesten worden gehoord. Vier van die getuigen bleken onvindbaar. Het zou medewerkers van de ING betreffen, maar de bank kon deze medewerkers niet in haar personeelsbestand terugvinden.
- In januari 2022 is begonnen met de planning van de zaak en in overleg met de raadslieden zijn daarvoor vijf dagen in juni 2022 uitgetrokken.
- Tussen januari 2022 en juni 2022 is twee keer door de verdediging verzocht een nieuwe regiezitting te plannen met het verzoek om getuigen te horen die eerder al (grotendeels) door het hof waren afgewezen.
- Tijdens de zittingen van de inhoudelijke behandeling in juni 2022 heeft verdachte het hof twee keer gewraakt en is een dag voor de inhoudelijke behandeling de relatie met mrs. Zeegers en Van Zijl beëindigd. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat er sprake was van misbruik van de wrakingsprocedure.
Het hof stelt vast dat de procedure allereerst ernstig is vertraagd doordat verdachte valse documenten heeft overgelegd. Verder is mr. Van Gessel nu de vierde advocaat die zijn belangen moet behartigen. En zelfs al zou dat gelet op de lengte van de procedure niet bezwarend hoeven te zijn, het zijn vooral de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld die de procedure telkens hebben vertraagd. Twee keer net voor een geplande regiezitting en één keer net voor de dag van de inhoudelijke behandeling. Mr. Van Zijl had zelfs de bijlagen bij haar pleidooi al aan het hof gemaild, wat doet veronderstellen dat de verdediging op dat moment al geheel was voorbereid. Daarmee en met de daarop volgende (afgewezen) wrakingsverzoeken heeft verdachte ook de inhoudelijke behandeling in juni 2022 geprobeerd te frustreren.
De belangenafweging zoals het hof die eerder heeft gemaakt is niet anders geworden. Het recht op rechtsbijstand is zeer zwaarwegend, maar niet absoluut. Dat blijkt ook uit een uitspraak van het EHRM (EHRM 30 november 2021, Galović t. Kroatië, nr. 45512/11, rov. 80 en 90).
Verdachte heeft in hoger beroep in het algemeen en in het bijzonder vanaf de planning voor de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in juni 2022, die in overleg met zijn raadsman tot stand is gekomen, ruim voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden.
Het hof is van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijk proces niet is geschonden en wijst het verzoek om het onderzoek te schorsen af.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 6 lid 3, aanhef en onder b en c, EVRM (in de Nederlandse vertaling):
“3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:(...)b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.”
- Artikel 28 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.”
2.4.1
Artikel 6 lid 3, aanhef en onder c, EVRM kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Artikel 28 Sv geeft de verdachte het recht zich te doen bijstaan door een gekozen of aangewezen raadsman. Verder bepaalt artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM dat ieder die vervolgd wordt voor een strafbaar feit het recht heeft op voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van zijn verdediging.
2.4.2
Het recht op effectieve rechtsbijstand is een fundamenteel recht van de verdachte en ook het recht op voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van de verdediging is een van de kenmerken van het recht op een eerlijk proces. Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte een eerlijk proces heeft gehad, moeten echter alle omstandigheden van de zaak worden betrokken. Het gaat erom dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Galović tegen Kroatië (EHRM 31 augustus 2021, nr. 45512/11) houdt daarover onder meer in:
“79. The right to a fair trial under Article 6 § 1 is an unqualified right. However, what constitutes a fair trial cannot be the subject of a single unvarying rule, but must depend on the circumstances of the particular case. The Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (see, among many other authorities, Ibrahim and Others v. the United Kingdom [GC], nos. 50541/08 and 3 others, § 250, 13 September 2016).
80. Compliance with the requirements of a fair trial must be examined in each case, having regard to the development of the proceedings as a whole, and not on the basis of an isolated consideration of one particular aspect or one particular incident, although it cannot be excluded that a specific factor may be so decisive as to enable the fairness of the trial to be assessed at an earlier stage in the proceedings. In evaluating the overall fairness of the proceedings, the Court will take into account, if appropriate, the minimum rights listed in Article 6 § 3, which exemplify the requirements of a fair trial in respect of typical procedural situations which arise in criminal cases. They can therefore be viewed as specific aspects of the concept of a fair trial in criminal proceedings in Article 6 § 1. However, those minimum rights are not aims in themselves: their intrinsic aim is always to contribute to ensuring the fairness of the criminal proceedings as a whole (ibid., § 251).
81. Article 6 § 3 (b) guarantees the accused “adequate time and facilities for the preparation of his defence”, and therefore implies that the substantive defence activity on his behalf may comprise everything which is “necessary” to prepare the main trial. The accused must have the opportunity to organise his defence in an appropriate way and without restriction as to the ability to put all relevant defence arguments before the trial court and thus to influence the outcome of the proceedings (see Mayzit v. Russia, no. 63378/00, § 78, 20 January 2005; Moiseyev v. Russia, no. 62936/00, § 220, 9 October 2008; Gregačević v. Croatia, no. 58331/09, § 51, 10 July 2012; and Chorniy v. Ukraine, no. 35227/06, § 37, 16 May 2013).
82. When assessing whether the accused had adequate time for the preparation of his defence, particular regard has to be had to the nature of the proceedings, as well as the complexity of the case and the stage of the proceedings (see Gregačević, cited above, § 51, and Albert and Le Compte v. Belgium, 10 February 1983, § 41, Series A no. 58). In this connection, the Court notes that the guarantees of Article 6 § 3 (b) go beyond trials, and extend to all stages of court proceedings (see D.M.T. and D.K.I. v. Bulgaria, no. 29476/06, § 81, 24 July 2012, and Chorniy, cited above, § 38).
83. As regards the right to a lawyer, the Court reiterates that the right of everyone charged with a criminal offence to be effectively defended by a lawyer, assigned officially if need be, as guaranteed by Article 6 § 3 (c), is one of the fundamental features of a fair trial (see Salduz v. Turkey [GC], no. 36391/02, § 51, ECHR 2008; Dvorski v. Croatia [GC], no. 25703/11, § 76, ECHR 2015; and Simeonovi v. Bulgaria [GC], no. 21980/04, § 112, 12 May 2017 (extracts)). However, assigning counsel does not in itself ensure the effectiveness of the assistance counsel may provide to his client. Nevertheless, a State cannot be held responsible for every shortcoming on the part of a lawyer appointed for legal-aid purposes. It follows from the independence of the legal profession from the State that the conduct of the defence is essentially a matter between a defendant and his counsel, whether appointed under a legal-aid scheme or privately financed. The competent national authorities are required under Article 6 § 3 (c) to intervene only if a failure by legal-aid counsel to provide effective legal assistance is manifest or sufficiently brought to their attention in another way (see Czekalla v. Portugal, no. 38830/97, § 60, ECHR 2002-VIII, and Orlov v. Russia, no. 29652/04, § 108, 21 June 2011).”
2.5.1
Aan de aanhoudingsverzoeken op de terechtzittingen van 15 juni 2022 en 24 juni 2022 is (kort gezegd) ten grondslag gelegd dat de verdachte kort voor de geplande inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak door het hof door een vertrouwensbreuk met zijn raadslieden geen rechtsbijstand meer had en dat hij zich daarvan opnieuw wilde voorzien. Nadat zich opnieuw een raadsman had gesteld is op de terechtzitting van 18 november 2022 verzocht om uitstel tot een later tijdstip om de gelegenheid te krijgen een effectieve verdediging te voeren.
2.5.2
Het hof heeft deze verzoeken telkens afgewezen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2022 heeft het hof daaraan ten grondslag gelegd dat de procedure in hoger beroep al bijna zes jaren duurde en ernstig was vertraagd doordat de verdachte meermalen van raadsman is gewisseld en doordat hij, vlak voor de geplande eerste regiezitting in oktober 2018, stukken heeft ingebracht in verband waarmee hij inmiddels (zij het nog niet onherroepelijk) is veroordeeld wegens valsheid in geschrift. Daarnaast wees het hof erop dat de verdachte zich uitvoerig heeft kunnen voorbereiden in de jaren dat het hoger beroep al duurde en dat de omstandigheid dat het – om voor het hof ondanks herhaalde vragen aan de verdachte onbekend gebleven redenen – tot een breuk kwam tussen de verdachte en zijn raadslieden, voor zijn rekening moet blijven. Tegen die achtergrond heeft het hof geoordeeld dat het belang bij voortgang van de zaak prevaleerde boven het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan.In zijn eindarrest heeft het hof, naar aanleiding van het aanhoudingsverzoek van de nieuwe raadsman, een overzicht gegeven van het verloop van de procedure in hoger beroep en de door de (opvolgende) raadslieden telkens gedane verzoeken. Aan de hiervoor genoemde gronden voor afwijzing heeft het hof toegevoegd dat het “vooral de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld” – te weten telkens net voor de in overleg met de verdediging lang tevoren geplande zittingen – zijn geweest die de procedure hebben vertraagd. Hieruit, en uit de hierop volgende – door de wrakingskamer als misbruik van de wrakingsprocedure aangemerkte – wrakingsverzoeken heeft het hof afgeleid dat de verdachte heeft geprobeerd ook de inhoudelijke behandeling van de zaak te frustreren. Verder heeft het hof vastgesteld dat de (toenmalige) raadsvrouw van de verdachte de bijlagen voor haar pleidooi al aan het hof had toegestuurd en de verdediging dus kennelijk al geheel was voorbereid. Het gehele tijdsverloop in aanmerking nemend heeft het hof daaraan toegevoegd dat de verdachte ruim voldoende tijd en gelegenheid had gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden, en geoordeeld dat zijn recht op een eerlijk proces door de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet is geschonden.
2.5.3
In de eerste plaats klaagt het cassatiemiddel dat het hof in zijn oordeel over de lange duur van de procedure in hoger beroep ten nadele van de verdachte heeft betrokken dat zijn (toenmalige) raadsman een groot aantal stukken in het geding heeft gebracht die hebben geleid tot een veroordeling van de verdachte voor valsheid in geschrift, terwijl deze veroordeling nog niet onherroepelijk was.Deze klacht faalt. Uit het hiervoor weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juni 2022 blijkt dat het hof expliciet onder ogen heeft gezien dat deze veroordeling nog niet onherroepelijk was. Die omstandigheid behoefde het hof er echter niet van te weerhouden ook de in die periode ontstane vertraging van de procedure in aanmerking te nemen, welke vertraging niet alleen ontstond doordat de (toenmalige) raadsman de verdediging niet voortzette, maar ook doordat nader onderzoek moest worden gedaan naar de authenticiteit van de namens de verdachte ingebrachte stukken.In het verlengde hiervan en mede gelet op de hiervoor weergegeven vaststelling van het hof over de momenten waarop de opvolgende wisselingen van de raadslieden plaatsvonden, faalt ook de klacht dat deze wisselingen niet of nauwelijks tot vertraging van de procedure hebben geleid. Datzelfde geldt voor de klacht dat de – als misbruik aangemerkte – wrakingsverzoeken slechts een zeer beperkte vertraging hebben opgeleverd omdat daarop veelal binnen enkele dagen werd beslist. Ook in dit opzicht geldt immers dat mede van belang is het moment waarop dergelijke verzoeken worden ingediend, zeker als daarmee zittingsdagen verloren gaan die lang tevoren in overleg met de verdediging waren gereserveerd voor de inhoudelijke behandeling van de zaak.Dit alles brengt mee dat ook de algemene klacht over de begrijpelijkheid van de vaststellingen van het hof over de verschillende momenten en manieren waarop de verdachte de procedure in hoger beroep heeft vertraagd, faalt. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de verdachte op de terechtzitting van 15 juni 2022 op geen enkele vraag van het hof antwoord heeft gegeven, ook niet op de vraag om “iets meer (te) zeggen” over de breuk met zijn raadslieden. In het bijzonder heeft hij niet aangevoerd dat die breuk niet aan hem te wijten was, terwijl de vertrouwelijkheid van het overleg tussen de verdachte en zijn raadsman er niet aan in de weg staat dat de verdachte enig inzicht biedt in de oorzaak van de breuk en het ontbreken van rechtsbijstand.
2.5.4
Tegen deze achtergrond faalt ook de klacht dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden omdat hij onvoldoende tijd had om zijn verdediging voor te bereiden en omdat hij niet kon beschikken over rechtsbijstand van een raadsman. Het oordeel van het hof komt er in de kern op neer dat de verdachte het – na de hiervoor besproken voorgeschiedenis en de door de verdachte niet toegelichte breuk met zijn raadslieden na afwijzing van het eerste wrakingsverzoek – aan zichzelf te wijten had dat hij op het moment dat de zaak uiteindelijk inhoudelijk kon worden behandeld niet werd bijgestaan door een raadsman. Wat dat betreft is nog van belang dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2022 blijkt dat het hof de verdachte na aanvang van de behandeling van de zaak heeft aangeboden deze behandeling aan te houden tot 24 juni 2022 om de verdachte de gelegenheid te bieden zijn verdediging – al dan niet met hulp van een nieuwe raadsman – verder voor te bereiden. De verdachte heeft daarop zijn tweede wrakingsverzoek gedaan en van deze geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt. Verder is van belang dat het hof, nadat een nieuwe raadsman zich had gesteld, de toen al geplande uitspraak heeft uitgesteld en het onderzoek opnieuw heeft geschorst om de raadsman in de gelegenheid te stellen zijn verzoek tot nader uitstel toe te lichten.De Hoge Raad is van oordeel dat – ondanks dat het een complexe zaak betreft – gezien deze bijzonderheden van de zaak en met name gezien zijn proceshouding, de verdachte niet zodanig is beperkt in zijn recht op voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van zijn verdediging of in zijn recht op rechtsbijstand, dat daardoor zijn recht op een eerlijk proces is geschonden.
2.5.5
In dat verband is nog het volgende van belang. De verdachte was gedurende de gehele behandeling van zijn zaak in eerste aanleg van rechtsbijstand voorzien. De toenmalige raadslieden hebben na de veroordeling in eerste aanleg een appelschriftuur ingediend waarin de argumenten van de verdachte tegen zijn veroordeling zijn weergegeven. Op die argumenten heeft de verdediging in hoger beroep, gezien wat aan de verzoeken tot het horen van getuigen ten grondslag is gelegd, voortgebouwd. Verder is het hof in zijn arrest uitvoerig ingegaan op de “bezwaren van de verdediging”, zoals het die heeft afgeleid uit (i) de pleitnota in eerste aanleg, (ii) de appelschriftuur, (iii) wat de verdediging op de terechtzittingen in hoger beroep van 6 februari 2019, 13 mei 2020 en 8 juni 2022 naar voren heeft gebracht, alsmede (iv) andere door de verdediging aan het hof overgelegde stukken, waaronder een uitvoerige schriftelijke verklaring van de verdachte. Op die manier heeft het hof compensatie geboden voor het ontbreken van rechtsbijstand tijdens de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting in hoger beroep.
2.5.6
Het voorgaande wordt niet anders doordat in deze zaak aan de verdachte in eerste aanleg wegens valsheid in geschrift en bedrieglijke bankbreuk een gevangenisstraf van drie jaren en zes maanden was opgelegd en dat daarom met rechtsbijstand in hoger beroep een wezenlijk belang was gemoeid. Daarbij neemt de Hoge Raad nog in aanmerking dat het hof in zijn belangenafweging mede heeft betrokken dat de verdachte vanaf de aanvang van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep ruim voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden. Daarover klaagt het cassatiemiddel ook niet.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2024.
Conclusie 26‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225 Sr), feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd en (mede)plegen van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd (art. 341 (oud) Sr). M1: afwijzing aanhoudings-/heropeningsverzoek. M2: afwijzing getuigenverzoeken. M3 t/m 5: bewijsklachten over o.a. bestanddeel “ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers”. M6: strafmotivering, verwijzing naar niet tlgd. feit. Conclusie strekt tot verwerping cassatieberoep (art. 81 RO).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04626
Zitting 26 maart 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 2 december 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens het in de zaak met parketnummer 07-996513-12 onder 1 primair, 3 primair en 4 primair telkens “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en onder 2 primair “valsheid in geschrift”, en wegens het in de zaak met parketnummer 08-996128-13 onder 1 primair “feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd” en onder 3 “(mede)plegen van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 3 maanden, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/04642 en 22/04686. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.
4. De zaak
4.1
Het draait in deze zaak in de kern om het volgende. De verdachte gaf leiding aan het bedrijf [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), dat kantoorpanden ontwikkelde, verhuurde en verkocht. Op 15 december 2011 heeft de verdachte toegegeven dat hij ten behoeve van dit vastgoed kredieten had aangevraagd en verkregen op basis van door hem vervalste documenten. De zaak met parketnummer 07-996513-12 (onderzoek Vercors ) heeft hier betrekking op. Op 12 juli 2012 is [bedrijf 1] in staat van faillissement verklaard. Ook privé ging de verdachte failliet, namelijk op 27 november 2012. Hierna is de verdenking gerezen dat de verdachte vanaf 2010 was begonnen om vermogen van de [bedrijf 1] -groep en zijn eigen privévermogen over te hevelen naar zijn zoon, dochter en (ex-)echtgenote. De zaak met parketnummer 08-996128-13 (onderzoek Kirishima) gaat over deze verdenking. In cassatie is alleen geklaagd over de bewezenverklaarde feiten met betrekking tot het onderzoek Kirishima.
5. Het eerste middel
5.1
Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van de verzoeken gedaan door of namens de verdachte tot aanhouding van de zaak en/of heropening van het onderzoek ter terechtzitting teneinde zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien en/of (zelf) zijn verdediging te kunnen voorbereiden.
5.2
Voordat ik het middel bespreek, schets ik het procesverloop in hoger beroep voor zover dat voor de bespreking van het middel van belang is:
- De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft op 16 december 2016 vonnis gewezen. Zowel het openbaar ministerie als de verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
- Het hof heeft op 7 februari 2017 het dossier van de rechtbank (grotendeels) ontvangen. Op 9 januari 2018 is het dossier gecompleteerd.
- Aanvankelijk stonden de zaken van de verdachte en de medeverdachten voor regie gepland op 17 oktober 2018. De toenmalige raadsman van de verdachte heeft onderzoekswensen ingediend en onder meer verzocht getuigen te horen. Op 8 september 2018 heeft mr. Vlaar, die zich kort daarvoor (op 18 augustus 2018) als raadsman van de verdachte heeft gesteld, een verzoek gericht aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad om onderzoek te doen naar de ‘ongewenst te achten samenwerking van de top van banken, de officier van justitie, curatoren en rechters bij de onwettig/onrechtmatig in een faillissement brengen en houden van [bedrijf 1] BV’. In verband met de verdenking van valsheid in geschrifte van de documenten die namens de verdachte aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad zijn gestuurd, is een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Maruoka waarin onder meer de verdachte is vervolgd en inmiddels door de rechtbank Oost-Brabant, zij het nog niet onherroepelijk, voor het opmaken en gebruiken van deze – valse – documenten is veroordeeld. Omdat de Maruoka-zaak van invloed was op de onderhavige zaken, is de geplande regiezitting van 17 oktober 2018 uitgesteld tot 6 februari 2019.
- In december 2018 hebben mr. R.E. van Zijl en mr. KJ. Zeegers zich als raadslieden van verdachte gesteld.
- Voorafgaand en tijdens de zitting van 6 februari 2019 hebben de raadslieden meegedeeld dat zij de onderzoekswensen nog niet konden toelichten omdat zij net de verdediging hadden overgenomen van mr. Vlaar.
- Bij tussenarrest van 20 februari 2019 is de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde het horen van de getuigen in de zaak-Maruoka en in deze zaak te coördineren. De beslissing op de onderzoekswensen van de verdediging is aangehouden.
- Tijdens de regiezitting van 13 mei 2020 heeft de verdediging onder meer verzocht 36 getuigen en 4 deskundigen te horen. Bij tussenarrest van 27 mei 2020 heeft het hof het verzoek tot het horen van acht getuigen toegewezen. Nadat het onderzoek door de raadsheer-commissaris was afgerond, zijn de zaken in januari 2022 in overleg met alle betrokken raadslieden voor inhoudelijke behandeling gepland op vijf dagen in juni 2022.
- Tussen februari 2022 en maart 2022 is twee keer door de verdediging verzocht om voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling nogmaals een regiezitting te plannen, teneinde een aantal nadere onderzoekswensen te behandelen, onder meer het horen van negen getuigen, waaronder vijf getuigen die eerder door het hof zijn afgewezen. Het hof heeft beide verzoeken tot het houden van een tussentijdse regiezitting voorafgaand aan de geplande inhoudelijke behandeling afgewezen.
- Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling, op 8 juni 2022, heeft de verdediging verzocht 34 getuigen te horen. Het betrof grotendeels getuigenverzoeken, die het hof al bij tussenarrest van 27 mei 2020 had afgewezen. Het betrof ook het verzoek tot het horen van de vier getuigen die eerder door het hof waren toegewezen, maar niet gehoord konden worden omdat zij onvindbaar bleken te zijn. Nadat het hof, na beraad, alle verzoeken ter zitting had afgewezen, heeft verdachte het hof gewraakt. Het wrakingsverzoek is door de wrakingskamer bij beslissing van 10 juni 2022 afgewezen. De inhoudelijke behandeling zou daarna worden voortgezet op 15 juni 2022.
- In de avond van 13 juni 2022 hebben de raadslieden het hof per e-mailbericht meegedeeld dat zij de verdachte niet langer bijstonden.
- Verdachte heeft op 15 juni 2022 het hof verzocht de zaak aan te houden zodat hij een nieuwe raadsman kon zoeken. Uiteindelijk heeft het hof, na het requisitoir van de advocaat-generaal, beslist dat de zaak op 24 juni 2022 zou worden voortgezet zodat verdachte in de gelegenheid zou zijn de verdediging, al dan niet met een raadsman, voor te bereiden. Daarop heeft verdachte het hof opnieuw gewraakt. De wrakingskamer heeft bij beslissing van 23 juni 2022 ook dit verzoek afgewezen. Blijkens het arrest van het hof heeft de wrakingskamer overwogen dat het doel van de wrakingsverzoeken kennelijk telkens is geweest om uitstel van de behandeling te krijgen, althans de voortgang van de reeds lang geplande inhoudelijke behandeling te verstoren of te onderbreken. De wrakingskamer heeft daarom beslist dat sprake is van misbruik van de wrakingsprocedure als bedoeld in artikel 515 lid 4 Sv en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling zal worden genomen.
- Op 24 juni 2022 is de inhoudelijke behandeling voortgezet. Hoewel de verdachte ter terechtzitting is verschenen heeft hij geen inhoudelijk verweer gevoerd.
- Op 22 september 2022 zou het onderzoek worden gesloten, maar op 6 september 2022 heeft zich een nieuwe raadsman, mr. M L. van Gessel, gesteld. Van Gessel heeft het hof bij brief van 19 september 2022 verzocht nog geen eindarrest te wijzen, maar het onderzoek te heropenen (te schorsen). Het hof heeft het onderzoek vervolgens geschorst tot 18 november 2022 om dit aanhoudingsverzoek te behandelen.
5.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2022 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De verdachte is ter terechtzitting aanwezig:
[verdachte] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,wonende te [postcode] [plaats] , [a-straat 1] .
[…]
De voorzitter deelt mee dat het hof gisteren bericht heeft gekregen dat verdachte niet langer wordt bijgestaan door zijn (voormalige) raadslieden mr. R.E. van Zijl en mr. K.J. Zeegers en vraagt of verdachte daar iets over wil zeggen.
Verdachte verklaart:
Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil aanhouding van de zaak.
De voorzitter vraagt:
Kunt u iets meer zeggen over die breuk? En ik vraag dat hierom: in uw geval is het zo dat u aan uw derde advocaat of advocatenkoppel bezig was en we zitten een beetje met het probleem dat we die zaak een keer moeten afhandelen. We zijn nu zes jaar in hoger beroep bezig en we hadden het idee dat dit toch wel het moment zou zijn daarvoor. We kunnen niet aan de gang blijven met aanhouden. Ook hier geldt weer dat we een afweging moeten maken tussen uw belang om te worden bijgestaan door een advocaat, dat belang begrijpen we, en het belang dat de zaak een keer afgedaan moet worden en dat we niet tot in het oneindige kunnen doorgaan met het wisselen van advocaten. Wilt u daar nog iets over zeggen?
Verdachte verklaart:
Ik kan daar niets over zeggen. Het enige wat ik u kan zeggen is dat ik recht heb op rechtsbescherming. Klaar. Ingewikkelder is het niet. Ik heb recht op een advocaat.
De voorzitter vraagt het standpunt van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal voert het woord:
Ik verzet me tegen aanhouding. Ik heb het vorige week ook al bij zijn dochter gezegd: het begint toch op obstructie van de rechtsgang te lijken. Voordat we hier vijf dagen gepland hadden, kwamen er allerlei getuigenverzoeken. Toen heeft uw hof gezegd: die kunnen op de eerste dag behandeld worden, waarop het verzoek kwam van de advocaten van [verdachte] om toch een regiezitting te plannen en de behandeling uit te stellen met het argument “stel dat u onze verzoeken toewijst, dan hebben we voor niets ons pleidooi voorbereid”. Dat was al een eerste verzoek om te kijken of dit inhoudelijk niet door kon gaan. Vervolgens hebben we de wraking gehad. En ik zei het al, ik zat in de auto op weg naar de wrakingszitting en toen dacht ik: ‘Als de wraking wordt afgewezen, is het enige wat ze nog kunnen doen de verdediging neerleggen’. Het is gewoon obstructie van de rechtsgang. Het is een afweging van belangen en op dit moment is het van groot maatschappelijk belang, ook bijvoorbeeld voor de Rabobank die hier al jaren achteraan loopt (ik zie hier ook een vertegenwoordiger van de Rabo zitten), ook die mensen hebben er recht op dat er eens een einde komt aan de rechtsgang. Dus ik verzet me tegen aanhouding.
De voorzitter vraagt verdachte of hij daar nog op wil reageren.
Verdachte verklaart:
Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil aanhouding van deze zaak.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na hervatting deelt de voorzitter mee:
Het hof heeft een belangenafweging te maken. We constateren dat nu in totaal drie verschillende raadslieden of hun kantoorgenoten zijn geweest. De reden van de laatste onttrekking is totaal niet duidelijk en we zijn nu zes jaar bezig in hoger beroep. Een belangrijk deel van die vertraging is ook veroorzaakt door inbreng van stukken vlak vóór de eerste geplande regiezitting in oktober 2018. Stukken waarvan de authenticiteit werd betwist en waardoor een nieuw opsporingsonderzoek en een nieuwe vervolging heeft plaatsgevonden tegen u. En in die zaak bent u inmiddels veroordeeld - zij het nog niet onherroepelijk - voor valsheid in geschrift. Er was destijds al uitstel verleend in verband met de stukken en een nieuwe advocaat. De regiezitting in 2019 had een heel beperkt karakter door al die ontwikkelingen en is uiteindelijk verschoven naar 2020. U heeft zich de afgelopen jaren, we hebben het over bijna zes (in ieder geval ruim vijfenhalf) jaar in hoger beroep, uitvoerig kunnen voorbereiden en dat het nu tot een breuk komt om onbekende redenen, is bij deze stand van zaken voor rekening van de verdachte. Want inmiddels prevaleert de voortgang van de zaak boven het belang van verdachte om een nieuwe advocaat, dat wil zeggen zijn vierde, te zoeken. We moeten ook de belangen van anderen afwegen en de procesgang die een keer afgerond moet worden. En daar komt bij, u bent zelf uitstekend in staat uw zegje te doen. Dat betekent dus dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen en wij gewoon doorgaan met behandeling van de strafzaak en de ontnemingszaak. Is dat duidelijk, [verdachte] ?
Verdachte verklaart:
Ik heb het recht op rechtsbescherming en ik heb het recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil graag aanhouding van deze zaak.
De voorzitter merkt op dat het hof dat verzoek net heeft afgewezen.
[…]
De voorzitter richt zich tot verdachte: […]
Kunt u uw bezwaren tegen het vonnis nader toelichten en wilt u een aanvulling geven op wat u daar eerder over heeft geschreven?
Verdachte verklaart:
Ik heb recht op rechtsbescherming, ik heb recht op rechtsbijstand, ik wil graag een advocaat. Ik kan mijn rechten niet verdedigen. Ik begrijp de juridische merites niet of volstrekt onvoldoende. Dat is mijn standpunt.
De voorzitter vraagt:
En betekent dat ook dat u vragen van het hof niet zult beantwoorden?
Verdachte verklaart:
Ik het recht op rechtsbescherming, ik heb recht op rechtsbijstand, ik wil graag een advocaat.
[…]
De voorzitter vraagt verdachte of hij wel iets wil zeggen over zijn persoonlijke omstandigheden.
Verdachte verklaart:
Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand. Ik wil graag een advocaat.
De voorzitter geeft het woord aan de advocaat-generaal voor het requisitoir.
[…]
De voorzitter informeert of verdachte wil reageren.
[…]
Verdachte verklaart:
Ik kan mijzelf niet verdedigen. Ik zit zonder advocaat. U weet niet waaraan dat ligt. Ik vind het onrechtvaardig. Ik verzoek u nogmaals een beslissing op het verzoek tot aanhouding te nemen zodat ik een advocaat kan nemen dan wel mijn eigen verdediging kan doen. Ik wil graag reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal, maar ik kan het nu niet. Dus nogmaals verzoek ik u de zaak aan te houden totdat eerder genoemde punten zijn ingevuld, dus dat ik een advocaat kan nemen dan wel zelf proberen mijn verdediging te schrijven. Ik wil graag dat u daar een uitspraak over doet.
De advocaat-generaal geeft zijn standpunt:
Ik begrijp op zich het standpunt van de heer [verdachte] . Ik moet ook constateren dat hij jarenlang overleg heeft gehad met zijn advocaat en ik kan me niet voorstellen, dat er vóór het moment dat de verdediging is neergelegd geen contact is geweest en dat [verdachte] niet beschikt over een concept van het pleidooi. Ik begrijp ook dat hij wil reageren op mijn requisitoir en even de gelegenheid moet krijgen om dat te schrijven. Dat zou vanmiddag om vier uur kunnen. Dan heeft hij in ieder geval een paar uurtjes de tijd gehad heeft om iets te schrijven. Eventueel kan dat nog komende vrijdag. Dat was ook een zittingsdag die voorzien was om deze zaak verder te behandelen.
De voorzitter vraagt verdachte of hij daar nog op wil reageren.
Verdachte verklaart:
Nou dat antwoord weet u beter dan wie dan ook als advocaat of jurist. Dat is onmogelijk. Daar heb je gewoon tijd voor nodig om dat goed en netjes te doen. Dat kan niet anders. Het gaat niet om niks, het is geen pak suiker. Het gaat om vrijheidsontneming voor een langere periode. Dus ik wil toch wel even heel goed en gedetailleerd - of met een advocaat of dat ik het zelf doe - de verdediging kunnen voeren.
De voorzitter stelt vast dat er geen vragen meer zijn en onderbreekt voor beraad.
De voorzitter hervat het onderzoek en deelt mee:
Vanochtend had u al aanhouding gevraagd omdat u een raadsman wilde inschakelen. Dat hebben we afgewezen. U voegt er nu aan toe dat u in dat geval ook uw eigen verdediging wilt voeren. Wij snappen dat het best lastig is om dat zelf te doen en ieder geval willen we u, waar dat in het bestaande schema kan, zoveel mogelijk tegemoet komen door verder te gaan met uw zaak op de uitloopdag, vrijdag 24 juni aanstaande om 9.00 uur. Dan heeft u in ieder geval nog ruim een week om nog een raadsman of raadsvrouw te raadplegen en de verdediging wat beter voor te bereiden dan wanneer we dat bijvoorbeeld overmorgen zouden doen. Dat is waar u in tegemoet willen komen […].
Verdachte verklaart:
Met alle respect, dat is natuurlijk in de praktijk onhaalbaar. U weet net zo goed als ik dat als je dat redelijk goed wil voorbereiden, met advocaat of dat je dat zelf doet, daar heb je gewoon een langere tijd voor nodig. Dat is onhaalbaar, dat is niet realistisch en dat weet u ook. Het is niet anders. Mijn recht op een eerlijk proces wordt mij ontnomen. Ik moet mij kunnen verdedigen en begrijp het echt niet meer. Dan blijft er voor mij maar één ding over, dat ik dit gerechtshof wederom wraak, omdat mij de kans op een eerlijk proces wordt ontnomen. […]”
5.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2022 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“[…]
De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachten, ter terechtzitting aanwezig uitroepen:
[verdachte] […]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
wonende te [postcode] [plaats] , [a-straat 1] . […]
[…]
De voorzitter vraagt verdachte:
Gisteravond tegen halftien ontvingen we een mailtje van mr. Van Gessel uit Amsterdam, die vroeg om overleg in deze zaak. Hij is er niet vandaag?
Verdachte antwoordt:
Nee, dat is correct.
De voorzitter vraagt:
De vraag aan u is: Weet u ook waarom, want vandaag is de zitting gepland en om te gaan overleggen met iemand als het mailtje de avond ervoor om halftien komt; dat wordt wat ingewikkeld.
Verdachte antwoordt:
Ik ben op zoek naar een advocaat, driftig en met gezwinde spoed, maar dat valt niet mee om een aantal redenen. Je zit in een situatie waarbij je richting vakanties gaat, dus dat is al een element. Meneer van Gessel gaat mij mogelijk bijstaan in het hele traject zoals het er nu uitziet en hij heeft u daarover bericht. Dat is het verhaal, volgende week hebben we daar verder contact over.
De voorzitter deelt mee:
Ja, maar we zitten vandaag met de behandeling en u weet, we hebben gezegd dat we vandaag willen doorgaan ondanks uw advocatenperikelen.
Verdachte reageert:
Dat is dan een keuze van het hof.
De voorzitter merkt op:
[…] En verleden keer waren we in uw zaak in het stadium dat er gerekwireerd is door de advocaat-generaal en dat u daarop mocht reageren. Toen heeft u opnieuw een aanhoudingsverzoek gedaan en na de afwijzing een wrakingsverzoek. Dat weten we allemaal. Dus ik wil u nu alsnog in de gelegenheid stellen om te reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal.
Verdachte verklaart:
[…] Ik kan mij als verdachte niet zelf verdedigen. Ik ben niet deskundig en in de verhouding geen partij voor het openbaar ministerie. Equality of arms. Een fair trial is vereist, voorzien van deskundige bijstand. Ik heb recht op rechtsbijstand. Ik wil graag een advocaat en ben bezig een advocaat te vinden die mij bijstaat. Uw hof is daarover geïnformeerd. Ik kan mijn rechten niet verdedigen. Ik begrijp de juridische merites niet. Blijkbaar vindt dit gerechtshof het niet van belang dat ik mij kan verdedigen. Ik verzoek u nogmaals om aanhouding van de zaak.
De voorzitter vraagt het standpunt van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal voert het woord:
Het aanhoudingsverzoek heeft geen nieuwe inhoudelijke grond, het is hetzelfde als de vorige keer. Uw hof heeft dat verzoek toen afgewezen, dus het kan nu opnieuw worden afgewezen.
De voorzitter stelt vast dat er geen vragen zijn en schorst het onderzoek voor beraad.
De voorzitter hervat en deelt mee:
[verdachte] , het verzoek bevat niets nieuws ten opzicht van de vorige keer en de beslissing is ook niet anders dan de vorige keer. Wij blijven bij onze beslissing en de motivering daarvan. Dat betekent dat u nu de gelegenheid krijgt om of inhoudelijk te reageren of het laatste woord te hebben Daar krijgt u nu opnieuw de kans voor en als u zegt ‘nou ik maak daar geen gebruik van’, daar mag u ook voor kiezen, maar u krijgt nu de gelegenheid om inhoudelijk te reageren.
Verdachte verklaart:
Inhoudelijk zijn de punten net door mij benoemd, dus dat is een herhaling van zetten. Het laatste woord dat kan ik u ook nog wel vertellen: Geacht hof, het is vanuit het oogpunt van gelijkheid mijn wens om bijgestaan te worden door een advocaat. Deze heeft zich zeer onlangs teruggetrokken omdat sprake is van een vertrouwensbreuk, die ik u, gelet op het vertrouwelijke karakter van advocaat en cliënt niet hoef uit te leggen. Ik kan mij niet professioneel laten vertegenwoordigen, omdat u de ruimte daarvoor niet biedt. Dit is triest en doet verder af aan mijn vertrouwen in de rechtspraak. Ik had nog veel te zeggen, maar doe dit niet. Simpelweg omdat ik niet weet of dit in mijn zaak kan schaden of juist goed zal doen.
De voorzitter deelt mee:
[…] Dan wordt in uw zaak het onderzoek geschorst tot 22 september 2022, 13.30 uur in Arnhem voor de sluiting en dan zullen we mogelijk ook direct uitspraak doen, maar in ieder geval wordt de zaak voor vandaag gesloten.”
5.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2022 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“[…]
De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachten uitroepen:
[verdachte] […]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
wonende te [postcode] [plaats] , [a-straat 1] . […]
[…]
Verdachten zijn niet verschenen.
Als gemachtigde raadsman van [verdachte] is ter terechtzitting aanwezig mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam.
[…]
De voorzitter deelt verder mee dat vandaag geen inhoudelijke behandeling van de zaken zal plaatsvinden, maar dat de raadslieden in de gelegenheid gesteld worden om hun verzoeken nader toe te lichten. Het hof zal op 2 december 2022 te 14.00 uur arrest wijzen in alle zaken bij tussenarrest of bij eindarrest. […]
Mr. Van Gessel voert het woord overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde ‘Toelichting op heropeningsverzoek’ (opmerking griffier: zowel het heropeningsverzoek van 19 september 2022 als de toelichting zijn aan dit proces-verbaal gehecht) […]
De voorzitter merkt op dat mr. Van Gessel al de vierde advocaat is.
Mr. Van Gessel reageert:
Dat is in aanmerking genomen dat het over heel veel jaren en behandeling bij twee instanties gaat niet veel.
De advocaat-generaal voert het woord als volgt:
Het hof heeft andermaal alle belangen af te wegen. Wat mij betreft heeft vandaag geen enkel nieuw inzicht opgeleverd. […]
De voorzitter stelt de raadslieden in de gelegenheid het laatste woord te voeren. […]
De voorzitter sluit het onderzoek in alle (acht) zaken en deelt mee dat volgens de beslissing van het hof de uitspraak (van de arresten dan wel tussenarresten) zal plaatsvinden op 2 december 2022 te 14:00 uur te Zwolle.”
5.4
Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de afwijzing van het in het middel bedoelde verzoek het volgende in:
“Verzoek tot schorsing van het onderzoek
Ter terechtzitting van 18 november 2022 hebben mr. Van Gessel en mr. Zuketto verzocht het onderzoek van de zaken van hun cliënten te schorsen, zodat zij alsnog de gelegenheid krijgen een inhoudelijk verweer voor te bereiden en te voeren.
Standpunt van de raadsman De raadsman heeft betoogd dat verdachte verschillende keren heeft verzocht het onderzoek te schorsen, zodat hij zich van nieuwe rechtsbijstand kon voorzien. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd:
Steeds heeft het hof de belangen van de samenleving en de rechtspleging zwaarder laten wegen dan het belang van cliënt op effectieve rechtsbijstand. Het hof heeft aangegeven dat het niet tot in het oneindige kan doorgaan met het aanhouden van de zaak omdat er van advocaat wordt gewisseld en dat de procedure in hoger beroep nu wel lang genoeg heeft geduurd. Dit argument wordt niet onderbouwd door feiten en omstandigheden, maar is veeleer een argument ‘pour besoin de la cause’. Cliënt werd al sinds 2018 door Jebbink Soeteman advocaten bijgestaan en die wijziging in 2018 is op geen enkele manier van invloed geweest op de vertraging van de behandeling in hoger beroep. Gelet op de juridische merites van de zaak en hetgeen er voor verdachte op het spel staat, bestaat er geen twijfel over dat met de rechtsbijstand een wezenlijk belang is gemoeid. Ook uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat een verdachte recht heeft op een effectieve rechtsbijstand.
Hoewel ik het dossier nog niet zo goed ken, merk ik wel dat cliënt het gevoel heeft dat hij alleen staat en dat er sprake is van polarisatie. Ik vroeg net aan mijn collega’s waardoor de irritatie van uw hof is ontstaan, maar kennelijk zoekt u een stok om mee te slaan. Ik zie wel dat het inmiddels een langdurig proces is, maar objectief gezien is het niet door de verdediging vertraagd. Je kunt niet met de vinger naar cliënt of de verdediging wijzen. Uw argument waarop de afwijzing van de verzoeken om aanhouding zijn gebaseerd, doet er niet toe. Dat argument gebruik je als cliënt het wel erg bont maakt en dat kan je hier toch niet zeggen. Cliënt heeft recht op een eerlijk proces en daar dient u voor te zorgen.
[…] De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek het onderzoek te schorsen.
Oordeel van het hof Het hof zal het verzoek tot schorsing van het onderzoek afwijzen. Het overweegt daartoe als volgt:
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdediging niet valt te verwijten dat de procedure inmiddels al zo lang duurt. Objectief gezien zou het proces niet door de verdediging zijn vertraagd. Daar wreekt zich misschien het feit dat de raadsman het dossier nog niet zo goed kent. Het hof zal daarom nog kort recapituleren (zie hierboven ook onder ‘Procesverloop in hoger beroep’) welke handelingen van verdachte de procedure hebben vertraagd:
- De eerste regiezitting was gepland op 17 oktober 2018. Die zitting was gepland in overleg met mr. F.H.H. Sijbers, de toenmalige raadsman van verdachte. Hij had verzocht om 16 getuigen te horen.
- Kort voor de geplande regiezitting van 17 oktober 2018 (die uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden) heef mr. Vlaar zich gesteld in plaats van mr. Sijbers. Per brief heeft mr. Vlaar verzocht 75 getuigen te horen. Hij heeft een omvangrijk dossier ingediend dat deels bestond uit vervalste documenten, althans zo luidt de conclusie van de rechtbank Oost-Brabant. Omdat het hof geen beslissing kan nemen op verzoeken die (mogelijk) zijn gebaseerd op valse documenten, zou er eerst onderzoek naar die documenten werden uitgevoerd (het onderzoek-Maruoka). De eerste regiezitting in hoger beroep is daarom uitgesteld tot 6 februari 2019.
- Eind december 2018 hebben mr. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging overgenomen van mr. Vlaar. Op 6 februari 2019 heeft de eerste regiezitting plaatsgevonden. Tijdens die zitting hebben de raadslieden aangegeven dat zij hun onderzoekswensen nog niet konden toelichten omdat zij de zaak pas net hadden overgenomen. Bij tussenarrest is beslist dat de zaak in handen van de raadsheer-commissaris werd gesteld om de getuigenverhoren in de onderhavige zaak en de zaak-Maruoka te coördineren.
- Op 13 mei 2020 vond opnieuw een regiezitting plaats. Het hof heeft naar aanleiding van die zitting beslist dat onder meer acht van de gevraagde getuigen moesten worden gehoord. Vier van die getuigen bleken onvindbaar. Het zou medewerkers van de ING betreffen, maar de bank kon deze medewerkers niet in haar personeelsbestand terugvinden.
- In januari 2022 is begonnen met de planning van de zaak en in overleg met de raadslieden zijn daarvoor vijf dagen in juni 2022 uitgetrokken.
- Tussen januari 2022 en juni 2022 is twee keer door de verdediging verzocht een nieuwe regiezitting te plannen met het verzoek om getuigen te horen die eerder al (grotendeels) door het hof waren afgewezen.
- Tijdens de zittingen van de inhoudelijke behandeling in juni 2022 heeft verdachte het hof twee keer gewraakt en is een dag voor de inhoudelijke behandeling de relatie met mrs. Zeegers en Van Zijl beëindigd. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat er sprake was van misbruik van de wrakingsprocedure.
Het hof stelt vast dat de procedure allereerst ernstig is vertraagd doordat verdachte valse documenten heeft overgelegd. Verder is mr. Van Gessel nu de vierde advocaat die zijn belangen moet behartigen. En zelfs al zou dat gelet op de lengte van de procedure niet bezwarend hoeven te zijn, het zijn vooral de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld die de procedure telkens hebben vertraagd. Twee keer net voor een geplande regiezitting en één keer net voor de dag van de inhoudelijke behandeling. Mr. Van Zijl had zelfs de bijlagen bij haar pleidooi al aan het hof gemaild, wat doet veronderstellen dat de verdediging op dat moment al geheel was voorbereid. Daarmee en met de daarop volgende (afgewezen) wrakingsverzoeken heeft verdachte ook de inhoudelijke behandeling in juni 2022 geprobeerd te frustreren.
De belangenafweging zoals het hof die eerder heeft gemaakt is niet anders geworden. Het recht op rechtsbijstand is zeer zwaarwegend, maar niet absoluut. Dat blijkt ook uit een uitspraak van het EHRM (EHRM 30 november 2021, Galović t. Kroatië, nr. 45512/11, rov. 80 en 90). Verdachte heeft in hoger beroep in het algemeen en in het bijzonder vanaf de planning voor de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in juni 2022, die in overleg met zijn raadsman tot stand is gekomen, ruim voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden.
Het hof is van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijk proces niet is geschonden en wijst het verzoek om het onderzoek te schorsen af.”
5.5
Het middel valt uiteen in drie deelklachten. In de eerste deelklacht wordt geklaagd dat het hof de op de terechtzittingen van 15 juni 2022, 24 juni 2022 en 18 november 2022 gedane verzoeken van de verdediging tot aanhouding van de behandeling van de zaak en/of tot heropening van het onderzoek teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen zich van rechtsbijstand te voorzien en/of (zelf) zijn verdediging te kunnen voorbereiden, (telkens) ten onrechte of op onbegrijpelijke gronden heeft afgewezen en/of dat de afwijzingen van die verzoeken (telkens) onvoldoende met redenen zijn omkleed. De tweede deelklacht houdt in dat het recht op verdediging en het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM is geschonden doordat het hof voornoemde verzoeken (telkens) heeft afgewezen. De derde deelklacht houdt in dat de bewijsvoering onbegrijpelijk is en/of de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. De deelklachten 1 en 2 hangen nauw met elkaar samen en lenen zich daarom voor een gezamenlijke bespreking.
5.6
In de onderhavige zaak zijn door en namens de verdachte verschillende aanhoudingsverzoeken gedaan. Uit de toelichting op het middel leid ik af dat is beoogd te klagen over de afwijzing van de op de terechtzitting van 15 juni 2022 en 24 juni 2022 gedane aanhoudingsverzoeken door de verdachte en over de afwijzing (bij arrest) van het op de terechtzitting van 18 november 2022 gedane verzoek tot aanhouding/heropening van het onderzoek door de raadsman van de verdachte.
5.7
Bij de beoordeling van het middel kan worden vooropgesteld dat een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting een verzoek op de voet van art. 328 Sv in verbinding met art. 331 lid 1 Sv tot toepassing van art. 281 lid 1 Sv betreft. Ingevolge art. 415 lid 1 Sv zijn deze bepalingen ook van toepassing in hoger beroep.
5.8
Ook dient vooropgesteld te worden dat de rechter bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak een afweging moet maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.1.Wanneer aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag wordt gelegd dat de verdachte recht heeft op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze, dient dit belang eveneens in aanmerking te worden genomen.2.
5.9
Bij de afweging van het belang van een effectieve verdediging tegen de andere belangen die in het geding zijn kan de rechter betekenis toekennen aan het feit dat het aan de eigen schuld van de verzoeker te wijten is dat hij niet (tijdig) van toereikende rechtsbijstand is voorzien.3.
5.10
Zoals gezegd, is er door en namens de verdachte verschillende keren een verzoek gedaan tot aanhouding en voor het eerst op de terechtzitting van 15 juni 2022. Op die terechtzitting heeft het hof gemotiveerd beslist tot afwijzing van het aanhoudingsverzoek. Het hof heeft overeenkomstig de daarvoor geldende maatstaf de betrokken belangen tegen elkaar afgewogen. Voor zover wordt geklaagd dat niet duidelijk is welke belangen het hof heeft bedoeld, begrijp ik de overweging van het hof zo dat met de zinsneden “inmiddels prevaleert de voortgang van de zaak boven het belang van verdachte” en “ook de belangen van anderen [moeten] afwegen en de procesgang die een keer afgerond moet worden”, klaarblijkelijk het belang van de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging worden bedoeld. Het hof heeft in deze zaak het belang van de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging laten prevaleren boven het belang van de verdachte bij de aanhouding van de behandeling van de zaak, teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen zich van rechtsbijstand te voorzien. Bij dit oordeel heeft het hof allereerst in aanmerking genomen de duur van de behandeling in hoger beroep (5,5 jaar), waarbij het hof heeft vastgesteld dat een belangrijk deel van de vertraging in de procedure in hoger beroep is veroorzaakt door de inbreng van stukken namens de verdachte voor de eerste geplande regiezitting in oktober 2018 die leidde tot de verdenking van valsheid in geschrifte. De geplande regiezitting in februari 2019 had hierdoor, maar ook vanwege het feit dat zich nieuwe advocaten hadden gesteld, een beperkt karakter en is uitgesteld tot mei 2020. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte drie verschillende raadslieden of hun kantoorgenoten heeft gehad, dat er onduidelijkheid is over de reden van de laatste onttrekking en dat de verdachte zich gedurende de periode van 5,5 jaar in hoger beroep uitvoerig heeft kunnen voorbereiden. Die afweging van belangen is, gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de procesgang en het aandeel van de verdachte bij de langdurige procesgang, niet onbegrijpelijk, terwijl voorts in dat licht de beslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek om aanhouding toereikend is gemotiveerd. In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.
5.11
Het hof heeft voorts, na deze afwijzende beslissing, de ter terechtzitting in hoger beroep herhaalde verzoeken om aanhouding op de terechtzitting van 15 juni 2022 en 24 juni 2022, telkens met een verwijzing naar de eerder gemaakte belangenafweging afgewezen en daarbij onder meer betrokken dat de verdachte aan deze herhaalde verzoeken geen nieuwe argumenten ter ondersteuning van zijn verzoek naar voren heeft gebracht. Ook dit oordeel van het hof is, met inachtneming van het voorgaande, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.
5.12
De eerdere overweging tot afwijzing van het aanhoudingsverzoek, heeft het hof overgenomen in het bestreden arrest en van enkele aanvullingen voorzien. Het hof heeft in de motivering van die beslissing wederom tot uitdrukking gebracht dat de verdachte de procedure ernstig heeft vertraagd. Het hof heeft daar een opsomming van het procesverloop waaruit dit zou blijken aan toegevoegd. Het hof heeft in dit verband vervolgens overwogen dat de verdachte een omvangrijk dossier heeft ingediend, dat volgens de rechtbank Oost-Brabant deels bestond uit vervalste documenten. Mr. van Gessel zou de vierde advocaat zijn die de belangen van de verdachte moet behartigen en met name de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld hebben de procedure telkens vertraagd: twee keer voor een geplande regiezitting en een keer een dag voor de inhoudelijke behandeling. Het hof heeft daarbij overwogen dat de toenmalige raadsvrouw de bijlage bij haar pleidooi al naar het hof had gemaild, wat doet veronderstellen dat de verdediging op dat moment al geheel was voorbereid. Verder heeft het hof overwogen dat de verdachte daarmee en met de daarop volgende (afgewezen) wrakingsverzoeken de inhoudelijke behandeling in juni 2022 heeft proberen te frustreren. Het hof komt ten slot tot het oordeel dat de belangenafweging zoals het hof die eerder heeft gemaakt niet anders is geworden en wijst het verzoek om het onderzoek te schorsen af. Ook dit oordeel is, gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de procesgang en het aandeel van de verdachte bij de langdurige procesgang, niet onbegrijpelijk, terwijl voorts in dat licht de beslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek om aanhouding toereikend is gemotiveerd.
5.13
Het recht op vrije keuze van een raadsman moet concurreren met het belang van een behoorlijke rechtspleging die gebaat is bij een zekere voortvarendheid. Zoals hierboven gezegd onder 5.10 heeft het hof deze concurrerende belangen in concreto tegen elkaar afgewogen, waarbij de weegschaal uiteindelijk is doorgeslagen naar het belang van de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een behoorlijke rechtspleging. De afwijzing van het hof van het (aanhoudings)verzoek van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld zich van rechtsbijstand te voorzien, getuigt ook anderszins niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het hof heeft kennelijk de omstandigheden van dit geval als zeer uitzonderlijk beschouwd en in dat licht de verzoeken tot aanhouding aangemerkt als te zijn gedaan met geen andere intentie dan om een goede rechtsgang te belemmeren. Tot dat oordeel is het hof kunnen komen, in aanmerking genomen hetgeen uit het hiervoor weergegeven arrest blijkt omtrent het zeer moeizame en langdurige procesverloop als gevolg van de wijze waarop de verdachte en op diens instigatie de achtereenvolgens optredende raadslieden zich hebben opgesteld.4.Dat oordeel vindt bovendien bevestiging in de beslissing van de wrakingskamer van 23 juni 2022 waarin is geoordeeld dat sprake is van misbruik van de wrakingsprocedure. De wrakingskamer heeft daartoe overwogen dat het doel van de wrakingsverzoeken kennelijk telkens is geweest om uitstel van de behandeling te krijgen, althans de voortgang van de reeds lang geplande inhoudelijke behandeling te verstoren of te onderbreken. Aldus heeft het hof bij zijn afwegingen kennelijk gewicht toegekend aan het feit dat het aan de eigen schuld van de verzoeker te wijten is dat hij niet (tijdig) van toereikende rechtsbijstand is voorzien. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.5.
5.14
Voor zover de stellers van het middel klagen dat het hof niet is ingegaan op het aan het aanhoudingsverzoek mede ten grondslag gelegde recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging, mist die klacht feitelijke grondslag. De stellers van het middel verliezen hier uit het oog dat het hof in zijn afwegingen ook het recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging heeft betrokken. Blijkens het proces-verbaal van 15 juni 2022 heeft het hof immers overwogen dat de verdachte gedurende de periode van 5,5 jaar in hoger beroep zich uitvoerig heeft kunnen voorbereiden. In aanvulling hierop heeft het hof in het arrest overwogen dat de verdachte in het algemeen en in het bijzonder vanaf de planning voor de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in juni 2022, die in overleg (AEH: in januari 2022) met zijn raadsman tot stand is gekomen, voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden.
5.15
Verder heeft het hof, anders dan de stellers van het middel menen, bij de afwijzingen van de verzoeken tot schorsing van het onderzoek (of heropening van het onderzoek) wel degelijk acht geslagen op het feit dat de verdachte nog niet onherroepelijk is veroordeeld voor het inbrengen van vervalste documenten. Zo heeft het overwogen dat de verdachte een omvangrijk dossier heeft ingediend, dat deels bestond uit vervalste documenten, “althans zo luidt de conclusie van de rechtbank Oost-Brabant”. Dit volgt eveneens uit de toevoeging van het woordje “(mogelijk)” in overweging dat “het hof geen beslissing kan nemen op verzoeken die (mogelijk) zijn gebaseerd op valse documenten”. In dit licht moet de opmerking van het hof dat de procedure ernstig is vertraagd doordat de verdachte valse documenten heeft ingediend, wat mij betreft worden gelezen met inbegrip van de hiervoor genoemde reserves ten aanzien van een definitieve beslissing op het punt van de (verantwoordelijkheid voor) de valsheid van de ingebrachte documenten. Aldus is de feitelijke grondslag aan de klacht ontvallen. Dit geldt eveneens voor de andere overweging waar de stellers van het middel naar verwijzen. Overigens ziet deze laatstgenoemde overweging niet op de motivering van de afwijzing van de aanhoudingsverzoeken, maar op de strafmotivering, zodat de klacht reeds om die reden niet kan slagen.
5.16
De eerste deelklacht in het middel faalt in al zijn onderdelen.
5.17
Voorts klagen de stellers van het middel dat door (telkens) de verzoeken tot aanhouding en/of heropening van het onderzoek af te wijzen, het recht op verdediging en het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 lid 3, aanhef en onder b en c, EVRM is geschonden.
5.18
Art. 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM bepaalt dat eenieder die vervolgd wordt voor een strafbaar feit recht heeft op voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van zijn verdediging. Art. 6 lid 3, aanhef en onder c, EVRM kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat naar eigen keuze. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge art. 28 lid 1 Sv is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. De in dat wetboek voorziene toevoeging van een raadsman aan de verdachte is in een aantal gevallen verplicht, onder meer wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of heeft bevonden (art. 41 Sv). Die situatie doet zich hier niet voor. Of een verdachte zichzelf ter terechtzitting wil verdedigen dan wel zich wil laten verdedigen door een raadsman, is ter vrije keuze van de verdachte.6.
5.19
Het recht op voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van de verdediging en het recht op rechtsbijstand, zoals geformuleerd in art. 6 lid 3, onder respectievelijk b en c, EVRM zijn specifieke aspecten van het recht op een ‘fair trial’ zoals dat is uitgedrukt in art. 6 lid 1 EVRM. Dit vindt bevestiging in de uitspraak van het EHRM van 30 november 2021 in de zaak Galović t. Kroatië, waarnaar het hof in het bestreden arrest verwijst en waarop de stellers van het middel een beroep doen. In die zaak overwoog het hof:
“79. The right to a fair trial under Article 6 § 1 is an unqualified right. However, what constitutes a fair trial cannot be the subject of a single unvarying rule, but must depend on the circumstances of the particular case. The Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (…)
80. Compliance with the requirements of a fair trial must be examined in each case, having regard to the development of the proceedings as a whole, and not on the basis of an isolated consideration of one particular aspect or one particular incident, although it cannot be excluded that a specific factor may be so decisive as to enable the fairness of the trial to be assessed at an earlier stage in the proceedings. […]”7.
5.20
Galović klaagde bij het EHRM dat hij onvoldoende tijd had gekregen om zijn verdediging te kunnen voorbereiden, nu hij tijdens de (tweede) procedure in hoger beroep, na terugwijzing door het Kroatische hoogste gerechtshof, pas vier dagen voorafgaand aan de zitting werd geïnformeerd over de datum daarvan en daardoor niet tijdig een advocaat in de arm kon nemen. Het EHRM stelt vast dat de klager aanvankelijk vanuit de staat een advocaat toegewezen had gekregen, maar dat hij die niet vertrouwde en daarom had gevraagd om een andere advocaat. Hij heeft uiteindelijk geen advocaat in de arm genomen. Het EHRM stelt vervolgens vast dat Galović het grootste gedeelte van de tijd echter wel vertegenwoordigd is geweest door een advocaat van eigen keuze. Ook had hij volgens het hof genoeg tijd gehad om met die advocaat te overleggen en zijn verdediging voor te bereiden. Dat hij uiteindelijk geen andere advocaat heeft kunnen vinden, acht het hof niet verwijtbaar aan de staat. Volgens het hof hebben de nationale rechtelijke instanties Galović voldoende gelegenheid geboden om een andere advocaat in de arm te nemen, maar heeft hij dit niet gedaan. Het EHRM komt tot de slotsom dat gelet op de bijzondere omstandigheden in deze zaak, door de korte periode tussen de kennisgeving aan Galović van de zitting in hoger beroep en het feitelijke plaatsvinden van die zitting, het recht op voldoende tijd en faciliteiten om het verdediging voor te bereiden of het recht om in de strafzaak tegen hem te worden vertegenwoordigd, niet zodanig is beperkt dat gezegd moet worden dat Galović geen eerlijk proces heeft gehad. Er was dan ook geen schending van art. 6 lid 1 en lid 3, onder b en c, EVRM.
5.21
Voor de volledigheid citeer ik hier de overwegingen van het hof:
“(i) General principles
79. The right to a fair trial under Article 6 § 1 is an unqualified right. However, what constitutes a fair trial cannot be the subject of a single unvarying rule, but must depend on the circumstances of the particular case. The Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (see, among many other authorities, Ibrahim and Others v. the United Kingdom [GC], nos. 50541/08 and 3 others, § 250, 13 September 2016).
80. Compliance with the requirements of a fair trial must be examined in each case, having regard to the development of the proceedings as a whole, and not on the basis of an isolated consideration of one particular aspect or one particular incident, although it cannot be excluded that a specific factor may be so decisive as to enable the fairness of the trial to be assessed at an earlier stage in the proceedings. In evaluating the overall fairness of the proceedings, the Court will take into account, if appropriate, the minimum rights listed in Article 6 § 3, which exemplify the requirements of a fair trial in respect of typical procedural situations which arise in criminal cases. They can therefore be viewed as specific aspects of the concept of a fair trial in criminal proceedings in Article 6 § 1. However, those minimum rights are not aims in themselves: their intrinsic aim is always to contribute to ensuring the fairness of the criminal proceedings as a whole (ibid., § 251).
81. Article 6 § 3 (b) guarantees the accused “adequate time and facilities for the preparation of his defence”, and therefore implies that the substantive defence activity on his behalf may comprise everything which is “necessary” to prepare the main trial. The accused must have the opportunity to organise his defence in an appropriate way and without restriction as to the ability to put all relevant defence arguments before the trial court and thus to influence the outcome of the proceedings (see Mayzit v. Russia, no. 63378/00, § 78, 20 January 2005; Moiseyev v. Russia, no. 62936/00, § 220, 9 October 2008; Gregačević v. Croatia, no. 58331/09, § 51, 10 July 2012; and Chorniy v. Ukraine, no. 35227/06, § 37, 16 May 2013).
82. When assessing whether the accused had adequate time for the preparation of his defence, particular regard has to be had to the nature of the proceedings, as well as the complexity of the case and the stage of the proceedings (see Gregačević, cited above, § 51, and Albert and Le Compte v. Belgium, 10 February 1983, § 41, Series A no. 58). In this connection, the Court notes that the guarantees of Article 6 § 3 (b) go beyond trials, and extend to all stages of court proceedings (see D.M.T. and D.K.I. v. Bulgaria, no. 29476/06, § 81, 24 July 2012, and Chorniy, cited above, § 38).
83. As regards the right to a lawyer, the Court reiterates that the right of everyone charged with a criminal offence to be effectively defended by a lawyer, assigned officially if need be, as guaranteed by Article 6 § 3 (c), is one of the fundamental features of a fair trial (see Salduz v. Turkey [GC], no. 36391/02, § 51, ECHR 2008; Dvorski v. Croatia [GC], no. 25703/11, § 76, ECHR 2015; and Simeonovi v. Bulgaria [GC], no. 21980/04, § 112, 12 May 2017 (extracts)). However, assigning counsel does not in itself ensure the effectiveness of the assistance counsel may provide to his client. Nevertheless, a State cannot be held responsible for every shortcoming on the part of a lawyer appointed for legal-aid purposes. It follows from the independence of the legal profession from the State that the conduct of the defence is essentially a matter between a defendant and his counsel, whether appointed under a legal-aid scheme or privately financed. The competent national authorities are required under Article 6 § 3 (c) to intervene only if a failure by legal-aid counsel to provide effective legal assistance is manifest or sufficiently brought to their attention in another way (see Czekalla v. Portugal, no. 38830/97, § 60, ECHR 2002-VIII, and Orlov v. Russia, no. 29652/04, § 108, 21 June 2011).
(ii) Application of these principles to the present case
84. The applicant’s complaints concern the appeal stage of the proceedings and refer to his alleged inability to prepare his defence and hire a lawyer in the short period between his being informed of the appeal court’s session and the session actually taking place. The Court notes that the first-instance judgment was issued on 14 July 2009 (see paragraph 33 above) and it was served on E.H., the defence counsel chosen by the applicant (contrast with Chorniy, cited above, § 41), on 13 August 2009. Both the applicant and E.H. lodged appeals (see paragraphs 36 and 40 above). The applicant also revoked his power of attorney in respect of E.H. Subsequently, he made several requests to contact other lawyers.
85. The Court notes that the national courts appointed a State-funded lawyer, S.A., for the applicant on 9 September 2009 (see paragraph 42 above), after the applicant had revoked the power of attorney in respect of E.H. The applicant complained that he did not trust S.A. and asked the court to allow him to contact other lawyers (see paragraph 43 above). His request was granted – he contacted several other lawyers and three lawyers visited him in prison (see paragraphs 44, 47 and 48 above). However, the applicant did not hire another lawyer.
86. On 2 November 2009 the appeal court dismissed the appeals lodged by the applicant and E.H. and upheld the first-instance judgment (see paragraph 51 above). On 20 January 2010 the Supreme Court quashed the appeal court’s judgment and remitted the case. It is to be stressed that the appeal court was to decide on the appeals lodged by the applicant and E.H. on 19 and 31 August 2009 respectively, and that at the time when the Supreme Court remitted the case to the appeal court the applicant was not allowed to lodge further appeals or supplement his previous appeals. There is no indication, and the applicant has never made any allegations to that effect, that he did not have sufficient time and facilities to prepare his appeal, or that he did not have the services of a lawyer in connection with the appeal, or that he was hindered in preparing his appeal in any other respect (compare Chorniy, cited above, § 40).
87. The Court would also stress that during the entire trial before the first-instance court, the applicant was represented by E.H., a lawyer of his own choosing, and had ample time and opportunity to confer with that lawyer and prepare his defence (contrast Falcão dos Santos v. Portugal, no. 50002/08, § 44, 3 July 2012). There is also no indication that the applicant was limited in terms of how many meetings he had with his chosen lawyer E.H. at any stage of the proceedings or how long those meetings were (compare Lambin v. Russia, no. 12668/08, § 45, 21 November 2017).
88. Therefore, at the stage when the Supreme Court remitted the case to the appeal court for fresh examination of the applicant’s and E.H.’s appeals (see paragraph 54 above), the applicant had already benefitted from the services of his chosen lawyer and had had sufficient time to prepare his defence. In this connection, the Court notes that the applicant, with the assistance of his lawyer, put forward his defence before the investigating judge (see paragraph 19 above), at the trial before the first-instance court (see paragraph 30 above), and on three occasions submitted an additional written defence arguments (see paragraphs 25, 27 and 28 above). The national courts gave the applicant sufficient opportunity to hire another lawyer, but he failed to do so.
89. In his oral and written defence, as well as in his appeals, the applicant analysed the case in detail and referred extensively to all the main items of evidence, including expert opinions and witness testimonies (see paragraphs 19, 25, 27-30 and 36 above; also compare Lambin, cited above, § 44).
90. Given the particular circumstances of the case, the Court considers that the brevity of the period between the applicant being informed of the appeal court session and that session actually taking place did not restrict his right to adequate time and facilities to prepare his defence or his right to be legally represented in the criminal proceedings against him to such an extent that it could be said that he did not have the benefit of a fair trial.
91. There has accordingly been no violation of Article 6 §§ 1 and 3 (b) and (c) of the Convention in that respect.”8.
5.22
Tegen de achtergrond van de aangehaalde uitspraak van het EHRM getuigt het oordeel van het hof dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces niet is geschonden niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het tevens niet onbegrijpelijk. Met betrekking tot het recht op voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van de verdediging, heeft het hof in de onderhavige zaak geoordeeld dat de verdachte voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om met zijn raadslieden zijn verdediging voor te bereiden. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen de lengte van de procedure in hoger beroep die 5,5 jaar in beslag heeft genomen en het feit dat de inhoudelijke behandeling van de zaak in juni 2022 al in januari 2022 in overleg met zijn raadsman tot stand is gekomen. Voorts heeft het hof overwogen dat de raadsvrouw van de verdachte de bijlagen bij haar pleidooi al aan het hof had gemaild, wat, volgens het hof, doet veronderstellen dat de verdediging op dat moment al geheel was voorbereid. Het oordeel van het hof dat aan de verdachte in casu voldoende voorbereidingstijd is geboden acht ik gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk. Met betrekking tot het recht op verdediging door een raadsman neem ik in aanmerking dat de verdachte in eerste aanleg alsmede bij de eerste drie zittingen in hoger beroep telkens is verdedigd door een raadsman/raadsvrouw en dat de verdachte ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om met zijn raadsman/raadsvrouw te overleggen alsmede dat hij, alhoewel hij daartoe op de zitting van 17 juni 2022 in de gelegenheid was gesteld, zich niet tijdig voor de voortgezette behandeling van zijn zaak op 24 juni 2022 van een raadsman heeft voorzien.
5.23
Gelet op het bovenstaande alsook op de verdere gang van zaken zoals die uit het arrest van 2 december 2022 blijkt, is van de in het middel bedoelde schending van art. 6 lid 1 en lid 3, aanhef en onder b en c, EVRM geen sprake. Ook in zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.
5.24
De stellers van het middel klagen tot slot dat het gerechtshof in de bewijsvoering in het arrest is ingegaan op verweren en/of standpunten van de verdediging die in hoger beroep niet zijn gevoerd en/of ingenomen, waardoor de bewijsvoering onbegrijpelijk is, althans de bewezenverklaring met onvoldoende is omkleed.
5.25
Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen van de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep blijkt dat aldaar geen raadsman/raadsvrouw aanwezig was en dat de verdachte geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd. Op de terechtzitting zijn er aldus geen verweren gevoerd en evenmin uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ingenomen. De motiveringsplicht van art. 359 lid 2 Sv heeft betrekking op verweren die op de terechtzitting zijn gevoerd en op standpunten die daar zijn ingenomen. Aan verweren en standpunten die niet op de terechtzitting zijn gepresenteerd, kan de rechter dus voorbijgaan.9.Verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd, maar in hoger beroep niet zijn herhaald, hoeven door de rechter niet te worden besproken.10.
5.26
Het hof is in de in de klacht bedoelde overwegingen ingegaan op de bezwaren van de verdediging, die het hof heeft afgeleid uit de pleitnota in eerste aanleg, het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, de appelschriftuur en de pleitnota’s ten behoeve van de onderzoekswensen zoals aan het hof overgelegd tijdens de terechtzittingen, alsmede de overige door de verdediging aan het hof overgelegde stukken. Hoewel geen rechtsregel de rechter verplicht te beslissen over enig verweer dat niet door of namens de verdachte op de terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen,11.is het hof ruimhartig geweest door ook te motiveren waar dat strikt genomen niet noodzakelijk was. Een feitenrechter heeft ambtshalve de bevoegdheid om een uitspraak nader te motiveren, ook buiten de uit de wet voortvloeiende verplichting daartoe. Het feit dat het hof een onverplichte overweging heeft opgenomen het arrest, mede naar aanleiding van de procesgang en de door de verdediging overgelegde stukken, maakt nog niet dat de bewijsvoering onbegrijpelijk is dan wel de bewezenverklaring met onvoldoende redenen is omkleed. Reeds daarom faalt de derde deelklacht.
5.27
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
6. Het tweede middel
6.1
Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van een aantal verzoeken van de verdediging tot het horen van diverse getuigen. Het middel valt in vijf deelklachten uiteen.
De eerste deelklacht van het tweede middel
6.2
Met de eerste deelklacht komen de stellers van het middel op tegen het in het tussenarrest van 27 mei 2022 (ik begrijp: 27 mei 2020) gegeven oordeel van het hof dat er geen reden is om het noodzakelijkheidscriterium zo in te vullen dat het niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelangcriterium. Volgens de stellers van het middel is dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
6.3
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2020 (een regiezitting) blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte daar het woord heeft gevoerd conform de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt voor zover hier van belang in (met weglating van voetnoten):
“Toetsingscriterium
50.Voordat ik toekom aan de nadere toelichting van de onderzoekswensen zelf, maak ik een aantal opmerkingen over het criterium dat bij de beoordeling daarvan dient te worden gehanteerd.
51. Verschillende getuigenverzoeken zijn niet reeds bij appelschriftuur gedaan, zodat op deze verzoeken op basis van artikel 418 lid 3 Sv het noodzaakcriterium van toepassing is. Deze appelschriftuur is echter ingediend door cliënts vorige advocaten. Sinds december 2018 staan mr. Zeegers en ik cliënt bij. Wij hebben, samen met cliënt, een eigen - gewijzigde - verdedigingsstrategie ontwikkeld. Aan de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn verschillende argumenten te ontlenen om in dit geval het noodzaakcriterium op minder strikte wijze toe te passen op de getuigenverzoeken die niet reeds bij appelschriftuur zijn gedaan. Ik licht dit toe.
52. De mogelijkheid van een dergelijke relativering van het noodzaakcriterium stamt uit een arrest uit 2007, waarin de Hoge Raad meerdere voorbeelden noemt van gevallen waarin het noodzaakcriterium voor niet bij appelschriftuur opgegeven getuigen zou moeten worden gerelativeerd (of minder strikt zou moeten worden toegepast). In algemene zin stelt de Hoge Raad in dit arrest dat “onder omstandigheden van de verdachte bezwaarlijk [zal] kunnen worden gevergd dat hij een of meer getuigen of deskundigen reeds bij de appelschriftuur opgeeft”
53. De voorbeelden van dergelijke omstandigheden die de Hoge Raad vervolgens noemt zijn, kort gezegd:
a. wanneer in eerste aanleg een verkort vonnis is gewezen en de aanvulling nog niet beschikbaar is bij het verlopen van de termijn voor indiening van de appelschriftuur;
b. wanneer de verdachte op het moment van indienen van de appelschriftuur nog geen rechtsbijstand had; en
c. wanneer zich, na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de appelschriftuur, onvoorziene ontwikkelingen voordoen waarbij het belang opkomt van het horen van bepaalde getuigen of deskundigen.
54. In dergelijke gevallen brengt, volgens de Hoge Raad “tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist - de eis van een eerlijke procesvoering mee dat de advocaat-generaal onderscheidenlijk het gerechtshof bij gebruikmaking van de in vorengenoemde bepalingen voorgeschreven toepassing van het “noodzakelijkheidscriterium” de desbetreffende omstandigheden in hun afweging betrekken. Dat kan dan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het “verdedigingsbelang” zou worden bereikt.” Met andere woorden: in bepaalde gevallen dient een “soepelere” versie van het noodzaakcriterium te worden toegepast, dat niet (wezenlijk) verschilt van dat van het verdedigingsbelang. De Hoge Raad heeft dit standpunt in zijn overzichtsarrest over getuigenverzoeken uit 2014 herhaald.
55. In zijn noot bij het besproken arrest uit 2007 concludeert Mevis dat de gevallen die de Hoge Raad noemt voorbeelden zijn: “Er laten zich ook buiten de door de Hoge Raad in O.3.4.1. uitdrukkelijk genoemde gevallen wel omstandigheden denken die kunnen meebrengen dat een verantwoorde opgave van getuigen en deskundigen niet al bij de appelschriftuur is te verwezenlijken.” Dit standpunt is door de Hoge Raad in 2008 omarmd.
56. In de visie van de verdediging kwalificeert het wisselen van advocaat en een daarmee gepaard gaande fundamentele wijziging van de verdedigingsstrategie als een “onvoorziene ontwikkeling”, in de zin van het arrest uit 2007. Wij verzoeken uw hof dan ook onze niet bij appelschriftuur gedane getuigenverzoeken te beoordelen aan de hand van het “soepeler” geïnterpreteerde noodzaakcriterium, als beschreven. Het belang van het horen van deze getuigen is immers pas kenbaar geworden met de gewijzigde verdedigingsstrategie. Ook was deze wijziging ten tijde van het indienen van de appelschriftuur niet te voorzien - noch voor cliënt, noch voor zijn toenmalige advocaten.
57. Deze opvatting wordt verder ondersteund wanneer deze in samenhang wordt bezien met het eerste genoemde voorbeeld uit het arrest uit 2007. Het niet hebben van rechtsbijstand is weliswaar niet hetzelfde als het later wisselen van rechtsbijstand, maar feit is dat cliënt bij indiening van de appelschriftuur andere rechtsbijstand had met een andere verdedigingsstrategie dan hij nu heeft. Het kan bezwaarlijk aan cliënt of zijn toenmalige advocaten worden tegengeworpen dat zij de getuigen in kwestie niet bij appelschriftuur hebben opgegeven, nu zij niet bekend waren met de latere strategiewijziging waardoor het belang van het (nader) horen van deze getuigen is ontstaan.
58. Daarnaast is het moment waarop een getuigenverzoek wordt gedaan mede van belang voor de beoordeling daarvan. In 2018 bevestigde de Hoge Raad de afwijzing van een getuigenverzoek omdat het verzoek pas bij de inhoudelijke behandeling werd gedaan, terwijl het ruim daarvoor gedaan had kunnen worden. In Melai schrijft mr. N. Gonzalez [betrokkene 1] hierover: “Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium inderdaad zodanig dient te zijn dat van een wezenlijk verschil met de maatstaf van het verdedigingsbelang geen sprake is. In dat verband kan betekenis toekomen aan het moment waarop de verdachte het getuigenverzoek (alsnog) heeft gedaan.”
59. In een arrest uit 2010 stelde de Hoge Raad dat, om in aanmerking te komen voor toepassing van het “soepeler” noodzaakcriterium, het getuigenverzoek “uiterlijk op de eerste terechtzitting van het Hof dient te worden gedaan.” Dit kan echter logischerwijs niet gelden voor onvoorziene omstandigheden die zich na de eerste terechtzitting van het hof hebben voortgedaan. In dat kader wijs ik ook op een conclusie van AG Knigge uit 2010 waarin hij stelt dat het antwoord op de vraag of sprake is van “onvoorziene omstandigheden” in de zin van het arrest uit 2007, afhangt van de omstandigheden van het geval. De zaak waar het genoemde arrest van 2010 op zag, betrof een overval met geweld/poging moord. Hoewel ik uiteraard niet over het betreffende dossier beschik, ligt voor de hand dat de zaak tegen cliënt complexer is. Dit is een complexe fraudezaak met een zeer omvangrijk dossier, zodat het de verdediging bezwaarlijk kan worden tegengeworpen dat niet alle “nieuwe” getuigenverzoeken reeds in februari 2019, bij de eerste zitting van het gerechtshof, zijn gedaan. Wij staan cliënt immers pas bij sinds december 2018 en de verdedigingsstrategie is pas nadien volledig tot stand gekomen.
60. Ook is een regiezitting bij uitstek het moment om getuigenverzoeken te doen. Vooraf zijn afspraken gemaakt over de momenten van indiening van onderzoekswensen, en die zijn door de verdediging nageleefd. Over het karakter van de zitting in februari 2019 is op voorhand overeenstemming bereikt tussen procespartijen. Zodoende bestaat in deze zaak grond om ten aanzien van de niet reeds bij appelschriftuur opgegeven getuigen het noodzaakcriterium toe te passen op een wijze die niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang.
61. Ditzelfde bepleiten wij ten aanzien van getuigen die reeds zijn gehoord in eerste aanleg. De gewijzigde verdedigingsstrategie brengt met zich dat wij andere vragen wensen te stellen aan de reeds gehoorde getuigen dan de vragen die reeds aan hen zijn gesteld - anders zouden wij een dergelijk verhoor niet verzoeken. Ook in deze gevallen verzoeken wij u dan ook het noodzaakcriterium minder streng in te vullen.
62. In dat kader wijs ik op jurisprudentie van het EHRM, waaruit volgt dat de kern van het ondervragingsrecht betekent dat de verdediging, onder dezelfde voorwaarden als het openbaar ministerie, de gelegenheid moet krijgen haar zaak te presenteren en daarbij de getuigen te (doen) ondervragen die noodzakelijk zijn ter onderbouwing daarvan. Over het recht om zogeheten defence witnesses, of getuigen à décharge, op te roepen overweegt het EHRM in het bijzonder het volgende: “Its essential aim, as is indicated by the words ‘under the same conditions’, is a full “equality of arms’ in the matter.”
63. In de zaak Topic t. Kroatië oordeelde het hof dat de door de verdediging verzochte getuigen à decharge een belangrijke rol hadden kunnen spelen bij het versterken van de zaak en positie van de verdediging. Het EHRM benadrukte eerst geen feitenrechter te zijn. Vervolgens overwoog het hof als volgt: “It therefore confines itself to noting that the applicant’s request for the eyewitnesses to the event to be heard was not vexatious that it was relevant to the subject matter of the accusation, and that it could arguably have strengthened the position of the defence or even led to the applicant’s acquittal.”
64. Ook in andere zaken heeft het EHRM een schending aangenomen van artikel 6 - en het ondervragingsrecht in het bijzonder - bij afwijzingen van deugdelijk gemotiveerde verzoeken om getuigen à décharge te doen horen, of wanneer dergelijke weigeringen onvoldoende waren gemotiveerd.
65. De kern van de jurisprudentie van het EHRM in dit opzicht, kan als volgt worden samengevat: “The Courts task in this regard is to examine whether the accused had an adequate and sufficiënt opportunity to contest the accusations against him and whether the proceedings, considered as a whole, satisfied the requirements of Article 6 § 1 of the Convention.”
66. Met andere woorden: het ondervragingsrecht uit artikel 6 EVRM, inclusief het recht van de verdediging getuigen à décharge op te roepen, dient te worden getoetst aan de hand van de vraag of de verdediging een adequate gelegenheid heeft gehad haar zaak te presenteren en te onderbouwen, mede aan de hand van de getuigen die daarvoor noodzakelijk zijn.
67. Dit brengt met zich dat ook in het licht van het ondervragingsrecht en het recht op een eerlijk proces uit artikel 6 EVRM, cliënt en diens advocaten de gelegenheid moeten krijgen de getuigen te ondervragen die voor de verdedigingsstrategie van belang zijn. Het moment waarop een verzoek gedaan wordt, zou daarbij geen centrale rol moeten spelen, zeker als het cliënt (en zijn toenmalige of huidige advocaten) niet kan worden verweten dat deze getuigenverzoeken niet eerder zijn gedaan en wanneer gemaakte processuele afspraken dienaangaande zijn nageleefd. Ook om deze redenen verzoek ik u bij alle verzoeken het noodzaakcriterium toe te passen op een wijze die niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.”
6.4
Het hof heeft in zijn tussenarrest van 27 mei 2020 het volgende geoordeeld over het te hanteren criterium voor de beoordeling van de onderzoekswensen:
“Criterium voor beoordeling van de onderzoekswensen
Voor het vaststellen van het toepasselijke criterium voor de beoordeling van de verzoeken tot het horen van getuigen en deskundigen zijn de volgende feiten van belang. Op 23 december 2016 is door verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Op 5 januari 2017 is door verdachtes toenmalige raadsman mr. Sijbers een appelschriftuur ingediend waarin werd verzocht om 16 getuigen te horen. Kort voor de geplande regiezitting van 17 oktober 2018 (die uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden) heeft mr. Vlaar zich gesteld in plaats van mr. Sijbers. Per brief heeft mr. Vlaar verzocht 75 getuigen te horen. Eind december 2018 hebben mr. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging overgenomen van mr. Vlaar. Op 6 februari 2019 heeft een eerste regiezitting plaatsgevonden. Daarbij is niet gesproken over concrete onderzoekswensen, doch is besproken welke gevolgen een nieuw onderzoek (Maruoka genaamd) tegen verdachte had voor deze zaak.
Omstreeks oktober 2019 heeft de verdediging verzocht om een regiebehandeling in deze zaak. Die regiebehandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei 2020. In de aanloop naar deze zitting heeft de verdediging op 7 april 2020 opgave gedaan van onderzoekswensen. Daarbij is verzocht 40 personen te horen als getuige dan wel als deskundige. Van die personen waren er tien ook al opgenomen in de appelschriftuur van mr. Sijbers. Ten aanzien van de verzoeken tot horen van de tien personen die ook al waren vermeld in de appelschriftuur van 5 januari 2017 is - in principe - het verdedigingsbelangcriterium van toepassing. Ten aanzien van de overige verzoeken het noodzakelijkheidscriterium. Dat er sprake is van opeenvolgende raadslieden en een gewijzigde verdedigingsstrategie levert geen reden op om het noodzakelijkheidscriterium zo in te vullen dat het niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelangcriterium. Evenmin is er sprake van andere omstandigheden die maken dat het noodzakelijkheidscriterium in dit geval anders zou moeten worden ingevuld. Ook indien na het verstrijken van de termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep zich omstandigheden voordoen die maken dat strikte toepassing van het noodzakelijkheidscriterium onredelijk is, mag van de verdediging worden verlangd dat zij spoedig na het zich voordoen van die omstandigheden haar verzoeken doet.”
6.5
Ter onderbouwing van de klacht dat het oordeel van het hof onjuist, althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, voeren de stellers van het middel aan dat:
(i) het hof niet stilstaat bij de door de verdediging opgeworpen rechtsvraag of in een omvangrijke procedure een wisseling van verdediging onder omstandigheden een ‘onvoorziene ontwikkeling’ kan zijn;
(ii) het onbegrijpelijk is dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de verdediging haar verzoeken niet spoedig na het zich voordoen van omstandigheden die maken dat strikte toepassing van het noodzakelijkheidscriterium onredelijk is heeft gedaan.
6.6
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Het kan onder omstandigheden aangewezen zijn het noodzakelijkheidscriterium op een zodanige manier in te vullen dat dit criterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.12.Daarbij valt te denken aan de situatie waarin de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van de appelschriftuur relevante processtukken, zoals de aanvulling op het verkorte vonnis, of de situatie dat de verdachte nog niet van rechtsbijstand was voorzien en hem redelijkerwijs geen verwijt kon worden gemaakt dat hij niet op de hoogte was van de aan het niet opgeven van getuigen en deskundigen bij appelschriftuur verbonden consequenties. Ook kan het hierbij gaan om gevallen waarin het belang bij het horen van getuigen of deskundigen is opgekomen door onvoorziene ontwikkelingen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een appelschriftuur, zoals een rapport dat pas na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is uitgebracht.13.Of een dergelijke toepassing is aangewezen, hangt af van de omstandigheden van het geval. De verdediging moet de appelrechter hier op wijzen.14.
6.7
De omstandigheden van het geval, waaronder de specifieke getuige waarop het verzoek betrekking heeft, zijn dus van groot belang voor de beantwoording van de vraag of de rechter het noodzakelijkheidscriterium op een andere wijze moet invullen.
6.8
Het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden die door de verdediging zijn aangevoerd, namelijk dat sprake is van opeenvolgende raadslieden en een gewijzigde verdedigingsstrategie, niet maken dat het noodzakelijkheidscriterium zo ingevuld moet worden dat het niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelangcriterium en dat er ook geen sprake is van andere omstandigheden die daartoe aanleiding geven. Daarmee heeft het hof – anders dan de stellers van het middel menen – in algemene zin antwoord gegeven op de vraag of een wisseling van de verdediging in een omvangrijke procedure een onvoorziene ontwikkeling kan zijn. Tot een nadere motivering was het hof mijns inziens niet gehouden, nu het verzoek zich niet toespitste op een specifieke getuige en het antwoord op de vraag op welke manier het noodzakelijkheidscriterium ingevuld moet worden – zoals hiervoor is overwogen – sterk afhangt van de omstandigheden van het geval.
6.9
Het oordeel van het hof is bovendien niet onbegrijpelijk en geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij neem ik in aanmerking dat geen sprake is van een situatie waarin de verdachte ten tijde van de appelschriftuur geen raadsman had, maar dat het gaat om een wisseling van raadlieden en een gewijzigde verdedigingsstrategie uit vrije keuze van de verdachte, hetgeen dientengevolge voor rekening van de verdachte moet komen.
6.10
Dan nog de klacht over de overweging van het hof dat “ook indien na het verstrijken van de termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep zich omstandigheden voordoen die maken dat strikte toepassing van het noodzakelijkheidscriterium onredelijk is, […] van de verdediging [mag] worden verlangd dat zij spoedig na het zich voordoen van die omstandigheden haar verzoeken doet”. Anders dan de stellers van het middel, meen ik dat het hof hiermee niet zonder meer tot uitdrukking heeft gebracht dat in dit geval de verdediging niet spoedig na het zich voordoen van die omstandigheden haar verzoeken heeft gedaan. Een dergelijke uitleg is immers slecht te rijmen met de voorgaande vaststelling van het hof dat er geen reden is om het noodzakelijkheidscriterium zo in te vullen dat het niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelangcriterium. Gelet hierop, moet deze opmerking mijns inziens als een algemene opmerking over het juridisch kader worden gezien die niet direct betrekking heeft op het onderhavige geval, zodat de eerste deelklacht ook in zoverre faalt.
6.11
De eerste deelklacht van het tweede middel faalt.
De tweede deelklacht van het tweede middel
6.12
De tweede deelklacht valt uiteen in een als a) geformuleerde klacht en een als b) geformuleerde klacht. De als a) geformuleerde klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is dat de bij tussenarrest van 27 mei 2020 toegewezen getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord, onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. De als b) geformuleerde klacht luidt dat de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 5] en [getuige 6]15.onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
6.13
Ik bespreek eerst de als a) geformuleerde klacht.
6.14
Het hof heeft bij tussenarrest van 27 mei 2020 het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] toegewezen. Het dictum van dit tussenarrest luidt voor zover hier van belang als volgt:
“BESLISSING
Het hof:
- heropent het onderzoek;
[…]
- wijst toe de verzoeken 10 tot en met 14 […] op de hiervoor vermelde wijze;
- stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof om als getuigen te horen:
10) [getuige 1] , in 2012 werkzaam bij ING Verenigd Koninkrijk;
11) [getuige 2] , in 2012 werkzaam bij ING Nederland;
12) [getuige 3] , in 2012 werkzaam bij ING Nederland;
13) [getuige 4] , in 2012 werkzaam bij ING Nederland;
[…]
- geeft de verdediging opdracht zo spoedig mogelijk de nodige contactgegevens van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] aan te leveren.”
6.15
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 (de inhoudelijke behandeling) blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte het woord heeft gevoerd conform de aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota, die voor zover hier van belang het volgende inhoudt (met weglating van voetnoten):
“3.4 Verstandhouding met de banken
3.4.1
Aandelenaankoop in privé en compensatie
214. Tevens wordt het verzoek herhaald om de volgende getuigen te (doen) horen over de aandelentransactie in privé en de compensatie voor het daarop geleden verlies:
[…]
15) [getuige 1] , ING Verenigd Koninkrijk;
16) [getuige 2] , ING Nederland;
17) [getuige 3] , ING Nederland;
18) [getuige 4] , ING Nederland.
[…]
240. Bij tussenarrest van 27 mei 2020 wees uw Hof de verzoeken om [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] toe.
241. Inmiddels is echter gebleken dat de raadsheer-commissaris het niet aannemelijk acht dat getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] binnen aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en dat daarom wordt afgezien van het oproepen van deze getuigen (proces-verbaal bevindingen raadsheer-commissaris 10 mei 2021).
242. Primair verzoek ik u onderzoek naar de contactgegevens te (laten) doen via de Belastingdienst, via de pensioenverzekeraar van ING of andere instanties waarbij gegevens van oud-werknemers van ING (kunnen) zijn opgeslagen. Ook verzoek ik u de mogelijkheden te (laten) onderzoeken om LinkedIn-pagina’s uit 2012 in te zien.
243. Nu cliënt immers niet beschikt over verdere contactgegevens, moet worden voldaan aan de inspanningsplicht voor de autoriteiten om de getuigen op te sporen. De autoriteiten hebben daartoe immers ook meer mogelijkheden dan de verdediging.
244. Die inspanningsplicht is door het EHRM ook uitdrukkelijk erkend voor getuigen à decharge.
245. Op 19 januari 2021 is het arrest Keskin vs. Nederland gewezen, waarin opnieuw werd bevestigd dat art. 6 lid 3 sub d EVRM ook van toepassing is op getuigen a décharge. “Paragraph 3 (cl) also contains a right to obtain the attendance and examination of witnesses on behalf of the accused, or “defence witnesses”, that is to say witnesses whose statements are in favour of the defendant (see, for instance, Petto v. Estonia, no. 1142,3/03, §31,12 April 2007).”
246. In 2018 bepaalde het EHRM meer specifiek dat ook bij getuigen a décharge sprake moet zijn van een volledige ‘equality of arms’ en dat dit leidt tot een inspanningsverplichting voor de autoriteiten om ondervraging van de getuige mogelijk te maken: “The Court has noted that a decision to call a defence witness at a certain point during the investigation or trial and the subsequent absence of that witness from trial is significant, but not in itself conclusive (compare Popov v. Russia, no. 26833/04, § 188, 13 July 2006, where the absence of the witness led to a violation of Article 6 of the Convention, and Andrey Zakharov v. Ukraine, no. 26581/06, §§ 61-62, 7 January 2016, where it did not). However, once the domestic, courts have accepted, at least in principle, that the examination of a witness for the defence was relevant, they have an obligation to take “effective” measures to ensure the witness’ presence at the hearing by way of, at the very least, issuing a summons (see Polufakin and Chernyshev v. Russia, no. 3oggy/()2, § 207, 25 September 2008) or by ordering the police to compel a witness to appear in court (see Pello, cited above, § 34).”
247. In de zaak Keskin werd bevestigd dat een gebrek aan ‘good reason for the absence, of a witness’ een belangrijke factor is bij de beoordeling van de ‘overall fairness of a trial’: “While the absence of a good reason for the non-attendance of the witness could not of itself be conclusive of the unfairness ofthe applicant’s trial, it was a very important factor to be weighed in the balance when assessing the overall fairness of a trial, and one which might tip the balance in favour of finding a breach of Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention (ibid., § 113).”
248. Het begrip ‘good reason’ was in 2015 al nader toegelicht in de zaak Schatschaschwili vs. Duitsland, waarin de inspanningsverplichting om een getuige te traceren is neergelegd. Deze inspanningsverplichting behelst ‘all reasonable efforts’, en vereist ‘positive steps’ van de autoriteiten om de ondervraging mogelijk te maken. Om te voldoen aan de vereisten van art. 6 EVRM moet op zijn minst actief naar de getuige zijn gezocht:
“In cases concerning a witness’s absence owing to unreachability, the Court requires the trial court to have made all reasonable efforts to secure the witness’s attendance (see Gabrielyan v. Armenia, no. 8088/03, § 78,10 April 2012; Tseber v. the Czech Republic, no. 46203/08, § 48, 22 November 2012; and Kostecki v. Roland, no. 14032/00, §§ 65-66. 4 June 2013/ The fact that the domestic courts were unable to locate the witness concerned or the fact that a witness was absent from the country in which the proceedings were conducted was found not to be sufficient in itself to satisfy the requirements of Article 6 § 3 (d), which requires the Contracting States to take positive steps to enable the accused to examine or have examined witnesses against him (see Gabrielyan, cited above, § 81; Tseber, cited above, § 48; and Lucie v. Croatia, no. 5699/11, § 79, 27 February 2014). Such measures form part of the diligence which the Contracting States have to exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Article 6 are enjoyed in an effective manner (see Gabrielyan, cited above, § 81, with further references). Otherwise, the witness’s absence is imputable to the domestic authorities (see Tseber, cited above, § 48, and Lucie, cited above, § 7g). 121. It is not for the Court to compile a list of specific measures which the domestic courts must have taken in order to have made all reasonable efforts to secure the attendance of a witness whom they finally considered to be unreachable (see Tseber, cited above, § 49). However, it is clear that they must have actively searched for the witness with the help of the domestic authorities, including the police (see Salikhov, cited above, §§ 116-17; Pra/ina v. Romania, no. 3392/03, § 47, 7 January 2014; and Lucie, cited above, § 79) and must, as a ride, have resorted to international legal assistance where a witness resided abroad and such mechanisms were available (see Gabrielyan, § 83; Fafrowicz, §56; Lucic, § 80; and Nikolitsas, § 35, all cited above).
122. The need for all reasonable efforts on the part of the authorities to secure the witness’s attendance at the trial further implies careful scrutiny by the domestic courts of the reasons given for the witness’s inability to attend trial, having regard to the specific situation of each witness (see Nechto, § 127; Damir Sibgatullin, § 56; and Yevgeniy Ivanov, § 47, all cited above). ”
249. In de Nederlandse jurisprudentie is bevestigd dat op zijn minst de basisregistratie personen (BRP) dienen te worden geraadpleegd.
250. Van belang is dat de verplichting om de getuige op te sporen rust op de autoriteiten (OM en/of politie) en dat “zolang nog aanknopingspunten bestaan om de getuige te vinden, [...] deze [zullen] moeten worden benut. Pas wanneer alle mogelijkheden zijn uitgeput, mag worden geconcludeerd dat een nieuw bevel tot oproeping of medebrenging geen resultaat zal hebben”.
251. Zodoende verzoek ik uw Hof primair al het mogelijke te doen de contactgegevens van deze getuigen te achterhalen.
252. Gedacht kan worden aan iedere registratie van werknemers in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk. Dat is niet alleen de werkgever zelf, maar ook de Belastingdienst, het UVW en/of de pensioenverzekeraar. Ook kan worden gedacht aan aan [sic] gewijzigde Linkedln-pagina’s die via reguliere zoekmachines niet meer beschikbaar zijn.
253. Subsidiair verzoek ik u ter compensatie van de onmogelijkheid om getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] te horen, het verhoor van [getuige 5] en [getuige 6] alsnog toe te wijzen.”
6.16
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 houdt verder het volgende in:
“De advocaat-generaal voert het woord als volgt.
Ik persisteer bij mijn al eerder toegezonden schriftelijke reactie (opmerking griffier: aan dit proces-verbaal gehecht). De verdediging herhaalt de al bij tussenarrest afgewezen verzoeken. Er zijn bijna geen nieuwe elementen aangevoerd. Ten aanzien van het horen de medewerkers van de ING: het hof heeft die verzoeken toegewezen en dan is het aan de verdediging om die getuigen aan te duiden. Er wordt nu om een groot en meeslepend onderzoek gevraagd om de NAW-gegevens te achterhalen. Dat is niet realistisch. U heeft mij vanmorgen iets voorgehouden over een goede procesorde, dat geldt nu ook voor de verdediging: ze hebben ruim een jaar de tijd gehad om op verder onderzoek aan te dringen, maar er is nooit naar gevraagd. […]
De voorzitter vraagt of mr. van Zijl nog wil reageren op het verwijt dat zij eerder had kunnen vragen om nader onderzoek te doen naar gegevens van de ING medewerkers.
De raadsvrouw reageert:
Ik vraag geen groot en meeslepend onderzoek, dat onrealistisch is. We hebben nog twee weken voor de behandeling van de zaak. In die tijd is het mogelijk om gegevens van de medewerkers op te vragen bij bijvoorbeeld de Belastingdienst of om oude linked in pagina’s boven water te krijgen. Dat is eenvoudig, ze zitten tenslotte niet in een of ander ver land, waar Nederland geen uitwisseling mee heeft.”
6.17
Het hof heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 onder meer het volgende geoordeeld:
“Relatie met de banken – compensatie aandelentransacties
[…]
Het hof heeft het horen van de getuigen 15 tot en met 18 noodzakelijk geacht. Dat brengt met zich dat ten aanzien van die getuigen het criterium van het verdedigingsbelang geldt. De getuigen zijn niet gehoord. Het verzoek is herhaald en wordt opnieuw afgewezen. Het is niet aannemelijk dat de getuigen 15 tot en met 18 binnen redelijke termijn gehoord kunnen worden. De raadsheer-commissaris heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2021 met bijlagen aangegeven welke pogingen zijn ondernomen om aan nadere persoonsgegevens te komen. Ook de verdediging was destijds niet in staat de raadsheer-commissaris van nadere gegevens te voorzien. Ook nu heeft de verdediging geen nadere gegevens overgelegd. Zo is van alle getuigen de geboortedatum niet bekend. Onder deze omstandigheden is niet aannemelijk dat deze getuigen binnen aanvaarbare termijn kunnen worden opgespoord en verhoord.”
6.18
Het proces-verbaal van bevindingen van het kabinet raadsheer-commissaris van 10 mei 2021 waarnaar het hof verwijst, houdt voor zover hier van belang het volgende in:
“Bij tussenarrest van 27 mei 2020 heeft het hof onder meer bepaald dat [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] als getuigen dienen te horen. Deze personen zouden werkzaam zijn geweest bij respectievelijk Internationale Nederlanden Groep (hierna te noemen ING) Verenigd Koninkrijk en ING Nederland.
Het hof heeft daarbij de raadslieden van de [verdachte en medeverdachte 1] opdracht gegeven om zo spoedig mogelijk de nadere contactgegevens van de desbetreffende getuigen aan te leveren. Bij e-mail van 2 september 2020 heeft de raadsman van [verdachte] , mr. K.J. Zeegers, desgevraagd het kabinet van de raadsheer-commissaris laten weten dat het hem niet is gelukt om de adresgegevens van de getuigen te achterhalen.
Het kabinet van de raadsheer-commissaris heeft op 13 november 2020 navraag gedaan naar de adresgegevens van de betreffende getuigen bij de afdeling People Services van de ING. De ING heeft op 16 november 2020 als reactie daarop te kennen gegeven dat deze gegevens helaas niet meer te achterhalen zijn.
Op 23 november 2020 heeft ook de raadsman van [medeverdachte 1] , mr. T. Felix, desgevraagd aangegeven dat het hem niet is gelukt om de adresgegevens van de getuigen te achterhalen. Naar aanleiding van het bovenstaande heeft het kabinet van de raadsheer-commissaris op 14 januari 2021 per e-mail contact opgenomen met advocaat-generaal mr. Hemelaar met de vraag of het Openbaar Ministerie nog mogelijkheden ziet om de adresgegevens van de getuigen te achterhalen. De advocaat-generaal heeft daarop laten weten dat hij, bij gebreke van nadere persoonsgegevens, geen nadere mogelijkheden ziet om de gegevens van de getuigen te achterhalen, temeer nu er al navraag is gedaan bij de ING.
Naar aanleiding van het niet kunnen achterhalen van nadere persoonsgegevens en het dus niet kunnen traceren van betreffende getuigen en de planning van de verhoren, heeft er op verzoek van mr. Van Zijl, raadsvrouw verdachte [verdachte] , op 26 maart 2021 een regiebijeenkomst plaatsgevonden.
Van deze bijeenkomst is apart een proces-verbaal opgemaakt die aan dit proces-verbaal van bevindingen zal worden gehecht. Op aandringen van de verdediging heeft de raadsheer-commissaris nog een zoekslag gemaakt teneinde meer gegevens van de getuigen te achterhalen en heeft de raadsheer-commissaris op 1 april 2021 persoonlijk contact gezocht met de ING.
Naar aanleiding van het verzoek van 1 april 2021 van de raadsheer-commissaris aan de juridische afdeling van de ING, heeft M.J. Bas, advocaat, werkzaam bij ING Nederland op de afdeling HR/Legal laten weten dat de naam [getuige 1] eenmaal in het personeelsarchief voorkomt en de naam [getuige 4] meermalen, met verschillende voorletters, derhalve betrekking hebbende op verschillende personen. De informatie betreft echter uitsluitend hun naam, verder zijn er geen andere persoons- of adresgegevens bekend. Van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] zijn helemaal geen gegevens bekend.
Desgevraagd heeft mr. Bas op 7 april 2021 laten weten dat de ING geen enkele contactgegevens meer heeft van [getuige 1] en dat navraag bij haar collega in Groot-Brittannië geen resultaat heeft opgeleverd. De ING Verenigd Koninkrijk heeft laten weten in 2012 geen medewerker te hebben gehad met de naam [getuige 1] .
Nu de verdediging niet in staat is gebleken om nadere persoonsgegevens van de te horen getuigen aan te leveren en naspeuringen van het openbaar ministerie en de raadsheer-commissaris bij herhaling geen resultaat hebben opgeleverd acht de raadsheer-commissaris het niet aannemelijk dat de getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en gehoord. Om die reden wordt afgezien van het oproepen van deze getuigen en sluit de raadsheer-commissaris het onderzoek met betrekking tot deze getuigen.”
6.19
Ter onderbouwing van de klacht wordt in de schriftuur naar voren gebracht dat:
(i) het hof enkel rept over de verantwoordelijkheid van de verdachte om gegevens aan te leveren en de inspanningsverplichting van de overheid onbesproken laat;
(ii) het oordeel van het hof dat “de raadsheer-commissaris in een proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2021 met bijlagen heeft aangegeven welke pogingen zijn ondernomen om aan nadere persoonsgegevens te komen” ontoereikend is gemotiveerd, nu niet duidelijk en controleerbaar is welke pogingen dit zijn;
(iii) de overwegingen van het hof geen enkele belangenafweging behelzen, waardoor het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn beweegredenen om de getuige niet andermaal (proberen) op te roepen;
(iv) het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris dateert van meer dan een jaar voor de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022;
(v) het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat vanwege de schuld van de verdachte in privé aan [bedrijf 1] de waardedaling van de aandelen (waarover de getuigen mogelijk zouden kunnen verklaren) relevant is voor de beoordeling van de vraag of het faillissement van [bedrijf 1] voorzienbaar was.
6.20
Het hof heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 het herhaalde verzoek van de verdediging tot het horen van de eerder bij tussenarrest van 27 mei 2020 toegewezen getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , alsnog afgewezen op de grond dat het niet aannemelijk is dat deze getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en gehoord. Bij dit oordeel heeft het hof betrokken dat (i) de raadsheer-commissaris in een proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2021 met bijlagen heeft aangegeven welke pogingen zijn ondernomen om aan nadere persoonsgegevens te komen, (ii) de verdediging ook niet in staat is gebleken nadere gegevens te overleggen en (iii) van alle getuigen de geboortedatum niet bekend is.
6.21
Uit het proces-verbaal van het kabinet raadsheer-commissaris van 10 mei 2021 blijkt welke inspanningen zijn verricht om de getuigen op te sporen. Van de getuigen was – behalve de achternaam en in een sommige gevallen de voorletter – alleen bekend dat zij werkzaam zouden zijn geweest bij ING Verenigd Koninkrijk en ING Nederland. Op 13 november 2020 heeft het kabinet van de raadsheer-commissaris navraag gedaan bij de afdeling People Services van de ING naar de adresgegevens van de getuigen. Op 16 november 2020 liet de ING weten dat deze gegevens niet meer te achterhalen zijn. De raadsman van de verdachte en de raadsman van de zoon van de verdachte hebben op respectievelijk 2 september 2020 en 23 november 2020 laten weten dat het hun niet is gelukt de adresgegevens van de getuigen te achterhalen. Verder heeft het kabinet van de raadsheer-commissaris op 14 januari 2021 contact opgenomen met de advocaat-generaal. Ook het openbaar ministerie zag vanwege het ontbreken van nadere persoonsgegevens geen mogelijkheden om de gegevens van de getuigen te achterhalen. Op 1 april 2021 heeft de raadsheer-commissaris op aandringen van de verdediging nog een zoekslag gemaakt teneinde meer gegevens van de getuigen te achterhalen en persoonlijk contact gezocht met de ING. De afdeling HR/Legal van ING Nederland liet weten dat er geen gegevens bekend zijn van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . De naam [getuige 1] komt eenmaal voor in het personeelsarchief, maar de ING heeft geen enkele contactgegevens meer van deze persoon en ING Verenigd Koninkrijk liet weten in 2012 geen medewerker te hebben gehad met de naam [getuige 1] . De naam [getuige 4] komt meermalen voor in het personeelsarchief, maar met verschillende voorletters en dus betrekking hebbende op verschillende personen. Behalve de naam zijn geen andere persoons- of adresgegevens bekend. Op basis van de resultaten van deze inspanningen heeft de raadsheer-commissaris geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en gehoord, is afgezien van het oproepen van deze getuigen en is het onderzoek met betrekking tot deze getuigen gesloten.
6.22
Gelet op de hierboven beschreven inspanningen van de raadsheer-commissaris en het feit dat ondanks deze inspanningen niet meer persoonsgegevens van de getuigen bekend zijn dan een achternaam en – in een aantal gevallen – een voorletter, acht ik de afwijzende beslissing van het hof niet onbegrijpelijk.
6.23
Daaraan doet wat mij betreft niet af dat het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris dateert van meer dan een jaar voor de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 (argument iv). Niets duidt er immers op dat het een jaar later, op 8 juni 2022, wel mogelijk zou zijn nadere persoonsgegevens van de getuigen te achterhalen. Het als (iv) aangeduide argument slaagt niet.
6.24
Ook heeft het hof mijns inziens voldoende inzicht gegeven in zijn beweegredenen om de getuigen niet andermaal (proberen) op te roepen. Dat de overweging van het hof geen belangenafweging bevat, maakt dat niet anders, zodat het onder (iii) weergegeven argument eveneens faalt.
6.25
Verder berust het argument dat het hof enkel rept over de verantwoordelijkheid van de verdachte om gegevens aan te leveren en de inspanningsverplichting van de overheid onbesproken laat (i) naar mijn idee op een onjuiste lezing van het proces-verbaal van 8 juni 2022. Uit dit proces-verbaal blijkt immers dat het hof bij zijn afwijzing ook de inspanningen van de raadsheer-commissaris heeft betrokken.
6.26
Bovendien zie ik niet in waarom het niet duidelijk en oncontroleerbaar zou zijn welke pogingen zijn ondernomen om aan nadere persoonsgegevens te komen, nu het hof in dit verband heeft verwezen naar het proces-verbaal van bevindingen van het kabinet raadsheer-commissaris van 10 mei 2021 en in dit proces-verbaal de pogingen om aan nadere persoonsgegevens te komen uitvoerig beschreven en met bijlagen onderbouwd zijn.
6.27
Het onder (v) weergegeven argument laat ik tot slot onbesproken, nu dit argument mijns inziens niet aansluit bij het middel en het eventuele slagen van dit argument dan ook niet kan leiden tot het slagen van het middel.
6.28
De als a) geformuleerde klacht faalt.
6.29
Ik kom daarmee toe aan de als b) geformuleerde klacht dat de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
6.30
Het hof heeft bij tussenarrest van 27 mei 2020 het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] als volgt samengevat en afgewezen:
“Relatie met de banken - compensatie aandelentransacties
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft verklaard dat hij Fortis en ING een gunst heeft verleend door op verzoek van hun respectievelijke bestuurders in privé voor € 70 miljoen aandelen te kopen. Voor deze aankopen heeft verdachte geld geleend van [bedrijf 1] . De aandelen zijn als gevolg van de bankencrisis € 50 miljoen minder waard geworden. In 2009 is er contact geweest over compensatie en in 2011 zijn er twee gesprekken gevoerd met mensen van ING. Verdachte vertrouwde erop dat de banken [bedrijf 1] op hun beurt door moeilijker tijden zouden helpen.
Over de aandelentransacties en de onderhandelingen heeft de verdediging verzocht de volgende personen als getuige te horen:
8) [getuige 5] (voormalig bestuursvoorzitter Fortis);
9) [getuige 6] (voormalig bestuursvoorzitter ING);
10) [getuige 1] (werkzaam bij ING Verenigd Koninkrijk);
11) [getuige 2] (werkzaam bij ING Nederland);
12) [getuige 3] (werkzaam bij ING Nederland);
13) [getuige 4] (werkzaam bij ING Nederland);
14) [getuige 7] (curator privéfaillissement verdachte).
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken 8 tot en met 14 dienen te worden afgewezen.
Oordeel van het hof
Op de verzoeken 8 en 14 is het verdedigingsbelang van toepassing. De verzoeken 9 tot en met 13 zijn niet bij tijdig ingekomen appelschriftuur gedaan en worden daarom getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium.
Het horen van getuige 8 is naar het oordeel van het hof niet van belang voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing, mede omdat [getuige 5] al in september 2008 bij Fortis is vertrokken. [getuige 6] (getuige 9) is sinds januari 2009 weg bij ING. Aan de orde is de vraag in hoeverre het faillissement van [bedrijf 1] en als gevolg daarvan de faillissement van verdachte in privé te voorzien was. Indien al juist is de stelling van verdachte dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, dan blijft nog de vraag op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak. Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen. Het hof zal de verzoeken 8 en 9 dan ook afwijzen, de verdediging is daardoor niet in haar belang geschaad.”
6.31
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 (de inhoudelijke behandeling) blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte het woord heeft gevoerd conform de aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota, die voor zover hier van belang het volgende inhoudt (met weglating van voetnoten):
“3.4 Verstandhouding met de banken
3.4.1
Aandelenaankoop in privé en compensatie
214. Tevens wordt het verzoek herhaald om de volgende getuigen te (doen) horen over de aandelentransactie in privé en de compensatie voor het daarop geleden verlies:
13) [getuige 5] , voormalig bestuursvoorzitter Fortis;
14) [getuige 6] , voormalig bestuursvoorzitter ING;
[…]
215. Cliënt heeft verklaard dat hij in 2007 door [getuige 5] van de Fortis bank is gevraagd of hij aandelen wilde kopen, vanwege liquiditeitsproblemen bij de bank (Kirishima Voi-01, p.16). Hetzelfde gebeurde met ING. [getuige 6] , toenmalig bestuursvoorzitter van ING, benaderde hem met het verzoek in privé aandelen aan te schaffen in ING en Aegon.
216. Deze aandelenpakketten moesten worden in privé worden gekocht, omdat [bedrijf 1] anders enerzijds geld leende van de banken en anderzijds aandeelhouder was van diezelfde banken. Dat werd als ongewenst gezien. Gezien het belang van een goede relatie met de banken is cliënt op deze verzoeken ingegaan. Hij leende daarvoor geld van [bedrijf 1] . Cliënt heeft in totaal voor circa € 70 mio aan aandelen aangekocht van Fortis, ING, ABN AMRO en Aegon, waarvan de waarde ten gevolge van de bankencrisis met € 50 mio is verminderd.
217. Cliënt was echter steeds ervan uitgegaan dat de banken hem zouden compenseren voor dit verlies, of dat deze banken ten minste een morele plicht zouden voelen [bedrijf 1] door eventueel zwaar weer heen te helpen. Dat droeg in sterke mate bij aan zijn vertrouwen dat [bedrijf 1] overeind zou blijven.
218. Cliënt had al in 2009 contacten met [getuige 6] over compensatie voor de geleden verliezen. [getuige 6] had cliënt namelijk verzekerd dat er geen ’risico’s verbonden waren aan de aandelenkoop. In 2011 hebben daarover twee gesprekken plaatsgevonden, en in februari 2012 is daarover nog een gesprek geweest, en is cliënt tot afspraken met ING gekomen.
219. De vaststellingsovereenkomst en bijbehorende geheimhoudingsverklaring zouden in de eerste week van maart 2012 worden getekend. Ondanks herhaald verzoek heeft cliënt echter hierover nooit meer iets gehoord van ING.
220. Cliënt ging er dus ten minste tot begin maart 2012 van uit dat ING hem zou compenseren voor de geleden verliezen. Ook vertrouwde cliënt er volledig op dat de banken [bedrijf 1] op hun beurt door moeilijker tijden zouden helpen.
221. De houding van ING veranderde echter rigoureus in het voorjaar van 2012. Cliënt gaat ervan uit dat dit het gevolg was van negatieve beïnvloeding door de medewerkers van FGH.
222. [getuige 6] was destijds bestuursvoorzitter van ING en [getuige 5] was bestuursvoorzitter van Fortis. Zij hebben cliënt benaderd met het verzoek om aandelen te kopen en hem verzocht dit via privévermogen te financieren.
223. [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] waren destijds allemaal werkzaam bij ING en hebben één of meer gesprekken bijgewoond over de compensatie aan cliënt.
224. De verdediging wenst deze getuigen te horen over de wijze waarop de aandelenaankoop door cliënt in de banken tot stand is gekomen, onder welke, voorwaarden dit is geschied en waarom, en wat er nadien is gecommuniceerd over een compensatie voor het geleden verlies.
225. Dat is in het belang van de verdediging en noodzakelijk voor een zorgvuldige beoordeling van de bewijsvraag voor feiten 1. en 3. inzake Kirishima.
[…]
253. Subsidiair verzoek ik u ter compensatie van de onmogelijkheid om getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] te horen, het verhoor van [getuige 5] en [getuige 6] alsnog toe te wijzen.
254. Het belang om [getuige 5] en [getuige 6] te horen wordt immers des te groter als niet aannemelijk is dat de toegewezen getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en dat daarom wordt afgezien van het oproepen van deze getuigen (proces-verbaal bevindingen raadsheer-commissaris 10 mei 2021).
255. Gebleken is dan immers dat het verhoor van [getuige 5] en [getuige 6] mogelijk de enige wijze is waarop informatie over de compensatieafspraken kan worden verkregen.
256. Hen kan worden gevraagd wie deze gesprekken met cliënt hebben gevoerd, zodat een hernieuwde poging kan worden gedaan de reeds toegewezen getuigen op te sporen.
257. Bovendien kunnen zij zelf verklaren wat zij weten over de compensatieafspraken.
258. Bij tussenarrest van 27 mei 2020 wees uw Hof de verzoeken om [getuige 5] en [getuige 6] af (tussenarrest 27 mei 2020, p. 5): “Indien al juist is de stelling van verdachte dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, dan blijft nog de vraag op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak. Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen.”
259. Ten eerste stelt cliënt dat hij al in 2009 contacten had met [getuige 6] over compensatie voor de geleden verliezen. Ook met [getuige 5] is dat ter sprake gekomen, aldus cliënt.
260. Bovendien heelt de zoon van cliënt in de door de FIOD geretourneerde administratie een document teruggevonden waarin wordt bevestigd dat cliënt reeds in 2007 schriftelijk de afspraken met de banken vastlegde.
261. In deze notulen van 16 maart 2007 wordt de aandelenaankoop gedocumenteerd. Dit document bevestigt de stelling van cliënt dat hij beide bestuursvoorzitters een gunst verleende, en vormt extra aanleiding de bestuursvoorzitters te bevragen over de totstandkoming van deze afspraken en over eventuele toezeggingen die daarbij zijn gedaan. Dit document bevestigt dat de bestuursvoorzitters - eventueel op hoofdlijnen - kunnen verklaren over een compensatie voor de geleden verliezen.
262. Vanwege de aard van de strafrechtelijke verwijten die cliënt in verschillende procedures worden gemaakt, heeft de verdediging dit document in eigen beheer laten onderzoeken. De documenten die namens cliënt in procedures worden ingebracht worden immers met de nodige scepsis benaderd. Om deze op voorhand weg te nemen is onderzoeksbureau Forensicon verzocht onderzoek te doen naar de authenticiteit van de notulen van 16 maart 2007.
263 De resultaten (p. 9) houden in dat op basis van de gebruikte printtechnieken slechts is vast te stellen dat het document is “geprint in de periode tussen halverwege jaren 80 tot heden”.
264. Ook bevat het rapport de passage (p. 8):
“Naar aanleiding van de vraagstelling zijn de volgende elkaar uitsluitende hypothesen beschouwd:
H1: Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
H2: Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
De deskundigen hebben gerapporteerd dat de onderzoeksresultaten extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer H1 juist is dan wanneer H2 juist is.”
265. Dit is de hoogste waarschijnlijkheidsterm die in het rapport is betrokken. Anders dan het OM stelt, komt deze conclusie niet uit de lucht vallen, maar is dit de conclusie die het onderzoeksbureau trekt.
266. Vervolgens is de opdracht gegeven om op basis van koolstofdatering aan te geven in welke periode dit document is opgemaakt.
267. Daarop werd van Forensicon het volgende antwoord ontvangen: “Ik ben vanuit het laboratorium geïnformeerd over de resultaten van de extractie uit het papier. Helaas zijn daarbij, tegen de verwachting van de deskundigen, onvoldoende hoeveelheden zetmeel verkregen om een betrouwbare datering van het papier mogelijk te kunnen maken. Ik heb ze verzocht of met nadere extracties wel verwacht mag worden dat er voldoende zetmeel verkregen kon worden, maar ook hierop hebben ze mij aangegeven geen mogelijkheden te zien om meer (niet gecontamineerd) zetmeel uit verdere extracties te verkrijgen.”
268. Nader onderzoek naar de datering van het document is dus volgens Forensicon niet mogelijk.
269. Ik verzoek uw Hof daarom van de inhoud van dit document uit gaan.
270. De notulen bevestigen dat de verzochte getuigen mogelijk kunnen verklaren over de gemaakte afspraken. Dit geeft reden temeer om [getuige 6] en [getuige 5] als getuigen te horen.
271. Deze getuigenverhoren dienen ter onderbouwing van de stellingen van cliënt over de relatie die cliënt had met de banken, en de mondelinge toezeggingen die aan hem waren gedaan over compensatie. Cliënt was ervan overtuigd dat deze bankmedewerkers [bedrijf 1] door zware tijden heen zouden loodsen.
272. Hun verhoren zijn daarom in het belang van de verdediging en noodzakelijk voor de beoordeling van de bewijsvraag.”
6.32
Het hof heeft vervolgens blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 het verzoek tot het horen van [getuige 5] en [getuige 6] als volgt afgewezen:
“De voorzitter deelt als beslissing van het hof mee:
De verdediging heeft bij e-mailberichten van 10 februari 2022 en 31 maart 2022 en ter terechtzitting onderzoekswensen ingediend. Bij e-mailbericht van 17 mei 2022 heeft de verdediging verder meegedeeld dat de ter terechtzitting van 13 mei 2020 ingediende verzoeken zullen worden herhaald. Bij e-mailbericht van 20 mei 2022 heeft de verdediging meegedeeld dat het verzoek tot het horen van [getuige 19] ter terechtzitting nader zal worden toegelicht.
Opmerking hof: dat door het hof bij haar beslissing genoemde aanduiding van de verzoeker, verwijst naar de door de raadsvrouw overgelegde bijlage nummer 7 die als volgt luidt:
[…]
Getuigen:
[…]
13) [getuige 5] , voormalig bestuursvoorzitter Fortis;
14) [getuige 6] , voormalig bestuursvoorzitter ING;
[…]
Beoordeling van de verzoeken
Op de verzoeken is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Bij de beoordeling van de verzoeken is het hof nagegaan of er aanleiding is dat criterium zodanig in te vullen dat het niet verschilt van het criterium van het verdedigingsbelang. Het hof ziet geen aanleiding het noodzakelijkheidscriterium zo in te vullen dat het niet wezenlijk verschilt met hetgeen bij toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt voor zover hierna niet anders wordt overwogen.
[…]
Relatie met de banken – compensatie aandelentransacties
Op verzoek 13 is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing nu het een herhaald verzoek betreft. De verzoeken 14 tot en met 18 zijn niet bij tijdig ingekomen appelschriftuur gedaan en worden daarom getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium.
Het horen van getuige 13 is naar het oordeel van het hof niet van belang voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing, mede omdat [getuige 5] al in september 2008 bij Fortis is vertrokken. [getuige 6] (getuige 14) is sinds januari 2009 weg bij ING. Aan de orde is de vraag in hoeverre sprake is van (voorwaardelijk) opzet op bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers. Daarvoor zijn de financiële situatie en in het bijzonder de liquiditeitspositie van [bedrijf 4] en de met haar verbonden vennootschappen en de financiële situatie en de liquiditeitspositie van verdachte van belang. Indien al juist is de stelling van verdachte dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, dan blijft nog de vraag op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak. Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen. Het na 13 mei 2020 overgelegde verslag van een aandeelhoudersvergadering gehouden in 2007 leidt niet tot een andere conclusie. Ook hiervoor geldt dat zelfs indien de aankoop op verzoek van [getuige 6] en [getuige 5] is verricht, niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd, indachtig het vertrek van beide heren bij de betreffende financiële instellingen en het feit dat enige schriftelijke vastlegging bij de banken ontbrak. Het hof zal de verzoeken 13 en 14 dan ook afwijzen, de verdediging is daardoor niet in haar belang geschaad en de noodzaak tot horen is niet gebleken.”
6.33
Ter onderbouwing van de stelling dat beide afwijzende beslissingen van het hof onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn, brengen de stellers van het middel – samengevat – de volgende argumenten naar voren:
(i) het hof is op onaanvaardbare wijze vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren door te oordelen dat “niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen”;
(ii) het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu het is uitgegaan van de maatstaf of het ‘onaannemelijk is’ dat de getuigen iets zouden kunnen verklaren, terwijl de juiste maatstaf is of het horen van de getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van art. 348 of art. 350 Sv te nemen beslissing;
(iii) het is onduidelijk waarop het oordeel van het hof berust dat “niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd”;
(iv) nu op de beslissing van het hof van 27 mei 2020 over de [getuige 5] het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing was, is de afwijzing van dit verzoek des te onbegrijpelijker;
(v) de afwijzing van de getuigenverzoeken is onbegrijpelijk in het licht van het feit dat de andere getuigen vanwege hun onvindbaarheid ook niet konden worden gehoord.
6.34
Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat het hier niet gaat om een geval waarin de verdachte zijn ondervragingsrecht wil uitoefenen met betrekking tot een voor het bewijs gebruikte of te gebruiken, hem belastende verklaring. Het verzoek van de verdediging ziet op ‘defence witnesses’, anders gezegd: getuigen à décharge. Dit betekent dat geen sprake is van een situatie waarin – gelet op de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin – het belang van het oproepen en horen van een getuigen moet worden voorondersteld, maar dat het beoordelingskader van toepassing is dat de Hoge Raad heeft geschetst in zijn overzichtsarresten van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 en 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015.
6.35
Het hof heeft het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] bij tussenarrest van 27 mei 2020 afgewezen op de grond dat de verdediging door die afwijzing niet in haar belangen is geschaad. Daarmee heeft het hof toepassing gegeven aan het criterium van het verdedigingsbelang.16.Het hof heeft de afwijzing nader gemotiveerd door te overwegen dat het, gelet op het feit dat [getuige 5] al in september 2008 bij Fortis is vertrokken en [getuige 6] sinds januari 2009 weg is bij ING, niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders (ik begrijp: [getuige 5] en [getuige 6] ) iets zouden kunnen zeggen over de vraag op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren voor de aanschaf van aandelen, terwijl dit van belang is voor de beantwoording van de vraag in hoeverre het faillissement van [bedrijf 1] en de verdachte in privé voorzienbaar was. De verdediging heeft blijkens de – in cassatie onbestreden – weergave door het hof van het standpunt van de verdediging gesteld dat er in 2009 contact is geweest over compensatie en er in 2011 twee gesprekken zijn gevoerd met mensen van ING. In het licht hiervan, acht ik de bij tussenarrest van 27 mei 2020 gegeven afwijzing van het verzoek tot het horen van [getuige 5] en [getuige 6] niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd en is het hof hiermee niet op ontoelaatbare wijze vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren. Daarmee faalt het onder (i) genoemde argument.
6.36
Op de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 heeft het hof de verzoeken tot het horen van [getuige 5] en [getuige 6] afgewezen met een soortgelijke motivering. Gezien het voorgaande, is ook deze afwijzing niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd en is het hof niet op ontoelaatbare wijze vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren.
6.37
Ook meen ik dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te beoordelen of het aannemelijk is geworden dat de getuige iets zou kunnen zeggen over de compensatie. Het criterium van het verdedigingsbelang houdt immers in dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing, of als redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.17.Het hof heeft laatstgenoemde maatstaf toegepast en daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het criterium van het verdedigingsbelang, zodat argument (ii) faalt.
6.38
Voor zover de stellers van het middel klagen dat het onduidelijk is waarop het oordeel van het hof berust dat “niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd”, merk ik op dat het hof dit heeft toegelicht door te overwegen: “indachtig het vertrek van beide heren bij de betreffende financiële instellingen en het feit dat enige schriftelijke vastlegging bij de banken ontbrak”. Het onder (iii) genoemde argument gaat niet op.
6.39
Het onder (iv) genoemde argument slaagt evenmin, nu het hof het criterium van het verdedigingsbelang heeft toegepast en hiervoor is gebleken dat de afwijzing niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is.
6.40
Dat de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] vanwege hun onvindbaarheid niet gehoord konden worden, maakt de afwijzingen van de verzoeken tot het horen van de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] niet onbegrijpelijk, nu het hof bij de afwijzing van het verzoek tot het horen van [getuige 5] en [getuige 6] als getuigen niet heeft betrokken dat de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] [getuige 3] en [getuige 4] wel zouden worden gehoord. Het onder (v) genoemde argument gaat dan ook niet op.
6.41
De tweede deelklacht van het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.
De derde deelklacht van het tweede middel
6.42
De derde deelklacht komt op tegen de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het horen van de [getuige 8] . Deze afwijzing zou onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn.
6.43
Het hof heeft bij tussenarrest van 27 mei 2020 het verzoek tot het horen van de [getuige 8] als volgt samengevat en afgewezen:
“Relatie met de banken – Vercors -documenten
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft verklaard dat de medewerkers van FGH op de hoogte waren van de valsheid van de in de zaak Vercors (07-996513-12) ten laste gelegde documenten en dat zij er zelfs om hebben verzocht. De verdediging heeft gesteld dat daarom geen sprake is van derden die niet van de valsheid op de hoogte waren en dat verdachte dus geen oogmerk van misleiding heeft gehad.
Op 15 november 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verdachte en FGH, waarin de valsheid van de documenten is besproken. Na dat gesprek heeft verdachte intensief met verschillende banken overlegd, waarbij verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de banken gericht waren op het voortbestaan van [bedrijf 1] . Verdachte had daar op basis van wat er vanuit de banken naar hem werd gecommuniceerd ook alle reden toe.
Om dit standpunt nader te onderbouwen heeft de verdediging verzocht om de volgende personen als getuige te horen:
15) [getuige 8] (directievoorzitter FGH);
[…]
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken 15 tot en met 23 dienen te worden afgewezen.
Oordeel van het hof
De verzoeken 15 tot en met 23 zijn niet bij tijdig ingekomen appelschriftuur gedaan en dienen daarom aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium te worden beoordeeld.
Het hof stelt in dezen het volgende voorop. Voor de vraag of het faillissement van [bedrijf 1] voorzienbaar was en in hoeverre daar rekening mee moest worden gehouden, is in de eerste plaats de financiële situatie (liquiditeitspositie) van het bedrijf doorslaggevend en niet de (veronderstelde) houding van de banken ten opzichte van verdachte en [bedrijf 1] of de reden van het doen van aangifte tegen [bedrijf 1] . Daarbij komt dat [getuige 9] (Rabobank), [getuige 10] (NIBC), [getuige 11] (NIBC), [getuige 12] (SNS), [getuige 13] (SNS), [getuige 14] (SNS), [getuige 15] (ABN Amro/Fortis) en [getuige 16] (ABN Amro/Fortis) door of in opdracht van de rechter-commissaris al over dit onderwerp zijn gehoord.
Gelet op het voorgaande zijn de verzoeken naar het oordeel van het hof te algemeen - en daarom onvoldoende - onderbouwd. De noodzakelijkheid van het horen van de getuigen is niet gebleken. Om die reden zal het hof de verzoeken 15 tot en met 23 afwijzen.”
6.44
De verdediging heeft het verzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 (de inhoudelijke behandeling) herhaald. Nu de schriftuur vermeldt dat het verzoek op dezelfde gronden is herhaald, meen ik dat een weergave van de relevante passages uit de pleitnota achterwege kan blijven.
6.45
Het hof heeft het verzoek vervolgens blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 als volgt afgewezen:
“De voorzitter deelt als beslissing van het hof mee:
De verdediging heeft bij e-mailberichten van 10 februari 2022 en 31 maart 2022 en ter terechtzitting onderzoekswensen ingediend. Bij e-mailbericht van 17 mei 2022 heeft de verdediging verder meegedeeld dat de ter terechtzitting van 13 mei 2020 ingediende verzoeken zullen worden herhaald. Bij e-mailbericht van 20 mei 2022 heeft de verdediging meegedeeld dat het verzoek tot het horen van [getuige 19] ter terechtzitting nader zal worden toegelicht.
Opmerking hof: dat door het hof bij haar beslissing genoemde aanduiding van de verzoeker, verwijst naar de door de raadsvrouw overgelegde bijlage nummer 7 die als volgt luidt:
[…]
Getuigen:
[…]
19) [getuige 8] , geboren [geboortedatum] -1953, gegevens bekend;
[…]
Beoordeling van de verzoeken
[…]
Relatie met de banken – Vercors -documenten
De verzoeken 19 tot en met 27 zijn niet bij tijdig ingekomen appelschriftuur gedaan en dienen daarom aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium te worden beoordeeld.
Het hof stelt in dezen het volgende voorop. Voor de vraag of het faillissement van [bedrijf 1] voorzienbaar was en in hoeverre daar rekening mee moest worden gehouden, is in de eerste plaats de financiële situatie (liquiditeitspositie) van het bedrijf doorslaggevend en niet de (veronderstelde) houding van de banken ten opzichte van verdachte en [bedrijf 1] of de reden van het doen van aangifte tegen [bedrijf 1] .
Daarbij komt dat [getuige 9] (Rabobank), [getuige 10] (NIBC), [getuige 11] (NIBC), [getuige 12] (SNS), [getuige 13] (SNS), [getuige 14] (SNS), [getuige 15] (ABN Amro/Fortis) en [getuige 16] (ABN Amro/Fortis) door of in opdracht van de rechter-commissaris al over dit onderwerp zijn gehoord. Ook Dulack is bij de rechter-commissaris gehoord.
Gelet op het voorgaande zijn de verzoeken naar het oordeel van het hof te algemeen - en daarom onvoldoende - onderbouwd. De noodzakelijkheid van het horen van de getuigen is niet gebleken. Om die reden zal het hof de verzoeken 19 tot en met 27 afwijzen.”
6.46
Ter onderbouwing van de stelling dat deze beide afwijzende beslissingen van het hof onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn, brengen de stellers van het middel – samengevat – de volgende argumenten naar voren:
(i) de overwegingen van het hof blijken steken in algemeenheden, terwijl de verdediging het verzoek concreet en indringend heeft onderbouwd;
(ii) in het oordeel van het hof blijft in het midden waarom het horen van de [getuige 8] niet relevant zou zijn voor de beoordeling van de aan de verdachte in de zaak Vercors tenlastegelegde valsheid in geschrifte, terwijl de verdediging heeft verzocht de getuige te horen over de zaak Vercors ;
(iii) er kan niet worden gesteld dat het verzoek ‘te algemeen’ of ‘onvoldoende onderbouwd’ is.
6.47
Bij de beoordeling van deze klacht stel ik voorop dat het hof een verklaring die [getuige 8] op 26 november 2013 heeft afgelegd bij de rechter-commissaris voor het bewijs heeft gebruikt. Uit het door het hof samengevatte – en in cassatie onbestreden – verzoek van de verdediging blijkt dat de verdediging [getuige 8] niet wenste te ondervragen over deze verklaring. Om die reden gaat het hier niet om een geval waarin de verdachte zijn ondervragingsrecht wil uitoefenen met betrekking tot een voor het bewijs gebruikte of te gebruiken, hem belastende verklaring, maar om een getuige à décharge.
6.48
Het hof heeft het verzoek tot het horen van de [getuige 8] – terecht – beoordeeld op grond van het noodzakelijkheidscriterium. Het heeft geoordeeld dat de noodzakelijkheid van het horen van de getuigen niet is gebleken. Nu het hof daarbij onder meer in aanmerking heeft genomen dat acht andere getuigen door of in opdracht van de rechter-commissaris reeds over dit onderwerp zijn gehoord, acht ik de afwijzing van het verzoek niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
6.49
De onder (i) en (iii) genoemde argumenten leiden niet tot een ander oordeel, omdat deze grond de afwijzing van het verzoek zelfstandig kan dragen. Met betrekking tot het onder (ii) weergegeven argument merk ik op dat het hof het noodzakelijkheidscriterium heeft toegepast. Het hof hoefde dus niet te motiveren waarom het horen van de [getuige 8] niet relevant zou zijn voor de beoordeling van de aan de verdachte in de zaak Vercors tenlastegelegde valsheid in geschrifte. Bovendien wordt met dit argument miskend dat het hof niet alleen is ingegaan op de noodzaak van het horen van [getuige 8] voor de zaak Kirishima, maar ook in algemene zin heeft overwogen dat andere getuigen al door de rechter-commissaris zijn gehoord over de onderwerpen waarover de verdediging [getuige 8] wenste te ondervragen.
6.50
De derde deelklacht van het tweede middel faalt.
De vierde deelklacht van het tweede middel
6.51
De vierde deelklacht bestrijdt de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 17] en [getuige 18] . Deze afwijzing zou onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn.
6.52
Het hof heeft bij tussenarrest van 27 mei 2020 het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 17] en [getuige 18] als volgt samengevat en afgewezen:
“Waardebepaling stal
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de stal ( [bedrijf 2] BV/ [bedrijf 3] BV) een levensvatbare onderneming was. Daarbij wilde de zoon van verdachte de bedrijfsvoering veranderen. De onderneming kon derhalve going concern worden overgedragen, waardoor niet alleen de waarde van de activa, maar ook de bedrijfsresultaten een rol spelen bij de overdracht.
Tevens meent de verdediging dat de waardebepaling van de paarden juist is geweest. Dat de latere verkoopopbrengsten veel hoger zijn geweest doet daaraan niet af nu die waarden enorm kunnen fluctueren. Over de levensvatbaarheid van en de plannen met de stal wenst de verdediging de volgende personen als getuige te horen:
32) [getuige 17] (destijds werknemer van de stal);
33) [getuige 18] (destijds werknemer van de stal).
[…]
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken 32 en 33 dienen te worden afgewezen. De verzoeken c en d kunnen worden toegewezen, maar alleen als het gaat om de waardebepaling van de paarden.
Oordeel van het hof
Verzoek 32 is bij tijdige appelschriftuur gedaan en zal daarom aan de hand van het verdedigingsbelang worden beoordeeld. Verzoek 33 is niet bij tijdige appelschriftuur gedaan, zodat daarop het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. Voor de verzoeken c en d geldt eveneens het noodzakelijkheidscriterium.
Ten aanzien van de verzoeken 32 en 33 merkt het hof op dat de waarde van een bedrijf zo hoog is als de hoogste van de directe en de indirecte opbrengstwaarde. Daarbij is de indirecte opbrengstwaarde de ‘going concern’-waarde en de directe opbrengstwaarde de liquidatiewaarde. Uit punt 319 van de pleitnota blijkt dat de verzoeken zijn gebaseerd op de (onjuiste) aanname dat de waarde van de stal (uitsluitend) wordt bepaald door de ‘going concern’-waarde. Daarmee is het horen van getuige 32 niet relevant voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing en ontvalt de noodzaak tot het horen van getuige 33. Het hof zal daarom deze verzoeken afwijzen.”
6.53
De verdediging heeft het verzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 (de inhoudelijke behandeling) herhaald. Nu de schriftuur vermeldt dat geen nieuwe argumenten zijn aangedragen, meen ik dat een weergave van de relevante passages uit de pleitnota achterwege kan blijven.
6.54
Het hof heeft het verzoek vervolgens blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 als volgt afgewezen:
“De voorzitter deelt als beslissing van het hof mee:
De verdediging heeft bij e-mailberichten van 10 februari 2022 en 31 maart 2022 en ter terechtzitting onderzoekswensen ingediend. Bij e-mailbericht van 17 mei 2022 heeft de verdediging verder meegedeeld dat de ter terechtzitting van 13 mei 2020 ingediende verzoeken zullen worden herhaald. Bij e-mailbericht van 20 mei 2022 heeft de verdediging meegedeeld dat het verzoek tot het horen van [getuige 19] ter terechtzitting nader zal worden toegelicht.
Opmerking hof: dat door het hof bij haar beslissing genoemde aanduiding van de verzoeker, verwijst naar de door de raadsvrouw overgelegde bijlage nummer 7 die als volgt luidt:
[…]
Getuigen:
[…]
33) [getuige 17] , [b-straat] , [plaats] ;
34) [getuige 18] , [c-straat] , [plaats] .
Beoordeling van de verzoeken
[…]
Waardebepaling stal
Verzoek 33 is bij tijdige appelschriftuur gedaan er eerder door het hof aan de hand van het verdedigingsbelang beoordeeld. Nu het een herhaald verzoek betreft is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Verzoek 34 is niet bij tijdige appelschriftuur gedaan, zodat daarop het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is.
Ten aanzien van de verzoeken 33 en 34 ( [getuige 17 en 18] ) merkt het hof op dat de waarde van een bedrijf zo hoog is als de hoogste van de directe en de indirecte opbrengstwaarde. Daarbij is de indirecte opbrengstwaarde de ‘going concern’-waarde en de directe opbrengstwaarde de liquidatiewaarde. Uit punt 3 19 van de oorspronkelijke pleitnota (waarnaar is verwezen) blijkt dat de verzoeken zijn gebaseerd op de (onjuiste) aanname dat de waarde van de stal (uitsluitend) wordt bepaald door de ‘going concern’-waarde. Daarmee is bet horen van getuigen 33 en 34 niet relevant voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing. Het hof zal daarom deze verzoeken afwijzen.”
6.55
Ook ten aanzien van de getuigen [getuige 17] en [getuige 18] wordt zowel geklaagd over de afwijzende beslissing bij tussenarrest van 27 mei 2020, als over de afwijzende beslissing ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022. De stellers van het middel voeren de volgende argumenten aan:
(i) het is onduidelijk waarom het feit dat de verdediging de waarde van een bedrijf enkel heeft gestoeld op de ‘going concern-waarde’, maakt dat de getuigenverzoeken zinledig zijn voor de vragen als bedoeld in art. 348 en/of 350 Sv;
(ii) wanneer de ‘going concern-waarde’ hoger zou zijn dan de liquidatiewaarde – hetgeen de verdediging heeft betoogd – snijdt het pleidooi van de verdediging hout.
6.56
Het hof heeft bij tussenarrest van 27 mei 2020 het verzoek ten aanzien van de [getuige 17] getoetst aan het criterium van het verdedigingsbelang. Het heeft geoordeeld dat het horen van [getuige 17] niet relevant is voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, nu het hof hieraan ten grondslag heeft gelegd dat de verdediging [getuige 17] alleen wenste te horen over de levensvatbaarheid van en de plannen met de stal (de ‘going concern-waarde’), terwijl het heeft vastgesteld dat de waarde van de stal niet alleen bepaald kan worden op basis van de ‘going concern-waarde’ en ook afhangt van de liquidatiewaarde. Nu de waarde van de stal niet vastgesteld kan worden op basis van de verklaring van [getuige 17] – en die waarde van belang is voor het beantwoorden van de vraag of de verdachte heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers – is het duidelijk waarom het horen van [getuige 17] niet relevant is voor de beantwoording van de vragen als bedoeld in art. 348/350 Sv.
6.57
Het hof heeft het verzoek tot het horen van de [getuige 17] op de terechtzitting van 8 juni 2022 afgewezen met toepassing van het noodzaakcriterium, maar hieraan dezelfde redenering ten grondslag gelegd als bij de afwijzing van het getuigenverzoek van [getuige 17] van 27 mei 2020. Hetzelfde geldt voor de afwijzingen van de verzoeken tot het horen van de [getuige 18] bij tussenarrest van 27 mei 2020 en op de terechtzitting van 8 juni 2022. Om de hierboven genoemde redenen, zijn ook deze afwijzingen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
6.58
De vierde deelklacht faalt.
De vijfde deelklacht van het tweede middel
6.59
De vijfde deelklacht heeft betrekking op de afwijzing door het hof van de aanvullende verzoeken van de verdediging van 10 februari 2022, 31 maart 2022 en 8 juni 2022.
6.60
Uit de schriftuur begrijp ik dat het gaat om het verzoek tot het horen van getuigen, meer specifiek [getuige 20] , “anderen binnen [bedrijf 5] die waren betrokken bij het opstellen van de liquiditeitsprognose” en [getuige 19] , alsmede het verzoek tot het toevoegen van administratie die ten grondslag lag aan de liquiditeitsprognose.
6.61
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 blijkt dat het hof deze verzoeken als volgt heeft samengevat en afgewezen:
“Aanvullende verzoeken
De aanvullende verzoeken zijn neergelegd en toegelicht in brieven van de verdediging van 10 februari en 31 maart 2022 en heden ter zitting gedaan. De verzoeken strekken er - in hoofdlijnen -- toe meer duidelijkheid te krijgen over de totstandkoming van de conceptjaarrekening 2011 (al dan niet D-175) en de in de stukken genoemde liquiditeitsprognose van 8 september 2011. Naar dit laatste stuk wordt in de documenten D-229 en D569 verwezen, doch de liquiditeitsprognose is pas onlangs aan de stukken toegevoegd.
Nader onderzoek naar de totstandkoming en de onderliggende administratie van de conceptjaarrekening 2011 acht het hof niet van belang. Het dossier bevat voldoende informatie om een goed beeld te krijgen van de financiële situatie van [bedrijf 4] en de met haar verbonden bedrijven.
Weliswaar is de liquiditeitsprognose recent aan het dossier toegevoegd, maar de herkomst en een deel van de inhoud blijkt al uit het dossier. Zo blijkt uit D-229 (een memo van de curator van [bedrijf 4] ) dat het stuk afkomstig is van [bedrijf 5] (het accountantskantoor van [bedrijf 1] ) en zou daar in staan dar de liquide middelen die op dat moment nog 25 min bedragen eind april 2012 verdwenen zullen zijnen er per juli 2012 een tekort van 9.3 miljoen wordt voorzien. Ook maakt de curator een aantal opmerkingen over zaken die nog niet in die prognose meegenomen zijn, dan wel uiteindelijk geen doorgang hebben gevonden. Soortgelijke opmerkingen slaan in D-569 (faillissementsverslag m 9).
Uit de nu aan het dossier toegevoegde informatie blijkt dat de liquiditeitsprognose op 8 september 2011 door [bedrijf 5] accountants ( [getuige 20] ) is toegezonden aan de directie van [bedrijf 1] ) met de volgende opmerking: “De liquiditeitsplanning is door ons in samenspraak met [getuige 19] vervaardigd op basis van de door u aangeleverde gegevens en uitgangspunten”.
De liquiditeitsprognose is geen aanleiding nader onderzoek te verrichten. De verdediging is daardoor niet in haar belangen geschaad. De strekking van de prognose was bekend, de herkomst was bekend (de eigen accountant van [bedrijf 1] ) en blijkt samengesteld op basis van door [bedrijf 1] verstrekte gegevens. Ook dat laatste is geen verrassing, evenmin als de betrokkenheid van [getuige 19] , die in die tijd [bedrijf 1] adviseerde. Gevoegd bij het feit dat juist de liquiditeitspositie van belang is bij de beoordeling van een faillissementsaanvraag kan de conclusie niet anders zijn dat de liquiditeitsprognose geen aanleiding is de verzoeken toe te wijzen. Daarbij komt nog dat de verdediging de mogelijkheid om getuigen te bevragen over de liquiditeitspositie en de door [bedrijf 5] accountants opgestelde prognose heeft gehad. De onder 4 en 6 genoemde getuigen zijn in eerste aanleg bij de rechter-commissaris zijn gehoord. De stelling van de verdediging dat de prognose bewust te negatief is opgesteld om Steensma te weerhouden van beslaglegging acht het hof zonder nadere onderbouwing niet op voorhand plausibel en vormt geen reden de onderzoekswensen anders te beoordelen. Verdachte kan ter zitting zelf toelichten op welke onderdelen de prognose niet klopt.
Alle verzoeken worden afgewezen.”
6.62
Het hof heeft aan de afwijzing van de verzoeken voornamelijk ten grondslag gelegd dat de liquiditeitsprognose geen aanleiding is nader onderzoek te verrichten en de verdediging daardoor niet in haar belangen is geschaad. Dat oordeel acht ik, anders dan de stellers van het middel, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof heeft hierbij immers in aanmerking genomen dat de strekking en de herkomst van de prognose bekend was en dat de prognose is samengesteld op basis van door [bedrijf 1] verstrekte gegevens.
6.63
Voor wat betreft de strekking en de herkomst van de prognose heeft het hof gewezen op het feit dat uit D-229 (een memo van de curator van [bedrijf 1] ) blijkt dat de prognose afkomstig is van [bedrijf 5] (het accountantskantoor van [bedrijf 1] ) en dat daar in zou staan dat de liquide middelen die op dat moment nog 25 miljoen bedragen eind april 2012 verdwenen zullen zijn en er per juli 2012 een tekort van 9,3 miljoen wordt voorzien. Ten aanzien van het feit dat de prognose is samengesteld op basis van door [bedrijf 1] verstrekte gegevens heeft het hof erop gewezen dat uit de aan het dossier toegevoegde informatie blijkt dat de liquiditeitsprognose op 8 september 2011 door [bedrijf 5] accountants ( [getuige 20] ) is toegezonden aan de directie van [bedrijf 1] met de opmerking: “De liquiditeitsplanning is door ons in samenspraak met [getuige 19] vervaardigd op basis van de door u aangeleverde gegevens en uitgangspunten.” Gelet op dit laatste, ga ik voorbij aan de in de schriftuur opgeworpen stelling dat het onbegrijpelijk is en niet uit de bewijsvoering kan volgen dat de liquiditeitsprognose is samengesteld op basis van door [bedrijf 1] verstrekte gegevens.
6.64
Verder heeft het hof bij de afwijzing van de verzoeken betrokken dat de verdediging de mogelijkheid heeft gehad om getuigen te bevragen over de liquiditeitspositie en de door [bedrijf 5] accountants opgestelde prognose heeft gehad, nu de getuigen [getuige 20] en [getuige 19] in eerste aanleg bij de rechter-commissaris zijn gehoord. Dat de verdachte destijds werd bijgestaan door andere raadslieden die een andere verdedigingsstrategie hanteerden, maakt dit oordeel mijns inziens niet onbegrijpelijk.
6.65
Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.
7. Het derde middel
7.1
Het middel klaagt dat de bewijsvoering niet redengevend is voor het in de zaak met parketnummer 08-996128-13 (Kirishima) onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde, althans dat die bewezenverklaring (telkens) onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
7.2
Uit de toelichting op het middel blijkt dat het in het bijzonder gaat om de bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 3, voor zover die betrekking heeft op het handelen ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers.
7.3
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 08-996128-13 (Kirishima) onder 1 primair en onder 3 bewezenverklaard dat:
“1. primair
[bedrijf 1] B.V. (verder te noemen [bedrijf 1] ) op één of meer tijdstippen in de periode van 01 januari 2010 tot en met 05 maart 2014, in Nederland, terwijl zij, [bedrijf 1] bij vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juli 2012 in staat van faillissement is verklaard, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s):
a. goederen aan de boedel heeft onttrokken, en
c. enig goed, klaarblijkelijk beneden de waarde, heeft vervreemd, immers heeft [bedrijf 1] -zakelijk omschreven-:
A. *** een overeenkomst tussen [bedrijf 2] B.V. (verder te noemen [bedrijf 2] , doch later [bedrijf 6] B.V. verder te noemen [bedrijf 6] ) en [bedrijf 1] , gedateerd 01 december 2011 gesloten, waarin wordt overeengekomen dat [bedrijf 1] een vordering (verder te noemen de Vordering) heeft op [bedrijf 2] per 30 november 2011 ten bedrage van EUR 38.250.000 -welke vordering tot zekerheid voor nakoming van haar schulden door [bedrijf 1] was verpand aan de Rabobank- en dat deze Vordering wordt omgezet middels een (agio)storting door [bedrijf 1] van EUR 38.250.000 op (door haar gehouden) aandelen [bedrijf 2] , later [bedrijf 6] ) en waarbij [bedrijf 1] verklaart niets meer van [bedrijf 2] , later [bedrijf 6] te vorderen te hebben uit hoofde van de Vordering en kwijting verleent aan [bedrijf 2] , later [bedrijf 6] voor betaling van de Vordering, door welke overeenkomst een schuld van [bedrijf 2] , later [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] de facto is kwijtgescholden en een vordering van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] , later [bedrijf 6] is omgezet in verhoging van het bedrag van de deelneming in het risicodragend kapitaal van [bedrijf 2] , later [bedrijf 6] , waardoor [bedrijf 1] per saldo heeft afgezien van het vermogensrecht bestaande in die Vordering en het pandrecht van de Rabobank is miskend, en
*** middels notariële akte op 01 december 2011 de aandelen van [bedrijf 2] , later [bedrijf 6] -(ver) beneden de waarde in het economisch verkeer- voor een geldbedrag van EUR 7.000.000 verkocht/overgedragen aan [bedrijf 3] BV (verder te noemen [bedrijf 3] ) waarbij is overeengekomen dat betaling van de koopsom van de aandelen is voldaan middels de hierna te noemen geldleningsovereenkomst, en
*** op 01 december 2011 een geldleningsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] gesloten waarbij [bedrijf 1] een geldbedrag van EUR 7.000.000 leent aan [bedrijf 3] onder meer onder voorwaarde van 7 (zeven) jaarlijkse aflossingen van elk EUR 1.000.000 door [bedrijf 3] te beginnen op 01 december 2012, en
*** op of omstreeks 01 december 2011 een sponsorovereenkomst gesloten tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , later [bedrijf 6] inhoudende dat [bedrijf 1] gedurende zeven jaren jaarlijks EUR 1.000.000 betaalt voor door [bedrijf 2] , later [bedrijf 6] te leveren sponsoractiviteiten, welke feiten tezamen en in onderling verband bezien ertoe hebben geleid dat aanzienlijke vermogensbestanddelen het vermogen van [bedrijf 1] hebben verlaten en
C. *** op een tijdstip in bovengenoemde periode een geldleningsovereenkomst, gedateerd 04 januari 2011 opgemaakt waarin [bedrijf 1] -zonder zakelijk belang en zonder zekerheden- een lening verstrekt aan [bedrijf 7] BV ter hoogte van EUR 2.050.000, en
*** op een tijdstip in bovengenoemde periode een pandrechtsovereenkomst/zakelijke borgtocht, getekend op 03 januari 2011, opgesteld waarin -onder meer- staat vermeld dat [bedrijf 1] aan [bedrijf 7] BV een geldlening verstrekt van EUR 2.050.000 en dat verdachte erkent een schuld aan [medeverdachte 2] te hebben van EUR 2.050.000 gebaseerd op een overeenkomst “VVHV” (Verrekening Verleden Huwelijkse Voorwaarden) blijkens de daarop geplaatste datum ogenschijnlijk gedateerd 28 september 2009 en dat verdachte erkent de in die VVHV afgesproken bedragen niet tijdig conform afspraak te hebben betaald aan [medeverdachte 2] en dat [bedrijf 1] onzakelijk/onverplicht een pandrecht/zakelijke borgtocht voor de gestelde schuld van verdachte aan [medeverdachte 2] verleent voor een bedrag van EUR 2.050.000 aan [medeverdachte 2] inhoudende dat indien verdachte zijn verplichtingen aan [medeverdachte 2] niet voor 01 december 2013 nakomt automatisch per 31 december 2013 het pandrecht/zakelijk borgtocht zal worden ingeroepen waardoor na uitoefening van het pandrecht/zakelijke borgtocht [bedrijf 1] een vordering ad EUR 2.050.000 heeft op verdachte, en
*** op of omstreeks 04 januari 2011 (veel eerder dan verplicht), van de (bank)rekening van [bedrijf 1] het geldbedrag van EUR 2.050.000 overgemaakt op de (bank)rekening van [bedrijf 7] BV met de omschrijving “overboeking”,
welke feiten tezamen en in onderling verband bezien ertoe hebben geleid dat een bedrag van EUR 2.050.000 aan het vermogen van [bedrijf 1] is onttrokken;
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;
3.
hij op één of meer tijdstippen in de periode van 01 december 2010 tot en met 17 juli 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] (verder te noemen [medeverdachte 2] ) of met [medeverdachte 1] (geb. [geboortedatum] 1982, verder te noemen [medeverdachte 1] .) of alleen, terwijl hij, verdachte, bij vonnis van de Rechtbank Zutphen van 27 november 2012, in staat van faillissement is verklaard, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s):
a. goederen aan de boedel hebben onttrokken, of
c. enig goed, klaarblijkelijk beneden de waarde, hebben vervreemd, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders -zakelijk omschreven-:
(Tezamen met [medeverdachte 2] ):
*** op 30 december 2010 onverplicht de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] voor EUR 1 verkocht aan de [stichting] en
(Tezamen met [medeverdachte 1] ):
*** op 23 december 2011, onverplicht en zonder (geldige) titel- een geldbedrag van EUR 600.000 gestort op een bankrekening van [bedrijf 3] BV, en
(Tezamen met [medeverdachte 2] ):
*** op of omstreeks 26 januari 2012 -zonder redelijke en/of duidelijke tegenprestatie en zonder zakelijk belang- een geldbedrag van EUR 1.000.000 betaald aan [bedrijf 3] BV met de omschrijving jaarsponsering [bedrijf 1] , en
*** op of omstreeks 23 december 2011 -onverplicht en zonder (geldige) titel- een geldbedrag van EUR 2.500.000 en op 26 januari 2012, een geldbedrag van EUR 2.000.000 overgemaakt vanaf zijn, verdachtes, privérekening op een bankrekening van de [stichting] , en
*** op één of meer tijdstippen in genoemde periode -onverplicht en zonder (geldige) titel- geldbedragen tot een totaal van EUR 1.080.000 overgemaakt naar een bankrekening van [medeverdachte 2] en
(Alleen):
*** op of omstreeks 29 december 2011 een geldbedrag van EUR 250.000 contant van zijn bankrekening opgenomen.”
7.4
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aan het arrest gehechte Bijlage C. Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn in het bijzonder de volgende bewijsmiddelen van belang:
“10. Het schriftelijk bescheid, te weten een notitie van de curatoren [bedrijf 1] van 13 januari 2014, voor zover van belang inhoudende (D-229, pag. 2211 e.v., een volledig exemplaar van de notitie is in april 2022 gevoegd):
Vanaf 2000 worden steeds meer procedures tegen [bedrijf 1] aangespannen wegens problemen bij de verkoop van kantoorpanden. De teleurgestelde kopers zijn met name Tresforte, NSI Kantoren, SEB, Cocon Vastgoed De Tulp en van Boom & Slettenhaar. Veel procedures gingen over achtergehouden sideletters met aanvullende afspraken met huurders. Ten tijde van het verlenen van de surseances op 21 mei 2012 zijn daarvan nog 12 aanhangig, de meeste in hoger beroep en een in cassatie.
In het jaarverslag van [bedrijf 1] B. V. over 2008 wordt vermeld dat vanaf 1 september 2008 verkopen zijn stilgevallen als gevolg van de “credit crunch” en dat als gevolg daarvan voor circa 150 miljoen aan verkopen niet konden worden gerealiseerd. De liquide middelen lopen in de periode 2006 lot 2009 terug van 292 miljoen euro in 2006 tot 87 miljoen euro (in 2009). De kasstroom (in duizenden euro’s) verliep blijkens de jaarrekeningen in deze jaren als volgt.
2006: 67.128 positief
2007: 76.429 negatief
2008: 1.101 negatief
2009: 168.634 negatief
Het balanstotaal van [bedrijf 1] BV. stijgt in die periode van 492 miljoen euro (in 2006) tot 976 miljoen euro (eind 2009 doordat er weinig tot geen panden worden verkocht. Met name 2007 en 2009 zijn erg slechte jaren. In de jaarrekeningen over 2009 wordt een schattingswijziging van de voorziening voor huurgaranties doorgevoerd. De maximale duur wordt teruggebracht van 5,5 naar 3,5 jaar en de rekenrente hij het contant maken verlaagd van 5,5 naar 3.5%. Als gevolg daarvan viel ruim 30 miljoen euro vrij. Verder is de voorziening voor groot onderhoud van bijna zes miljoen euro opgeheven. Op deze wijze werd rond 36 miljoen euro extra “winst” geboekt. Zonder deze vrijval zou een verlies van 26 miljoen euro zijn geleden. Ondertussen blijkt in de grote projecten Da Vinci, Mirage, Diana Vesta, Hermitage en La Diligence weinig tot niets te worden verhuurd. In 2011 worden geen panden verkocht. Ook substantiële verhuurtransacties in grote projecten komen weinig voor.
Januari februari 2011: SEB legt beslag onder diverse banken en op panden in verband met diverse vorderingen voor in totaal meer dan 12 miljoen euro. Dit betreft onder meer de ontbinding van de koopovereenkomst voor het pand Odyssee te Deventer. Daarover liep toen al een procedure. Overleg in het eerste halfjaar 2011 leidde niet tot opheffing van de beslagen.
Juli 2011: de vordering van SEB met betrekking tot Odyssee wordt toegewezen. De koopsom moet door [bedrijf 1] worden terugbetaald (10 miljoen euro te vermeerderen met rente en kosten). In de jaarrekeningen over 2010 wordt een stelselwijziging doorgevoerd met betrekking tot de waardering van de beleggingspanden en projecten. Tot en met 2009 werden deze gewaardeerd tegen kost prijs of de lagere marktwaarde. Dat werd gewijzigd in onderhandse verkoopwaarde. Dat levert leidt tot een opwaardering van ongeveer 65 miljoen euro. Deze herwaardering geschiedt op basis van waarde-indicaties van DTZ van een aantal panden. DTZ baseerde zich daarbij uitsluitend op door [bedrijf 1] aangeleverde huurlijsten en heeft de huurcontracten niet ingezien. Geen rekening is gehouden met incentives. Ook blijkt DTZ uit te zijn gegaan van verkeerde verhuurgegevens. O.a.:
- Galileo te Amersfoort: een getekend huurcontract met Volker Wessels is niet bekend.
- Carlton te Almere: een getekend huurcontract met Leaseplan Corporation N. V. en een getekend huurcontract met de gemeente Almere zijn niet bekend.
- Parkeergarage Almere: een getekend huurcontract met APCOA in de parkeergarage Almere is niet bekend.
[…]
12. Het schriftelijk bescheid, te weten de jaarrekening over het jaar 2009 van [bedrijf 4] , opgemaakt door [getuige 20] , gedateerd 12 juli 2010
Pagina 6: De kasstroom heeft in 2009 negatief € 163.482.000,- bedragen (2008: negatief € 1.352.000).
Pagina 7:
Het jaar 2009 werd gekenmerkt door de gevolgen van de kredietcrisis, waardoor de vastgoedmarkt in ’z’n algemeenheid en in het bijzonder de beleggingsmarkt nagenoeg tot stilstand kwam. Voor [bedrijf 1] heeft dit tot gevolg gehad, dat de top-beleggingsprodukten geen eindbelegger konden vinden, waardoor het balanstotaal opgelopen is.
Pagina 10
Geconsolideerde winst- en verliesrekening over 2009 (in duizenden euro’s)
Netto-omzet 12.691
Personeelskosten 6.400
Afschrijvingen 7.471
Verkoopkosten 2.371
Algemene beheerkosten 3.205
Som der bedrijfskosten 19.447
26. Schulden aan kredietinstellingen (langlopend)
Achtergestelde leningen 30.000
Projectfinancieringen, hypothecaire leningen en overige leningen 655.394
685.394
29. Schulden aan kredietinstellingen (kortlopend)
Bankier, rekening-courant 35.983
Afossingsverplichtingen 50.901
86.884
13. Het schriftelijk bescheid te weten een brief van de Fortis bank (het hof merkt op: in verband met de teloorgang van Fortis later: ABN AMRO bank) van juni 2010, inhoudende voor zover van belang (D-586, pag. 3761 e.v.):
Het feit dat de Nieuwe kredietovereenkomst niet tot stand is gekomen, betekent dat Algemene kredietovereenkomst d.d. 3 februari 2009 evenals de geaccepteerde brief d.d. 30 december 2009 van kracht blijven. Aan de hand van deze stukken concluderen wij dat, onder andere:
- De financiering van het kantoor gebouw “Da Vinci” te Rijswijk sinds / april 2010 is vervallen en dan ook direct opeisbaar is. De opeisbare vordering bedraagt EUR 75.000.001,75 (te vermeerderen met lopende rente en kosten):
- De achtergestelde lening ad EUR 30.000.000,-- met ingang van 30 juni 2010 komt te vervallen en nadien direct opeisbaar is:
- De financieringen van de kantoorcomplexen “Orange Office”, “Hanzestaede” en “L’Arc-en-Ciel” alle gelegen te Deventer komen te vervallen met ingang van 1 augustus 2010 en dan ook direct opeisbaar zullen worden:
- De overige financieringen aan in hoofde genoemde vennootschappen per direct opeisbaar zijn geworden.
Door middel van onze brief d.d. 28 mei 2010 (hierna: de Brief) hebben wij u al gewezen op de mogelijke risico’s van bovenstaande ontwikkelingen voor de continuïteit van uw bedrijfsvoering indien er geen overeenstemming is over de condities en voorwaarden zoals verwoord in de Nieuwe Kredietovereenkomst. In dit kader en in lijn met de Brief heeft de Bank besloten om de behandeling van uw dossiers (inclusief die betreffende de financiering van [bedrijf 4] . En met onmiddellijke ingang over te dragen aan de afdeling Financial Restructuring & Recovery.
[…]
17. Het schriftelijk bescheid geschrift, te weten een brief van de ABN AMRO Bank NV van 13 oktober 2010, voor zover van belang inhoudende (D-100, pag. 1600 e.v.):
Voor een hernieuwde vastlegging van eerder met u gemaakte afspraken, bevestigen wij ABN AMRO Bank NV, (hierna te noemen: “wij” of de “Bank”), dat wij bereid zijn u alsmede alle in deze Algemene kredietovereenkomst genoemde kredietnemers, (hierna zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk te noemen: “u”, de “Kredietnemer” of de “Kredietnemers”), onder uw aller hoofdelijke verbondenheid, het navolgende kredietarrangement ter beschikking te stellen:
FACILITEITEN
A. Een multipurpose faciliteit met een limiet van: EUR 25.000.000.- (zegge: vijfentwintigmiljoen euro).
Kredietnemers : [bedrijf 1] BV en [bedrijf 8] BV en [bedrijf 9] BV en [bedrijf 10] BV en [bedrijf 11] BV.
Limietverlaging: De limiet van de faciliteit zal op 1 juli 2011 met EUR 15.000.000,-- (zegge: vijftien miljoen euro) verlaagd worden
Beschikbaarheid: Deze faculteit staat u ter beschikking tot uiterlijk 1 oktober 2011.
B. Een rekening-courantfaciliteit met een limiet van EUR 3.690.000.- (zegge driemiljoenzeshonderdnegentigduizend euro),
Kredietnemer : [bedrijf 9] BV
Beschikbaarheid : Deze faciliteit staat u ter beschikking tot uiterlijk 1 oktober 2011
Limietverlaging : De limiet van deze faciliteit wordt met EUR 33.750,-- per kalenderkwartaal verlaagd, zulks voor het eerst op 1 januari 2011.
C. Een rekening-courantfaciliteit met een limiet van EUR 5.498.250,-- (zegge: vijfmiljoenvierhonderdachtennegentigduizend tweehonderdvijftig euro).
Kredietnemer : [bedrijf 9] B V.
Beschikbaarheid; Deze faciliteit staat u ter beschikking tot uiterlijk 1 oktober 2011
Limietverlaging : De limiet van deze faciliteit wordt met EUR 108,750-- per kalenderkwartaal verlaagd, zulks voor het eerst op 1 januari 2011.
D. Een rekeningcourant faciliteit met een limiet van EUR. 8.500.000,-- (zegge: achtmiljoenvijfhonderdduizend euro).
Kredietnemer : [bedrijf 9] BV.
Beschikbaarheid: Deze faciliteit staat u ter beschikking tot uiterlijk 1 oktober 2011.
Limietverlaging: De limiet van deze faciliteit wordt met EUR 75,000,- per kalenderkwartaal verlaagd, zulks voor het eerst op 1 januari 2011
E. Een rekening-courantfaciliteit met een limiet van EUR 74.000.000.-- (zegge: vierenzeventigmiIjoen euro).
Kredietnemer : [bedrijf 9] BV Beschikbaarheid:
Deze faculteit staat u ter beschikking tot uiterlijk 1 oktober 2011.
Limietverlaging : De limiet van deze faciliteit wordt met EUR 1.000.000,- per kalendermaand verlaagd, zulks voor het eerst op 1 november 2010.
F. Een rekening-courant faciliteit met een limiet van EUR 30.000.000.-- (zegge: dertigmiljoen euro). Kredietnemer : [bedrijf 1] BV
Beschikbaarheid: Deze faciliteit staat u ter beschikking tot uiterlijk 15 december 2010.
G. De bestaande 10-jarige geldlening groot in hoofdsom EUR 7.650.000.- thans pro resto EUR 6.570.000, (zegge: zesmiljoenvijfhonderdzeventigduizend euro), ten name van [bedrijf 8] BV, blijft ongewijzigd gehandhaafd. De einddatum van deze geldlening is 1 oktober 2011.
H. De bestaande rekening-courant faciliteit, zoals overeengekomen in de Kredietovereenkomst d.d. 7 juni 2010 en geaccepteerd op 11 juni 2010 met een limiet van EUR 38.500.000.--, thans met een pro resto hoofdsom van EUR 3 7.500.000,-- (zegge: zevenendertigmiljoen vijfhonderdduizend euro), ten name van [bedrijf 9] BV blijft ongewijzigd gehandhaafd, waarbij deze rekening-courant faciliteit, u ter beschikking zal staan tot uiterlijk 1oktober 2011 Voorts zullen wij van u ontvangen: Een borgtocht af te geven door de heer [verdachte] voor een bedrag van EUR 30.000.000,-- (zegge: dertigmiljoen euro), welke primair tot zekerheid zal dienen voor al datgene de Bank te vorderen heeft of zal krijgen uit hoofde van de verstrekte kredietfaciliteit
F.
[…]
20. Een schriftelijk bescheid, te weten de in hoger beroep gevoegde liquiditeitsprognose, opgemaakt door de [bedrijf 5] -groep en op 8 september 2011 bij brief aangeboden aan de directie van [bedrijf 1] , voor zover van belang inhoudende:
[…]
22. Het schriftelijk bescheid, te weten een gespreksverslag [bedrijf 1] van 15 november 2011, ’pagina’s 2297 en 2298, voor zover van belang inhoudende (D-247, pag 2297 e.v.):
Na voorstelronde verzocht [verdachte] direct om het woord te mogen nemen. [verdachte] biedt zijn excuses aan voor het beschamen van het vertrouwen van de bank en in het bijzonder van [getuige 8] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Hij vertelt dat hij in de strijd om zijn bedrijf te redden bewust een huurcontract, een afbouwgarantie en een aanneemcontract eigenhandig van valse handtekeningen heeft voorzien. Hij bekent schuld en geeft expliciet aan dat hij alleen en daarmee zonder mede weten van anderen, de valsheid in geschrifte heeft gepleegd en er als enige verantwoordelijk voor is. Hij geeft tevens aan dat hij er volledig van op de hoogte is wal de consequenties van deze daden kunnen zijn. Vanaf eind 2010 stevende [bedrijf 1] af op grote liquiditeitsproblemen. [verdachte] wilde het bedrijf door deze moeilijke periode heen loodsen en zag zich naar zijn zeggen genoodzaakt om bovengenoemde valsheid in geschrifte te plegen. Vanaf half februari 2011 droogde de liquiditeitsstroom snel op omdat als gevolg van de Eurocrisis geen vastgoed meer werd verkocht. [verdachte] verzoekt dan ook om een oplossing waarin wij niet direct ingrijpen omdat [bedrijf 1] anders om zal vallen. De andere banken zullen dan namelijk snel volgen.
[getuige 8] geeft aan dat de voorschriften van de Rabobank en FGH uiterst helder zijn als het gaat om integriteit in relatie tot valsheid in geschrifte. Aan aangifte van valsheid in geschrifte bij de politie valt niet te ontkomen. Wij kunnen niet anders dan aangifte doen. [verdachte] geeft aan dat aangifte hem persoonlijk in zijn hart zal raken en verzoekt om een andere oplossing. Daarbij geeft hij ook aan dat het verlies voor Rabobank groter zal zijn indien aangifte wordt gedaan, het is beter om zonder aangifte door te gaan. Want na aangifte zal hij andere banken dienen te informeren en zullen alle investeerders en banken zich terugtrekken. Wat er dan rest is een veel grotere schade voor Rabobank en is [verdachte] zijn bedrijf kwijt.
[…]
88. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van ABN Amro aan [bedrijf 1] van 1 oktober 2010, voor zover van belang inhoudende (D-204, pag. 2070 en 2071):
Naar aanleiding van uw brief van 27 september jl berichten wij u als volgt.
U stelt in deze brief dat de gepresenteerde kredietaanbieding d.d. 23 september 2010 van de bank (die wij u bijgaand nogmaals doen toekomen) op een aantal punten voor [bedrijf 1] c.s. niet acceptabel is. Nu door verwerping van ons aanbod er geen nieuwe kredietovereenkomst met u tot stand is gekomen is, is op onze relatie van toepassing hetgeen is bepaald in de laatste met u gesloten en door u geaccepteerde kredietovereenkomst
looptijden kredietfaciliteiten
Op grond van het bepaalde in de kredietbrief van 3 februari 2009 zijn de faciliteiten B, C en D aan [bedrijf 9] B. V. ter beschikking gesteld tot wederopzegging, doch uiterlijk tot 2 januari 2010, behoudens eventuele verlenging. Faciliteit E is ter beschikking gesteld tot wederopzegging, doch uiterlijk tot 1 december 2009, eveneens behoudens eventuele verlenging. Uit hoofde van Faciliteit F heeft de bank aan [bedrijf 1] B. V. een lening met een pro resto hoofdsom van EUR 30.000.000,- verstrekt met een looptijd van oorspronkelijk 3 jaar. Op grond van de door u op 4 juni 2010 ondertekende achtergestelde leningovereenkomst is de looptijd van die lening verlengd tot 30 juni 2010, op welke datum die lening volledig diende te worden afgelost. De overige faciliteiten zijn blijkens de kredietbrief van 3 februari 2009 tot wederopzegging verstrekt.
gesprekken over verlenging en kredietbrief van 23 september 2010
Vanaf het derde kwartaal 2009 hebben wij diverse gesprekken met u gevoerd om tot overeenstemming te komen over een verlenging van de hiervoor genoemde geëxpireerde faciliteiten. Dit heeft onder meer geleid tot de kredietoffertes van 14 januari 2010 en 28 mei 2010, die u niet heeft geaccepteerd en of op een voor ons niet acceptabele wijze eenzijdig heeft geamendeerd.
Zoals hiervoor vermeld zijn onze vorderingen uit hoofde van de geëxpireerde faciliteiten door het verstrijken van de overeengekomen looptijden reeds opeisbaar. Op grond van genoemde bepaling en ons opzeggingsrecht op grond van de kredietbrief van 3 februari 2009 en de toepasselijke algemene voorwaarden, maken wij tevens gebruik van ons recht om alle overige aan [bedrijf 1] c.s. ter beschikking gestelde faciliteiten op te zeggen en de uit dien hoofde ter beschikking gestelde leningen vervroegd op te eisen. Deze faciliteiten leningen zeggen c.q. eisen wij hierbij op tegen woensdag 13 oktober 2010 en dienen eveneens uiterlijk op woensdag 13 oktober 2010 integraal te worden afgelost.
[…]
90. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van [verdachte] aan ABN Amro van 27 juni 2011, voor zover van belang inhoudende (D-489, pag. 3436):
Dit betekent concreet, dat wij naar de ABN AMRO de afgesproken (reguliere) aflossingen kunnen blijven voldoen, behoudens het terugbrengen van de multi-purpose kredietfaciliteit ad € 25 miljoen. Deze kan per 1 juli 2011 worden teruggebracht tot € 22 miljoen, waarna maandelijks € 1 miljoen aflossing zal plaatsvinden, voor het eerst per 1 augustus 2011.
Ten aanzien van de volledige beëindiging van alle faciliteiten bij ABN AMRO per 1 oktober 2011 merken wij bij deze al op, dat dit enkel en alleen mogelijk is indien structurele verkopen plaatsvinden, hetgeen op dit moment nauwelijks mogelijk zal zijn, maar wij willen niet vooruitlopen op hetgeen de komende maanden wellicht toch nog zal gebeuren, echter, wij vinden het van belang u reeds nu hierover te informeren.”
7.5
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder – voor zover van belang voor de beoordeling van het middel – nog het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“7. Overweging met betrekking tot het bewijs
[…]
C. Zaak met parketnummer 08-996128-13 (Kirishima):
[…]
Voorzienbaarheid van de faillissementen
[…]
Oordeel van het hof
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte vanaf oktober 2010, de datum waarop ABN Amro de kredietfaciliteiten van [bedrijf 1] opzegde, zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement en daarmee, bij het onttrekken van goederen aan de boedel, het bevoordelen van een schuldeiser, of het vervreemden van goederen beneden de waarde, op benadeling van de schuldeisers en dat hij die kans ook bewust heeft aanvaard.
De gevolgen van de kredietcrisis en in het verlengde daarvan - de vastgoedcrisis waren voor [bedrijf 1] evident. De banken stelden hogere eisen aan de kredietverlening en eisten meer zekerheid. De waarde van het vastgoed van [bedrijf 1] en van de gebouwen in aanbouw daalde. Maar de bedrijfskosten, de gebouwgebonden kosten, de rente- en aflossingsverplichtingen verminderden niet en liepen gewoon door. Verdachte heeft overigens niet betwist dat de waarde van het vastgoed was gedaald, maar heeft betwist met welk bedrag het vastgoed van [bedrijf 1] moest worden afgewaardeerd. De verhuur en verkoop van de gebouwen stagneerden, terwijl het bedrijf wel aan zijn verplichtingen moest blijven voldoen. Als in zo’n situatie de nodige liquide middelen ontbreken moeten de kosten gefinancierd worden en wordt het bedrijf voor het voortbestaan afhankelijk van krediet. Verdachte heeft, zoals in de zaak- Vercors is bewezenverklaard, ten minste vanaf januari 2008 valse documenten ingediend bij de banken om die kredieten te verkrijgen. Het zijn niet de enige huurovereenkomsten die valselijk zijn opgemaakt. Zo zou het kantoor Galileo zijn verhuurd aan IBB Kondor BV. De huurovereenkomst werd gevoegd bij een kredietaanvraag bij de Friesland Bank. Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] . op 9 oktober 2013 zijn nog ten minste twaalf andere vervalste huurovereenkomsten aangetroffen. Verdachte moet zich hebben gerealiseerd dat hij hiermee onvermijdelijk de toekomst van zijn bedrijf op het spel zette. Hij kan er geen moment aan hebben getwijfeld, dat als de kredietverstrekkers de malversaties zouden ontdekken, zij alle contacten met [bedrijf 1] zouden verbreken en zijn kredietmogelijkheden volledig zouden opdrogen. De enige vraag was hoelang het zou duren voordat aan het licht zou komen dat hij de banken had misleid en het bedrijf als een kaartenhuis ineen zou storten. Het concern had al moeite om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. De jaarrekening 2009 van [bedrijf 4] vermeldde al dat de beleggingsmarkt nagenoeg tot stilstand was gekomen. In 2009 is maar één gebouw verkocht. Die omzet was nauwelijks voldoende om de jaarlijkse bedrijfskosten te dekken. Rente en aflossingen over de kredieten zijn dan nog niet betaald, terwijl die kredieten een bedrag van bijna € 700 miljoen beliepen. De negatieve kasstroom dat jaar was ruim € 160 miljoen.
In 2010 werd het gebrek aan financiële middelen nog nijpender. Weliswaar werd er meer omzet gegenereerd, maar na maanden van onderhandelingen zegde ABN Amro het krediet op. Tijdens deze onderhandelingen heeft de bank [verdachte] er al op gewezen dat het uitblijven van overeenstemming over de condities en voorwaarden van een nieuwe kredietovereenkomst mogelijk consequenties kon hebben voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van de [bedrijf 1] -groep. De bank had geen vertrouwen meer in verdachte en het dossier was op 1 juni 2010 overgedragen aan de afdeling Bijzonder Beheer. Nadat duidelijk werd dat [verdachte] en de ABN Amro bank het niet eens konden worden over de nieuwe financieringsvoorwaarden, heeft de bank gekozen voor een exit-strategie en is het krediet per 1 oktober 2010 opgezegd en opgeëist. Na verdere onderhandelingen is vervolgens op 13 oktober 2010 een hernieuwde algemene kredietovereenkomst gesloten tussen de ABN Amro bank, de [bedrijf 1] -groep en [verdachte] , gericht op afbouw van de financiering door de ABN Amro bank binnen een jaar. Ingevolge deze overeenkomst heeft de ABN Amro bank een kredietfaciliteit ter beschikking gesteld aan de [bedrijf 1] -groep van in totaal € 190.758.250,--. Deze faciliteit had voor een bedrag van € 30.000.000,- een looptijd tot 15 december 2010 en voor € 160.758.250,- een looptijd tot 1 oktober 2011. Verder moest verdachte zich privé borgstellen voor een bedrag van € 30 miljoen.
In de door [bedrijf 5] Groep opgemaakte jaarrekening 2010, is deze financiering als een langlopende schuld opgenomen, waardoor een volledig vertekend beeld is ontstaan van de liquiditeit van het concern. Bij brief van 8 juli 2011 heeft verdachte de ABN Amro laten weten dat de kopersmarkt volledig stillag en dat er geen mogelijkheden waren voor herfinanciering van het krediet. Verdachte deelde mee niet meer aan de aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen.
De verdediging heeft steeds gesteld dat de waarde van het vastgoed van [bedrijf 1] ruim voldoende was om een faillissement te voorkomen. Verdachte hoefde dus helemaal geen rekening te houden met de mogelijkheid van een faillissement. Daarom is er door verdachte ook telkens op gehamerd, dat alle waardebepalingen van het vastgoed die later zijn gehanteerd of de werkelijke verkoopwaarden van de na het faillissement verkochte gebouwen, veel te laag waren. Vooral de afwaardering zoals opgenomen in de (concept)jaarrekening 2011 is betwist. Maar voor een faillietverklaring is met name van belang of een bedrijf (of persoon) nog aan zijn of haar betalingsverplichtingen kan voldoen en dus over voldoende liquide middelen beschikt.
Die liquide middelen waren er niet meer, terwijl de betalingsverplichtingen opliepen. Het krediet van de ABN Amro moest worden afgelost, er liepen verschillende procedures tegen [bedrijf 1] , aangespannen door beleggers die bij de aankoop van vastgoed van [bedrijf 1] waren misleid, en de aanneemsom voor Diana en Vesta van bijna € 40 miljoen moest nog worden betaald. Voor derden was misschien nog niet duidelijk hoe uitzichtloos de situatie was, omdat zij stelselmatig werden voorzien van sterk geflatteerde of valse informatie. Maar verdachte wist als geen ander dat het vastgoed van [bedrijf 1] nauwelijks te verkopen of te verhuren was en dat her een kwestie van tijd was dat het bedrijf haar verplichtingen niet meer zou kunnen nakomen. Uit de liquiditeitsprognose van 8 september 2011, in opdracht van verdachte opgemaakt door zijn accountant, [bedrijf 5] Groep, blijkt dat er voor de maand mei 2012 al een tekort van ruim € 2 miljoen werd voorzien, waarbij overigens de betaling van de aanneemsom voor Diana en Vesta geheel buiten beschouwing is gelaten en huurinkomsten zijn meegerekend van niet daadwerkelijk verhuurde kantoorruimte.
Begin 2012 waren er volgens de verdediging verregaande onderhandelingen met Arab Investments. Uit het rapport-Honda, opgemaakt op 2 april 2012 door Ernst & Young, blijkt dat verdachte heeft opgegeven dat Arab Investments in oktober 2012 een bedrag van ongeveer € 100 miljoen zou betalen voor een aantal gebouwen van [bedrijf 1] . Dat lijkt in het rapport een positieve kasstroom op te leveren (scenario 2), maar er wordt op gewezen dat een aantal onzekerheden niet in de prognose is verdisconteerd. Zo is onder meer geen rekening gehouden met aflossingen op kredieten, de betaling van Diana en Vesta, afnameverplichtingen van andere gebouwen en het teruglopen van huurinkomsten. De informatie waarop de prognose was gebaseerd, is verstrekt door verdachte waardoor ook gefingeerde huurinkomsten uit valse overeenkomsten zijn meegerekend. Verdachte wist al dat dit scenario geen werkelijkheid zou worden. In januari/februari 2011 had de Duitse investeringsmaatschappij SEB Immolnvest GmbH al conservatoir beslag laten leggen op een aantal gebouwen. [bedrijf 1] werd in juli 2011 veroordeeld om SEB € 10 miljoen te betalen met rente en kosten wegens malversaties bij de verkoop van het gebouw Odyssee, maar had niet aan die verplichting voldaan. In februari 2012 heeft JDS conservatoir beslag gelegd, zo blijkt uit het eerste faillissementsverslag van [bedrijf 4] . Daaruit blijkt ook dat de banken in maart 2012 hun pandrecht aan de huurders betekenden, waardoor er ook nauwelijks meer huurinkomsten binnenkwamen. In 2011 zijn er geen kantoorgebouwen verkocht. Kortom, zelfs al zou Arab Investments daadwerkelijk interesse in [bedrijf 1] hebben gehad, dan zou dat de liquiditeitsproblemen die al in 2008 en 2009 waren ontstaan bij lange na niet hebben opgelost en zou die interesse veel te laat zijn gekomen om het faillissement te voorkomen.
Verdachte heeft verder gesteld dat de banken er nog wel vertrouwen in hadden, tenslotte had NIBC Bank nog een krediet van € 15 miljoen toegezegd in 2011 en in november 2011 wilde de Rabobank het project Diana en Vesta nog financieren. NIBC Bank was, zo blijkt uit de correspondentie die begin 2012 is gevoerd tussen [bedrijf 1] en NIBC Bank, niet op de hoogte van de ernst van de liquiditeitsproblemen of de valse huurovereenkomsten. Hun laatste kredietvoorstel dateert van 27 september 2011 en in februari 2012 is de bank er al toe overgegaan het pandrecht aan de huurders te betekenen. [getuige 11] van de NIBC Bank heeft daarover verklaard: “Ik ben er pas daadwerkelijk van op de hoogte gekomen dat er een verdenking van fraude was bij [bedrijf 1] , toen de berichten daarover in de pers begonnen te verschijnen. Als NIBC op het moment van het uitbetalen van de kredieten op de hoogte was geweest van de verdenkingen en de aangifte tegen [verdachte] en/of [bedrijf 1] , dan had de uitbetaling zeker geen doorgang gevonden”.
Hierboven is al beschreven hoe de Rabobank is misleid bij de aanvraag voor Diana en Vesta. [getuige 8] , die gehoord is over de financiering van Diana en Vesta, heeft verklaard dat de Rabobank al grote belangen had in het project en dat het laatste krediet werd gezien als een ‘beredderingskrediet’.
Op 15 november 2011 heeft verdachte tegenover de Rabobank en de FGH Bank moeten erkennen dat hij valse stukken had ingediend. De advocaat-generaal heeft terecht gesteld dat 15 november 2011 daarmee niet het moment was dat verdachte het faillissement kon voorzien, maar alleen als de datum waarop de vervalsingen aan het licht kwamen. De valse overeenkomsten waren juist opgemaakt in een poging om aan het dreigende faillissement te ontkomen. Als de liquide middelen bij het indienen van de stukken en in de voorzienbare toekomst voldoende waren geweest, was er immers geen enkele reden om valse contracten op te maken. Op 15 november 2011 was het faillissement - tenzij er een wonder zou gebeuren - onvermijdelijk, maar dat is niet het toetsingsmoment dat bepalend is voor een bewezenverklaring van bedrieglijke bankbreuk. Dat is immers het moment waarop verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft verricht en er een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid op een faillissement bestond, of wel: de waarschijnlijkheid van een faillissement moet op dat moment kunnen worden beoordeeld als een geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans. Zo daar al niet sprake van was op het moment dat verdachte de eerste vervalste huurovereenkomst indiende, dan was daarvan toch ten minste sprake vanaf 1 oktober 2010, toen de ABN Amro de kredietfaciliteit opzegde.
Het respijt dat de ABN Amro bood om het krediet in een jaar af te bouwen, had verregaande consequenties voor het privévermogen van verdachte. Hij en zijn echtgenote moesten een borgstelling van € 30 miljoen tekenen. Met de schuld van ongeveer € 45 miljoen van verdachte aan [bedrijf 4] en het dreigende faillissement van de vennootschap, werd ook de privésituatie penibel.
De schuld aan [bedrijf 4] was mede ontstaan door de aankoop in privé van aandelen Fortis, ING ABN Amro en Aegon. Deze aankoop was gefinancierd door [bedrijf 1] . Verdachte heeft verklaard dat hij in 2007 is benaderd door de bestuursvoorzitters van Fortis en ING met het verzoek aandelen te kopen om de liquiditeitsproblemen bij die banken op te lossen. Verdachte heeft voor € 70 miljoen aandelen gekocht. De waarde van de aandelen is door de kredietcrisis met € 50 miljoen gedaald. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte er steeds van is uitgegaan dat de banken hem zouden compenseren voor dit verlies of dat zij ten minste een morele plicht zouden voelen [bedrijf 1] door eventueel zwaar weer heen te helpen. Hij mocht erop vertrouwen dat de banken [bedrijf 1] en in het verlengde daarvan hemzelf overeind zouden houden. Deze verklaring, die op geen enkele wijze is onderbouwd met verklaringen van getuigen of brieven dan wel andere stukken of informatie, is niet aannemelijk geworden. De vier medewerkers van de ING, die volgens verdachte bij de gesprekken aanwezig waren geweest, zouden op zijn verzoek bij de raadsheer-commissaris worden gehoord. Zij waren alle vier onvindbaar. Het hof acht het hoogst onaannemelijk dat de bestuursvoorzitters een dergelijk verzoek aan verdachte zouden hebben gedaan. Niet valt in te zien hoe dergelijke aandelentransacties liquiditeitsproblemen van de banken hadden kunnen oplossen, maar het is bovendien niet geloofwaardig dat verdachte een dergelijk risico zou zijn aangegaan zonder enige garantie van de betrokken banken voor een eventueel verlies. En als verdachte dat wel zou hebben gedaan zonder enige schriftelijke bevestiging is niet duidelijk op grond waarvan verdachte erop mocht vertrouwen dat de betreffende banken na het vertrek van de betreffende bestuursvoorzitters op basis van een nergens vastgelegd, beweerdelijk verzoek jegens verdachte en de aan hem gelieerde vennootschappen extra coulant zouden zijn. Het hof ziet in het dossier ook geen aanwijzingen (behalve de bewering van verdachte) dat de beweerdelijke verzoeken, dan wel toezeggingen tot coulance aan de orde zijn geweest in de gesprekken met de banken nadat het concern in zwaar weer kwam te verkeren.
De verdediging heeft recent aangevoerd dat verdachte zich wel degelijk had ingedekt tegen verliezen. In hoger beroep (op 10 februari 2022) is een document overgelegd dat teruggevonden zou zijn in door de FIOD aan verdachte geretourneerde stukken. Het betreft de notulen van een buitengewone aandeelhoudersvergadering (BVA) van [bedrijf 4] op 16 maart 2007. De BVA - in de persoon van verdachte - heeft volgens de notulen besloten dat verdachte € 75 miljoen van de vennootschap zal lenen om, op verzoek van de bestuursvoorzitters van Fortis en ING, aandelen Fortis, ING en Aegon te kopen. [bedrijf 4] vrijwaart verdachte voor verliezen die geleden kunnen worden en zal verdachte volledig compenseren voor die verliezen en de mogelijke uit de aankoop voortvloeiende belastingclaims. Verder is vastgelegd dat verdachte al begin 2007, vooruitlopend op de vergadering, is gestart met de aankoop van aandelen. [betrokkene 6] , die in 2011 is overleden, zou namens de Rabobank op de hoogte zijn gesteld van het verzoek van de bestuursvoorzitters en hebben meegedeeld dat de Rabobank geen voorwaarden zou stellen aan de lening. De verdediging heeft met de notulen een onderzoek van Forensicon overgelegd, waaruit naar voren komt dat de notulen zijn geprint in de periode halverwege jaren 80 tot heden.
Het hof gaat ervan uit dat het document niet in 2007 is opgemaakt. Gesuggereerd wordt dat het document tot voor kort in het bezit van de FIOD zou zijn geweest. In het dossier is echter geen enkele vermelding, verklaring of document terug te vinden die/dat het bestaan van de notulen ondersteunt. Ook in de jaarrekeningen van [bedrijf 4] is niet opgenomen dat zij mogelijke verliezen op aandelentransacties zou moeten compenseren. Pas in het 19e faillissementsverslag van 17 juni 2021 wordt voor het eerst melding gemaakt van het bestaan van de notulen. De curator merkt in dat verslag op:
In de afgelopen verslagperiode zond [betrokkene 3] de curator een BVA-besluit van [bedrijf 4] d.d. 16 maart 2007 dat voorheen hij de curator niet bekend was. Zakelijk weergegeven voorzag dit besluit in een volledige vrijwaring van [verdachte] voor koersverliezen, verband houdende met de aandelentransacties, waarvoor [verdachte] de rekening-courantverplichting aanging. Die koersverliezen werden werkelijkheid, voor vrijwel het hele pro resto bedrag. Het faillissement van [verdachte] is door de curatoren van [bedrijf 4] aangevraagd op (onder meer) deze rekeningcourant vordering ad € 48.217.221,--. De curator vraagt zich af waarom het allereerste verweer van [verdachte] niet heeft geluid, dat hij zijn vordering op [bedrijf 4] op grond van de vrijwaring in verrekening wenste te brengen met zijn rekening-courantverplichtingen jegens [bedrijf 4] . Te meer omdat [verdachte] in eerste aanleg al tot twee keer toe strafrechtelijk is veroordeeld wegens valsheid in geschrifte is de curator terughoudend.
De aanschaf van aandelen in 2007 past ook niet in de volgende tijdlijn:
Volgens de jaarrekeningen van [bedrijf 4] over 2007, 2008 en 2009 had verdachte eind 2007 een schuld van € 0,8 miljoen aan [bedrijf 4] , eind 2008 een schuld van € 21 miljoen en eind 2009 bedroeg de schuld € 70 miljoen. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte op z’n vroegst in de loop van 2008 is overgegaan tot de aankoop van de aandelen, maar het grootste deel van de aandelen in 2009 heeft aangeschaft. Fortis was toen al overgenomen en ING werd met staatssteun overeind gehouden. Het hof concludeert dat de aandelen om louter speculatieve redenen door verdachte zijn gekocht en dat hij de voor die aankoop benodigde middelen van [bedrijf 4] heeft geleend.
De borgstelling jegens ABN Amro en de torenhoge schuld aan [bedrijf 4] leidden ertoe dat een faillissement van [bedrijf 1] onvermijdelijk ook zou leiden tot een privéfaillissement, omdat verdachte geen mogelijkheden had om zijn verplichtingen jegens [bedrijf 4] , de schuld in rekening-courant en de ABN Amro na te komen. Zijn aangifte inkomstenbelasting 2009 vermeldt al een negatief privévermogen van zo’n € 19 miljoen.
[…]
Het hof is van oordeel dat deze handelingen van verdachte in onderling verband en samenhang gezien, geen ander doel hebben gehad dan het onttrekken van vermogen aan [bedrijf 1] en het privébezit van verdachte, waarbij verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op verkorting van de rechten van de schuldeisers. De aanmerkelijke kans op een faillissement van [bedrijf 1] en een persoonlijk faillissement waren voor verdachte voorzienbaar vanaf ten minste 1 oktober 2010. Anders dan verdachte wil doen geloven was er al in 2009 geen sprake meer van een gezonde onderneming, maar van een bedrijf dat met rasse schreden op een faillissement afstevende.”
Het juridisch kader
7.6
De tenlastelegging van feit 1 primair en feit 3 in de zaak met het parketnummer 08-996128-13 (Kirishima) is toegesneden op art. 341, aanhef en onder a (oud) Sr. Ten tijde van de tenlastegelegde feiten luidde deze bepaling – voor zover hier van belang –:
“Als schuldig aan bedrieglijke bankbreuk wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen, hij:
a. die in staat van faillissement is verklaard, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers:
1° hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt;
2° enig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd;”
7.7
Op 1 juli 2016 is de wet van 8 april 2016, Stb. 2016, 154 (Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude) in werking getreden. Onder andere art. 341 Sr is hierbij gewijzigd. Op dit moment luidt art. 341 Sr – voor zover hier van belang –:
“1. Hij die in staat van faillissement is verklaard wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien hij, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld:
1° voor of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt;
2° voor of tijdens het faillissement een van zijn schuldeisers op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld of bevoordeelt.”
7.8
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wijziging van art. 341 Sr strekte tot verbetering en met name vereenvoudiging van de delictsomschrijving.18.De term “ter bedrieglijke verkorting” is vervangen door de term “wetende dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld”, omdat deze term beter aansluit bij de wijze waarop opzet in het Wetboek van Strafrecht normaliter wordt aangeduid en omdat hiermee de ontwikkeling in de jurisprudentie wordt gemarkeerd dat voorwaardelijk opzet in dit verband volstaat.19.Wat wel een inhoudelijk verschil is, is dat art. 341 Sr vereist dat een of meer schuldeisers in het faillissement daadwerkelijk zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden,20.terwijl art. 341 (oud) Sr deze eis niet stelde.21.
7.9
7.10
Over de betekenis van het bestanddeel “ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers” blijkt uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dat dit bestanddeel tot uitdrukking brengt dat de verdachte opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. Voorwaardelijk opzet is voldoende. Voor het bewijs van opzet is dus ten minste vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.24.Aangenomen wordt wel dat dit impliceert dat tevens een aanmerkelijke kans op een faillissement moet hebben bestaan.25.
De beoordeling van het middel
7.11
Uit de toelichting op het middel blijkt dat met het middel in de kern wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat sprake was van een aanmerkelijke kans op een faillissement van [bedrijf 1] en/of van de verdachte privé, dat de verdachte zich daarvan bewust moet zijn geweest en dat hij deze kans heeft aanvaard. Dit oordeel zou onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn.
7.12
Het hof heeft in de bestreden uitspraak geoordeeld dat de verdachte zich vanaf de datum waarop ABN Amro de kredietfaciliteiten van [bedrijf 1] opzegde (1 oktober 2010) bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement en dat hij die kans ook bewust heeft aanvaard. Uit de bewijsoverwegingen blijkt dat het hof bij dit oordeel in aanmerking heeft genomen dat:26.
(i) als gevolg van de kredietcrisis en de vastgoedcrisis de waarde van het vastgoed van [bedrijf 1] en de gebouwen in aanbouw daalde (bewijsmiddel 10) en ook de verhuur en verkoop van de gebouwen stagneerden, terwijl het bedrijf wel aan zijn verplichtingen moest blijven voldoen;
(ii) de verdachte ten minste vanaf januari 2008 valse documenten heeft ingediend bij banken om kredieten te verkrijgen (bewijsmiddel 22), waardoor hij moet hebben gerealiseerd dat hij hiermee onvermijdelijk de toekomst van zijn bedrijf op het spel zette, omdat alle kredietmogelijkheden zouden opdrogen wanneer de malversaties zouden worden ontdekt en in de onder (i) vermelde situatie, bij het ontbreken van de nodige liquide middelen, een bedrijf voor het voortbestaan afhankelijk is van een krediet;
(iii) het concern in 2009 al moeite had om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen (bewijsmiddel 12);
(iv) het gebrek aan financiële middelen in 2010 nog nijpender werd, omdat ABN Amro het krediet op 1 oktober 2010 opzegde en opeiste (bewijsmiddel 88);
(v) ABN Amro tijdens deze onderhandelingen de verdachte er al op heeft gewezen dat het uitblijven van overeenstemming over de condities en voorwaarden van een nieuwe kredietovereenkomst mogelijk consequenties kon hebben voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] -groep (bewijsmiddel 13);
(vi) op 13 oktober 2010 een hernieuwde algemene kredietovereenkomst is gesloten tussen ABN Amro, de [bedrijf 1] -groep en de verdachte, waarbij de verdachte zich privé moest borgstellen voor een bedrag van € 30 miljoen (bewijsmiddel 17);
(vii) de verdachte bij brief van 8 juli 2011 aan ABN Amro heeft laten weten niet meer aan de aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen (bewijsmiddel 90);
(viii) voor een faillietverklaring met name van belang is of een bedrijf (of persoon) nog aan zijn of haar betalingsverplichtingen kan voldoen en dus over voldoende middelen beschikt en die liquide middelen er niet meer waren, terwijl de betalingsverplichtingen opliepen, nu het krediet van ABN Amro moest worden afgelost, er verschillende procedures tegen [bedrijf 1] liepen, aangespannen door beleggers die bij de aankoop van vastgoed van [bedrijf 1] waren misleid, en nog een aanneemsom van bijna € 40 miljoen moest worden betaald voor Diana en Vesta (bewijsmiddel 10);
(ix) uit de liquiditeitsprognose van 8 september 2011 blijkt dat voor de maand mei 2012 al een tekort van ruim € 2 miljoen werd voorzien, waarbij de aanneemsom van Diana en Vesta buiten beschouwing is gelaten en huurovereenkomsten zijn meegerekend van niet daadwerkelijk verhuurde kantoorruimte (bewijsmiddel 20);
(x) de verdachte privé een schuld van € 45 miljoen had aan [bedrijf 4] , die was ontstaan door aankoop in privé van aandelen, voor welke aankoop hij middelen van [bedrijf 4] had geleend;
(xi) deze schuld en de borgstelling van € 30 miljoen ertoe leidden dat een faillissement van [bedrijf 1] onvermijdelijk ook zou leiden tot een privéfaillissement, omdat de verdachte geen mogelijkheden had om zijn verplichtingen jegens [bedrijf 4] , de schuld in rekening-courant en de ABN Amro na te komen;
(xii) de aangifte inkomstenbelasting 2009 van de verdachte al een negatief privévermogen van zo’n € 19 miljoen vermeldt (bewijsmiddel 45).
7.13
In het licht van deze feitelijke vaststellingen, meen ik dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven vermelding van de bewijsmiddelen, is dit oordeel terug te voeren op de bewijsmiddelen en heeft het hof zeer nauwkeurig uiteengezet waarom het tot dat oordeel is gekomen.
7.14
Gelet hierop, falen de diverse klachten die in de schriftuur naar voren worden gebracht over oordelen van het hof die niet uit de bewijsmiddelen zouden volgen en/of die onbegrijpelijk zouden zijn. Al deze klachten falen. Voor zover de stellers van het middel in de schriftuur met betrekking tot diverse vaststellingen van het hof aanvoeren dat deze vaststellingen ontoereikend zijn voor de conclusie dat een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond, wordt mijns inziens miskend dat het hof niet op basis van elk van deze vaststellingen op zichzelf heeft geconcludeerd dat sprake was van een aanmerkelijke kans op een faillissement, maar dat het hof dit in onderling verband en samenhang heeft beoordeeld.
7.15
Het middel faalt.
8. Het vierde middel
8.1
Het middel houdt in dat de bewijsvoering niet redengevend is voor het in de zaak met parketnummer 08-996128-13 (Kirishima) onder 1 primair bewezenverklaarde met betrekking tot de [stal] en het vastgoed, althans dat die bewezenverklaring onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
8.2
Uit de toelichting op het middel blijkt dat geklaagd wordt over de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat:
“1. primair
[bedrijf 1] B.V. (verder te noemen [bedrijf 1] ) op één of meer tijdstippen in de periode van 01 januari 2010 tot en met 05 maart 2014, in Nederland, terwijl zij, [bedrijf 1] bij vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juli 2012 in staat van faillissement is verklaard, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s):
a. goederen aan de boedel heeft onttrokken, en
c. enig goed, klaarblijkelijk beneden de waarde, heeft vervreemd, immers heeft [bedrijf 1] -zakelijk omschreven-:
[…]
*** middels notariële akte op 01 december 2011 de aandelen van [bedrijf 2] , later [bedrijf 6] -(ver) beneden de waarde in het economisch verkeer- voor een geldbedrag van EUR 7.000.000 verkocht/overgedragen aan [bedrijf 3] BV (verder te noemen [bedrijf 3] ) waarbij is overeengekomen dat betaling van de koopsom van de aandelen is voldaan middels de hierna te noemen geldleningsovereenkomst, en
*** op 01 december 2011 een geldleningsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] gesloten waarbij [bedrijf 1] een geldbedrag van EUR 7.000.000 leent aan [bedrijf 3] onder meer onder voorwaarde van 7 (zeven) jaarlijkse aflossingen van elk EUR 1.000.000 door [bedrijf 3] te beginnen op 01 december 2012, en
*** op of omstreeks 01 december 2011 een sponsorovereenkomst gesloten tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , later [bedrijf 6] inhoudende dat [bedrijf 1] gedurende zeven jaren jaarlijks EUR 1.000.000 betaalt voor door [bedrijf 2] , later [bedrijf 6] te leveren sponsoractiviteiten, welke feiten tezamen en in onderling verband bezien ertoe hebben geleid dat aanzienlijke vermogensbestanddelen het vermogen van [bedrijf 1] hebben verlaten en
[…]
welke feiten tezamen en in onderling verband bezien ertoe hebben geleid dat een bedrag van EUR 2.050.000 aan het vermogen van [bedrijf 1] is onttrokken;
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;”
8.3
De bewijsoverwegingen van het hof houden ten aanzien hiervan het volgende in:
“Bewijsoverwegingen feit 1A
Op 1 december 2011 zijn de aandelen in [bedrijf 2] verkocht aan [bedrijf 3] voor een bedrag van € 7.000.000,--. Omdat [bedrijf 2] nog een schuld had aan [bedrijf 1] van € 38.250.000,-- is dezelfde dag een overeenkomst gesloten om die schuld door middel van een agiostorting te vereffenen. Deze vordering was overigens verpand aan de Rabobank. De koopsom van de aandelen werd niet betaald: [bedrijf 3] leende het bedrag van [bedrijf 1] , terug te betalen in zeven jaarlijkse termijnen van € 1 miljoen. [bedrijf 6] sloot gelijktijdig een sponsorovereenkomst met [bedrijf 1] , waarbij werd overeengekomen dat [bedrijf 1] gedurende zeven jaar € 1 miljoen per jaar zou betalen voor sponsoractiviteiten. De eerste aflossing van de lening en het eerste jaarlijkse sponsorgeld diende betaald te worden op 1 december 2012.
Standpunt van de verdediging:
Uit de appelschriftuur van de verdediging komt naar voren dat de bezwaren tegen de bewezenverklaring met betrekking tot de overdracht van de stal, het volgende inhouden:
- Bij de overdracht van de stal moet primair gekeken worden naar de waarde van de aandelen nu het een overdracht going concern betrof;
- Vader en zoon zijn bij de beoordeling van de waarde van de stal in het kader van de overdracht uitgegaan van een waarde van de paarden van € 4,5 miljoen, welke waardering strookt met de verrichte taxaties.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat de [stal] om niet is vervreemd. Dat is effectief het resultaat van de onder feit 1A omschreven rechtshandelingen. De rechtbank heeft overwogen dat de constructie van rechtshandelingen bedeeld was om de [stal] over te dragen met gesloten beurzen, dus om niet. De rechtbank is verder uitgebreid ingegaan op de waarderingsgrondslag van de stal en de paarden, maar dat is niet relevant bij een vervreemding om niet. [medeverdachte 1] . had geen geld om de [stal] te betalen. De koopsom had evengoed op € 14.000.000,-- gesteld kunnen worden. Dan was er ook € 14 miljoen geleend en een sponsorovereenkomst gesloten voor zeven jaarlijkse termijnen van € 2 miljoen. Het resultaat was hetzelfde geweest en er was nauwelijks discussie geweest over de waarde. In ieder geval wordt niet betwist dat de stal enige waarde had. Primair is het standpunt dat sprake is van een vervreemding om niet. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank.
Oordeel van het hof
[bedrijf 1] had jarenlang de verliezen van [stal] gefinancierd. Inmiddels was de schuld van [bedrijf 2] , de eigenaar van de stal, aan het moederbedrijf opgelopen tot € 38.250.000,--. Deze vordering was verpand aan de Rabobank, waardoor de bank de schuld die [bedrijf 1] aan haar had - destijds zo’n € 70 miljoen - zo nodig ook zou kunnen verhalen door de activa van de stal uit te winnen. De activa van de stal, met name de paarden, vertegenwoordigden een aanzienlijke waarde.
Zoals eerder opgemerkt is de waarde van een bedrijf zo hoog is als de hoogste van de directe of de indirecte opbrengstwaarde. Daarbij is de indirecte opbrengstwaarde de waarde going concern en de directe opbrengstwaarde de liquidatiewaarde. Over de waarde going concern kan het hof kort zijn. [stal] was al jaren verlieslatend en kon in feite alleen door financiële steun van [bedrijf 1] op de been blijven. Het hof zal om die reden de directe opbrengstwaarde van [bedrijf 2] / [bedrijf 6] beoordelen.
De waarde van de stal, de paarden
De taxateurs [betrokkene 4] en [betrokkene 5] hebben de volgende taxatierapporten uitgebracht:
- Op 25 september 2012 hebben zij 65 paarden getaxeerd voor een gezamenlijke waarde van € 4.247.500,--;
- Op 22 november 2012 hebben zij nog eens vijftien paarden getaxeerd op een gezamenlijke waarde van € 320.750,--;
- Voor [paard 1] is bij brief een aparte waardebepaling afgegeven op 14 januari 2013. De waarde van [paard 1] op 1 december 2 011 bedroeg € 100.000,-- en
- Op 20 februari 2013 is een taxatie van 26 paarden afgegeven met een gezamenlijke waarde van € 115.450,--.
De totale waarde, van 107 paarden, bedroeg volgens de taxatierapporten van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] per 1 december 2011 € 4.783.700,--.
Op 31 december 2011 stonden in totaal 125 paarden op de balans van [bedrijf 6] met een totale boekwaarde van € 12.654.342. Van de in de boekhouding van [bedrijf 6] opgenomen 125 paarden kwamen 26 paarden niet voor in de taxatierapporten. Deze 26 paarden stonden op de grootboekrekeningen met een totale waarde van € 204.748,58. Acht paarden die in de taxatierapporten waren vermeld kwamen niet voor in de boekhouding van [bedrijf 6] . Deze acht paarden stonden in de taxatierapporten met een totale waarde van € 43.250,--.
De verdediging heeft omtrent het grote verschil tussen de taxatiewaarden en de latere verkoopwaarden in eerste aanleg naar voren gebracht dat de waardevermeerderingen verklaarbaar zijn uit ontwikkelingen na de peildatum 1december 2011 en dat informatie van na de peildatum in principe niet relevant is voor de beoordeling van de waarde op dat moment.
Het hof neemt wel aan dat een paard in relatief korte tijd aanzienlijk meer waard kan worden. Een goed voorbeeld daarvan is [paard 2] dat door zijn prestaties op de Olympische Spelen in 2012 € 8,6 miljoen heeft opgebracht. Maar er zijn ook onverklaarbare verschillen tussen de taxatiewaarden en de verkoopwaarden, die heel kort na de taxatie zijn gerealiseerd. Zo is [paard 3] in het rapport van 25 september 2012 getaxeerd op € 100.000,-- (met als peildatum 1 december 2011). [paard 3] was echter al op 1 april 2012 verkocht voor € 2.200.000,-- en had het seizoen vóór de verkoop goed gepresteerd. Het [paard 4] kent ook een vreemde geschiedenis. Het is in 2011 gekocht voor € 230.000,-- van [bedrijf 12] , is getaxeerd op € 35.000,-- en is op 23 januari 2012 - dat is althans de factuurdatum - weer verkocht aan [bedrijf 12] voor € 110.000,--. [bedrijf 12] zou het paard volgens de factuur (van 13 januari 2012) vóór die tijd al weer hebben doorverkocht voor € 190.000,--. Het [paard 5] is getaxeerd op € 150.000,-- en op 24 juli 2012 verkocht voor € 1 450.000,--.
Daarnaast zijn er taxaties van paarden die dekgelden opbrachten. Zo is [paard 6] getaxeerd op € 75.000,-- terwijl in 2011 in totaal ruim € 275.000,-- (netto ruim € 191.000,-) aan dekgeld is ontvangen. Hetzelfde geldt voor het [paard 7] , dat is getaxeerd op € 75.000,--. Op een in beslaggenomen lijst van dekkingen in 2012 komt naar voren dat voor [paard 7] in 2012 voor een totaalbedrag van ongeveer € 120.000,-- dekgeld is ontvangen en in 2011 voor een totaalbedrag van ruim € 136.000,- netto.
Taxateur [betrokkene 5] is door de FIOD gehoord. Over de waarde van [paard 3] , die hij heeft getaxeerd nadat het paard was verkocht, verklaarde hij:
“Daar blijkt wel uit dat we dat niet hebben geweten. Of wij deze gegevens hadden moeten weten is een ethisch vraagstuk, ik ben van mening dat wij dit wel hadden moeten weten. Voor [paard 5] geldt hetzelfde. Dit is ons door [verdachte] junior niet meegedeeld”.
Het hof is van oordeel dat de taxatierapporten niet als uitgangspunt kunnen dienen voor de waarde van de paarden op 1 december 2011. Alles overziende oordeelt het hof dat de gehanteerde waarde van de paarden van € 4,5 miljoen veel te laag is en dat verdachte en zijn medeverdachte zich van het aanzienlijke verschil met een reële waarde bewust moeten zijn geweest.
Waarde van de stal, het vastgoed
De waarde van het vastgoed is door [bedrijf 13] Makelaardij & Hypotheken per 1 december 2011 getaxeerd op € 3.095.000,--. De bij de stal behorende roerende zaken zijn per 1 december 2011 getaxeerd op € 302.600,--. De totale waarde van de onroerende en roerende zaken bedroeg € 3.397.600,--. Dit bedrag wijkt bijna € 900.000,-- af van de waarde die [medeverdachte 1] . en [verdachte] , volgens een bij [verdachte] aangetroffen briefje (D-066, waarvan de authenticiteit overigens in twijfel kan worden getrokken) zouden zijn overeengekomen. Dat de opbrengst bij verkoop in het kader van de executie aanzienlijk lager was, doet daaraan niet af.
Het hof stelt vast, zonder een exacte waarde van de [stal] te kunnen bepalen, dat de verkoopprijs van € 7.000.000,-- voor de aandelen klaarblijkelijk te laag is geweest, nog daargelaten de vraag of aan de samenhangende sponsorovereenkomst een prijs van € 7.000.000 kan worden toegekend. Het hof is van oordeel dat [bedrijf 1] geen enkel zakelijk belang bij de transactie heeft gehad. Tegenover het wegvallen van de verliezen stond allereerst een jaarlijkse sponsoring van € 1.000.000,-- en haar vordering op [bedrijf 6] verminderde met niet minder dan ruim € 30 miljoen. De voordelen die voor [bedrijf 1] uit de sponsorovereenkomst voortvloeiden (onder meer ontvangst van bestuur en gasten van [bedrijf 1] ) en de eventuele naamsbekendheid van [bedrijf 1] rechtvaardigden geenszins een jaarlijkse sponsorbijdrage van € 1 miljoen. Gezien de liquiditeitspositie van [bedrijf 1] was de sponsorovereenkomst volstrekt onzakelijk en onverantwoord.
Met betrekking tot de rechtshandelingen kan het volgende worden vastgesteld:
De waarde van de aandelen (€ 7.000.000,--) is (veel) te laag en
De waardering van de door [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] te leveren tegenprestatie (van € 1.000.000,-- per jaar) is veel te hoog en vanuit [bedrijf 1] bezien volstrekt onzakelijk.
Elk van deze omstandigheden rechtvaardigt de conclusie dat daardoor sprake is van benadeling van schuldeisers.
Het opzet is naar het oordeel van het hof ook gericht op de benadeling van de schuldeisers. [bedrijf 1] had geen zakelijk belang bij deze transacties. Verdachte heeft verklaard dat zijn zoon al lang de wens had uitgesproken om de stal over te nemen. In het dossier is een aantal briefjes opgenomen die moeten suggereren dat vader en zoon eerder over de overname van de stal en de waarde van de aandelen hadden gesproken. Het hof is ervan overtuigd dat deze briefjes naderhand zijn opgemaakt. Het is ongeloofwaardig dat vader en zoon, die ook nog eens naast elkaar wonen, op deze manier met elkaar communiceerden. Ook is het vreemd dat er kennelijk geen advies is ingewonnen over de waarde van de aandelen of een gedegen businessplan is opgemaakt waaruit zou blijken dat de stal ook zonder verlies geëxploiteerd kon worden. Later zijn de beheerders van de stal gehoord. Zij hebben verklaard dat zij niets hebben gemerkt van de overdracht van de stal. Feitelijk zijn de gevolgen van deze (onverbrekelijk met elkaar samenhangende) transacties dat de [stal] , inclusief de paarden, zonder reële tegenprestatie is overgedragen aan [bedrijf 3] en daarmee aan het verhaalsrecht van schuldeisers van [bedrijf 1] is onttrokken.”
8.4
Om te beginnen voeren de stellers van het middel aan dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het hof ten onrechte heeft verzuimd (nader) te overwegen waarom de taxatierapporten niet als uitgangspunt kunnen dienen, terwijl bewijsmiddelen zouden ontbreken die tot die conclusie leiden. Het hof heeft in de bestreden uitspraak evenwel overwogen dat:
(i) van de in de boekhouding van [bedrijf 6] opgenomen 125 paarden 26 paarden niet voorkwamen in de taxatierapporten;
(ii) acht paarden die in de taxatierapporten waren vermeld niet voorkwamen in de boekhouding van [bedrijf 6] en dat deze acht paarden in de taxatierapporten met een totale waarde van € 43.250,- stonden;
(iii) het [paard 3] in het taxatierapport van 25 september 2012 is getaxeerd op € 100.000,- (met als peildatum 1 december 2011), terwijl het al op 1 april 2012 was verkocht voor € 2.200.000,- en dit paard het seizoen vóór de verkoop goed had gepresteerd;
(iv) het [paard 4] is getaxeerd op € 35.000,- en op 23 januari 2012 is verkocht voor € 110.000,-;
(v) het [paard 5] is getaxeerd op € 150.000,- en op 24 juli 2012 is verkocht voor € 1.450.000,-.
Daarmee heeft het hof zijn oordeel dat de taxatierapporten niet als uitgangspunt kunnen dienen voor de waarde van de paarden op 1 december 2011, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.
8.5
Ten tweede maakt de steller van het middel – zo begrijp ik – gewag van het oordeel van het hof dat de verkoopprijs van € 7.000.000,- voor de aandelen klaarblijkelijk te laag is geweest. Dit oordeel zou onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd zijn, omdat het hof niet de exacte waarde van de [stal] heeft kunnen bepalen. Hierover merk ik het volgende op. De waarde van de aandelen van [bedrijf 2] hangt af van de waarde van (i) de waarde van de paarden en (ii) de waarde van het vastgoed en de daarbij behorende roerende zaken. Het hof heeft, zoals hiervoor al bleek, niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de gehanteerde waarde van de paarden van € 4,5 miljoen veel te laag is. Verder heeft het hof overwogen dat de waarde van de onroerende en de roerende zaken van het vastgoed op 1 december 2011 is getaxeerd op € 3.397.600,-. Deze bedragen bij elkaar opgeteld zijn al € 800.000,- hoger dan de verkoopprijs van € 7 miljoen, terwijl deze optelling nog uitgaat van een veel te lage waarde van de paarden. Gelet hierop, kon het hof ook zonder de exacte waarde van de [stal] te bepalen, vaststellen dat de verkoopprijs van € 7 miljoen voor de aandelen te laag was. Ook in zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.
8.6
Tot slot wordt geklaagd over het opzet op de benadeling van de schuldeisers door deze transacties. Het hof heeft overwogen dat sprake is van benadeling van de schuldeisers, aangezien de [stal] , inclusief de paarden, zonder reële tegenprestatie is overgedragen aan [bedrijf 3] en daarmee aan het verhaalsrecht van de schuldeisers van [bedrijf 1] is onttrokken. Dat de verdachte opzet had, leidt het hof af uit het feit dat de verdachte geen enkel zakelijk belang had bij de transactie, dat hij geen advies heeft ingewonnen over de waarde van de aandelen of een gedegen businessplan heeft opgemaakt waaruit zou blijken dat de stal ook zonder verlies geëxploiteerd kon worden en dat de beheerders van de stal hebben verklaard dat zij niets hebben gemerkt van de overdracht van de stal. Het oordeel van het hof dat de verdachte met deze handelingen de rechten van de schuldeisers verkortte, is mijns inziens gelet hierop niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
8.7
Het middel faalt.
9. Het vijfde middel
9.1
Het vijfde middel komt op tegen het oordeel van het hof dat het document bevattende notulen van een buitengewone aandeelhoudersvergadering van 16 maart 2007 niet in 2007 is opgemaakt. Dit oordeel zou onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn.
9.2
Uit de toelichting op het middel blijkt dat het gaat om het oordeel van het hof dat volgt uit de volgende bewijsoverwegingen:
“De verdediging heeft recent aangevoerd dat verdachte zich wel degelijk had ingedekt tegen verliezen. In hoger beroep (op 10 februari 2022) is een document overgelegd dat teruggevonden zou zijn in door de FIOD aan verdachte geretourneerde stukken. Het betreft de notulen van een buitengewone aandeelhoudersvergadering (BVA) van [bedrijf 4] op 16 maart 2007. De BVA - in de persoon van verdachte - heeft volgens de notulen besloten dat verdachte € 75 miljoen van de vennootschap zal lenen om, op verzoek van de bestuursvoorzitters van Fortis en ING, aandelen Fortis, ING en Aegon te kopen. [bedrijf 4] vrijwaart verdachte voor verliezen die geleden kunnen worden en zal verdachte volledig compenseren voor die verliezen en de mogelijke uit de aankoop voortvloeiende belastingclaims. Verder is vastgelegd dat verdachte al begin 2007, vooruitlopend op de vergadering, is gestart met de aankoop van aandelen. [betrokkene 6] , die in 2011 is overleden, zou namens de Rabobank op de hoogte zijn gesteld van het verzoek van de bestuursvoorzitters en hebben meegedeeld dat de Rabobank geen voorwaarden zou stellen aan de lening. De verdediging heeft met de notulen een onderzoek van Forensicon overgelegd, waaruit naar voren komt dat de notulen zijn geprint in de periode halverwege jaren 80 tot heden.
Het hof gaat ervan uit dat het document niet in 2007 is opgemaakt. Gesuggereerd wordt dat het document tot voor kort in het bezit van de FIOD zou zijn geweest. In het dossier is echter geen enkele vermelding, verklaring of document terug te vinden die/dat het bestaan van de notulen ondersteunt. Ook in de jaarrekeningen van [bedrijf 4] is niet opgenomen dat zij mogelijke verliezen op aandelentransacties zou moeten compenseren. Pas in het 19e faillissementsverslag van 17 juni 2021 wordt voor het eerst melding gemaakt van het bestaan van de notulen. De curator merkt in dat verslag op:
In de afgelopen verslagperiode zond [betrokkene 3] de curator een BVA-besluit van [bedrijf 4] d.d. 16 maart 2007 dat voorheen hij de curator niet bekend was. Zakelijk weergegeven voorzag dit besluit in een volledige vrijwaring van [verdachte] voor koersverliezen, verband houdende met de aandelentransacties, waarvoor [verdachte] de rekening-courantverplichting aanging. Die koersverliezen werden werkelijkheid, voor vrijwel het hele pro resto bedrag. Het faillissement van [verdachte] is door de curatoren van [bedrijf 4] aangevraagd op (onder meer) deze rekeningcourant vordering ad € 48.217.221,--. De curator vraagt zich af waarom het allereerste verweer van [verdachte] niet heeft geluid, dat hij zijn vordering op [bedrijf 4] op grond van de vrijwaring in verrekening wenste te brengen met zijn rekening-courantverplichtingen jegens [bedrijf 4] . Te meer omdat [verdachte] in eerste aanleg al tot twee keer toe strafrechtelijk is veroordeeld wegens valsheid in geschrifte is de curator terughoudend.
De aanschaf van aandelen in 2007 past ook niet in de volgende tijdlijn:
Volgens de jaarrekeningen van [bedrijf 4] over 2007, 2008 en 2009 had verdachte eind 2007 een schuld van € 0,8 miljoen aan [bedrijf 4] , eind 2008 een schuld van € 21 miljoen en eind 2009 bedroeg de schuld € 70 miljoen. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte op z’n vroegst in de loop van 2008 is overgegaan tot de aankoop van de aandelen, maar het grootste deel van de aandelen in 2009 heeft aangeschaft. Fortis was toen al overgenomen en ING werd met staatssteun overeind gehouden. Het hof concludeert dat de aandelen om louter speculatieve redenen door verdachte zijn gekocht en dat hij de voor die aankoop benodigde middelen van [bedrijf 4] heeft geleend.”
9.3
Volgens de stellers van het middel is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat het hof in dat verband enkel de conclusie van Forensicon heeft genoemd dat “de notulen zijn geprint in de periode halverwege de jaren 80 tot heden”, terwijl Forensicon ook zou hebben geconcludeerd dat “de onderzoeksresultaten extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer H1 (“het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend”) juist is dan wanneer H2 (“Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend” juist is. Het hof zou ten onrechte niet bij deze bevindingen van Forensicon hebben stilgestaan. Ook zou het feit dat het hof bij zijn oordeel heeft betrokken dat de aanschaf van de aandelen in 2007 niet past in de tijdlijn van de jaarrekeningen van [bedrijf 4] over 2007, 2008 en 2009, dit verzuim niet kunnen herstellen, althans het oordeel van het hof niet kunnen dragen.
9.4
Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van het hof dat het betreffende document niet in 2007 is opgemaakt, een feitelijk oordeel betreft. Dergelijke oordelen kunnen in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.
9.5
Dat het hof de door de stellers van het middel genoemde conclusie uit het onderzoek van Forensicon niet in zijn overwegingen heeft betrokken, maakt het oordeel van het hof naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Dat het document op basis van de gebruikte printtechnieken op de datum waarop het document is gedagtekend kan zijn vervaardigd, betekent immers niet zonder meer dat het ook op die datum is vervaardigd.
9.6
De stellers van het middel merken naar mijn idee terecht op dat het hof bij zijn overweging dat uit de jaarrekeningen van [bedrijf 4] over 2007, 2008 en 2009 kan worden afgeleid dat de verdachte op z’n vroegst in de loop van 2008 is overgegaan tot de aankoop van de aandelen, de mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte in 2007 (slechts) voor een bedrag van ongeveer € 800.000,- aan aandelen heeft gekocht en pas in 2008 en 2009 voor een hoger bedrag. De betreffende notulen zouden inhouden dat de verdachte “al begin 2007, vooruitlopend op de vergadering, is gestart met de aankoop van aandelen.” Hiermee is niet onverenigbaar dat uit de jaarrekening van [bedrijf 4] over 2007 blijkt dat de verdachte eind 2007 een schuld van € 0,8 miljoen aan [bedrijf 4] had.
9.7
Dit maakt het oordeel van het hof dat het document niet in 2007 is opgemaakt echter niet onbegrijpelijk, nu het hof dit oordeel niet alleen op deze omstandigheid heeft gebaseerd, maar ook op de omstandigheden dat: (i) in het dossier geen enkele vermelding, verklaring of document is terug te vinden die/dat het bestaan van de notulen ondersteunt, (ii) ook in de jaarrekeningen van [bedrijf 4] niet is opgenomen dat zij mogelijke verliezen op aandelentransacties zou moeten compenseren en (iii) pas in het 19e faillissementsverslag van 17 juni 2021 voor het eerst melding wordt gemaakt van het bestaan van de notulen.
9.8
Het middel faalt.
10. Het zesde middel
10.1
Het middel houdt in dat het hof in strijd heeft gehandeld met de onschuldpresumptie, doordat het de omstandigheid dat de verdachte in de zaak ‘Maruoka’ (niet-onherroepelijk) is veroordeeld wegens het overleggen van valse stukken heeft betrokken bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek en/of bij de strafoplegging. Voorts klaagt het middel dat het oordeel van het hof waarbij het met deze omstandigheid in de strafoplegging rekening houdt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
10.2
Ik bespreek eerst het gedeelte van het middel dat betrekking heeft op het aanhoudingsverzoek. Daarna ga ik in op de klachten met betrekking tot de strafoplegging.
10.3
Het hof heeft in het bestreden arrest – voor zover relevant – het volgende overwogen over de afwijzing van het verzoek tot schorsing van het onderzoek:
“Het hof zal het verzoek tot schorsing van het onderzoek afwijzen. Het overweegt daartoe als volgt:
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdediging niet valt te verwijten dat de procedure inmiddels al zo lang duurt. Objectief gezien zou het proces niet door de verdediging zijn vertraagd. Daar wreekt zich misschien het feit dat de raadsman het dossier nog niet zo goed kent. Het hof zal daarom nog kort recapituleren (zie hierboven ook onder ‘Procesverloop in hoger beroep’) welke handelingen van verdachte de procedure hebben vertraagd:
[…]
Kort voor de geplande regiezitting van 17 oktober 2018 (die uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden) heef mr. Vlaar zich gesteld in plaats van mr. Sijbers. Per brief heeft mr. Vlaar verzocht 75 getuigen te horen. Hij heeft een omvangrijk dossier ingediend dat deels bestond uit vervalste documenten, althans zo luidt de conclusie van de rechtbank Oost-Brabant. Omdat het hof geen beslissing kan nemen op verzoeken die (mogelijk) zijn gebaseerd op valse documenten, zou er eerst onderzoek naar die documenten worden uitgevoerd (het onderzoek-Maruoka). De eerste regiezitting in hoger beroep is daarom uitgesteld tot 6 februari 2019.
[…]
Het hof stelt vast dat de procedure allereerst ernstig is vertraagd doordat verdachte valse documenten heeft overgelegd.
[…]
Het hof is van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijk proces niet is geschonden en wijst het verzoek om het onderzoek te schorsen af.”
10.4
Volgens de stellers van het middel heeft het hof hiermee acht geslagen op deze veroordeling als ware zij onherroepelijk of vaststaand is, althans de schuld van de verdachte vastgesteld zonder dat de veroordeling onherroepelijk is. Dit is strijd met de onschuldpresumptie.
10.5
Uit afwijzing van het verzoek tot schorsing van het onderzoek blijkt dat het hof wel degelijk acht heeft geslagen op het feit dat de verdachte nog niet onherroepelijk is veroordeeld voor het inbrengen van vervalste documenten. Zo heeft het overwogen dat de verdachte een omvangrijk dossier heeft ingediend, dat deels bestond uit vervalste documenten, “althans zo luidt de conclusie van de rechtbank Oost-Brabant”. Dit volgt eveneens uit de toevoeging van het woordje “(mogelijk)” in bovenstaande overweging. In dit licht moet de opmerking van het hof dat de procedure ernstig is vertraagd doordat de verdachte valse documenten heeft ingediend, wat mij betreft worden gelezen met inbegrip van de hiervoor genoemde reserves ten aanzien van een definitieve beslissing op het punt van de (verantwoordelijkheid voor) de valsheid van de ingebrachte documenten. Aldus is de feitelijke grondslag aan de klacht ontvallen. In zoverre faalt het middel.
10.6
Dit brengt mij tot de klachten over de strafoplegging. Het hof heeft in de bestreden uitspraak met betrekking tot de oplegging van straf en/of maatregel het volgende overwogen:
“11. Oplegging van straf en/of maatregel
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en drie maanden zal worden opgelegd.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte was bestuurder van één van de grootste projectontwikkelingsmaatschappijen van Nederland. Het concern inclusief de dochters zoals de [stal] en [bedrijf 14] verschafte direct en indirect werk aan een groot aantal werknemers. [bedrijf 1] had bovendien bij verschillende banken enorme leningen uitstaan en grootschalige bouwprojecten onder handen. Het faillissement van [bedrijf 1] heeft op al die betrokkenen grote impact gehad.
Verdachte heeft echter op geen enkel moment rekening gehouden met de grote maatschappelijke verantwoordelijkheid die het leiden van zo’n concern met zich brengt. Hij is vanaf het moment dat de liquiditeitspositie penibel werd, bezig geweest vermogen veilig te stellen zonder rekening te houden met de belangen van anderen. Zelfs zijn vrouw en kinderen heeft hij meegesleurd in de teloorgang van het bedrijf. Zij zijn vervolgd en veroordeeld door hun loyaliteit aan verdachte en, hoewel zij daarin ook een eigen verantwoordelijkheid hebben, is het hof ervan overtuigd dat alle initiatieven voor de malversaties afkomstig zijn geweest van verdachte.
Het is kennelijk nooit bij verdachte opgekomen dat hij door de banken te misleiden met valse huurovereenkomsten, aannemingsovereenkomsten, bouwgaranties en onjuiste financiële informatie zélf de aanzet heeft gegeven tot de ondergang van de [bedrijf 1] -groep.
Gebruik maken van valse bewijsstukken zoals overeenkomsten, schaadt de integriteit van het financiële en economische verkeer. Het leidt ertoe dat bedrijven uitgebreide controlemechanismen moeten opzetten en compliance-afdelingen steeds strengere eisen moeten stellen. Het zijn ernstige feiten met grote maatschappelijke gevolgen. Verdachte heeft privévermogen en vermogen van [bedrijf 1] in de aanloop naar de faillissementen door een reeks frauduleuze transacties en overboekingen, zoals hiervoor beschreven, overgeheveld naar zijn (ex-)echtgenote, kinderen of vennootschappen. De ernst van deze feiten rechtvaardigt oplegging van een vrijheidsbenemende straf van lange duur.
Verdachte heeft zich na het rijzen van de eerste verdenkingen en de faillietverklaringen volledig gericht op het afwentelen van zijn verantwoordelijkheden. In een eindeloos aantal civiele procedures en in de strafzaken zijn steeds weer valse documenten opgedoken, die de meest ongeloofwaardige scenario’s moesten ondersteunen. Alle bij het proces betrokken personen, getuigen, de officier van justitie, curatoren, de rechter-commissaris belast met de afhandeling van faillissementen, een belangrijke voormalige zakenrelatie van verdachte en bankmedewerkers zijn zwart gemaakt en ervan beschuldigd samen te zweren om verdachte, zijn familie en zijn bedrijf kapot te maken. Ook personen die zich, doordat zij inmiddels ernstig ziek of overleden waren, niet meer konden verdedigen. De valsheid van de door verdachte in deze procedure ingebrachte geschriften, maakt geen deel uit van de tenlastelegging. Omdat de stukken dienen ter onderbouwing van verweren van de verdachte heeft het hof zich wel een oordeel over die stukken moeten vormen. Uit de getuigenverklaringen in het onderzoek-Maruoka leidt het hof af dat door verdachte overgelegde stukken vals zijn. Van een aantal valse geschriften staat vast dat verdachte bij het opstellen daarvan betrokken is. Dat neemt het hof de verdachte kwalijk. Niettemin houdt het hof met deze omstandigheid bij de straftoemeting maar beperkt rekening. Verdachte is immers voor het gebruik van een aantal valse geschriften inmiddels in een aparte procedure veroordeeld. Weliswaar is die veroordeling niet onherroepelijk, maar het hof wil voorkomen dat met betrekking tot deze geschriften in feite een dubbele bestraffing plaatsvindt.
Tijdens de bespreking van zijn persoonlijke omstandigheden bij de rechtbank profileerde verdachte zich min of meer als slachtoffer. In hoger beroep is er geen verweer gevoerd op de strafmaat, maar uit het onderzoek komt wel naar voren dat die houding van verdachte niet wezenlijk is veranderd. Verdachte heeft, zelfs toen hij al verdacht werd van het vervalsen van huurovereenkomsten niet in willen zien dat zijn handelingen strafbaar zijn. Integendeel, tijdens de procedure zijn weer nieuwe valse documenten ingebracht, waarvoor verdachte inmiddels ook, zij het niet onherroepelijk, is veroordeeld (de zaak-Maruoka). Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is daarom van toepassing op de strafoplegging. De betrokken procespartijen kunnen nauwelijks vertrouwen op door verdachte ingebrachte documenten, omdat telkens weer naar voren komt dat verdachte en medeverdachten het niet zo nauw nemen met waarheid.
Het hof heeft bij de strafoplegging verder gelet op de rechterlijke oriëntatiepunten, afgeleid van het geschatte benadelingsbedrag. Bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,-- wordt een gevangenisstraf van 24 maanden aangegeven als begin van denken voor een op te leggen straf. Het hof stelt vast dat er in dit geval sprake is van een benadelingsbedrag van minimaal € 10 miljoen. Daarnaast is gelet op straffen die bij soortgelijke omvangrijke fraudezaken zijn opgelegd. Alles afwegende is het hof uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden.
Overschrijding van de redelijke termijn
Verdachte heeft op 23 december 2016 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. De procedure in hoger beroep reeft dus zes jaar in beslag genomen. Het verloop van de procedure is hierboven geschetst. Daaruit blijkt dat een aanzienlijk deel van de vertraging te wijten is aan het indienen van valse stukken, de wisselingen in de verdediging, de zoektocht naar onvindbare getuigen en het horen van getuigen en deskundigen op verzoek van de verdediging. Ook de complexiteit en omvang van de zaak hebben een rol gespeeld bij de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof constateert dat de procedure al met al onwenselijk lang heeft geduurd en dat die overschrijding gecompenseerd dient te worden door de strafduur te verminderen met negen maanden. Naar het oordeel van het hof is oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vierjaar en drie maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal in beginsel volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.”
10.7
Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391, onder meer het volgende heeft overwogen over het betrekken van een niet tenlastegelegd feit bij de strafoplegging:
“2.4.1. […] Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586).
2.4.2.
Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd - al dan niet soortgelijk - feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit - bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan - dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.
2.4.3.
Indien de rechter in verband met de strafoplegging melding maakt van een niet tenlastegelegd feit mag ervan worden uitgegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. Dit kan anders zijn indien uit de strafmotivering blijkt dat de vermelding van een niet tenlastegelegd feit niet tot strafverzwaring aanleiding heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat die vermelding is opgenomen naar aanleiding van hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd.27.
10.8
Uit de strafmotivering kan – zo meen ik – niet worden afgeleid dat het hof het feit dat de verdachte voor het gebruik van een aantal valse geschriften in civiele procedures en in strafzaken niet-onherroepelijk is veroordeeld, in strafverzwarende zin heeft betrokken bij de strafoplegging. Het hof heeft hier op gewezen om te onderbouwen dat de verdachte zich na het rijzen van de eerste verdenkingen en de faillietverklaringen volledig heeft gericht op het afwentelen van zijn verantwoordelijkheden. Het heeft weliswaar in minder gelukkig gekozen bewoordingen overwogen dat het met deze omstandigheid bij de straftoemeting “maar beperkt” rekening houdt, maar uit de daarop volgende zin dat het hof wil voorkomen dat met betrekking tot deze geschriften in feite een dubbele bestraffing plaatsvindt, blijkt dat het hof deze omstandigheden niet heeft laten meewegen bij de strafoplegging.
10.9
Ook deze klacht faalt.
10.10
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
11. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑03‑2024
Vgl. HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3414, r.o. 2.6.
HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1366, r.o. 2 en HR 11 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5101, r.o. 4.2.
Vgl. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7644, r.o. 2.5.3.
Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg onder 9-14, voorafgaand aan HR 11 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5101, waarnaar de Hoge Raad in r.o. 4 verwijst.
Vgl. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6406, r.o. 3.3.2.
EHRM 30 november 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0831JUD004551211 (Galović/Kroatië), r.o. 79-80.
EHRM 30 november 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0831JUD004551211 (Galović/Kroatië), r.o. 79-91.
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 253-49.
Zie o.a. HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7844, NJ 2011/473, m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.2.
HR 8 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1675, NJ 2006/82, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 3.3.
HR 19 juni 2017, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.4.2; HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.59.
HR 19 juni 2017, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.4.2; HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1625, NJ 2023/71, m.nt. N. Jörg, r.o. 2.4.2.
Vgl. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3188 (81 RO) en de bijbehorende conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse (ECLI:NL:PHR:2017:1364, onder 3.2.), evenals HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3654, r.o. 3.5.3.
Door de verdediging en in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2022 ook wel geschreven als ‘ [getuige 6] ’.
Met betrekking tot de [getuige 6] heeft het hof eerder overwogen dat dit verzoek niet bij tijdig ingekomen appelschriftuur is gedaan en daarom wordt getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium. Desondanks heeft het hof het criterium van het verdedigingsbelang ook ten aanzien van deze getuige toegepast. Nu het criterium van het verdedigingsbelang een ruimer criterium is dan het noodzakelijkheidscriterium, is de verdachte hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.5.
Kamerstukken II, 2013/14, 33994, nr. 3, p. 7 en 14.
HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691, r.o. 4.4.2.
HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:128, NJ 2020/156, m.nt. N. Jörg, r.o. 2.6.2.
Vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878, NJ 2012/78, m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.5.2 en 3.6.2.
HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2019, r.o. 2.3; HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen, r.o. 4.5; HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:166, NJ 2017/376, m.nt. B.F. Keulen, r.o. 3.3; HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5446, r.o. 3.2; HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691, r.o. 4.4.2.
Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen, r.o. 4.6 en 5.4 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee, onder 85 en 88, evenals: C.M. Hilverda, De bestrijding van faillissementsfraude: waar een wil is, Deventer: Kluwer 2012, p. 89, 90 en 97 en Kamerstukken II, 2013/14, 33994, nr. 3, p. 7.
De bewijsmiddelen waaruit deze vaststellingen van het hof blijken heb ik vermeld.
HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391, NJ 2017/400, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.4.1-2.4.3, herhaald in o.a.: HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:112, r.o. 2.3; HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1023, r.o. 2.4 en HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:566, r.o. 2.4.1-2.4.3.
Beroepschrift 14‑07‑2023
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: S 22/04626
AANVULLENDE SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1953, verzoeker van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, van 2 december 2022, parketnummer 21-000014-17, en van de onder dat parketnummer genomen (tussen)beslissingen.
In deze zaak is door ondergetekenden op 12 juni 2023 bij uw Raad een schriftuur ingediend houdende zes middelen van cassatie. Op 30 juni 2023 ontvingen wij bericht dat een aantal (tijdig) opgevraagde stukken die nog niet bij de ingediende cassatieschriftuur konden worden betrokken in het digitaal portaal is geplaatst. Vervolgens is een aanvullende/nadere termijn gegeven tot en met 17 juli 2023. De ingediende cassatieschriftuur wordt naar aanleiding van de nagekomen stukken bij dezen op punten aangevuld. Aanvullingen vinden plaats in het blauw, verwijderingen worden doorgestreept (op deze wijze).
Verzoeker van cassatie dient hierbij de navolgende middelen in:
Inleiding op de middelen:
Het gerechtshof heeft verzoeker in twee separate strafrechtelijke onderzoeken, te weten het onderzoek ‘Vercors’ (parketnummer eerste aanleg 07-996513-12) en het onderzoek ‘Kirishima’ (parketnummer eerste aanleg 08-996128-13), veroordeeld voor het (meermalen) plegen van valsheid in geschrifte resp. het feitelijk leidinggeven en medeplegen van bedrieglijke bankbreuk.
Voor de cassatieprocedure zijn de volgende uit de stukken in het digitaal portaal blijkende data en/of gebeurtenissen van belang:
- —
Bij vonnis van 16 december 2016 is verzoeker, na een procedure op tegenspraak waarin hij werd bijgestaan door mr. F. Sijbers, door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden;
- —
Tegen dit vonnis is door het Openbaar Ministerie op 22 december 2016 en door verzoekers raadsman mr. F. Sijbers op 23 december 2016 hoger beroep aangetekend;
- —
Namens verzoeker is door voornoemde mr. F. Sijbers tijdig, te weten op 5 januari 2017, een appelmemorie ingediend;
- —
Het gerechtshof heeft op 7 februari 2017 het dossier van de rechtbank (grotendeels) ontvangen. Dit dossier is op 9 januari 2018 gecompleteerd;
- —
Op 18 augustus 2018 heeft mr. J.M.R. Vlaar zich namens verzoeker gesteld als raadsman;.
- —
In verband met vermoede valsheid van door mr. Vlaar op 8 september 2018 namens verzoeker aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad toegezonden stukken, is daarnaar een onderzoek (‘Maruoka’) gestart waarin onder meer verzoeker als verdachte is aangemerkt;
- —
Medio 2018 heeft mr. Vlaar zijn praktijk neergelegd;
- —
Op 17 oktober 2018 stond een regie-zitting gepland, welke zitting in verband met voormeld onderzoek ‘Maruoka’ geen doorgang heeft gevonden en werd uitgesteld tot 6 februari 2019;
- —
Op 10 december 2018 hebben mrs. R.E. van Zijl en K.J. Zeegers zich als raadslieden gesteld voor verzoeker. Voorafgaand aan de zitting van 6 februari 2019 is door hen aangegeven dat zij nog niet (genoegzaam) in staat zijn geweest reeds onderzoekswensen te formuleren;
- —
Niettemin hebben de raadslieden — zo volgt uit de pleitnota overgelegd op de zitting van 6 februari 2019 — een aantal onderzoekswensen ingediend. Namelijk:
- ○
het verzoek om verzoeker te horen als verdachte in zijn eigen zaak;
- ○
de toelichting op de onderzoekswensen met betrekking tot een aantal deelonderwerpen.
- —
Met betrekking tot deze laatste categorie; verzocht is om vijftien getuigen te (doen) horen, waarbij expliciet is aangegeven dat deze verhoren zien op deelonderwerpen die losstaan van het onderzoek Maruoka (onder 51–52).
- —
Voor het overige is het hof verzocht de resultaten van het onderzoek door de rechter-commissaris in Maruoka af te wachten, en dan een nieuwe regiezitting te plannen, al dan niet voorafgegaan door een schriftelijke ronde (bv. pleitnota onder 116).
- —
Op de zitting van 6 september 2019 hebben mrs. R.E. van Zijl en K.J. Zeegers een aantal verzoeken gedaan, waaronder het horen van verzoeker zelf en van getuigen door de raadsheer-commissaris.
- —
Het gerechtshof heeft de beslissingen op deze verzoeken aangehouden, en heeft bepaald dat de verdachte vóór de volgende regiezitting zijn visie over de zaak — bondig en bij voorkeur in de volgorde van de tenlastelegging — op papier zal zetten, dat aan de hand daarvan een beslissing op het verzoek tot het horen van verdachte bij de raadsheer-commissaris worden genomen, dat het bij tussenarrest de zaak naar de raadsheer-commissaris zal verwijzen en zal dat het een opdracht aan de advocaat-generaal zal geven om een aantal stukken aan het dossier toe te voegen. Bepaald is dat de tussenbeslissing zal plaatsvinden ter terechtzitting van 20 februari 2019 te 14:00 uur;
- —
Bij tussenarrest van 20 februari 2019 wordt geoordeeld en verwezen zoals hiervoor weergegeven, waarbij de beslissing op de verzoeken om het horen van getuigen en/of verzoeker (wederom) wordt aangehouden; verder noemt het hof uitdrukkelijk dat de raadsheer-commissaris in overleg zal treden met de behandelend rechter-commissaris in de ‘nieuwe’ zaak Maruoka, onder meer over het horen van personen die in beide zaken als getuigen dienen te worden gehoord.
- —
In oktober 2019 heeft de verdediging verzocht een regiezitting in te plannen.
- —
Op 13 mei 2020 heeft er een regiezitting plaatsgevonden. Voorafgaande daaraan zijn door de verdediging onderzoekswensen opgegeven die aan de hand van een door het gerechtshof als voorgedragen beschouwde pleitnota zijn toegelicht;
- —
Bij tussenarrest van 27 mei 2020 heeft het gerechtshof op de onderzoekswensen beslissingen genomen. Daarbij is vastgesteld dat tien van de door mr. R.E. van Zijl opgegeven getuigen ook reeds bij appelschriftuur van de raadsman van destijds waren opgegeven. Ten aanzien van die getuigen oordeelt het gerechtshof dat het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing is. Ten aanzien van de verzoeken tot het oproepen van de overige getuigen oordeelt het dat het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. Het gerechtshof wijst het verzoek tot oproeping van tien van de gevraagde getuigen toe, de verzoeken worden voor het overige afgewezen;
- —
Op de hierna volgende zitting van 8 juni 2022 is sprake van een gewijzigde samenstelling van het gerechtshof ten opzichte van de regie-zitting van 13 mei 2020. Met instemming van partijen wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich op laatstgenoemde zitting bevond.
- •
Uit het verhandelde op die zitting blijkt dat de getuigen waarvan op 27 mei 2020 de oproeping is bevolen door de raadsheer-commissaris zijn gehoord met uitzondering van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], die volgens de raadsheer-commissaris onvindbaar bleken, en mr. [getuige 7]. Van laatstgenoemde getuige heeft de verdediging afstand gedaan. Ten aanzien van de andere getuigen oordeelt het gerechtshof dat het niet aannemelijk dat deze getuigen binnen aanvaarbare termijn kunnen worden opgespoord en verhoord;
- •
Verder blijkt uit het verhandelde op de zitting dat de raadsvrouwe nadere onderzoekswensen op voorhand aan het gerechtshof heeft toegestuurd, welke onderzoekswensen zij conform de aan het gerechtshof overgelegde pleitnota ter zitting heeft toegelicht;
- •
Het gerechtshof wijst op de zitting de verzoeken aan de hand van de maatstaf van het noodzakelijkheidscriterium af, met uitzondering van de verzoeken onder 15 tot en met 18 die het beoordeelt aan de hand van het verdedigingsbelang omdat het gerechtshof eerder heeft geoordeeld dat die verzoeken moeten worden toegewezen;
- •
Ten aanzien van de door de verdediging op bijlage 7 van de overgelegde pleitnota genoemde (verzoeken tot oproeping van de) getuigen 4, 5 en 12 heeft het geen (gemotiveerde) beslissing genomen;
- •
Verzoeker wraakt op deze zitting het gerechtshof;
- —
Op de zitting hierna van 15 juni 2022 blijkt dat het gerechtshof de dag ervoor van mrs. Van Zijl en Zeegers een mededeling heeft gekregen dat zij verzoeker niet langer bijstaan. Verzoeker licht ter zitting toe dat het hier gaat om een vertrouwensbreuk.
- •
Verzoeker vraagt vervolgens — kort samengevat — het gerechtshof om de zaak aan te houden opdat hij in staat is zich van bijstand van een advocaat te voorzien en de verdediging voor te bereiden. Het gerechtshof wijst het verzoek af en gaat voort met de behandeling van de strafzaak en de ontnemingszaak;
- •
Het vraagt in dat kader aan verzoeker om zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven, waarop verzoeker zijn verzoek om rechtsbijstand herhaalt. Het gerechtshof houdt voorts stukken voor, geeft de advocaat-generaal het woord voor requisitoir en stelt naar aanleiding van dat requisitoir vragen aan de advocaat-generaal en maakt daarover opmerkingen;
- •
Op de vraag van de voorzitter aan verzoeker of hij op het requisitoir wil reageren herhaalt verzoeker zijn wens zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien;
- •
Het gerechtshof geeft verzoeker de gelegenheid om gebruik te maken van de uitloopdag van 24 juni 2022 om met een verweer te komen en in de tussentijd nog een raadsman of raadsvrouw te raadplegen om de verdediging wat beter voor te bereiden. Verzoeker antwoordt daarop dat dit onhaalbaar is. Hij wraakt het gerechtshof andermaal;
- —
Op de zitting van 24 juni 2022 maakt de voorzitter melding van een e-mail van de avond daarvoor van mr. Van Gessel, advocaat te Amsterdam, die daarin vraagt om overleg in de zaak. Daarnaar gevraagd, verklaart verzoeker dat hij op zoek is naar een advocaat, dat mr. Van Gessel hem mogelijk gaat bijstaan in het hele traject zoals het er nu uitziet en dat hij het gerechtshof daarover heeft bericht;
- •
De voorzitter deelt mee dat hij verzoeker alsnog in de gelegenheid wil stellen om te reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal. Verzoeker geeft daarop aan dat hij zichzelf als verdachte niet kan verdedigen, daarvoor niet deskundig is en in de verhouding tot het openbaar ministerie geen partij is (equality of arms, fair trial). Hij wil graag een advocaat en is bezig er een te vinden. Hij verzoekt nogmaals om aanhouding van de zaak;
- •
Het verzoek wordt door het gerechtshof afgewezen waarbij het aangeeft te blijven bij de eerder genomen beslissing en de motivering daarvoor. Het stelt verzoeker in de gelegenheid inhoudelijk te reageren of gebruik te maken van het recht op het laatste woord;
- •
Als laatste woord verklaart verzoeker dat hij vanuit het oogpunt van gelijkheid wenst te worden bijgestaan te worden door een advocaat maar zich niet professioneel kan laten vertegenwoordigen, omdat het gerechtshof de ruimte daarvoor niet biedt. Verder geeft hij aan dat hij nog veel te zeggen had maar dit niet doet om hij niet weet of dit zijn zaak kan schaden of juist goed zal doen;
- •
Hierop wordt het onderzoek geschorst tot 22 september 2022, 13.30 uur voor de sluiting waar alsdan mogelijk ook direct uitspraak wordt gedaan;
- —
Op de zitting van 22 september 2022 wordt door het gerechtshof melding gemaakt van het feit dat op 6 september 2022 mr. M.L. van Gessel zich heeft gesteld als raadsman en dat door hem bij brief van 19 september 2022 wordt verzocht de zaak te heropenen/schorsen, zodat verdachte alsnog de gelegenheid krijgt om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Daarop heeft het hof de raadsman schriftelijk meegedeeld dat zijn verzoek in verband met een andere samenstelling van het hof niet op 22 september 2022 behandeld kan worden en dat de zaken zullen worden aangehouden. Op de zitting wordt het onderzoek geschorst tot 18 november 2022, 13.30 uur te Zwolle;
- —
Op de zitting van 18 november 2022 is de (gemachtigde) raadsman van verzoeker, mr. M.L. van Gessel aanwezig. In een ter zitting overgelegde pleitnota licht hij het standpunt van de verdediging dat het gerechtshof het verzoek van verzoeker om tijd en gelegenheid teneinde zich van rechtsbijstand te voorzien ten onrechte heeft afgewezen toe en vraagt hij andermaal om aanhouding en heropening van de zaak;
- •
Het gerechtshof bepaalt dat de uitspraak (arresten dan wel tussenarresten) in de zaken van verdachte en de medeverdachten zal plaatsvinden op 2 december 2022 te 14:00 uur te Zwolle;
- —
Bij arrest van 2 december 2022 wijst het gerechtshof het verzoek van de verdediging tot schorsing van het onderzoek af en overweegt daartoe (onder meer) dat verzoeker in hoger beroep in het algemeen en in het bijzonder vanaf de planning voor de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in juni 2022, die in overleg met zijn raadsman tot stand is gekomen, ruim voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden en dat van een schending van het recht op een eerlijk proces geen sprake is.
Het verklaart de feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair in de zaak ‘Vercors’ en de feiten 1 primair en 3 in de zaak ‘Kirishima’ bewezen. Het veroordeelt verzoeker tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren en drie maanden.
Middel I:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR, 17 en 18 Gw en 28, 348, 349, 350, 358, 359 en 415 Sv, doordat:
- —
de oordelen van het gerechtshof van 15 juni 2022, op 24 juni 2022 en (bij arrest) op 2 december 2022, inhoudende dat het verzoek van/namens verzoeker tot aanhouding van de zaak en/of heropening van het onderzoek ter terechtzitting teneinde zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien en/of (zelf) zijn verdediging te kunnen voorbereiden, heeft afgewezen op onjuiste en/of onbegrijpelijke gronden en/of doordat het deze afwijzing ontoereikend heeft gemotiveerd, en/of;
- —
(hierdoor) jegens verzoeker sprake is van een schending van art. 6 lid 3 sub b en/of sub c EVRM — het recht van verzoeker om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging, respectievelijk het recht van verzoeker zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze — en/of (hierdoor) het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces is geschonden, en/of;
- —
door het gerechtshof in de bewijsoverwegingen in het arrest wordt ingegaan op verweren van de verdediging (uit eerste aanleg) en/of (veronderstelde) standpunten van de verdediging en/of verzoeker die in hoger beroep niet zijn gevoerd en/of ingenomen waardoor de bewijsvoering onbegrijpelijk is en/of de bewezenverklaring, die mede op de in die bewijsoverwegingen naar aanleiding van niet gevoerde verweren/standpunten gebaseerd is, onvoldoende met redenen is omkleed.
Het arrest lijdt daardoor aan nietigheid.
Toelichting:
Procesverloop
1.
Op 8 juni 2022 heeft een zitting bij het hof plaatsgevonden waarbij de toenmalige raadsvrouwe van verzoeker, mr. R.E. van Zijl, een aantal onderzoekswensen heeft ingediend, te weten de toevoeging van twee stukken, het (doen) horen van twee deskundigen en het (doen) horen van 34 getuigen. Het hof heeft alle verzoeken afgewezen (proces-verbaal zitting p. 10). Hierop heeft verzoeker het hof gewraakt.
2.
Op de hierna volgende zitting van 15 juni 2022 (dezelfde samenstelling) deelt de voorzitter van het hof mee dat het hof gisteren (14 juni) bericht heeft gekregen dat verzoeker niet langer wordt bijgestaan door zijn (voormalige) raadslieden mr. R.E. van Zijl en mr. K.J. Zeegers. Verzoeker heeft niets willen/kunnen zeggen over de reden van deze breuk, behoudens dat het een vertrouwensbreuk betreft (proces-verbaal p. 2 en p. 7). Op deze zitting heeft verzoeker (negen keer) aangegeven dat hij recht heeft op rechtsbescherming en op rechtsbijstand, en dat hij een advocaat wil, en daarbij telkens verzocht om de zaak aan te houden zodat hij in de gelegenheid is bijstand van een nieuwe advocaat te regelen. Het hof heeft hierover als volgt beslist (proces-verbaal p. 2–3):
‘Het hof heeft een belangenafweging te maken. We constateren dat nu in totaal drie verschillende raadslieden of hun kantoorgenoten zijn geweest. De reden van de laatste onttrekking is totaal niet duidelijk en we zijn nu zes jaar bezig in hoger beroep. Een belangrijk deel van die vertraging is ook veroorzaakt door inbreng van stukken vlak vóór de eerste geplande regiezitting in oktober 2018. Stukken waarvan de authenticiteit werd betwist en waardoor een nieuw opsporingsonderzoek en een nieuwe vervolging heeft plaatsgevonden tegen u. En in die zaak bent u inmiddels veroordeeld — zij het nog niet onherroepelijk — voor valsheid in geschrift. Er was destijds al uitstel verleend in verband met de stukken en een nieuwe advocaat. De regiezitting in 2019 had een heel beperkt karakter door al die ontwikkelingen en is uiteindelijk verschoven naar 2020. U heeft zich de afgelopen jaren, we hebben het over bijna zes (in ieder geval ruim vijfenhalf) jaar in hoger beroep, uitvoerig kunnen voorbereiden en dat het nu tot een breuk komt om onbekende redenen, is bij deze stand van zaken voor rekening van de verdachte. Want inmiddels prevaleert de voortgang van de zaak boven het belang van verdachte om een nieuwe advocaat, dat wil zeggen zijn vierde, te zoeken. We moeten ook de belangen van anderen afwegen en de procesgang die een keer afgerond moet worden. En daar komt bij, u bent zelf uitstekend in staat uw zegje te doen. Dat betekent dus dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen en wij gewoon doorgaan met behandeling van de strafzaak en de ontnemingszaak. Is dat duidelijk, meneer [verdachte]?’
3.
Op dezelfde zitting heeft de A-G zijn requisitoir voorgedragen, culminerend in een eis van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden, en een ontnemingsvordering van €250.000,- aan geschat wederrechtelijk verkregen voordeel (proces-verbaal p. 7). Verzoeker heeft hierop, na schorsing van het onderzoek en na de mededeling van het hof dat hij de gelegenheid krijgt voor een schriftelijke ronde in de ontnemingszaak, als volgt gereageerd:
‘Ik kan mijzelf niet verdedigen. Ik zit zonder advocaat. U weet niet waaraan dat ligt. Ik vind het onrechtvaardig. Ik verzoek u nogmaals een beslissing op het verzoek tot aanhouding te nemen zodat ik een advocaat kan nemen dan wel mijn eigen verdediging kan doen. Ik wil graag reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal, maar ik kan het nu niet. Dus nogmaals verzoek ik u de zaak aan te houden totdat eerder genoemde punten zijn ingevuld, dus dat ik een advocaat kan nemen dan wel zelf proberen mijn verdediging te schrijven. Ik wil graag dat u daar een uitspraak over doet.’
4.
De A-G reageert hierop dat hij/zij begrijpt dat verzoeker wil reageren op het requisitoir en ‘even de gelegenheid moet krijgen om dat te schrijven’. ‘Dat zou vanmiddag om vier uur kunnen’, aldus de A-G. ‘Dan heeft hij in ieder geval een paar uurtjes de tijd gehad heeft [sic] om iets te schrijven’. De A-G voegt hieraan toe dat het eventueel ook op komende vrijdag kan — kennelijk vrijdag 17 juni 2022.
5.
Verzoeker heeft, op verzoek van de voorzitter, hierop als volgt gereageerd (proces-verbaal p. 8):
‘Nou dat antwoord weet u beter dan wie dan ook als advocaat of jurist. Dat is onmogelijk. Daar heb je gewoon tijd voor nodig om dat goed en netjes te doen. Dat kan niet anders, Het gaat niet om niks, het is geen pak suiker. Het gaat om vrijheidsontneming voor een langere periode. Dus ik wil toch wel even heel goed en gedetailleerd — of met een advocaat of dat ik het zelf doe — de verdediging kunnen voeren.’
6.
Het hof heeft hierop na beraad beslist (proces-verbaal p. 8):
‘Vanochtend had u al aanhouding gevraagd omdat u een raadsman wilde inschakelen. Dat hebben we afgewezen. U voegt er nu aan toe dat u in dat geval ook uw eigen verdediging wilt voeren. Wij snappen dat het best lastig is om dat zelf te doen en ieder geval willen we u, waar dat in het bestaande schema kan, zoveel mogelijk tegemoet komen door verder te gaan met uw zaak op de uitloopdag, vrijdag 24 juni aanstaande om 9.00 uur. Dan heeft u in ieder geval nog ruim een week om nog een raadsman of raadsvrouw te raadplegen en de verdediging wat beter voor te bereiden dan wanneer we dat bijvoorbeeld overmorgen zouden doen. Dat is waar u in tegemoet willen komen, waarbij ik dan aanteken dat, afhankelijk van de beslissing van de wrakingskamer in de andere zaken, dat misschien wel een hele drukke dag kan worden. Maar dat zien we dan wel weer.’
7.
Verzoeker heeft hierop gereageerd (procds-verbaal p. 8):
‘Met alle respect, dat is natuurlijk in de praktijk onhaalbaar. U weet net zo goed als ik dat als je dat redelijk goed wil voorbereiden, met advocaat of dat je dat zelf doet, daar heb je gewoon een langere tijd voor nodig. Dat is onhaalbaar, dat is niet realistisch en dat weet u ook. Het is niet anders. Mijn recht op een eerlijk proces wordt mij ontnomen. Ik moet mij kunnen verdedigen en begrijp het echt niet meer. Dan blijft er voor mij maar één ding over, dat ik dit gerechtshof wederom wraak, omdat mij de kans op een eerlijk proces wordt ontnomen.’
8.
Op de zitting van 24 juni 2022 is het proces hervat en is het volgende besproken (p. 2):
‘De voorzitter vraagt verdachte:
‘Gisteravond tegen half tien ontvingen we een mailtje van mr. Van Gessel uit Amsterdam, die vroeg om overleg in deze zaak. Hij is er niet vandaag?’
Verdachte antwoordt:
‘Nee, dat is correct.’
De voorzitter vraagt:
‘De vraag aan u is: Weet u ook waarom, want vandaag is de zitting gepland en om te gaan overleggen met iemand als het mailtje de avond ervoor om halftien komt; dat wordt wat ingewikkeld.’
Verdachte antwoordt:
‘Ik ben op zoek naar een advocaat, driftig en met gezwinde spoed, maar dat valt niet mee om een aantal redenen. Je zit in een situatie waarbij je richting vakanties gaat, dus dat is al een element. Meneer van Gessel gaat mij mogelijk bijstaan in het hele traject zoals het er nu uitziet en hij heeft u daarover bericht. Dat is het verhaal, volgende week hebben we daar verder contact over.’
De voorzitter deelt mee:
‘Ja, maar we zitten vandaag met de behandeling en u weet, we hebben gezegd dat we vandaag willen doorgaan ondanks uw advocatenperikelen.’
Verdachte reageert:
‘Dat is dan een keuze van het hof.’
De voorzitter merkt op:
‘Ja, dat is heel duidelijk. En verleden keer waren we in uw zaak in het stadium dat er gerekwireerd is door de advocaat-generaal en dat u daarop mocht reageren. Toen heeft u opnieuw een aanhoudingsverzoek gedaan en na de afwijzing een wrakingsverzoek. Dat weten we allemaal. Dus ik wil u nu alsnog in de gelegenheid stellen om te reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal.’
Verdachte verklaart:
‘Dank u wel. Ik kan mij als verdachte niet zelf verdedigen. Ik ben niet deskundig en in de verhouding geen partij voor het openbaar ministerie. Equality of arms. Een fair trial is vereist, voorzien van deskundige bijstand. Ik heb recht op rechtsbijstand. Ik wil graag een advocaat en ben bezig een advocaat te vinden die mij bijstaat. Uw hof is daarover geïnformeerd. Ik kan mijn rechten niet verdedigen. Ik begrijp de juridische merites niet. Blijkbaar vindt dit gerechtshof het niet van belang dat ik mij kan verdedigen. Ik verzoek u nogmaals om aanhouding van de zaak.’
(…) De voorzitter hervat en deelt mee:
‘Meneer [verdachte], het verzoek bevat niets nieuws ten opzicht van de vorige keer en de beslissing is ook niet anders dan de vorige keer. Wij blijven bij onze beslissing en de motivering daarvan. Dat betekent dat u nu de gelegenheid krijgt om of inhoudelijk te reageren of het laatste woord te hebben. Daar krijgt u nu opnieuw de kans voor en als u zegt 'nou ik maak daar geen gebruik van ‘ daar mag u ook voor kiezen, maar u krijgt nu de gelegenheid om inhoudelijk te reageren.’’
Verdachte verklaart:
‘Inhoudelijk zijn de punten net door mij benoemd, dus dat is een herhaling van zetten. Het laatste woord dat kan ik u ook nog wel vertellen: Geacht hof, het is vanuit het oogpunt van gelijkheid mijn wens om bijgestaan te worden door een advocaat. Deze heeft zich zeer onlangs teruggetrokken omdat sprake is van een vertrouwensbreuk, die ik u, gelet op het vertrouwelijke karakter van advocaat en cliënt niet hoef uit te leggen. Ik kan mij niet professioneel laten vertegenwoordigen, omdat u de ruimte daarvoor niet biedt. Dit is triest en doet verder af aan mijn vertrouwen in de rechtspraak. Ik had nog veel te zeggen, maar doe dit niet. Simpelweg omdat ik niet weet of dit in mijn zaak kan schaden of juist goed zal doen.’
De voorzitter deelt mee:
‘Goed, dat was het. (…)‘’
9.
Kern van het voorgaande is dat verzoeker heeft aangevoerd zich niet adequaat en met juridische bijstand tegen de beschuldigingen aan zijn adres te kunnen verdedigen. Verzoeker heeft mr. Van Gessel benaderd om hem juridische bijstand te verlenen. De door mr. Van Gessel aan het gerechtshof verzonden e-mail van 23 juni 2022 waaraan de voorzitter in het voorgaande refereert, luidt:
‘Geachte voorzitter, leden van het gerechtshof,
Afgelopen week ben ik benaderd door de heer [verdachte] (geboren op [geboortedatum]-1953) met het verzoek om hem rechtsbijstand te verlenen in de zaak met bovenstaand parketnummer.
De heer [verdachte] heeft mij geïnformeerd omtrent het procesverloop alsmede over het ingediende wrakingsverzoek. Heden ontving ik van hem de beslissing van het Gerechtshof op dit wrakingsverzoek. De situatie — zo begrijp ik — is thans aldus dat er morgen een uitloopdag is bepaald waarop mijn cliënt zelf zijn verdediging zou moeten voeren. Client deelde mij mee dat hij hiertoe niet in staat is en ook nooit bij uw Gerechtshof heeft aangegeven dat hij zelf zijn verdediging op welke wijze dan ook zou gaan voeren.
Hoewel ik de omvang van de zaak niet ken (en overigens ook de inhoud niet), lijkt mij dat het recht op een eerlijk proces valt of staat bij de mogelijkheid om adequate rechtsbijstand te krijgen. Graag treed ik met u in overleg over de mogelijkheden om cliënt in deze zaak adequate rechtsbijstand te verlenen, uiteraard ben ik hiervan afhankelijk van de ruimte die uw Gerechtshof geeft.
Uiteraard ben ik graag bereid omtrent het bovenstaande telefonisch met u te overleggen.’
10.
Verzoeker heeft aangegeven dat hij zelf in negen dagen tijd niet in staat is geweest een adequaat verweer voor te bereiden, zo kan worden opgemaakt uit de mail van mr. Van Gessel (‘De situatie — zo begrijp ik — is thans aldus dat er morgen een uitloopdag is bepaald waarop mijn cliënt zelf zijn verdediging zou moeten voeren. Client deelde mij mee dat hij hiertoe niet in staat is (…)’), maar ook uit het eerder geciteerde verhandelde ter terechtzitting d.d. 24 juni 2022. Uitgelicht wordt de opmerking van verzoeker:
‘Ik had nog veel te zeggen, maar doe dit niet. Simpelweg omdat ik niet weet of dit in mijn zaak kan schaden of juist goed zal doen.’
11.
Op de zitting van 22 september 2022 — de datum waarop de zaak voor uitspraak stond — overweegt het gerechtshof vervolgens:
‘Op 6 september 2022 heeft mr. M.L. van Gessel zich gesteld als raadsman van verdachte. Bij brief van 19 september 2022 heeft de raadsman verzocht de zaak te heropenen/schorsen, zodat verdachte alsnog de gelegenheid krijgt om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Het hof heeft de raadsman meegedeeld dat zijn verzoek in verband met de andere samenstelling van het hof niet op 22 september 2022 behandeld kan worden en dat de zaken zullen worden aangehouden.
De voorzitter schorst het onderzoek, gehoord de advocaat-generaal, tot 18 november 2022, 13.30 uur te Zwolle.’
12.
Uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof van 18 november 2022 (p. 2) volgt dat mr. Van Gessel aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde ‘Toelichting op heropeningsverzoek’, waarbij de griffier opmerkt dat zowel het heropeningsverzoek van 19 september 2022 als de toelichting hierop aan voornoemd proces-verbaal zijn gehecht.
13.
Het heropeningsverzoek van 19 september 2022 houdt in (p. 24 e.v.):
‘Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Edelgrootachtbare heer
mr. G. Dam,
raadsheer
sr. gerechtsjurist
cc.
Ressortsparket Arnhem
Edelgrootachtbare heer
mr. M. Hemelaar,
Advocaat-generaal
Datum: Amsterdam, 19 september 2022
Dossier: [verdachte] ([geboortedatum]-1953)
E-mail: vangessel@vangesseladvocaten.nl
Uw ref.: 21/000014-17 en 21/004327-18
Edelgrootachtbare heer,
In bovenstaande zaken heb ik mij inmiddels als raadsman gesteld namens de heer [verdachte]. Eerder schreef ik u op 23 juni jl., daags voor de zitting van 24 juni jl. het volgende. ‘Hoewel ik de omvang van de zaak niet ken (en overigens ook de inhoud niet) lijkt mij dat het recht op een eerlijk proces valt of staat bij de mogelijkheid om adequate rechtsbijstand te krijgen. Graag treed ik met u in overleg over de mogelijkheden om cliënt in deze zaak adequate rechtsbijstand te verlenen, uiteraard ben ik hiervan afhankelijk van de ruimte die uw Gerechtshof geeft.’
Uit een automatische ontvangstbevestiging maak ik op dat het betreffende bericht op 24 juni jl. om 7.03.35, derhalve voor de aanvang de zitting, is gelezen.
Bij mailbericht van 28 juni jl., derhalve na de zitting van 24 juni jl. deelde mevrouw N. Versloot mij namens de combinatie mee dat het Hof voor de aanvang van de zitting op 24 juni jl. niet meer in de gelegenheid geweest is om op mijn email te reageren. De heer [verdachte] was ter zitting op 24 juni jl. aanwezig en is in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren. Ik veronderstel u bekend met de inhoud van het mailbericht van 28 juni jl.
Nadien heeft mijn cliënt mij nader geïnformeerd omtrent het procesverloop en heeft hij mij in het bezit gesteld van een aantal stukken. Hieruit maak ik het volgende op.
- —
Uit de mij ter beschikking gestelde stukken blijkt dat in deze zaak die ik verder aanduid als de Euro-commerce procedure er inhoudelijke zittingsdagen zijn bepaald op 8, 10, 15, 17 en 24 juni 2022.
- —
De vorige advocaat van mijn cliënt, mw. mr. R.E. van Zijl heeft op 14 juni jl., de dag voor het requisitoir de verdediging neergelegd.
- —
Op 15 juni jl. heeft mijn cliënt uw gerechtshof verzocht om zijn strafzaken aan te houden zodat hij zich kon voorzien van rechtsbijstand. Hoewel ik niet beschik over het proces-verbaal van de zitting van 15 juni jl. en het derhalve moet doen met de mededeling van mijn cliënt, welke ik overigens heb geverifieerd bij de advocaten van de medeverdachten, is dit verzoek door uw gerechtshof geweigerd.
Deze weigering is voor mijn cliënt aanleiding geweest om uw gerechtshof te wraken.
Bij beslissing van 23 juni jl. heeft de wrakingskamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het wrakingsverzoek afgewezen. De wrakingskamer overweegt als volgt.
‘De wrakingskamer overweegt dat het hof een belangafweging heeft gemaakt tussen enerzijds de belangen van verdachte en anderzijds het belang van een voortvarende rechtspleging. De afwijzing van het aanhoudingsverzoek betreft een processuele beslissing waarbij zich naar het oordeel van de wrakingskamer geen uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de duur van de behandeling in hoger beroep, de planning van de behandeling van de strafzaken die al een half jaar geleden in overleg met de verdediging is vastgesteld, het moment van het neerleggen van het neerleggen van de verdediging en de onduidelijkheid waarom dat is gebeurd.
De wrakingskamer betreft bij dit oordeel in het bijzonder dat verzoeker door het hof weldegelijk de mogelijkheid van uitstel van de behandeling is geboden maar verzoeker dit kennelijk niet heeft geaccepteerd.’
In haar overweging wordt niet duidelijk wat de wrakingskamer heeft bedoeld met een aan cliënt geboden mogelijkheid van uitstel van behandeling.
Cliënt informeerde mij hierover in die zin dat uw gerechtshof op 15 juni jl. hem de mogelijkheid heeft geboden om een andere advocaat te zoeken die desgewenst op 24 juni jl. de verdediging kon voeren. Wellicht dat u zich kunt voorstellen dat een dergelijk aanbod gelet op de omvang en looptijd van de onderhavige strafzaken niet reëel is. Ik verwijs u hiervoor mede naar mijn mailbericht d.d. 23 juni jl.
Voorts overweegt de wrakingskamer dat uit de stukken zou blijken dat mijn cliënt tijdens de procedure meerdere keren van advocaat is gewisseld. Wat de wrakingskamer hiermee bedoeld heeft te zeggen is mij onduidelijk gelet op de informatie welke ik uit het strafdossier heb gehaald.
Mij is gebleken dat mijn cliënt in eerste aanleg is bijgestaan door — kort gezegd — kantoor Wladimiroff uit 's‑Gravenhage. Na het vonnis van 16 december 2016 is mijn cliënt kort bijgestaan door mr. J.M.R. Vlaar. Doordat mr. Vlaar zijn praktijk medio 2018 heeft neergelegd heeft mijn cliënt zich gewend tot het kantoor Jebbink Soeteman te Amsterdam. Dit kantoor heeft hem bijgestaan tot 15 juni jl.
Vooropgesteld moet worden dat er, gelet op de juridische merites van de onderhavige zaak en hetgeen er voor mijn cliënt op het spel staat, geen twijfel over bestaat dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang is gemoeid1.
Bij een beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de strafzaak (in casu strafzaken) dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen. Hierbij dient ook in aanmerking te worden genomen een aan een aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd recht van de verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze2.
Het moge duidelijk zijn dat mijn cliënt vanaf 15 juni jl. ter terechtzitting niet door een raadsman werd bijgestaan. Met verwijzing naar hetgeen hiervoor werd opgemerkt is de door uw hof aangedragen oplossing inhoudende dat mijn cliënt voor de zitting van 24 juni jl. een andere raadsman kon zoeken geen reële mogelijkheid en heeft hij zelf aangegeven zich niet zelf te kunnen verdediging. Ik verwijs u hiervoor ook naar mijn mailbericht van 23 juni jl.:
‘Cliënt deelde mij mee dat hij hiertoe niet in staat is (zichzelf te verdedigen) en ook nooit bij uw gerechtshof heeft aangegeven dat hij zelf zijn verdediging op welke wijze dan ook zou gaan voeren. ’
Naar mijn oordeel heeft uw gerechtshof miskend dat mijn cliënt recht heeft op effectieve rechtsbijstand. Ik verwijs u in dit verband naar een uitspraak van het EHRM van 13 mei 19803.
‘The Court recalls that the Convention is intended to guarantee not rights that are theoretical or illusory but rights that are practical and effective; this is particularly so of the rights of the defence in view of the prominent place held in a democratic society by the right to a fair trial, from which they derive (see the Airey judgement of 9 October 1979, Series A no. 32, pp. 12–13, par. 24, and paragraph 32 above). As the Commission's Delegates correctly emphasised, Article 6 par. 3 (c) (art. 6-3-c) speaks of ‘assistance’ and not of ‘nomination’. Again, mere nomination does not ensure effective assistance since the lawyer appointed for legal aid purpose may die, fall seriously ill, be prevented for a protracted period from acting or shirk his duties. If they are notified of the situation, the authorities must either replace him or cause him to fulfil his obligations.’
Het gaat derhalve om effectieve rechtsbijstand, namelijk:
‘The possibility to influence the course of the proceedings. In other words, the appointed lawyer must be put in a position to be effective so to be an influencing factor in the development of the proceedings.’4.
Gelet op het voorgaande is de verdediging van oordeel dat het recht op rechtsbijstand — als onderdeel van het recht op een eerlijk proces op grond van art. 6 lid 3 onder c EVRM en art. 28 lid 1 Sv. — een essentieel verdedigingsrecht is waar de Hoge Raad weinig uitzonderingen op maakt in gevallen waar de verdachte aangeeft van dit recht gebruik te willen maken, hetgeen mijn cliënt bij herhaling heeft gedaan.
Zulks zo zijnde verzoek ik u om alsnog mijn cliënt in de gelegenheid te stellen om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen in die zin dat hij op een effectieve manier de verdediging bij uw gerechtshof kan laten voeren.
Uit het mailbericht van 28 juni jl. maak ik op dat de sluiting van het onderzoek en de uitspraak in bovenstaande strafzaken staat gepland op 22 september a.s. om 13:30 uur. Ik verzoek u namens cliënt alsdan in beide strafzaken geen arrest te wijzen maar het onderzoek te heropenen teneinde de verdediging in staat te stellen om het standpunt van de verdachte op een later tijdstip ten overstaan van uw gerechtshof te bepleiten.
Ondergetekende of een van mijn kantoorgenoten zal op 22 september a.s. om 13:30 uur aanwezig zijn ter terechtzitting zodat mogelijk een nadere toelichting — indien vereist — kan worden gegeven ten aanzien van het hier vorenstaande geformuleerde heropeningsverzoek.
Hoogachtend,
mr. M.L. van Gessel
14.
Gelet op eerder door het gerechtshof aangegeven omstandigheden (andere samenstelling) is op de zitting van 22 september 2022 niet meer gebeurd dan dat de zaak is aangehouden tot 18 november 2022 en heeft een toelichting op de zitting van 22 september 2022 niet plaats gevonden. Op de zitting van 18 november 2022 was mr. Van Gessel ook aanwezig, die aldaar zijn eerdere verzoek bij brief van 19 september 2022 als volgt nader heeft toegelicht (p. 29 e.v.):
‘KORTE TOELICHTING OP HEROPENINGSVERZOEK
van mr. M.L. van Gessel
Inzake: [verdachte]/OM
Parketnr.: 21/0000014-17 en 21/004327-18
Zitting: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Zwolle d.d. 18 november 2022 te 13.30 uur
Edelgrootachtbaar Collega, Geachte advocaat-generaal,
Op 22 september jl. heeft u mij per e-mailbericht laten weten dat vandaag, 18 november 2022, het heropeningsverzoek zoals dat is gedaan in mijn schrijven d.d. 19 september 2022 door uw Gerechtshof wordt behandeld. Tevens geeft u in dit e-mailbericht aan dat er beperkt tijd is voor een nadere toelichting. Gelet hierop zal ik volstaan met enkele kernpunten.
De heer [verdachte] sr is bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 16 december 2016 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden. Tegen dit vonnis heeft hij hoger beroep ingesteld.
De inhoudelijke behandeling van zijn strafzaken stond gepland op 8, 10, 15 en 17 juni 2022. Voorzien was in een uitloopdag op 24 juni 2022.
Bij e-mailbericht van 13 juni 2022 (21:21 uur) heeft de voormalig advocaat van de heer [verdachte] uw Gerechtshof bericht dat zij de heer [verdachte] in beide strafzaken niet langer als raadsvrouw bijstaat.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 15 juni 2022 blijkt dat uw Gerechtshof dit bericht heeft ontvangen. Op een vraag van uw Gerechtshof of mijn client iets over de breuk met zijn advocaten kan zeggen antwoordt hij:
‘Ik kan daar niets over zeggen’.
De heer [verdachte] heeft op de zitting van 15 juni 2022 herhaaldelijk verzocht de zaak aan te houden zodat hij zich kon laten voorzien van rechtsbijstand.
‘Ik wil graag een advocaat. Ik wil aanhouding van de zaak.’1.
en
‘Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil aanhouding van deze zaak.’2.
en
‘Ik heb recht op rechtsbescherming en ik heb het recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil graag aanhouding van deze zaak.’ 3.
Zie voorts pagina 7 en pagina 8 van het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 15 juni 2022.
De heer [verdachte] geeft duidelijk op de zitting van 15 juni 2022 aan dat hij tijd nodig heeft om zich goed te kunnen voorbereiden, dat het gaat om een zaak waarin sprake is van langdurige vrijheidsontneming en dat hij niet in staat is om op de uitloopdag van 24 juni 2022 zelf dan wel zich door een nieuwe raadsman te laten vertegenwoordigen.
‘Daar heb je gewoon een langere tijd voor nodig. Dat is onhaalbaar, dat is niet realistisch en dat weet u ook.’
Na een door mijn client (afgewezen) wrakingsverzoek is de zaak verder behandeld op de zitting van 24 juni 2022.
Voorafgaande aan deze zitting heeft ondergetekende raadsman uw per e-mailbericht verzocht om telefonisch met u in overleg te treden over de mogelijkheden om aan de heer [verdachte] in de onderhavige strafzaak adequate rechtsbijstand te verlenen.
Op de zitting van 24 juni 2022 geeft uw Gerechtshof aan op de hoogte zijn van het e-mailbericht van ondergetekende van 23 juni 2022.
Op de zitting (24 juni 2022) vraagt u aan mijn client waarom ondergetekende er niet is. Voorts geeft u aan dat het ingewikkeld wordt om met iemand te overleggen over een e-mailbericht die de avond ervoor om 21.30 uur aankomt.
Gelet op de inhoud van het e-mailbericht was het uw Gerechtshof op voorhand duidelijk dat ondergetekende — die zich overigens nog niet in de zaak had gesteld — niet op de zitting van 24 juni 2022 aanwezig zou zijn. Waarom het ingewikkeld voor uw Gerechtshof wordt om te overleggen ook al zou dit telefonisch zijn, is onduidelijk. Uw Gerechtshof heeft ook geen contact met ondergetekende opgenomen. Herhaaldelijk geeft de heer [verdachte] op de zitting van 24 juni 2022 aan dat hij zich niet zelf kan verdediging, graag een advocaat wil en op deze wijze geen eerlijk proces krijgt.4.
Uw Gerechtshof heeft op 24 juni 2022 het onderzoek geschorst tot 22 september 2022 voor het wijzen van arrest.
Op 19 september 2022 heeft de verdediging gemotiveerd verzocht om in deze zaak het onderzoek te heropenen teneinde de verdachte in staat te stellen zich te laten voorzien van adequate rechtsbijstand.
In de telkens door uw Gerechtshof genomen beslissingen wordt door uw Gerechtshof een afweging gemaakt tussen alle betrokken belangen. Deze belangen zijn (niet limitatief):
- —
het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting;
- —
het belang van een goede organisatie van de rechtspleging en
- —
het recht van de verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze.5.
Uw Gerechtshof overweegt — kort samengevat — dat de heer [verdachte] aan zijn derde advocaat of advocatenkoppel bezig zou zijn, het hoger beroep zes jaar duurt en uw Gerechtshof niet aan de gang kunt blijven met aanhoudingen ‘en dat we niet tot in het oneindige kunnen doorgaan met het wisselen van advocaten’.
Uw Gerechtshof heeft, na afweging van de hiervoor genoemde belangen, het belang van de samenleving en van de rechtspleging zwaarder laten wegen dan het belang van mijn client op effectieve rechtsbijstand. In deze belangenafweging heeft u kennelijk betrokken het eerder wisselen van advocaat door mijn client.
Client is van oordeel dat uw Gerechtshof, ten onrechte tot deze beslissing is gekomen in het bijzonder wijst hij er nogmaals op dat er weliswaar sprake is geweest van bijstand (in twee instanties) door diverse advocaten maar dat hij sinds medio 2018 werd bijgestaan door kantoor Jebbink Soeteman in Amsterdam. Voorts wijst hij erop dat de wijziging in 2018 op geen enkele wijze van invloed is geweest op de vertraging van de behandeling in hoger beroep. Uw opmerking zoals hiervoor weergegeven dat uw Gerechtshof niet tot in het oneindige kan doorgaan (lees: aanhouden) omdat van advocaat wordt gewisseld, wordt niet onderbouwd door feiten en omstandigheden die direct voortvloeien uit de onderhavige strafzaak, maar wordt veeleer als een argument (pour besoin de la cause) gebruikt om te komen tot een voorgenomen afhandeling van de strafzaak.
In het schrijven van 19 september 2022 is uitgebreid ingegaan op het recht dat mijn client heeft op effectieve rechtsbijstand en dat door de beslissing van uw Gerechtshof dit recht illusoir wordt gemaakt. Ik verwijs u nogmaals naar de jurisprudentie welke in het schrijven van 19 september 2022 wordt genoemd.
Het vorengaande is reden waarom ik uw Gerechtshof verzoek het onderzoek in beide zaken te heropenen en in overleg met de verdediging te treden omtrent een datum waarop pleidooi kan worden gehouden.
Ik dank u voor uw aandacht.
Raadsman
15.
Het hof heeft op dit aanhoudings/heropeningsverzoek ter zitting geen beslissing genomen maar pas in het bestreden arrest van 2 december 2022 als volgt beslist:
‘Oordeel van het hof
Het hof zal het verzoek tot schorsing van het onderzoek afwijzen. Het overweegt daartoe als volgt:
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdediging niet valt te verwijten dat de procedure inmiddels al zo lang duurt. Objectief gezien zou het proces niet door de verdediging zijn vertraagd. Daar wreekt zich misschien het feit dat de raadsman het dossier nog niet zo goed kent. Het hof zal daarom nog kort recapituleren (zie hierboven ook onder ‘Procesverloop in hoger beroep’) welke handelingen van verdachte de procedure hebben vertraagd:
- —
De eerste regiezitting was gepland op 17 oktober 2018. Die zitting was gepland in overleg met mr. F.H.H. Sijbers, de toenmalige raadsman van verdachte. Hij had verzocht om 16 getuigen te horen.
- —
Kort voor de geplande regiezitting van 17 oktober 2018 (die uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden) heef mr. Vlaar zich gesteld in plaats van mr. Sijbers. Per brief heeft mr. Vlaar verzocht 75 getuigen te horen. Hij heeft een omvangrijk dossier ingediend dat deels bestond uit vervalste documenten, althans zo luidt de conclusie van de rechtbank Oost-Brabant. Omdat het hof geen beslissing kan nemen op verzoeken die (mogelijk) zijn gebaseerd op valse documenten, zou er eerst onderzoek naar die documenten werden uitgevoerd (het onderzoek-Maruoka). De eerste regiezitting in hoger beroep is daarom uitgesteld tot 6 februari 2019.
- —
Eind december 2018 hebben mr. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging overgenomen van mr. Vlaar. Op 6 februari 2019 heeft de eerste regiezitting plaatsgevonden. Tijdens die zitting hebben de raadslieden aangegeven dat zij hun onderzoekswensen nog niet konden toelichten omdat zij de zaak pas net hadden overgenomen. Bij tussenarrest is beslist dat de zaak in handen van de raadsheer-commissaris werd gesteld cm de getuigenverhoren in de onderhavige zaak en de zaak-Maruoka te coördineren.
- —
Op 13 mei 2020 vond opnieuw een regiezitting plaats. Het hof heeft naar aanleiding van die zitting beslist dat onder meer acht van de gevraagde getuigen moesten worden gehoord. Vier van die getuigen bleken onvindbaar. Het zou medewerkers van de ING betreffen, maar de bank kon deze medewerkers niet in haar personeelsbestand terugvinden.
- —
In januari 2022 is begonnen met de planning van de zaak en in overleg met de raadslieden zijn daarvoor vijf dagen in juni 2022 uitgetrokken.
- —
Tussen januari 2022 en juni 2022 is twee keer door de verdediging verzocht een nieuwe regiezitting te plannen met het verzoek om getuigen te horen die eerder al (grotendeels) door het hof waren afgewezen.
- —
Tijdens de zittingen van de inhoudelijke behandeling in juni 2022 heeft verdachte het hof twee keer gewraakt en is een dag voor de inhoudelijke behandeling de relatie met mrs Zeegers en Van Zijl beëindigd. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat er sprake was van misbruik van de wrakingsprocedure.
Het hof stelt vast dat de procedure allereerst ernstig is vertraagd doordat verdachte valse documenten heeft overgelegd. Verder is mr. Van Gessel nu de vierde advocaat die zijn belangen moet behartigen. En zelfs al zou dat gelet op de lengte van de procedure niet bezwarend hoeven te zijn, het zijn vooral de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld die de procedure telkens hebben vertraagd. Twee keer net voor een geplande regiezitting en één keer net voor de dag van de inhoudelijke behandeling. Mr. Van Zijl had zelfs de bijlagen bij haar pleidooi al aan hel hof gemaild, wat doet veronderstellen dat de verdediging op dat moment al geheel was voorbereid. Daarmee en met de daarop volgende (afgewezen) wrakingsverzoeken heeft verdachte ook de inhoudelijke behandeling in juni 2022 geprobeerd te frustreren.
De belangenafweging zoals het hof die eerder heeft gemaakt is niet anders geworden. Het recht op rechtsbijstand is zeer zwaarwegend, maar niet absoluut. Dat blijkt ook uit een uitspraak van het EHRM (EHRM 30 november 2021, Galovic t. Kroatië, nr. 45512/11, rov. 80 en 90). Verdachte heeft in hoger beroep in het algemeen en in het bijzonder vanaf de planning voor de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in juni 2022, die in overleg met zijn raadsman tot stand is gekomen, ruim voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden.
Het hof is van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijk proces niet is geschonden en wijst het verzoek om het onderzoek te schorsen af.’
(onderstreping JK en DS)
16.
Vervolgens is verzoeker door het hof veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en drie maanden voor het in de zaak met parketnummer 08-996128-13 onder 1 primair en 3 en in de zaak met parketnummer 07-996513-12 onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair tenlastegelegde.
Omvang van de klachten
17.
Vooropgesteld wordt dat de samenstelling van het hof sinds 8 juni 2022 niet is gewijzigd. Aldus kan in cassatie over de beslissingen van het hof op alle aanhoudingsverzoeken, gedaan met het oog op de wens van verzoeker zich van rechtsbijstand te voorzien en/of zijn eigen verdediging voor te bereiden, worden geklaagd. Dat wordt hierbij gedaan. De beslissingen van het hof hangen onderling in zoverre samen, dat het hof steeds (in de kern) aangeeft te blijven bij zijn eerdere beslissing(en) en/of aangeeft dat deze eerdere beslissing(en) niet anders is/zijn geworden. Ook in het bestreden arrest oordeelt het hof dat ‘de belangenafweging zoals het hof die eerder heeft gemaakt niet anders geworden is’. Voor zover in het navolgende in algemene zin wordt geklaagd over de afwijzing van het hof op het aanhoudingsverzoek, heeft de klacht betrekking op alle hier eerder weergegeven beslissingen. Wanneer een specifiek onderdeel van één van deze beslissingen nader wordt aangevochten, dan wordt dit uitdrukkelijk aangegeven.
Deelklacht 1: ontoereikend gemotiveerd en/of onbegrijpelijk oordeel hof in het licht van het procesverloop in de onderhavige zaak, inclusief schending van de onschuldpresumptie
18.
Uit de rechtspraak van uw Raad volgt dat aan een beslissing op een verzoek om aanhouding een afweging van alle betrokken belangen ten grondslag moet liggen, waaronder het belang van de verdachte — dat er in deze zaak in bestaat dat hij gebruik kan maken van (het recht op) bijstand ter terechtzitting van een advocaat en het (recht op het) hebben van voldoende tijd en faciliteiten voor het voeren van die verdediging — het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.
19.
Het gerechtshof heeft in dat verband op de zitting van 15 juni 2022 overwogen — en daaraan in de daarop volgende beslissingen telkens gerefereerd — dat de breuk met de raadslieden van verzoeker kort voor die zitting, ‘bij deze stand van zaken voor rekening van de verdachte is’, ‘omdat inmiddels (…) de voortgang van de zaak (prevaleert) boven het belang van verdachte om een nieuwe advocaat, dat wil zeggen zijn vierde, te zoeken. We moeten ook de belangen van anderen afwegen en de procesgang die een keer afgerond moet worden. En daar komt bij, u bent zelf uitstekend in staat uw zegje te doen. Dat betekent dus dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen en wij gewoon doorgaan met behandeling van de strafzaak en de ontnemingszaak.’
20.
Uit deze overwegingen kan weliswaar blijken dat het gerechtshof een belangenafweging heeft gemaakt, maar niet dat dit de juiste is geweest. Het gerechtshof heeft immers als belang van belang van verzoeker slechts aangemerkt zijn belang om ‘een nieuwe advocaat (…) te zoeken’, terwijl uit het verhandelde ter zitting ook kan volgen dat hij om aanhouding verzocht heeft om voldoende tijd en faciliteiten voor het voeren van de verdediging. Voorts is niet duidelijk wat hof in die overwegingen bedoelt met ‘de belangen van anderen’ en ‘de procesgang die een keer afgerond moet worden’. Meer in het bijzonder kan niet blijken dat het de belangen die de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging tegen die van verzoeker heeft afgewogen. Dit brengt mee dat het gerechtshof de afwijzing van het verzoek om aanhouding ontoereikend heeft gemotiveerd.1.
21.
Daarnaast geldt voor wat betreft die afwijzing dat het hof heeft gewezen op ‘handelingen van verdachte die de procedure hebben vertraagd’, in welk verband het de volgende omstandigheden noemt:
- —
Kort voor de op 17 oktober 2018 geplande regiezitting is verzoeker gewisseld van raadsman mr. Sijbers naar raadsman mr. Vlaar, die meer onderzoekswensen heeft ingediend dan mr. Sijbers had gedaan (75 getuigen in plaats van 16), en die daartoe een omvangrijk dossier heeft ingediend dat deels zou hebben bestaan uit vervalste documenten, zo heeft de rechtbank Oost-Brabant beslist. De eerste regiezitting is daarop uitgesteld tot 6 februari 2019.
- —
Eind december 2018 hebben mr. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging overgenomen van mr. Vlaar. Op 6 februari 2019 hebben zij op de eerste regiezitting aangegeven dat zij hun onderzoekswensen nog niet konden toelichten omdat zij de zaak pas net hadden overgenomen; zoals eerder vastgesteld is deze weergave van het hof niet geheel juist;
- —
Op 20 februari 2019 is bij tussenarrest beslist dat de stukken in handen van de raadsheer-commissaris worden gesteld, opdat deze in overleg treedt met de behandeld rechter-commissaris in de ‘nieuwe’ zaak Maruoka, onder meer over het horen van personen die in beide zaken als getuigen dienen te worden gehoord;
- —
Na een regiezitting van 13 mei 2020 in de zaak van verzoeker is beslist dat onder meer acht van de gevraagde getuigen moesten worden gehoord, waarvan er vier onvindbaar bleken. Hierna is in januari 2022 begonnen met de planning van de zaak en in overleg met de raadslieden zijn daarvoor vijf dagen in juni 2022 uitgetrokken;
- —
Tijdens de zittingen van de inhoudelijke behandeling in juni 2022 heeft verdachte het hof twee keer gewraakt en is een dag voor de inhoudelijke behandeling de relatie met mrs Zeegers en Van Zijl beëindigd.
22.
Hieruit leidt het hof af dat (de volgorde wordt voor de leesbaarheid iets anders weergegeven dan het hof doet):
- a)
Mr. Van Gessel de vierde advocaat is die de belangen van verzoeker moet behartigen, waarbij het niet dat gegeven is, doch veeleer de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld die de procedure telkens hebben vertraagd; twee keer net voor een geplande regiezitting en één keer net voor de dag van de inhoudelijke behandeling;
- b)
Verzoeker de procedure allereerst ernstig heeft vertraagd door valse documenten over te leggen;
- c)
Verzoeker ook met de daarop volgende (afgewezen) wrakingsverzoeken heeft geprobeerd de inhoudelijke behandeling in juni 2022 te frustreren.
Ad (a) de wisseling van advocaten
23.
In verband met (a) kan geconstateerd worden dat de wissel van mr. Sijbers naar mr. Vlaar (kennelijk) niet tot nauwelijks vertraging heeft opgeleverd, te weten vier maanden. Voor zover het gerechtshof hiermee voorts heeft willen suggereren dat sprake zou zijn geweest van een (bewuste) vertragingstactiek, kan daarvan niet blijken.
24.
De geplande regiezitting van 17 oktober 2018 heeft vervolgens kennelijk ‘gewoon’ doorgang gevonden. Van vertraging is in zoverre geen sprake geweest. Hierop wees ook mr. Van Gessel in de toelichting op zijn heropeningsverzoek (‘de wijziging in 2018’):
‘Client is van oordeel dat uw Gerechtshof, ten onrechte tot deze beslissing is gekomen in het bijzonder wijst hij er nogmaals op dat er weliswaar sprake is geweest van bijstand (in twee instanties) door diverse advocaten maar dat hij sinds medio 2018 werd bijgestaan door kantoor Jebbink Soeteman in Amsterdam. Voorts wijst hij erop dat de wijziging in 2018 op geen enkele wijze van invloed is geweest op de vertraging van de behandeling in hoger beroep. Uw opmerking zoals hiervoor weergegeven dat uw Gerechtshof niet tot in het oneindige kan doorgaan (lees: aanhouden) omdat van advocaat wordt gewisseld, wordt niet onderbouwd door feiten en omstandigheden die direct voortvloeien uit de onderhavige strafzaak, maar wordt veeleer als een argument (pour besoin de la cause) gebruikt om te komen tot een voorgenomen afhandeling van de strafzaak.’
25.
Daarnaast moet worden geconstateerd dat de opvolging van mr. Vlaar door andere advocaten uit nood geboren was, nu mr. Vlaar zijn praktijk had neergelegd (zie ook de brief van mr. Van Gessel van 19 september 2022, p. 3 waarin dit — onweersproken — is gesteld).
26.
Dat mrs. Van Zijl en Zeegers de verdediging overgenomen hebben was (in het verlengde daarvan) dus noodzakelijk. Dat zij tijd nodig hadden om onderzoekswensen te formuleren, kan niet als verrassend of (bewust/onnodig) vertragend worden beschouwd. Daarbij wordt vermeld dat zij reeds op de eerste zitting waarop zij aanwezig waren, niettegenstaande de noodzaak om de onderzoekswensen in deze zaak en in de zaak Maruoka te coördineren, heeft verzocht om de getuigen die zij gehoord wensten te zien over deelonderwerpen die losstaan van Maruoak, alvast te (doen) horen, kennelijk enkel ter bespoediging van het proces. Zij hebben verzoeker vervolgens van eind 2018 tot medio 2022, dat wil zeggen 3,5 jaar, bijgestaan.
27.
Aldus kan bezwaarlijk worden geconcludeerd dat de advocatenwissels van verzoeker tot (onnodige) vertraging hebben geleid. Dit brengt met zich dat het oordeel van het hof dat het vooral de momenten zijn waarop van advocaat gewisseld werd onnodig vertragend waren — twee keer net voor een geplande regiezitting — onbegrijpelijk is, nu de eerste wissel nauwelijks vertraging heeft opgeleverd en de tweede wissel uit nood geboren was.
28.
Daarmee rijst de vraag in hoeverre de overige ‘vertragings-redenen’ die het hof noemt, namelijk b) het beweerdelijk overleggen van valse stukken en c) de wrakingsverzoeken, bij mogen/kunnen dragen aan het kennelijke oordeel van het hof dat verzoeker zijn recht op rechtsbijstand heeft ‘verspeeld’.
Ad (b) valse stukken, onschuldpresumptie
29.
Ten aanzien van (b) wordt vermeld dat ondergetekenden bekend is dat de uitspraak van de rechtbank in deze zaak en die betrekking heeft op die (vermeend) valse stukken tot op heden niet onherroepelijk is en thans in hoger beroep loopt, terwijl verzoeker het in die zaak aan hem tenlastegelegd met klem ontkent.
30.
Het hof heeft desondanks geoordeeld (arrest p. 5):
‘Het hof stelt vast dat de procedure allereerst ernstig is vertraagd doordat verdachte valse documenten heeft overgelegd.’
En (arrest p. 41):
‘Uit de getuigenverklaringen in het onderzoek-Maruoka leidt het hof af dat door verdachte overgelegde stukken vals zijn. Van een aantal valse geschriften staat vast dat verdachte bij het opstellen daarvan betrokken is. Dat neemt het hof de verdachte kwalijk.’
Het acht slaan op deze veroordeling als ware zij onherroepelijk/vaststaand, c.q. het vaststellen van de schuld van verzoeker zonder dat de veroordeling onherroepelijk is en/of van hetgeen in deze zaak überhaupt tenlastegelegd is, is in strijd met de onschuldpresumptie (zie ook separaat over deze schending de klachten in middel II).
31.
In de geciteerde oordelen van het hof ligt besloten dat het verzoeker schuldig oordeelt voor iets dat in de onderhavige zaak niet tenlastegelegd is, c.q. aan een feit dat in een ander proces (Maruoka) aan de orde is doch ten aanzien waarvan zijn schuld nog niet onherroepelijk vaststaat. Dit brengt een schending van de in art. 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie met zich.
32.
Art. 6 lid 2 EVRM houdt in dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Uit de rechtspraak van het EHRM (Allen v. The United Kingdom, 25424/09, 12 juli 2013) volgt in lijn met deze wettekst dat de onschuldpresumptie — naast de categorie gevallen die zien op een onherroepelijke vrijspraak — wordt geschonden wanneer iemand voorafgaand aan het op wettige wijze vaststellen van zijn of haar schuld als schuldig wordt aangemerkt:
- ‘120.
In the early case of Minelli, cited above, which concerned an order requiring the applicant to pay prosecution costs following discontinuation of the criminal proceedings, the Court set out the applicable principle as follows:
‘37.
In the Court's judgment, the presumption of innocence will be violated if, without the accused's having previously been proved guilty according to law and, notably, without his having had the opportunity of exercising his rights of defence, a judicial decision concerning him reflects an opinion that he is guilty. This may be so even in the absence of any formal finding; it suffices that there is some reasoning suggesting that the court regards the accused as guilty.’
- 121.
In the first cases with which it was confronted concerning applications by a former accused for compensation or for defence costs, the Court drew on the principle set out in Minelli, explaining that a decision whereby compensation for detention on remand and reimbursement of an accused's necessary costs and expenses were refused following termination of proceedings might raise an issue under Article 6 § 2 if supporting reasoning which could not be dissociated from the operative provisions amounted in substance to a determination of the accused's guilt without his having previously been proved guilty according to law and, in particular, without his having had an opportunity to exercise the rights of the defence (see Englert, cited above, § 37; Nölkenbockhoff, cited above, § 37; and Lutz, cited above, § 60).(…).’
33.
Verder moet worden gewezen op de uitspraak EHRM El Kaada t. Duitsland, Application no. 2130/10, van 12 november 2015. Hierin oordeelde het Hof:
- ‘54.
A fundamental distinction must be made between a statement that someone is merely suspected of having committed a crime and a clear declaration, in the absence of a final conviction, that an individual has committed the crime in question (see Peltereau-Villeneuve v. Switzerland, no. 60101/09, § 32, 28 October 2014; for the relevance of the finality of the conviction for the principle of the presumption of innocence see also Konstas v. Greece, no. 53466/07, § 35, 24 May 2011). The latter violates the principle of presumption of innocence while the former has repeatedly been considered as complying with Article 6 (see Marziano v. Italy, no. 45313/99, § 31, 28 November 2002 and the cases cited therein; and Peltereau-Villeneuve, cited above, § 32).
- 55.
The Court has consistently emphasised the importance of the choice of words by public officials in their statements before a person has been tried and found guilty of a particular criminal offence (see Böhmer, cited above, §§ 54 and 56; Ismoilov and Others v. Russia, no. 2947/06, § 166, 24 April 2008; and Müller v. Germany, no. 54963/08, § 46, 27 March 2014). Moreover, whether or not a public official's remarks breach the principle of the presumption of innocence must be examined in the context of the particular circumstances in which the offending remarks were made (see Konstas, cited above, § 33; and Müller, cited above, § 46).’
34.
Deze laatste uitspraak laat zien waar de schoen in de onderhavige zaak wringt. Het hof zegt met zoveel woorden dat verzoeker schuldig is, zonder een onherroepelijke (‘final’) veroordeling. Er is bovendien evident sprake van een ‘finding of guilt’. Het hof stelt vast, wederom ondubbelzinnig, dat sprake is van valse geschriften en van betrokkenheid van verzoeker hierbij. Daarmee neemt het hof in ieder geval niet de door Straatsburg verlangde nuance dat verzoeker nog verdachte is in acht. De ‘importance of the choice of words’ is door het hof miskend.
35.
De hier geconstateerde schending is des te groter, nu het hof zich niet alleen in zijn hiervoor geciteerde oordeel niet schaart achter het (niet onherroepelijke) oordeel van de rechtbank, maar ook in zijn strafmaatoverweging de ‘getuigenverklaringen in het onderzoek Maruoka’ en de conclusies die het daaruit trekt meeweegt bij de oplegging van de straf en de hoogte daarvan. Daarmee velt het hof zonder deze getuigenverklaringen te wegen — het heeft de getuigen niet gehoord/ondervraagd en ook overigens aan de betrouwbaarheid ervan geen woorden gewijd — een oordeel over de betrouwbaarheid van hun verklaringen, en — belangrijker nog — velt het hof zonder proces een eigen oordeel over de strafbaarheid van handelingen waarvoor hij niet onherroepelijk is veroordeeld en die niet (ook) in de onderhavige zaak ten laste zijn gelegd.
36.
Verzoeker is door deze schending bovendien in zijn belangen geschaad, nu het hof dit gegeven (de niet onherroepelijke veroordeling voor valsheid in geschrifte) bezigt ter staving van zijn oordeel dat verzoeker bewust de onderhavige procedure heeft pogen te vertragen c.q. vertraagd. Het hof had deze schending van de onschuldpresumptie ‘nodig’ om het aanhoudingsverzoek af te wijzen. Aan dat oordeel komt nu dit argument te ontvallen, zonder welke de beslissing(en) op het/de aanhoudingsverzoek(en) onbegrijpelijk is. Daarmee is het belang van verzoeker ex art. 80a RO gegeven.
Ad (c) wraking
37.
Ten aanzien van (c) de wrakingen wordt geconstateerd dat de aanleidingen daarvoor waren 1) een afwijzing van alle (34) getuigenverzoeken en 2) de weigering van het hof tot aanhouding van de zaak opdat verzoeker zich van rechtsbijstand kon voorzien. De tweede wraking kan zodoende geen argument ten behoeve van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding (dat zou een cirkelredenering zijn). Verder wordt in algemene zin opgemerkt dat een wrakingsverzoek nu daarop veelal binnen enkele dagen wordt beslist (zo ook hier) slechts een zeer beperkte vertraging oplevert.
38.
Redenen waarom de vaststellingen van het hof omtrent de keren dat / wijzen waarop verzoeker de procedure in hoger beroep heeft vertraagd, onbegrijpelijk zijn. Deze onbegrijpelijkheid werkt door in de hierna te formuleren deelklachten.
Deelklacht 2: schending art. 6 EVRM door het verzuim verzoeker in de gelegenheid te stellen zich van rechtsbijstand te voorzien.
Juridisch kader
39.
Uw Raad heeft in 2015 beslist dat art. 6 EVRM lid 3 onder c de verdachte het recht toekent om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge art. 28, eerste lid, Sv is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. De in dat wetboek voorziene toevoeging van een raadsman aan de verdachte is in een aantal gevallen verplicht, onder meer wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of heeft bevonden (art. 41 Sv). Of een verdachte zichzelf ter terechtzitting wil verdedigen dan wel zich wil laten verdedigen door een raadsman, is ter vrije keuze van de verdachte. (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:2868, r.o. 2.5., onder verwijzing (‘vgl.’) naar HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6406, NJ 2012/29.)
40.
In diezelfde zaak oordeelde uw Raad dat nu de strafzaak van de verdachte behandeld is zonder dat de verdachte het hem toekomende recht op rechtsbijstand feitelijk heeft kunnen uitoefenen, het middel terecht klaagt dat in de gegeven omstandigheden door afwijzing van het verzoek tot aanhouding door het hof art. 6, derde lid onder b en c, EVRM is geschonden:
‘2.6.
Het Hof heeft het verzoek van de verdachte de behandeling van de zaak aan te houden teneinde zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien, afgewezen. Het Hof heeft in de motivering van die beslissing tot uitdrukking gebracht dat de raadsman ondanks zijn mededeling dat hij de verdediging heeft neergelegd totdat de vergoeding van de door hem te verlenen rechtsbijstand met de Raad voor Rechtsbijstand geregeld is, nog wel als toegevoegde raadsman van de verdachte heeft te gelden en dat de verdachte bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting op zichzelf nog steeds aanspraak kon maken op rechtsbijstand door deze raadsman. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 41 Sv en is niet onbegrijpelijk. Voor zover het Hof in zijn overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat het gaat om het recht op rechtsbijstand van de verdachte en niet tevens om de feitelijk aan de verdachte verleende rechtsbijstand, is dat oordeel evenwel onjuist.
2.7.
In deze zaak is sprake van ernstige misdrijven waarvoor in eerste aanleg door de Rechtbank een gevangenisstraf van negen jaren en de maatregel van terbeschikkingstelling was opgelegd. Gelet op de juridische merites van de zaak en hetgeen er voor de verdachte op het spel stond, lijdt het geen twijfel dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang was gemoeid. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de strafzaak tegen de verdachte behandeld is zonder dat de verdachte het hem toekomende recht op rechtsbijstand feitelijk heeft kunnen uitoefenen. Daarom klaagt het middel terecht dat in de gegeven omstandigheden door afwijzing van het verzoek tot aanhouding door het Hof art. 6, derde lid onder b en c, EVRM is geschonden.’
41.
In deze zaak was de verdachte vier keer van raadsman gewisseld en was mr. Speijdel zijn vijfde advocaat (r.o. 2.4).
42.
In HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3421 oordeelde uw Raad dat bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, de rechter een afweging dient te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (r.o. 2.5, onder verwijzing naar(‘vgl.’) HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294)).
43.
Voorafgaand aan dit arrest stelt A-G Bleichrodt het volgende, de rechtspraak van uw Raad samenvattend (met weglating van voetnoten):
- ‘14.
(…) In het aanhoudingsverzoek is expliciet opgenomen dat de verdachte ter terechtzitting rechtsbijstand van zijn raadsvrouwe wilde. De enkele afwezigheid van de verdachte ter terechtzitting houdt geen ondubbelzinnige afstand van rechtsbijstand in. Bij de beoordeling van een aanhoudingsverzoek dat in sterke mate samenhangt met het recht zich ter terechtzitting door de raadsvrouwe van de verdachte te laten bijstaan, zal het verdedigingsrecht in de afweging moeten worden betrokken. Nu het aanhoudingsverzoek tijdig is gedaan, vergt het nadere motivering waarom de verdachte volgens het hof kennelijk afstand moest doen van zijn recht zich te laten bijstaan door de raadsvrouwe van zijn keuze (art. 6, derde lid, onder c, EVRM). In de belangenafweging valt het verdedigingsrecht van de verdachte met andere woorden tussen de wal en het schip. Van een situatie waarin het aan de verdachte zelf te wijten is dat hij niet van rechtsbijstand is voorzien, is in dezen geen sprake.’
44.
Uit rechtspraak van het EHRM volgt het volgende — aangevangen wordt met de (ook door het hof genoemde) zaak Galovic t. Kroatië (31 Augustus 2021, Application no. 45512/11):
‘(b) The Court's assessment
(i) General principles
79.
The right to a fair trial under Article 6 § 1 is an unqualified right. However, what constitutes a fair trial cannot be the subject of a single unvarying rule, but must depend on the circumstances of the particular case. The Court's primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (see, among many other authorities, Ibrahim and Others v. the United Kingdom [GC], nos. 50541/08 and 3 others, § 250, 13 September 2016).
80.
Compliance with the requirements of a fair trial must be examined in each case, having regard to the development of the proceedings as a whole, and not on the basis of an isolated consideration of one particular aspect or one particular incident, although it cannot be excluded that a specific factor may be so decisive as to enable the fairness of the trial to be assessed at an earlier stage in the proceedings. In evaluating the overall fairness of the proceedings, the Court will take into account, if appropriate, the minimum rights listed in Article 6 § 3, which exemplify the requirements of a fair trial in respect of typical procedural situations which arise in criminal cases. They can therefore be viewed as specific aspects of the concept of a fair trial in criminal proceedings in Article 6 § 1. However, those minimum rights are not aims in themselves: their intrinsic aim is always to contribute to ensuring the fairness of the criminal proceedings as a whole (ibid., § 251).
81.
Article 6 § 3 (b) guarantees the accused ‘adequate time and facilities for the preparation of his defence’, and therefore implies that the substantive defence activity on his behalf may comprise everything which is ‘necessary’ to prepare the main trial. The accused must have the opportunity to organise his defence in an appropriate way and without restriction as to the ability to put all relevant defence arguments before the trial court and thus to influence the outcome of the proceedings (see Mayzit v. Russia, no. 63378/00, § 78, 20 January 2005; Moiseyev v. Russia, no. 62936/00, § 220, 9 October 2008; Gregačević v. Croatia, no. 58331/09, § 51, 10 July 2012; and Chorniy v. Ukraine, no. 35227/06, § 37, 16 May 2013).
82.
When assessing whether the accused had adequate time for the preparation of his defence, particular regard has to be had to the nature of the proceedings, as well as the complexity of the case and the stage of the proceedings (see Gregačević, cited above, § 51, and Albert and Le Compte v. Belgium, 10 February 1983, § 41, Series A no. 58). In this connection, the Court notes that the guarantees of Article 6 § 3 (b) go beyond trials, and extend to all stages of court proceedings (see D.M.T. and D.K.I. v. Bulgaria, no. 29476/06, § 81, 24 July 2012, and Chorniy, cited above, § 38).
83.
As regards the right to a lawyer, the Court reiterates that the right of everyone charged with a criminal offence to be effectively defended by a lawyer, assigned officially if need be, as guaranteed by Article 6 § 3 (c), is one of the fundamental features of a fair trial (see Salduz v. Turkey [GC], no. 36391/02, § 51, ECHR 2008; Dvorski v. Croatia [GC], no. 25703/11, § 76, ECHR 2015; and Simeonovi v. Bulgaria [GC], no. 21980/04, § 112, 12 May 2017 (extracts)). However, assigning counsel does not in itself ensure the effectiveness of the assistance counsel may provide to his client. Nevertheless, a State cannot be held responsible for every shortcoming on the part of a lawyer appointed for legal-aid purposes. It follows from the independence of the legal profession from the State that the conduct of the defence is essentially a matter between a defendant and his counsel, whether appointed under a legal-aid scheme or privately financed. The competent national authorities are required under Article 6 § 3 (c) to intervene only if a failure by legal-aid counsel to provide effective legal assistance is manifest or sufficiently brought to their attention in another way (see Czekalla v. Portugal, no. 38830/97, § 60, ECHR 2002-VIII, and Orlov v. Russia, no. 29652/04, § 108, 21 June 2011).’
(onderstrepingen JK en DS)
45.
Uit andere rechtspraak van het EHRM volgt dat het recht op rechtsbijstand (zoals het hof stelt) weliswaar niet absoluut is, maar dat sprake dient te zijn van ‘compelling reasons’ wil dat recht kunnen worden beperkt. Zie Beuze t. België, 09 november 2018 , (Application no. 71409/10):
‘(iv) Relationship between the justification for a restriction on the right of access to a lawyer and the overall fairness of the proceedings
137.
The principle that, as a rule, any suspect has a right of access to a lawyer from the time of his or her first police interview was set out in the Salduz judgment (cited above, § 55) as follows:
‘… in order for the right to a fair trial to remain sufficiently ‘practical and effective’ …, Article 6 § 1 requires that, as a rule, access to a lawyer should be provided as from the first interrogation of a suspect by the police, unless it is demonstrated in the light of the particular circumstances of each case that there are compelling reasons to restrict this right. Even where compelling reasons may exceptionally justify denial of access to a lawyer, such restriction — whatever its justification — must not unduly prejudice the rights of the accused under Article 6 … The rights of the defence will in principle be irretrievably prejudiced when incriminating statements made during police interrogation without access to a lawyer are used for a conviction.’
138.
The Salduz judgment also demonstrated that the application on a ‘systematic basis’, in other words on a statutory basis, of a restriction on the right to be assisted by a lawyer during the pre-trial phase could not constitute a compelling reason (ibid., § 56). In spite of the lack of compelling reasons in that case, the Court nevertheless analysed the consequences, in terms of overall fairness, of the admission in evidence of statements made by the accused in the absence of a lawyer. It took the view that this defect could not have been cured by the other procedural safeguards provided under domestic law (ibid., §§ 52 and 57–58).
139.
The stages of the analysis as set out in the Salduz judgment — first looking at whether or not there were compelling reasons to justify the restriction on the right of access to a lawyer, then examining the overall fairness of the proceedings — have been followed by Chambers of the Court in cases concerning either statutory restrictions of a general and mandatory nature, or restrictions stemming from case-specific decisions taken by the competent authorities.
140.
In a number of cases, which all concerned Turkey, the Court did not, however, address the question of compelling reasons, and neither did it examine the fairness of the proceedings, but found that systematic restrictions on the right of access to a lawyer had led, ab initio, to a violation of the Convention (see, in particular, Dayanan, cited above, § 33, and Boz v. Turkey, no. 2039/04, § 35, 9 February 2010). Nevertheless, in the majority of cases, the Court has opted for a less absolute approach and has conducted an examination of the overall fairness of the proceedings, sometimes in summary form (see, among other authorities, Çarkçi v. Turkey (no. 2), no. 28451/08, §§ 43–46, 14 October 2014), and sometimes in greater detail (see, among other authorities, A.T. v. Luxembourg, cited above, §§ 72–75).
141.
Being confronted with a certain divergence in the approach to be followed, in Ibrahim and Others the Court consolidated the principle established by the Salduz judgment, thus confirming that the applicable test consisted of two stages and providing some clarification as to each of those stages and the relationship between them (see Ibrahim and Others, cited above, §§ 257 and 258-62).
(α) Concept of compelling reasons
142.
The criterion of ‘compelling reasons’ is a stringent one: having regard to the fundamental nature and importance of early access to legal advice, in particular at the suspect's first police interview, restrictions on access to a lawyer are permitted only in exceptional circumstances, must be of a temporary nature and must be based on an individual assessment of the particular circumstances of the case (see Salduz, cited above, §§ 54 in fine and 55, and Ibrahim and Others, cited above, § 258). A finding of compelling reasons cannot stem from the mere existence of legislation precluding the presence of a lawyer. The fact that there is a general and mandatory restriction on the right of access to a lawyer, having a statutory basis, does not remove the need for the national authorities to ascertain, through an individual and case-specific assessment, whether there are any compelling reasons.
143.
The Court has also explained that where a respondent Government have convincingly demonstrated the existence of an urgent need to avert serious adverse consequences for life, liberty or physical integrity in a given case, this can amount to a compelling reason to restrict access to legal advice for the purposes of Article 6 of the Convention (see Ibrahim and Others, cited above, § 259, and Simeonovi, cited above, § 117).’
(onderstrepingen JK en DS)
46.
Hoewel deze en vergelijkbare rechtspraak vaak betrekking heeft op het ontbreken van rechtsbijstand in een vroeg stadium van de procedure (bv. politieverhoor), ziet verzoeker niet in waarom de ‘compelling reasons’-rechtspraak niet ook zou gelden voor een geval als het onderhavige, waarin aan een verdachte rechtsbijstand gedurende de van tenminste even groot belang zijnde inhoudelijke behandeling ter zitting (pleidooi) is onthouden.
Toegepast op de onderhavige zaak:
Schending art. 6 lid 3 sub b en c jo. lid 1 EVRM
47.
Art. 6 lid 3 sub b EVRM luidt:
‘Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
(…) b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;’
48.
Artikel 6 lid 3 onder c EVRM luidt:
‘Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
- (…) c.
zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;’
49.
De tekst van laatstgenoemd artikellid spreekt voor zich. Ook is helder dat verzoeker het gerechtshof nadrukkelijk heeft verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld de bijstand van een raadsman te krijgen en het gerechtshof hem die mogelijkheid niet heeft geboden. Op de hiervoor reeds genoemde gronden is dat oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Vastgesteld kan voorts worden dat het gerechtshof niet eigener beweging voor de bijstand van een raadsman heeft gezorgd.
50.
De vraag die in dit verband nog relevant is, is of een verdachte zijn recht op rechtsbijstand kan ‘verspelen’.
51.
Röttgering wijdde daaraan enige tijd geleden beschouwingen.2. Zij wijst op twee arresten van uw Raad uit 1998 en 2005:
‘In 1998 deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak waarin de verdachte niet ter terechtzitting van het hof was verschenen en zijn raadsman het hof had laten weten dat hij zich terugtrok. Onzeker was of de verdachte op de hoogte was van het terugtreden van zijn advocaat. In cassatie werd geklaagd over het feit dat het hof de zaak niet had aangehouden om verdachte in de gelegenheid te stellen zich opnieuw van rechtsbijstand te voorzien. De advocaat-generaal Keijzer meende dat het hof het belang van het recht op verdediging ten onrechte ondergeschikt had gemaakt aan andere belangen die voortzetting van de zaak wenselijk maakten. De Hoge Raad oordeelde echter dat voor het hof geen aanleiding bestond aan te nemen dat verdachte zich door een raadsman had willen doen bijstaan. Dat zijn raadsman hem niet had kunnen bereiken, was aan de verdachte zelf te wijten. Van hem had mogen worden verwacht dat hij met zijn raadsman contact zou hebben gehouden of op zijn minst voor hem bereikbaar zou zijn. Slechts in bijzondere gevallen zou daarover anders kunnen worden geoordeeld, zoals wanneer de raadsman bij het neerleggen van zijn opdracht jegens zijn cliënt onzorgvuldig zou hebben gehandeld.’
En:
‘In 2005 oordeelde de Hoge Raad in een geval waarin een verdachte zijn advocaat tijdens de vierde terechtzitting in hoger beroep ontsloeg en aanhouding verzocht om zich opnieuw van rechtsbijstand te voorzien, dat het belang van berechting binnen een redelijke termijn in dat geval diende te prevaleren boven het belang van de verdachte bij de rechtsbijstand tijdens de verdere behandeling in hoger beroep. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat:
‘Reeds drie behandelingen in hoger beroep hadden plaatsgevonden, dat de verdachte daarbij telkens door een raadsman werd verdedigd, dat de verdachte ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om met zijn raadsman te overleggen over het horen van nadere getuigen en dat die nadere getuigen weliswaar in afwezigheid van de verdachte die — om hem moverende redenen — niet was verschenen, maar in aanwezigheid van de op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman door het Hof zijn gehoord, terwijl het Hof, gelet op hetgeen aan het verzoek is voorafgegaan, kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het aan de verdachte zelf te wijten is dat het ter terechtzitting tot een vertrouwensbreuk met zijn raadsman is gekomen als gevolg waarvan hij niet langer van rechtsbijstand was voorzien.’’
52.
De eerste uitspraak lijkt een interpretatiekwestie (en vertoont ook overigens weinig gelijkenissen met de onderhavige zaak). Het is vooral de tweede uitspraak die bij Röttgering enige verbazing wekt:
‘Opmerkelijk is de afweging van het recht op rechtsbijstand tegen het belang op berechting binnen een redelijke termijn. Ten eerste lijkt op grond van de in het arrest genoemde data geen sprake te zijn geweest van (dreigende) schending daarvan, maar daarnaast valt ook niet in te zien waarom de terechtzitting niet voor korte tijd had kunnen worden aangehouden. Een vertraging van enkele weken zou immers geen wezenlijk verschil uitmaken voor de beoordeling van de termijn. De uitspraak bevredigt daarom niet. In wezen lijkt de Hoge Raad in de beide hier besproken zaken te hebben geoordeeld dat de verdachte geacht moest worden van zijn recht op rechtsbijstand te hebben afgezien, dan wel dit recht had verspeeld. Wij vragen ons af of de uitspraak in met name de laatste zaak in Straatsburg stand zou houden. Het betrof een zedenzaak, waarin het hof een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden oplegde en waarin de verdachte tijdens een cruciaal gedeelte van de procedure, het pleidooi, niet meer van rechtsbijstand was voorzien.’
(onderstreping JK en DS)
Verzoeker onderschrijft deze visie in ieder geval in zoverre, dat de Straatsburgse rechtspraak (zoals weergegeven) geen ruimte laat voor het op dergelijke wijze ‘verspelen’ van je recht op rechtsbijstand.
Onjuiste rechtsopvatting oordeel hof
53.
Röttgering bespreekt in dit verband de waiver:
‘Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het EHRM consequenties van keuzes die ‘de verdediging’ maakt voor rekening van de verdachte laat, ook als die leiden tot een inbreuk op de rechten van de verdachte, bijvoorbeeld in de zaak-Stanford. Niet uitgesloten mag worden dat de keuze van de verdachte in de hier besproken zaak als zo'n keuze zou worden aangemerkt. Anderzijds was in de hier besproken zaak nu juist geen sprake van een keuze van de verdachte tot het voeren van zijn eigen verdediging. Hij had van het recht op rechtsbijstand geen afstand willen doen. De vraag is of het gedrag van een verdachte met zich kan brengen dat hij geacht mag worden van een recht afstand te hebben gedaan, terwijl uit zijn verklaringen het tegendeel blijkt. Deze vraag is door het EHRM nog niet beantwoord. De standaardoverweging van het EHRM wanneer het gaat om een ‘waiver’, is dat deze ‘must not run counter to any important public interest, must be established in an unequivocal manner and requires minimum guarantees commensurate to the waiver's importance’. In de zaak-Zana tegen Turkije werd verzoeker niet toegelaten tot zijn proces, omdat het feit dat hij bij eerdere gelegenheden procedurele belemmeringen had opgeworpen en de rechters in het Koerdisch in plaats van in het Turks had willen toespreken als een ‘waiver’ van zijn aanwezigheidsrecht werd opgevat. Dit vond geen genade in de ogen van het EHRM.’
(onderstreping JK en DS)
54.
Ook thans biedt de rechtspraak van het EHRM geen aanknopingspunten voor de idee dat het gedrag van een verdachte met zich kan brengen dat hij geacht mag worden van een recht afstand te hebben gedaan, terwijl uit zijn verklaringen het tegendeel blijkt.
55.
Integendeel; de rechtspraak van het Hof ter zake van de waiver lijkt in afgelopen jaren stringenter te zijn geworden, waarbij meer nadruk ligt op de ‘vrijwilligheid’ van de waiver.
56.
Verzoeker wijst op EHRM Türk t. Turkije 5 September 2017, Application no. 22744/07. Hierin oordeelde het Hof:
- ‘53.
The Court reiterates that it was in the first place the trial court's duty to establish in a convincing manner whether or not the applicant's confessions and waivers of legal assistance had been voluntary (see Ogorodnik v. Ukraine, no. 29644/10, § 108, 5 February 2015). It must therefore be further examined whether that flaw was rectified during the subsequent trial and whether the proceedings as a whole can be considered as fair within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention (see Zachar and Čierny, cited above, § 75).
- 54.
For the Court, the Izmir Assize Court's failure to examine the circumstances surrounding the applicant's waiver, despite the procedural safeguards provided for by the Code of Criminal Procedure, was tantamount to depriving the applicant of a possibility of remedying a situation contrary to the requirements of the Convention (see Yunus Aktaş and Others v. Turkey, no. 24744/03, § 51, 20 October 2009).’
57.
Het behoeft geen betoog dat in de onderhavige zaak van vrijwillige afstand bepaald geen sprake is.
58.
Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat het gedrag van een verdachte met zich mee brengt dat hij geacht mag worden van een recht afstand te hebben gedaan en/of dat recht te hebben verspeelt, terwijl uit zijn verklaringen het uitdrukkelijke tegendeel blijkt, getuigt dit oordeel derhalve van een onjuiste rechtsopvatting.
Oordeel hof onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd
59.
Wat daarvan evenwel ook moge zijn, materieel van meer gewicht is dat in de onderhavige zaak niet kan blijken dat de breuk van verzoeker met zijn raadslieden aan zijn schuld te wijten is.
60.
Daarmee onderscheidt de onderhavige zaak zich in belangrijke zin van de uitspraak van uw Raad uit 2005. Daar had het hof volgens uw Raad kennelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat het aan de verdachte zélf te wijten was dat hij niet langer van rechtsbijstand was voorzien. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt:
‘U houdt mij voor dat dit reeds de vierde behandeling in hoger beroep is en dat ik blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2003 de gelegenheid heb gehad om met mijn raadsman te overleggen over het horen van getuigen op de nadere terechtzitting, naar aanleiding waarvan het hof de getuigen [getuige 1 en 2] heeft gehoord.
Ik ben in januari 2002 door de rechtbank veroordeeld. Ik heb toen tegen mijn raadsman gezegd dat ik nog drie getuigen op de zitting wilde. Ik ontsla dan nu mijn raadsman omdat hij mij geen gelegenheid heeft geboden deze getuigen vragen te stellen.
Het hof onderbreekt het onderzoek zodat de verdachte met zijn raadsman hierover kan overleggen.
Na hervatting deelt de raadsman mede, zakelijk weergegeven:
Ik ben genoodzaakt de verdediging neer te leggen, nu cliënt het vertrouwen in mij heeft opgezegd.
Ik kan niet méér mededelen dan dat het een meningsverschil over de in hoger beroep op te roepen getuigen betreft.
De voorzitter deelt de verdachte daarop mede dat er in deze strafzaak geen ambtshalve toevoeging is vereist omdat er geen voorlopige hechtenis is toegepast. De voorzitter wijst er voorts op dat de verdachte, als hij besluit om zijn raadsman te ontslaan, bij voortzetting van de behandeling, zijn eigen verdediging zal moeten voeren.
De verdachte verklaart hierop, zakelijk weergegeven:
Ik heb meermalen aangeven dat bepaalde personen als getuige gehoord moeten worden. Ik vind niet dat ik daartoe de kans heb gehad. Ik ontsla nu mijn advocaat.’
(onderstrepingen JK en DS)
61.
De verdachte had zijn raadsman kortom (mede) ‘ontslagen’ omdat hij hem geen gelegenheid heeft geboden deze getuigen vragen te stellen, zulks terwijl de verdachte zelf niet bij de ondervragingsgelegenheid aanwezig was. Vellinga merkt in zijn conclusie (onder 6) op dat de verdachte zich ten tijde van de terechtzitting van 26 juni 2003 — naar eigen zeggen — had verslapen, terwijl hij op 18 september 2003 — gelet op de ter terechtzitting gemaakte opmerkingen van zijn raadsman — niet van plan was te komen.
62.
Bovendien heeft het hof de verdachte in die zaak van tevoren gewaarschuwd. Ook dat staat in schril contrast met de onderhavige zaak, waarin verzoeker nauwelijks de tijd heeft gekregen om zijn eigen verdediging in te richten.
63.
Ten slotte is de onderhavige zaak op het oog (juridisch) omvangrijker en complexer dan de zaak uit 2005. Verzoeker heeft zijn raadslieden immers niet ‘ontslagen’, er blijkt van een vertrouwensbreuk sprake te zijn geweest. Nu de basis van de relatie tussen een advocaat en zijn of haar client wederzijds vertrouwen is, kan van een dergelijke relatie geen sprake meer zijn als dat vertrouwen er niet meer is. Dat verzoeker oorzaak is van de vertrouwensbreuk kan niet blijken
64.
Tegen die achtergrond is het door Röttgering samengevatte oordeel van uw Raad in 2005 formeel opvallend doch op de inhoud minder bevreemdend. Ook de beslissing van uw Raad in HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625 zou in die lijn kunnen worden beoordeeld. De verdachte was vergeten een afspraak met zijn raadsman te maken. Uw Raad billijkte 's hof's afwijzing van het aanhoudingsverzoek, en nam in aanmerking dat het een naar zijn aard en omvang eenvoudige zaak betreft, dat ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep sinds de datum van het tenlastegelegde feit bijna drie jaren waren verstreken en dat het, gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, klaarblijkelijk aan verdachtes eigen onzorgvuldigheid te wijten was dat hij op die terechtzitting — anders dan bij de terechtzitting in eerste aanleg — niet van rechtsbijstand was voorzien (r.o. 3.3). Hier is de ‘eigen schuld’ evident.
65.
Het oordeel van het hof in de onderhavige zaak bevreemdt des te meer.
66.
Uit de van 23 juni 2022 van mr. Van Gessel volgt dat ‘de vorige advocaat van mijn cliënt, mw. mr. R.E. van Zijl, op 14 juni jl., de dag voor het requisitoir de verdediging heeft neergelegd’. Een rol van verzoeker kan daaruit niet blijken; de woordkeuze impliceert iets anders. Verzoeker heeft gesteld dat hij niet kan zeggen waardoor de breuk met zijn raadslieden is ontstaan, en heeft vervolgens gesproken over een ‘vertrouwensbreuk’.
67.
Het ‘verspelen’ van het recht op rechtsbijstand door verzoeker is hier dus niet gelegen in de breuk van verzoeker met zijn raadslieden, maar in het beweerdelijk vertragen van de procedure. Daarover zijn reeds opmerkingen gemaakt. Ook in deze deelklacht wordt echter goed duidelijk dat zowel de Nederlandse als Straatsburgse rechtspraak geen aanknopingspunten biedt voor de opvatting dat het recht op rechtsbijstand kan worden verspeeld met omstandigheden die — zelfs indien juist/begrijpelijk, hetgeen hiervoor is bestreden — niets met dit wezenlijke recht te maken hebben. In de uitspraken van uw Raad uit 2002 en 2005 had het verwijt aan het adres van de verdachte wél met dit recht op rechtsbijstand te maken. In de onderhavige zaak heeft het verwijt veeleer te maken hebben met (de persoon van) verzoeker zelf, die in de optiek van het hof zijn krediet had verspeeld. Dit oordeel kan niet in stand blijven.
68.
De stand van de Straatsburgse rechtspraak noopt met andere woorden tot terughoudendheid. Waar het in de zaak van uw Raad uit 2005 betwijfeld kan worden of de verdachte naar Straatsburgse maatstaven geacht kan worden zijn recht op rechtsbijstand vanwege ‘eigen schuld’ te hebben verspeeld, is dat in de onderhavige zaak evident niet het geval.
69.
Redenen waarom het kennelijke oordeel van het hof dat verzoeker zijn recht op rechtsbijstand heeft ‘verspeeld’ en/of dat hij hiervan vrijwillig afstand heeft gedaan (‘waiver’) onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
70.
Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte voldoende tijd heeft gehad voor de voorbereiding van zijn verdediging, moet acht worden geslagen op a) the nature of the proceedings, b) the complexity of the case en c) the stage of the proceedings (zie bv. Gregačević t. Croatia, 10 juli 2012, Application no. 58331/09, § 51).
71.
In de onderhavige zaak staat de vraag centraal wanneer de tijd (in de zin van ‘voldoende tijd’) is begonnen te lopen. Volgens verzoeker kan dat niet anders zijn dan vanaf het moment dat zijn advocaten mrs. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging neerlegden; toen stond verzoeker er immers als niet-juridisch onderlegde verdachte alleen voor.
72.
Dit is bovendien in lijn met (de geest van de) rechtspraak van het EHRM. In Miminoshvili v. Russia, 28 Juni 2011, Application no. 20197/03 oordeelde het Hof:
‘141.
The Court notes that the investigation of the case continued for over one year, so, generally speaking, the applicant had sufficient time, after being served with the decision to charge him, for the preparation of his defence and for developing his counter-arguments (Padin Gestoso v. Spain (dec.), no. 39519/98, 8 December 1998). However, the Court should not lose sight of the dynamics of trial proceedings. The Court does not exclude that even where the defence is familiar with the case they must be given additional time after certain occurrences in the proceedings in order to adjust their position, prepare a request, lodge an appeal, and so on. Such ‘occurrences’ may include, for instance, changes in the indictment (as in Pélissier and Sassi v. France [GC], no. 25444/94, §§ 60 et seq., ECHR 1999-II), adoption of a judgment by the trial court (Hadjianastassiou v. Greece (16 December 1992, § 34, Series A no. 252), introduction of new evidence by the prosecution (G.B. v. France, no. 44069/98, §§ 60 et seq., ECHR 2001-X), or a sudden and drastic change in the opinion of an expert during the trial (ibid, §§ 64 et seq.).’
(onderstrepingen JK en DS)
Het wegvallen van het verdedigingsteam kan een ‘occurence in the proceeding’ worden genoemd zoals hiervoor bedoeld.
73.
De overweging van het hof die inhoudt:
‘in het bijzonder vanaf de planning voor de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in juni 2022, die in overleg met zijn raadsman tot stand is gekomen, ruim voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden.’
is dan ook onbegrijpelijk en/of onjuist. Niemand heeft betwist dat verzoeker deze tijd vanaf de planning tot de inhoudelijke zitting heeft gehad. Het probleem ontstond echter daarna, toen verzoeker op die zitting geen rechtsbijstand (meer) had doordat op 14 juni 2022, een dag voor de inhoudelijke behandeling van tussen de raadslieden en verzoeker de advocaat-cliëntrelatie is geëindigd. Op de zitting één dag later en nadien zat verzoeker zonder advocaat, terwijl hij die wel wilde. Eerst vanaf dat moment stond de vraag centraal of en hoeveel tijd aan verzoeker moest worden geschonken om zijn verdediging voor te bereiden. Het oordeel van het hof — in het kader van de gemaakte belangenafweging — dat verzoeker ‘ruim voldoende tijd en gelegenheid (heeft) gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden’ is dan ook onbegrijpelijk.
74.
Sinds het moment dat mrs. Van Zijl en Zeegers de verdediging hebben neergelegd, is verzoeker nauwelijks tijd geboden. Verzoeker wees hier vanaf het begin op, op de zitting van 15 juni 2022, met de woorden dat het onmogelijk is om in enkele dagen / één week weken een verdediging op papier te krijgen in deze zaak. En dat het voorstel van de voorzitter om verzoeker (ruim) één week de tijd te geven om zijn zaak voor te bereiden ‘natuurlijk in de praktijk onhaalbaar’ is. Om te vervolgen:
‘U weet net zo goed als ik dat als je dat redelijk goed wil voorbereiden, met advocaat of dat je dat zelf doet, daar heb je gewoon een langere tijd voor nodig. Dat is onhaalbaar, dat is niet realistisch en dat weet u ook. Het is niet anders. Mijn recht op een eerlijk proces wordt mij ontnomen.’
75.
Het hof heeft desalniettemin aan verzoeker (zoals weergegeven) op woensdag 15 juni tot vrijdag 24 juni — 9 dagen later — gegeven om zijn verdediging in te richten. Dat is in het licht van de omvang van de zaak te weinig om aan de eisen van art. 6 EVRM te voldoen.
76.
Ook overigens is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd en/of onbegrijpelijk.
77.
Het hof heeft niet onderkend dat bij de beoordeling of de verdachte ‘adequate time for the preparation of his defence’ heeft gehad, betekenis toekomt aan a) the nature of the proceedings, b) the complexity of the case en c) the stage of the proceedings (zie ook hiervoor). Het hof heeft, ondanks dat dit door de verdediging en verzoeker uitvoerig is belicht, verzuimd mee te wegen dat dit een grote en complexe strafzaak is, waarin de belangen groot zijn (zie de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren en drie maanden die aan verzoeker is opgelegd).
78.
Daarmee miskent het hof ook de rechtspraak van uw Raad, dat het gelet op de juridische merites van de zaak en hetgeen er voor de verzoeker op het spel stond, geen twijfel lijdt dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang was gemoeid (HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2868, r.o. 2.7, vgl. HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315, HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6406en BV0907).
79.
Het oordeel van het hof van 15 juni 2022 dat verzoeker zich ‘de afgelopen jaren, we hebben het over bijna zes (in ieder geval ruim vijfenhalf) jaar in hoger beroep, uitvoerig heeft kunnen voorbereiden’ en dat verzoeker ‘zelf uitstekend in staat is om zijn zegje te doen’ wijst erop dat het hof vond dat verzoeker deze strafzaak ‘zelf wel aankon’ en (kennelijk) hij geen rechtsbijstand nodig had. Dat oordeel is (volstrekt) onbegrijpelijk.
80.
Met betrekking tot de ‘stage of the proceedings’ wordt hier vermeld dat het pleidooi — waarin de strafrechtadvocaat zijn belangrijkste (driedubbele) functie vervult als pleitbezorger van het verdedigingsstandpunt, bewaker van de rechtsgang en bieder van tegenwicht aan het Openbaar Ministerie — nog gevoerd moest worden.
82.
Vanwege het gewicht van deze verdragsrechtelijke schending(en), het evidente nadeel hiervan voor verzoeker, die in het geheel geen verweer heeft gevoerd c.q. kunnen voeren en daarbij heeft aangegeven dat hij veel te zeggen had maar dit niet doet, simpelweg omdat hij niet weet of dit zijn zaak kan schaden of juist goed zal doen, en het gebrek aan overwegingen van het hof omtrent (bijvoorbeeld) compensatie voor deze schending, is aldus sprake een schending van het recht op een eerlijk proces ex art. 6 lid 1 EVRM. Het arrest lijdt dientengevolge aan nietigheid.
Deelklacht 3: bespreking van in hoger beroep niet gevoerde verweren en/of ingenomen standpunten
83.
Het hof heeft bij zijn beraadslaging acht geslagen op (hoofdzakelijk) de pleitnota in eerste aanleg en (soms) de appelschriftuur en pleitnota's ten behoeve van de onderzoekswensen (zij bijvoorbeeld de passages in het arrest op p. 11, 16, 29, vgl. p. 41).
84.
In aanmerking genomen dat verzoeker door de rechtbank tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden is veroordeeld, terwijl blijkens de pleitnota in eerste aanleg de verdediging ten aanzien van veel feiten vrijspraak / ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit en ten aanzien van de valsheden in het dossier Vercors een uitvoerig strafmaatverweer is gevoerd, kan niet zonder meer verwacht worden dat verzoeker deze zelfde procesopstelling/strategie in hoger beroep zou hanteren.
85.
Eerder ligt voor de hand dat de verweren in het licht van het voortbouwend appel zich in belangrijke mate en gemotiveerd zouden richten tegen het vonnis van de rechtbank en de daarin gegeven motivering en voorts zouden zien op de vele nieuwe stukken die, mede na opdracht daartoe van het gerechtshof, in de procedure in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd. Voor het voeren van die verweren heeft verzoeker in hoger beroep geen gelegenheid gekregen.
86.
Belangrijk in dit verband is voorts dat het hof bij de inhoudelijke behandeling niet aan verzoeker heeft gevraagd of hij zich achter deze standpunten/argumenten schaart. Ook op de zitting van 18 november 2022 heeft het hof dit niet aan verzoeker gevraagd. Dat verrast niet; het ligt voor de hand dat het hof vreesde dat verzoeker deze vraag ontkennend zou beantwoorden, vanwege zijn uitdrukkelijke verzoek om (nieuwe) rechtsbijstand. Dan had het hof met lege handen gestaan; het kon dan bezwaarlijk doen wat het nu gedaan heeft, terwijl het bij uw Raad mogelijk evenmin in goede aarde zou zijn gevallen wanneer het hof verzoeker had veroordeeld zonder acht te slaan op zijn visie op het tenlastegelegde. Dat is echter geen valide reden om zomaar een procesopstelling aan verzoeker toe te schrijven. Deze handelswijze laat zien dat de verweren uit eerste aanleg die het hof in ogenschouw neemt, veeleer strekken ten behoeve van de beoogde ‘zuiverheid’ (quod non) van het arrest van het hof zelf dan — zoals men op het eerste gezicht zou vermoeden — ter bescherming van (wat over is van) de fundamentele rechten van verzoeker.
87.
Hiermee is de mogelijkheid opengebleven dat het oordeel van het hof dat inhoudt, bijvoorbeeld ten aanzien van feit 3, de beweerde onttrekkingen van vermogen aan de privéboedel van verzoeker (p. 11):
‘Standpunt van de verdediging
Het verweer, zoals verwoord in de pleitnota van 16 november 2016, komt — kort samengevat — op het volgende neer:’
helemaal niet het standpunt van de verdediging (in hoger beroep) was.
88.
Er is aldus sprake van een door het gerechtshof zelf opgevoerde, verzonnen verdediging waarin aan verzoeker verweren en standpunten zijn toegeschreven waarvan aannemelijk is dat de verdediging die in hoger beroep, mede ingegeven door de nieuwe stukken, niet op die wijze zou hebben ingenomen. Het maakt dat de overwegingen waarmee het gerechtshof die zogenaamde verweren en standpunten weerspreekt onbegrijpelijk zijn, en waardoor, nu die overwegingen deel uitmaken van de bewijsvoering, ook de bewezenverklaring onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
89.
Dit verzuim, meermalen begaan, heeft nietigheid van het bestreden arrest tot gevolg.
Middel II:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR en 288, 322, 358, 350, 358, 359, 410 en 415 Sv, doordat:
- 1)
het oordeel van het hof van 27 mei 2022 tot afwijzing van het verzoek van de verdediging om het noodzakelijkheidscriterium in te vullen op een wijze die niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang, onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, en/of;
- 2)
het oordeel van het hof dat:
- a)
niet aannemelijk is dat de (bij tussenarrest van 27 mei 2020 toegewezen) getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd, en/of;
- b)
de verzoeken tot het horen van getuigen [getuige 5] en [getuige 6] (op 8 juni 2022: getuigen nummers 13 en 14 (eerder: nummers 8 en 9)) worden afgewezen, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, en/of;
- 3)
het oordeel van het hof d.d. 27 mei 2020 en/of d.d. 8 juni 2022 dat het verzoek om dhr. [getuige 8] als getuige te horen wordt afgewezen, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, en/of;
- 4)
het oordeel van het hof tot afwijzing van de verzoeken om de heren [getuige 33] en [getuige 32] als getuigen te horen onbegrijpelijk is, meer in het bijzonder dat het van deze getuigen niet relevant is voor enige in de strafzaak te nemen beslissing;
- 5)
het oordeel van het hof dat ‘de liquiditeitsprognose geen aanleiding is nader onderzoek te verrichten’, en/of de (daarmee verband houdende) afwijzingen d.d. 8 juni 2022 van het verzoek tot horen van getuigen [getuige 20] en/of anderen binnen [bedrijf 5] die waren betrokken bij het opstellen van de liquiditeitsprognose en/of [getuige 19] (genummerd 4 t/m 6), en/of de afwijzing van verzoek i. strekkende tot toevoeging van administratie die ten grondslag lag aan de liquiditeitsprognose, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, en/of;
Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
Procesverloop getuigenverzoeken
1.
Bij appelschriftuur van 5 januari 2017 heeft de voormalig raadsman van verzoeker mr. Sijbers (tijdig) verzocht om de volgende getuigen te horen:
- — 1.
de heer [getuige 17]
- — 2.
de heer [getuige 18]
- — 3.
de heer [getuige 21]
- — 4.
de heer [getuige 22]
- — 5.
de heer [getuige 23]
- — 6.
de heer [getuige 5]
- — 7.
de heer [betrokkene 1]
- — 8.
de heer [getuige 24]
- — 9.
de heer [getuige 7]
- — 10.
de heer [getuige 32]
- — 11.
de heer [getuige 25]
- — 12.
de heer [paardenhandelaar 1]
- — 13.
de heer [paardenhandelaar 2]
- — 14.
de heer [getuige 26]
- — 15.
de heer [getuige 27]
- — 16.
de heer [getuige 28]
2.
Nadat mr. Van Zijl en mr. Zeegers — na een tussengelegen periode waarin mr. Vlaar verzoeker bijstond — de verdediging hebben overgenomen, hebben zij na in oktober 2019 te hebben verzocht een regiezitting in te plannen, op 7 april 2020,kenbaar gemaakt de volgende onderzoekswensen in te dienen, welke onderzoekswensen op de zitting van 13 mei 2020 mondeling zijn toegelicht (zie ook de pleitnotities d.d. 13 mei 2020):
- —
Met betrekking tot de financiële situatie van [bedrijf 1]:
- ○
benoeming van:
- ■ a)
een financieel deskundige met ervaring in het vastgoed;
- ■ b)
een vastgoeddeskundige.
- ○
het horen van:
- ■ 1)
[getuige 19] (financieel adviseur van [bedrijf 1]);
- ■ 2)
[getuige 29] (assistent controller en IT-er bij [bedrijf 1]); .
- ■ 3)
[getuige 18] (werkzaam bij Arab Investments Ltd.);
- ■ 4)
dhr. [getuige 21];
- ■ 5)
dhr. [getuige 22];
- ■ 6)
dhr. [getuige 23];
- ■ 7)
[getuige 17].
- —
Met betrekking tot de relatie met de banken en de compensatie die verzoeker zou hebben genoten voor eerdere aandelenkopen
- ○
Het horen van:
- ■ 8)
[getuige 5] (voormalig bestuursvoorzitter Fortis);
- ■ 9)
[getuige 6] (voormalig bestuursvoorzitter ING);
- ■ 10)
[getuige 1] (werkzaam bij ING Verenigd Koninkrijk);
- ■ 11)
[getuige 2] (werkzaam bij ING Nederland);
- ■ 12)
[getuige 3] (werkzaam bij ING Nederland);
- ■ 13)
dhr. [getuige 4] (werkzaam bij ING Nederland);
- ■ 14)
[getuige 7] (curator privéfaillissement verdachte).
- —
Met betrekking tot de relatie van verzoeker met de banken — Vercors- documenten:
- ○
Het horen van:
- ■ 15)
[getuige 8] (directievoorzitter FGH);
- ■ 16)
[getuige 30] (directiesecretaris en compliance officer FGH);
- ■ 17)
[getuige 31] (directeur Bijzonder Beheer FGH);
- ■ 18)
[getuige 34] (Hoofd compliance Rabobank);
- ■ 19)
[getuige 35] (Senior Relationship Manager Corporate Clients Friesland Bank);
- ■ 20)
C.M. Molhuysen (advocaat DLA Piper);
- ■ 21)
R. Oranje (advocaat DLA Piper);
- ■ 22)
H. Dulack (advocaat Van Benthem & Keulen);
- ■ 23)
E. Poelenije (advocaat Kienhuis Hoving).
- —
Met betrekking tot de ingetrokken faillissementsaanvraag door Wessels:
- ○
Het horen van:
- ■ 24)
[getuige 36];
- ■ 25)
dhr. [getuige 37].
- —
Met betrekking tot de afwikkeling van het faillissement en de siloconstructie:
- ○
Het horen van:
- ■ 26)
[getuige 30] (opvolgend bestuurder van [bedrijf 1] vanaf 7 juni 2012);
- ■ 27)
[getuige 39] (werkzaam bij de afdeling Bijzonder Beheer van ING);
- ■ 28)
[getuige 40] (tot februari 2012 statutair commercieel directeur van [bedrijf 1]);
- ■ 29)
[curator 1] (curator);
- ■ 30)
[curator 2] (curator);
- ■ 31)
[curator 3] (curator).
- —
Met betrekking tot de waardebepaling van de stal
- ○
Het horen van:
- ■ 32)
[getuige 32] (destijds werknemer van de stal);
- ■ 33)
[getuige 33] (destijds werknemer van de stal);
- ○
Het benoemen als deskundigen van:
- ■ c)
[paardenhandelaar 1] (paardenhandelaar);
- ■ d)
[paardenhandelaar 2] (paardenhandelaar).
- —
Familieleden van verzoeker:
- ○
Het horen van:
- ■ 34)
[medeverdachte 2];
- ■ 35)
[medeverdachte 1] jr.;
- ■ 36)
[medeverdachte 3].
3.
Deze getuigen- en deskundigenverzoeken zijn steeds van motivering/onderbouwing voorzien. In het navolgende zal deze, waar nodig, worden weergegeven.
4.
Het hof heeft de verzoeken onder a, b, 1 t/m 9 en 15 t/m 33 afgewezen.
5.
Het hof heeft de verzoeken onder 10 t/m 14, 34, 35, 36 en c en d (deels) toegewezen.
6.
Volgens de thans beschikbare stukken volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 10 mei 2021 dat de getuigen waarvan op 27 mei 2020 de oproeping is bevolen door de raadsheer-commissaris zijn gehoord, doch dat de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] onvindbaar zijn gebleken en dat de verdediging van mr. [getuige 7] afstand heeft gedaan.3.
7.
Bij bericht van 10 februari 2022 heeft mr. Van Zijl verzocht om heropening van het onderzoek ter terechtzitting in de zaak tegen verzoeker. Hierbij is gevraagd om noodzakelijk onderzoek te verrichten naar twee cruciale documenten die betrekking hebben op de financiële situatie van de bedrijven van [bedrijf 1]. Dat onderzoek bestaat uit (onder 4–5):
- a.
toevoeging aan het dossier van:
- i.
de liquiditeitsprognose waarnaar in D-229 en D-569 wordt verwezen;
- ii.
de administratie die ten grondslag lag aan deze liquiditeitsprognose;
- iii.
de administratie die ten grondslag lag aan D-175;
- b.
het horen van de volgende getuigen:
- i.
de heer [getuige 20];
- ii.
de heer [adviseur];
- iii.
de opsteller van de liquiditeitsprognose waarnaar in D-229 en D-569 wordt verwezen;
- iv.
de heer [curator 1]; v. de heer [curator 2];
- vi.
de heer [curator 3];
- vii.
de opsteller van de ‘conceptjaarcijfers’ van D-175.
8.
Ook is aangegeven dat op die regiezitting zou worden verzocht om noodzakelijk onderzoek te verrichten naar de aankoop in privé door verzoeker van aandelen in Fortis, Aegon en ING. Dat onderzoek bestaat uit het horen van de volgende getuigen (onder 6–7):
- viii.
de heer [getuige 5], voormalig bestuursvoorzitter Fortis;
- ix.
de heer [getuige 6], voormalig bestuursvoorzitter ING.
9.
De verzoeken zijn onderbouwd, in de kern op de grond dat over twee in de bewijsvoering van de rechtbank gebruikte belangrijke stukken veel vragen bestaan.
10.
Op donderdag 31 maart 2023 heeft mr. Van Zijl dit verzoek om heropening voor spoedeisende maatregelen (art. 324 jo. 328 jo. 415 Sv) uitdrukkelijk herhaald, aangezien de verdediging over nieuwe informatie beschikte die nieuw licht werpt op de financiële situatie van [bedrijf 1] en op cruciale bewijsmiddelen in het dossier Kirishima (onder 3). Zulks aangezien in een schrijven van 11 maart 2022 een van de curatoren van [bedrijf 1], mr. [curator 2], heeft gesteld dat:
- a.
de curatoren van [bedrijf 1] zelf de balans- en winst en verliesrekening over 2011 hebben opgesteld, en niet de Jong & Laan, en;
- b.
bij deze waardering van activa en vermogen eind 2011 rekening is gehouden met het faillissement in 2012.
11.
Dit leidt volgens de verdediging tot de conclusies dat (onder 6 en 7):
- —
de curatoren onjuiste informatie hebben verstrekt, onder meer nu onjuist vermeld staat dat de conceptjaarrekening is opgesteld door een externe accountant, en;
- —
de bewijsconstructie van de rechtbank geen stand houdt, nu het bewijs van de voorzienbaarheid van het faillissement hiermee wordt gebaseerd op het faillissement zelf.
Deze standpunten zijn onder randnummers 10 t/m 30 van het verzoek nader onderbouwd.
12.
Op 17 mei 2022 heeft mr. Van Zijl kenbaar gemaakt de onderzoekswensen die ter (regie)zitting van 13 mei 2020 zijn gedaan, op de zitting 8 juni 2022 te zullen herhalen. Op 18 mei 2022 heeft het hof mr. Van Zijl medegedeeld akkoord te zijn met haar voorstel om de eerder ingenomen standpunten als voorgedragen te beschouwen mits deze, zoals door mr. Van Zijl aangegeven, in de pleitnota zijn opgenomen.
13.
Op 20 mei 2022 heeft mr. Van Zijl per email aangegeven dat zij op 8 juni 2022 de onderzoekswensen van de verdediging van [verdachte] sr zou aanvullen op het volgende punt:
‘Nu uit de liquiditeitsprognose zelf is gebleken dat de heer [getuige 19] bij de totstandkoming ervan was betrokken, wenst de verdediging hem hierover te bevragen. Zijn verhoor is reeds verzocht op 13 mei 2020, maar zal nu aanvullend worden toegelicht.’,
aldus mr. Van Zijl.
14.
Uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof van 8 juni 2022 volgt dat het hof alle verzoeken heeft afgewezen.
15.
Op de zitting van 8 juni 2022 is sprake van een gewijzigde samenstelling van het gerechtshof ten opzichte van de regie-zitting van 13 mei 2020, met instemming van partijen wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich op laatstgenoemde zitting bevond. Dientengevolge kan in cassatie ook over de beslissingen van het hof in zijn tussenarrest van 27 mei 2020 worden geklaagd.
Deelklacht 1) oordeel hof d.d. 27 mei 2022 omtrent het verzoek van de verdediging om het noodzakelijkheidscriterium in te vullen op een wijze die niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd
16.
Door de verdediging is bij pleidooi van 13 mei 2020 het volgende aangevoerd:
‘Toetsingscriterium
- 50.
Voordat ik toekom aan de nadere toelichting van de onderzoekswensen zelf, maak ik een aantal opmerkingen over het criterium dat bij de beoordeling daarvan dient te worden gehanteerd.
- 51.
Verschillende getuigenverzoeken zijn niet reeds bij appelschriftuur gedaan, zodat op deze verzoeken op basis van artikel 418 lid 3 Sv het noodzaakcriterium van toepassing is. Deze appelschriftuur is echter ingediend door cliënts vorige advocaten. Sinds december 2018 staan mr. Zeegers en ik cliënt bij. Wij hebben, samen met cliënt, een eigen — gewijzigde — verdedigingsstrategie ontwikkeld. Aan de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn verschillende argumenten te ontlenen om in dit geval het noodzaakcriterium op minder strikte wijze toe te passen op de getuigenverzoeken die niet reeds bij appelschriftuur zijn gedaan. Ik licht dit toe.
- 52.
De mogelijkheid van een dergelijke relativering van het noodzaakcriterium stamt uit een arrest uit 2007, waarin de Hoge Raad meerdere voorbeelden noemt van gevallen waarin het noodzaakcriterium voor niet bij appelschriftuur opgegeven getuigen zou moeten worden gerelativeerd (of minder strikt zou moeten worden toegepast). In algemene zin stelt de Hoge Raad in dit arrest dat ‘onder omstandigheden van de verdachte bezwaarlijk [zal] kunnen worden gevergd dat hij een of meer getuigen of deskundigen reeds bij de appelschriftuur opgeeft.’5
- 53.
De voorbeelden van dergelijke omstandigheden die de Hoge Raad vervolgens noemt zijn, kort gezegd:
- a.
wanneer in eerste aanleg een verkort vonnis is gewezen en de aanvulling nog niet beschikbaar is bij het verlopen van de termijn voor indiening van de appelschriftuur;
- b.
wanneer de verdachte op het moment van indienen van de appelschriftuur nog geen rechtsbijstand had; en
- c.
wanneer zich, ná het verstrijken van de termijn voor het indienen van de appelschriftuur, onvoorziene ontwikkelingen voordoen waarbij het belang opkomt van het horen van bepaalde getuigen of deskundigen.6
- 54.
In dergelijke gevallen brengt, volgens de Hoge Raad ‘tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist — de eis van een eerlijke procesvoering mee dat de advocaat-generaal onderscheidenlijk het gerechtshof bij gebruikmaking van de in vorengenoemde bepalingen voorgeschreven toepassing van het ‘noodzakelijkheidscriterium’ de desbetreffende omstandigheden in hun afweging betrekken. Dat kan dan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het ‘verdedigingsbelang’ zou worden bereikt.’7 Met andere woorden: in bepaalde gevallen dient een ‘soepelere’ versie van het noodzaakcriterium te worden toegepast, dat niet (wezenlijk) verschilt van dat van het verdedigingsbelang. De Hoge Raad heeft dit standpunt in zijn overzichtsarrest over getuigenverzoeken uit 2014 herhaald.8
- 55.
In zijn noot bij het besproken arrest uit 2007 concludeert Mevis dat de gevallen die de Hoge Raad noemt voorbeelden zijn:
‘Er laten zich ook buiten de door de Hoge Raad in O.3.4.1. uitdrukkelijk genoemde gevallen wel omstandigheden denken die kunnen meebrengen 'dat een verantwoorde opgave van getuigen en deskundigen niet al bij de appelschriftuur is te verwezenlijken.’9
Dit standpunt is door de Hoge Raad in 2008 omarmd.10
- 56.
In de visie van de verdediging kwalificeert het wisselen van advocaat en een daarmee gepaard gaande fundamentele wijziging van de verdedigingsstrategie als een ‘onvoorziene ontwikkeling’, in de zin van het arrest uit 2007. Wij verzoeken uw hof dan ook onze niet bij appelschriftuur gedane getuigenverzoeken te beoordelen aan de hand van het ‘soepeler’ geïnterpreteerde noodzaakcriterium, als beschreven. Het belang van het horen van deze getuigen is immers pas kenbaar geworden met de gewijzigde verdedigingsstrategie. Ook was deze wijziging ten tijde van het indienen van de appelschriftuur niet te voorzien — noch voor cliënt, noch voor zijn toenmalige advocaten.
- 57.
Deze opvatting wordt verder ondersteund wanneer deze in samenhang wordt bezien met het eerste genoemde voorbeeld uit het arrest uit 2007. Het niet hebben van rechtsbijstand is weliswaar niet hetzelfde als het later wisselen van rechtsbijstand, maar feit is dat cliënt bij indiening van de appelschriftuur andere rechtsbijstand had met een andere verdedigingsstrategie dan hij nu heeft. Het kan bezwaarlijk aan cliënt of zijn toenmalige advocaten worden tegengeworpen dat zij de getuigen in kwestie niet bij appelschriftuur hebben opgegeven, nu zij niet bekend waren met de latere strategiewijziging waardoor het belang van het (nader) horen van deze getuigen is ontstaan.
- 58.
Daarnaast is het moment waarop een getuigenverzoek wordt gedaan mede van belang voor de beoordeling daarvan. In 2018 bevestigde de Hoge Raad de afwijzing van een getuigenverzoek omdat het verzoek pas bij de inhoudelijke behandeling werd gedaan, terwijl het ruim daarvoor gedaan had kunnen worden.11 In Melai schrijft mr. N. Gonzalez [betrokkene 1] hierover:
‘Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium inderdaad zodanig dient te zijn dat van een wezenlijk verschil met de maatstaf van het verdedigingsbelang geen sprake is. In dat verband kan betekenis toekomen aan het moment waarop de verdachte het getuigenverzoek (alsnog) heeft gedaan.’12
- 59.
In een arrest uit 2010 stelde de Hoge Raad dat, om in aanmerking te komen voor toepassing van het ‘soepeler’ noodzaakcriterium, het getuigenverzoek ‘uiterlijk op de eerste terechtzitting van het Hof dient te worden gedaan.’13 Dit kan echter logischerwijs niet gelden voor onvoorziene omstandigheden die zich ná de eerste terechtzitting van het hof hebben voortgedaan. In dat kader wijs ik ook op een conclusie van AG Knigge uit 2010 waarin hij stelt dat het antwoord op de vraag of sprake is van ‘onvoorziene omstandigheden’ in de zin van het arrest uit 2007, afhangt van de omstandigheden van het geval.14 De zaak waar het genoemde arrest van 2010 op zag, betrof een overval niet geweld/poging moord. Hoewel ik uiteraard niet over het betreffende dossier beschik, ligt voor de hand dat de zaak tegen cliënt complexer is. Dit is een complexe fraudezaak met een zeer omvangrijk dossier, zodat het de verdediging bezwaarlijk kan worden tegengeworpen dat niet alle ‘nieuwe’ getuigenverzoeken reeds in februari 2019, bij de eerste zitting van het gerechtshof, zijn gedaan. Wij staan cliënt immers pas bij sinds december 2018 en de verdedigingsstrategie is pas nadien volledig tot stand gekomen.
- 60.
Ook is een regiezitting bij uitstek het moment om getuigenverzoeken te doen. Vooraf zijn afspraken gemaakt over de momenten van indiening van onderzoekswensen, en die zijn door de verdediging nageleefd. Over het karakter van de zitting in februari 2019 is op voorhand overeenstemming bereikt tussen procespartijen. Zodoende bestaat in deze zaak grond om ten aanzien van de niet reeds bij appelschriftuur opgegeven getuigen het noodzaakcriterium toe te passen op een wijze die niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang.
- 61.
Ditzelfde bepleiten wij ten aanzien van getuigen die reeds zijn gehoord in eerste aanleg. De gewijzigde verdedigingsstrategie brengt met zich dat wij andere vragen wensen te stellen aan de reeds gehoorde getuigen dan de vragen die reeds aan hen zijn gesteld — anders zouden wij een dergelijk verhoor niet verzoeken. Ook in deze gevallen verzoeken wij u dan ook het noodzaakcriterium minder streng in te vullen.
- 62.
In dat kader wijs ik op jurisprudentie van het EHRM, waaruit volgt dat de kern van het ondervragingsrecht betekent dat de verdediging, onder dezelfde voorwaarden als het openbaar ministerie, de gelegenheid moet krijgen haar zaak te presenteren en daarbij de getuigen te (doen) ondervragen die noodzakelijk zijn ter onderbouwing daarvan. Over het recht om zogeheten defence witnesses, of getuigen à décharge, op te roepen overweegt het EHRM in het bijzonder het volgende:
‘Its essential aim, as is indicated by the words ‘under the same conditions’, is a full ‘equality of arms’ in the matter.’15
- 63.
In de zaak Topić t. Kroatië oordeelde het hof dat de door de verdediging verzochte getuigen à decharge een belangrijke rol hadden kunnen spelen bij het versterken van de zaak en positie van de verdediging. Het EHRM benadrukte eerst geen feitenrechter te zijn. Vervolgens overwoog het hof als volgt:
‘It therefore confines itself to noting that the applicant's request for the eyewitnesses to the event to be heard was not vexatious that it was relevant to the subject matter of the accusation, and that it could arguably have strengthened the position of the defence or even led to the applicant's acquittal.’ 16
- 64.
Ook in andere zaken heeft het EHRM een schending aangenomen van artikel 6 — en het ondervragingsrecht in het bijzonder — bij afwijzingen van deugdelijk gemotiveerde verzoeken om getuigen à décharge te doen horen, of wanneer dergelijke weigeringen onvoldoende waren gemotiveerd.17
- 65.
De kern van de jurisprudentie van het EHRM in dit opzicht, kan als volgt worden samengevat:
‘The Court's task in this regard is to examine whether the accused had an adequate and sufficient opportunity to contest the accusations against him and whether the proceedings, considered as a whole, satisfied the requirements of Article 6 § 1 of the Convention’18
(onderstreping, RZ).
- 66.
Met andere woorden: het ondervragingsrecht uit artikel 6 EVRM, inclusief het recht van de verdediging getuigen à décharge op te roepen, dient te worden getoetst aan de hand van de vraag of de verdediging een adequate gelegenheid heeft gehad haar zaak te presenteren en te onderbouwen, mede aan de hand van de getuigen die daarvoor noodzakelijk zijn.
- 67.
Dit brengt met zich dat ook in het licht van het ondervragingsrecht en het recht op een eerlijk proces uit artikel 6 EVRM, cliënt en diens advocaten de gelegenheid moeten krijgen de getuigen te ondervragen die voor de verdedigingsstrategie van belang zijn. Het moment waarop een verzoek gedaan wordt, zou daarbij geen centrale rol moeten spelen, zeker als het cliënt (en zijn toenmalige of huidige advocaten) niet kan worden verweten dat deze getuigenverzoeken niet eerder zijn gedaan en wanneer gemaakte processuele afspraken dienaangaande zijn nageleefd. Ook om deze redenen verzoek ik u bij alle verzoeken het noodzaakcriterium toe te passen op een wijze die niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.’
17.
Het hof heeft hierover bij tussenarrest van 27 mei 2020 beslist:
‘Criterium voor beoordeling van de onderzoekswensen
Voor het vaststellen van het toepasselijke criterium voor de beoordeling van de verzoeken tot het horen van getuigen en deskundigen zijn de volgende feiten van belang. Op 23 december 2016 is door verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Op 5 januari 2017 is door verdachtes toenmalige raadsman mr. Sijbers een appelschriftuur ingediend waarin werd verzocht om 16 getuigen te horen. Kort voor de geplande regiezitting van 17 oktober 2018 (die uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden) heeft mr. Vlaar zich gesteld in plaats van mr. Sijbers. Per brief heeft mr. Vlaar verzocht 75 getuigen te horen. Eind december 2018 hebben mr. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging overgenomen van mr. Vlaar. Op 6 februari 2019 heeft een eerste regiezitting plaatsgevonden. Daarbij is niet gesproken over concrete onderzoekswensen, doch is besproken welke gevolgen een nieuw onderzoek (Maruoka genaamd) tegen verdachte had voor deze zaak.
Omstreeks oktober 2019 heeft de verdediging verzocht om een regiebehandeling in deze zaak. Die regiebehandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei 2020. In de aanloop naar deze zitting heeft de verdediging op 7 april 2020 opgave gedaan van onderzoekswensen. Daarbij is verzocht 40 personen te horen als getuige dan wel als deskundige. Van die personen waren er tien ook al opgenomen in de appelschriftuur van mr. Sijbers.
Ten aanzien van de verzoeken tot horen van de tien personen die ook al waren vermeld in de appelschriftuur van 5 januari 2017 is — in principe — het verdedigingsbelangcriterium van toepassing. Ten aanzien van de overige verzoeken het noodzakelijkheidscriterium. Dat er sprake is van opeenvolgende raadslieden en een gewijzigde verdedigingsstrategie levert geen reden op om het noodzakelijkheidscriterium zo in te vullen dat het niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelangcriterium. Evenmin is er sprake van andere omstandigheden die maken dat het noodzakelijkheidscriterium in dit geval anders zou moeten worden ingevuld. Ook indien na het verstrijken van de termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep zich omstandigheden voordoen die maken dat strikte toepassing van het noodzakelijkheidscriterium onredelijk is, mag van de verdediging worden verlangd dat zij spoedig na het zich voordoen van die omstandigheden haar verzoeken doet.’
(onderstreping JK en DS)
18.
Dit oordeel is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
19.
Zulks ten eerste omdat het hof niet stilstaat bij de door de verdediging opgeworpen rechtsvraag, te weten of in een omvangrijke procedure een wisseling van verdediging onder omstandigheden een ‘onvoorziene ontwikkeling’ kan zijn zoals in rechtspraak van uw Raad bedoeld. De enkele zin van het hof die luidt:
‘Dat er sprake is van opeenvolgende raadslieden en een gewijzigde verdedigingsstrategie levert geen reden op om het noodzakelijkheidscriterium zo in te vullen dat het niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelangcriterium.’
is daartoe ontoereikend en/of onbegrijpelijk, gelet op a) de (niet bij het oordeel van het hof betrokken) omvang van het onderhavige dossier alsmede b) de door de raadsvrouwe aangedragen, aan rechtspraak en literatuur ontleende argumenten voor het tegendeel.
20.
Het hof lijkt het verzoek van de verdediging in de kern te hebben afgewezen op de grond dat ook indien na het verstrijken van de termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep zich omstandigheden voordoen die maken dat strikte toepassing van het noodzakelijkheidscriterium onredelijk is, van de verdediging mag worden verlangd dat zij spoedig na het zich voordoen van die omstandigheden haar verzoeken doet. Dit heeft de verdediging in de onderhavige zaak niet gedaan, zo begrijpt verzoeker het hof. Dat oordeel is evenwel onbegrijpelijk.
21.
Zoals de verdediging (onweersproken) heeft gesteld was voorafgaand aan de zitting van 6 februari 2019 duidelijk dat geen onderzoekswensen zouden worden besproken.
22.
Desalniettemin heeft de verdediging reeds op die zitting toen gemotiveerd verzocht om vijftien getuigen te (doen) horen. Dit omdat ‘deze verhoren zien op deelonderwerpen die losstaan van het onderzoek Maruoka’ en omdat ‘niets zich ertegen verzet dit onderzoek reeds uit te (laten) voeren’. Met andere woorden: een poging tot voortvarendheid. Het hof heeft zijn beslissing hierop tweemaal aangehouden. Dat kan de verdediging niet worden tegengeworpen. Het oordeel van het hof dat inhoudt:
‘Op 6 februari 2019 heeft een eerste regiezitting plaatsgevonden. Daarbij is niet gesproken over concrete onderzoekswensen, doch is besproken welke gevolgen een nieuw onderzoek (Maruoka genaamd) tegen verdachte had voor deze zaak.’
is dan ook onbegrijpelijk (want: onjuist).
23.
In oktober 2019 heeft de verdediging verzocht een regiezitting in te plannen. Die regiebehandeling is gepland op 13 mei 2020. In de aanloop naar deze zitting heeft de verdediging op 7 april 2020 haar onderzoekswensen ingediend. In aanmerking genomen dat 1) de verdediging reeds in oktober 2019 — dus nauwelijks een half jaar na de zitting in februari 2019 — kenbaar heeft gemaakt gereed te zijn voor een regiezitting, terwijl zij voorafgaand aan die regiezitting haar onderzoekswensen heeft ingediend, kan een enkele referentie aan de termijn voor het indienen van een appelschriftuur de afwijzing van het door de verdediging gedane verzoek niet dragen.
24.
Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het tussen oktober 2019 en april 2020 feitelijk niet relevant was wanneer de onderzoekswensen precies werden, ingediend, nu hierop hoe dan ook eerst bij de regiezitting van 13 mei 2020, althans bij het naar aanleiding hiervan gewezen (tussen)arrest kon worden beslist.
25.
Ook dient in aanmerking te worden genomen dat mr. Vlaar zijn praktijk medio 2018 heeft neergelegd, zodat (in zoverre) de overname ‘noodzakelijk’ was.
26.
Het oordeel van het hof is mitsdien onbegrijpelijk.
27.
Ten gevolge hiervan heeft het hof veel getuigenverzoeken beoordeeld op grond van het noodzakelijkheidscriterium, terwijl (ten aanzien van enkele getuigen) aanleiding zou (kunnen) zijn geweest het verdedigingsbelang te hanteren. Daarmee is het belang van verzoeker ex art. 80a RO gegeven. Voor zover uw Raad dit belang acht te ontbreken, wordt opgemerkt dat deze deelklacht onderdeel uitmaakt van een breder middel omtrent beslissingen op getuigen- (en deskundigen)verzoeken, zodat indien (een) andere deelklacht(en) slaagt/slagen, deze klacht — gelet op de opgeworpen rechtsvraag — kan worden ‘meegenomen’.
Deelklacht 2)
- a)
‘niet aannemelijk dat de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord’ onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, en;
- b)
afwijzing getuigenverzoeken [getuige 5] en [getuige 6] onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd
28.
Bij pleidooi van 13 mei 2020 is met betrekking tot de getuigen 8 t/m 14 het volgende aangevoerd (duidelijkheidshalve: op de zitting van 8 juni 2022 zijn deze getuigen genummerd 13 t/m 18 (één getuige minder, bij het verzoek tot het horen van [getuige 7] is niet gepersisteerd)):
‘Verstandhouding met de banken
Aandelenaankoop in privé en compensatie
- 151.
Cliënt heeft verklaard dat hij in 2007 door graaf [getuige 5] van de Fortis bank is gevraagd of hij aandelen wilde kopen, vanwege liquiditeitsproblemen bij de bank (Kirishima Voi-oi, p.16). Hetzelfde gebeurde met ING. De heer [getuige 6], toenmalig bestuursvoorzitter van ING, benaderde hem met het verzoek in privé aandelen aan te schaffen in ING en Aegon.
- 152.
Deze aandelenpakketten moesten worden in privé worden gekocht, omdat [bedrijf 1] anders enerzijds geld leende van de banken en anderzijds aandeelhouder was van diezelfde banken. Dat werd als ongewenst gezien. Gezien het belang van een goede relatie met de banken is [verdachte] sr. op deze verzoeken ingegaan. Hij leende daarvoor geld van [bedrijf 1]. Cliënt heeft in totaal voor circa € 70 mio aan aandelen aangekocht van Fortis, ING, ABN AMRO en Aegon, waarvan de waarde ten gevolge van de bankencrisis met € 50 mio is verminderd.
- 153.
Cliënt was echter steeds ervan uitgegaan dat de banken hem zouden compenseren voor dit verlies, of dat deze banken ten minste een morele plicht zouden voelen [bedrijf 1] door eventueel zwaar weer heen te helpen. Dat droeg in sterke mate bij aan zijn vertrouwen dat [bedrijf 1] overeind zou blijven.
- 154.
Cliënt had al in 2009 contacten met [getuige 6] over compensatie voor de geleden verliezen. [getuige 6] had cliënt namelijk verzekerd dat er geen risico's verbonden waren aan de aandelenkoop. In 2011 hebben daarover twee gesprekken plaatsgevonden, en in februari 2012 is daarover nog een gesprek geweest, en is cliënt tot afspraken met ING gekomen.
- 155.
De vaststellingsovereenkomst en bijbehorende geheimhoudingsverklaring zouden in de eerste week van maart 2012 worden getekend. Ondanks herhaald verzoek heeft [verdachte] echter hierover nooit meer iets gehoord van ING.
- 156.
Cliënt ging er dus ten minste tot begin maart 2012 van uit dat ING hem zou compenseren voor de geleden verliezen. Ook vertrouwde cliënt er volledig op dat de banken [bedrijf 1] op hun beurt door moeilijker tijden zouden helpen.
- 157.
De houding van ING veranderde echter rigoureus in het voorjaar van 2012. Cliënt gaat ervan uit dat dit het gevolg was van negatieve beïnvloeding door de medewerkers van FGH en Rabobank, en door [naam 1].
- 158.
Ik verzoek ik de volgende getuigen te (doen) horen over deze aandelentransactie en de onderhandelingen over de compensatie:
- 8)
De heer [getuige 5], voormalig bestuursvoorzitter Fortis;
- 9)
de heer [getuige 6], voormalig bestuursvoorzitter ING;
- 10)
de heer [getuige 1], werkzaam ING Verenigd Koninkrijk;
- 11)
de heer [getuige 2], ING Nederland;
- 12)
de heer [getuige 3], ING Nederland;
- 13)
de heer [getuige 4], ING Nederland;
- 14)
de heer [getuige 7], geboren [geboortedatum]-1961, curator privéfaillissement cliënt, gegevens bekend.
- 159.
[getuige 6] was destijds bestuursvoorzitter van ING en [getuige 5] was bestuursvoorzitter van Fortis. Zij hebben [verdachte] sr benaderd met het verzoek om aandelen te kopen en hem verzocht dit via privévermogen te financieren.
- 160.
De heren [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] waren destijds allemaal werkzaam bij ING en hebben één of meer gesprekken bijgewoond over de compensatie aan cliënt.
- 161.
De heer [getuige 7] is benoemd tot curator in het privéfaillissement van cliënt. Vanuit die hoedanigheid kan ook hij verklaren over de aandelentransactie en over de gevoerde gesprekken over compensatie van het verlies. Cliënt heeft [getuige 7] vanaf zijn benoeming direct ingelicht over zijn claim op ING.
- 162.
Inzake Maruoka is [getuige 7] bevraagd over een brief van [curator 1] aan [getuige 7] van 23 januari 2013 met daarin de bevestiging van het feit dat ING [verdachte] zou compenseren voor het geleden aandelenverlies.
- 163.
[getuige 7] stelt echter (Maruoka, p. 1174); ‘[verdachte] heeft in de periode nooit met mij besproken dat hij een claim zou hebben op de ING Bank. Sterker nog [verdachte] heeft tegen mij verklaard dat hij niets bezat.’
- 164.
Ook kan [getuige 7] worden bevraagd over de volgende passage uit diezelfde brief (DOC-042):
‘Jij hebt gelijk metjouw constatering dat hetfaillissement van [verdachte] niet had mogen plaatsvinden ’
Hem kunnen vragen worden gesteld over het privéfaillissement van cliënt, en over in hoeverre dat had kunnen worden voorkomen.
- 165.
De verdediging wenst deze getuigen te horen over de wijze waarop de aandelenaankoop door cliënt in de banken tot stand is gekomen, onder welke voorwaarden dit is geschied en waarom, en wat er nadien is gecommuniceerd over een compensatie voor het geleden verlies.
- 166.
Dat is in het belang van de verdediging (waarbij ik opmerk dat [getuige 7] en [getuige 5] bij appelschriftuur zijn opgegeven) en noodzakelijk voor een zorgvuldige beoordeling van de bewijsvraag voor feiten 1. en 3. inzake Kirishima.
- 167.
De rechtbank heeft de onderzoekswensen van de verdediging op dit punt afgewezen, maar deze lezing van cliënt vervolgens als ongeloofwaardig terzijde geschoven (vonnis p. 20):
‘Tot slot heeft de verdediging gesteld dat [verdachte] sr geen rekening heeft gehouden metzijn privéfaillissement, omdat de schuld aan [bedrijf 1] het gevolg was van waardedaling van aandelen in onder meer Fortis die hij met in rekening-courant opgenomen geld had gekocht.
De rechtbank stelt deze lezing als ongeloofwaardig terzijde. Het privé faillissement van [verdachte] sr was niet meer dan het logische gevolg van het faillissement van de [bedrijf 1]-groep omdat ook voor [verdachte] sr duidelijk moet zijn geweest dat de curatoren in het faillissement van de [bedrijf 1]-groep hem zouden aanspreken op aflossing van de rekening-courant schuld van meer dan € 48.000.000,- (per 27 november 2012) en [verdachte] sr was daar bij lange na niet toe in staat. De rol van de banken was op dat moment immers overgenomen door de curatoren.’
- 168.
Daarmee worden de stellingen van cliënt — en zijn argumentatie — echter onvoldoende onderkend.
- 169.
Het gegeven dat de rc-schuld was ontstaan uit de aankoop van aandelen op verzoek van de banken, is om twee redenen relevant.
- 170.
Ten eerste vertrouwde cliënt er daardoor volledig op dat de banken [bedrijf 1] op hun beurt door zwaar weer zouden helpen. Dat is relevant voor zijn gebrek aan aanvaarding van een aanmerkelijke kans dat [bedrijf 1] zou failleren, maar (dus) ook voor zijn gebrek aan aanvaarding van een aanmerkelijke kans dat hij zelf zou failleren.
- 171.
Ten tweede vertrouwde cliënt erop dat hij door de banken — in ieder geval door ING — zou worden gecompenseerd voor het verlies dat hij op de aandelen had geleden. Dat vertrouwen bestond bij cliënt ook in 2012 nog.
- 172.
De Advocaat-Generaal stelt dat deze verzoeken zouden moeten worden afgewezen omdat de stellingen van cliënt niet kunnen worden bewezen. Die benadering is niet juist. Dat de aandelen door cliënt zijn aangekocht staat niet ter discussie. Dat deze gigantisch in waarde zijn gedaald staat niet ter discussie. Dat dit heeft geleid tot de rekeningcourant-schuld aan [bedrijf 1] staat niet ter discussie. Onderzoek behoeft alleen te worden gedaan of cliënt terecht verwachtte dat hij daarvoor zou worden gecompenseerd en/ofop steun van de banken kon rekenen.
- 173.
Dat hiervan (nog) geen bewijs voorhanden is, is juist reden waarom wordt verzocht hiernaar onderzoek te doen.
- 174.
Dat komt overigens voort uit de wijze waarop dergelijke besprekingen weden gevoerd. De aandelen waren door cliënt in privé gekocht, omdat de aankoop niet bekend diende te worden. Van de opvolgende onderhandelingen over de compensatie .werden geen notulen gemaakt noch werd er correspondentie over gevoerd. Als gezegd zou er naast de vaststellingsovereenkomst ook een geheimhoudingsovereenkomst worden getekend.
- 175.
Bovendien is het verhaal van cliënt dermate gedetailleerd en consistent dat het niet als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven.
- 176.
In juli 2011 heeft een eerste gesprek van ongeveer een uur plaatsgevonden op initiatiefvan ING in het Sheraton Hotel te Schiphol. Bij dit gesprek waren aanwezig de heren [getuige 1] (ING UK) en D. Jones (van een Engels advocatenkantoor) en [getuige 2] (ING Nederland). Cliënt zette in op een compensatie van € 50 mio door ING alsmede een compensatie voor de geleden renteverliezen. ING wilde maximaal € 25 mio betalen en geen rentevergoeding. Afgesproken werd dat beide partijen zich zouden beraden en dat een vervolggesprek zou plaatsvinden na de zomer.
- 177.
ING heeft telefonisch in september 2011 het initiatief genomen voor een tweede gesprek. Dit werd gepland voor begin oktober 2011, maar op verzoek van ING is dit verplaatst naar begin november 2011. Dit gesprek heeft plaatsgevonden bij [bedrijf 1] op kantoor te Deventer. Bij dit gesprek waren aanwezig de heren [getuige 1] (ING UK), [getuige 2] (ING Nederland) en [getuige 3] (ING Nederland).
- 178.
Afgesproken werd dat het gesprek strikt vertrouwelijk was en ING deelde mee dat de overeen te komen compensatie zou worden betaald vanuit ING UK. ING bood een compensatie van € 37,5 mio (zonder rentccompensatie). Cliënt heeft aangegeven dat € 50 mio het uitgangspunt bleef. Na ruim 1,5 uur is een pauze ingelast en hebben de vertegenwoordigers van ING ruggenspraak gehouden. Na de pauze is overeenstemming bereikt voor een compensatie van € 45 mio. Vanwege balanstechnische redenen van ING werd besloten om afspraken over de rentecompensatie en definitieve afwikkeling te verplaatsen naar begin 2012.
- 179.
Er werd een afspraak gemaakt voor begin februari 2012 op kantoor bij [bedrijf 1]. Aanwezig waren de heer [getuige 1] (ING UK) en de heer [getuige 4] (ING Nederland) (en nog een persoon van wie cliënt de naam niet meer weet). Er werd overeenstemming bereikt over de rentecompensatie en de totale compensatie werd vastgesteld op € 47 mio. Afgesproken werd om de vaststellingsovereenkomst en de geheimhoudingsverklaring gelijktijdig te tekenen in de eerste week van maart 2012 ten kantore van ING te Amsterdam. Daarna heeft cliënt ondanks herhaaldelijk aandringen niets meer van ING gehoord.
- 180.
Dat dergelijke compensatie geen illusie is, wordt bevestigd door het gegeven dat Fortis € 1.3 miljard als compensatie betaald aan aandeelhouders die in 2007 vals zijn voorgelicht (bijlage 6).
- 181.
Deze getuigenverhoren dienen ter onderbouwing van de stellingen van cliënt over de relatie die cliënt had met de banken, en de mondelinge toezeggingen die aan hem waren gedaan over compensatie. Cliënt was ervan overtuigd dat deze bankmedewerkers [bedrijf 1] door zware tijden heen zouden loodsen. De plotselinge ommezwaai in de houding van ING bevestigt zijn vermoeden dat sprake was van een ongeoorloofde samenwerking tussen partijen die bij het faillissement waren betrokken.
- 182.
Deze verhoren zijn daarom relevant voor de beoordeling van de bewijsvraag.’
(onderstreping JK en DS)
29.
Het hof heeft de getuigenverzoeken onder 8 en 9 bij tussenarrest van 27 mei 2020 afgewezen en die onder 10 t/m 14 toegewezen, en heeft daartoe het volgende overwogen (P. 4–5):
‘Op de verzoeken 8 en 14 is het verdedigingsbelang van toepassing. De verzoeken 9 tot en met 13 zijn niet bij tijdig ingekomen appelschriftuur gedaan en worden daarom getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium.
Het horen van getuige 8 is naar het oordeel van het hof niet van belang voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing, mede omdat [getuige 5] al in september 2008 bij Fortis is vertrokken. [getuige 6](getuige 9) is sinds januari 2009 weg bij ING. Aan de orde is de vraag in hoeverre het faillissement van [bedrijf 1] en als gevolg daarvan de faillissement van verdachte in privé te voorzien was. Indien al juist is de stelling van verdachte dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, dan blijft nog de vraag op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak. Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen. Het hof zal de verzoeken 8 en 9 dan ook afwijzen, de verdediging is daardoor niet in haar belang geschaad.
Vanwege de schuld van verdachte in privé aan [bedrijf 1] Holding acht het hof de waardedaling van de aandelen relevant voor de beoordeling van de vraag of het faillissement van [bedrijf 1] voorzienbaar was. Ten aanzien van de eventuele compensatie daarvan acht het hof het daarom noodzakelijk getuigen 10 tot en met 13 over de gesprekken in 2011 en 2012 te horen. Daarnaast acht het hof het horen van curator [getuige 7] van belang, temeer omdat verdachte heeft verklaard dat hij [getuige 7] van de onderhandeling op de hoogte had gesteld. Het hof zal de verzoeken 10 tot en met 14 daarom toewijzen.’
30.
In het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 10 mei 2021 is het dienaangaande het volgende gerelateerd:
‘Bij tussenarrest van 27 mei 2020 heeft het hof onder meer bepaald dat [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] als getuigen dienen te horen.
Deze personen zouden werkzaam zijn geweest bij respectievelijk Internationale Nederlanden Groep (hierna te noemen ING) Verenigd Koninkrijk en ING Nederland.
Het hof heeft daarbij de raadslieden van de beide verdachten [verdachte] opdracht gegeven om zo spoedig mogelijk de nadere contactgegevens van de desbetreffende getuigen aan te leveren. Bij e-mail van 2 september 2020 heeft de raadsman van [verdachte] (sr), mr. K.J. Zeegers, desgevraagd het kabinet van de raadsheer-commissaris laten weten dat het hem niet is gelukt om de adresgegevens van de getuigen te achterhalen.
Het kabinet van de raadsheer-commissaris heeft op 13 november 2020 navraag gedaan naar de adresgegevens van de betreffende getuigen bij de afdeling People Services van de ING.
De ING heeft op 16 november 2020 als reactie daarop te kennen gegeven dat deze gegevens helaas niet meer te achterhalen zijn.
Op 23 november 2020 heeft ook de raadsman van [medeverdachte 1] (jr), mr. T. Felix, desgevraagd aangegeven dat het hem niet is gelukt om de adresgegevens van de getuigen te achterhalen.
Naar aanleiding van het bovenstaande heeft het kabinet van de raadsheer-commissaris op 14 januari 2021 per e-mail contact opgenomen met advocaat-generaal mr. Hemelaar met de vraag of het Openbaar Ministerie nog mogelijkheden ziet om de adresgegevens van de getuigen te achterhalen. De advocaat-generaal heeft daarop laten weten dat hij, bij gebreke van nadere persoonsgegevens, geen nadere mogelijkheden ziet om de gegevens van de getuigen te achterhalen, temeer nu er al navraag is gedaan bij de ING.
Naar aanleiding van het niet kunnen achterhalen van nadere persoonsgegevens en het dus niet kunnen traceren van betreffende getuigen en de planning van de verhoren, heeft er op verzoek van mr. Van Zijl, raadsvrouw verdachte [verdachte] sr., op 26 maart 2021 een regiebijeenkomst plaatsgevonden. .
Van deze bijeenkomst is apart een proces-verbaal opgemaakt die aan dit proces-verbaal van bevindingen zal worden gehecht. Op aandringen van de verdediging heeft de raadsheer-commissaris nog een zoekslag gemaakt teneinde meer gegevens van de getuigen te achterhalen en heeft de raadsheer-commissaris op 1 april 2021 persoonlijk contact gezocht met de ING.
Naar aanleiding van het verzoek van I april 2021 van de raadsheer-commissaris aan de juridische afdeling van de ING, heeft M.J. Bas, advocaat, werkzaam bij ING Nederland op de afdeling HR/Legal laten weten dat de naam [getuige 1] eenmaal in het personeelsarchief voorkomt en de naam [getuige 4] meermalen, met verschillende voorletters, derhalve betrekking hebbende op verschillende personen. De informatie betreft echter uitsluitend hun naam, verder zijn er geen andere persoons- of adresgegevens bekend. Van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] zijn helemaal geen gegevens bekend.
Desgevraagd heeft mr. Bas op 7 april 2021 laten weten dat de ING geen enkele contactgegevens meer heeft van getuige [getuige 1] en dat navraag bij haar collega in Groot-Brittannië geen resultaat heeft opgeleverd. De ING Verenigd Koninkrijk heeft laten weten in 2012 geen medewerker te hebben gehad met de naam J. [getuige 1].
Nu de verdediging niet in staat is gebleken om nadere persoonsgegevens van de te horen getuigen aan te leveren en naspeuringen van het openbaar ministerie en de raadsheer-commissaris bij herhaling geen resultaat hebben opgeleverd acht de raadsheer-commissaris het niet aannemelijk dat de getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en gehoord. Om die reden wordt afgezien van het oproepen van deze getuigen en sluit de raadsheer-commissaris het onderzoek met betrekking tot deze getuigen.’
31.
In haar op de zitting van 8 juni 2022 overgelegde pleitnota heeft de verdediging verzocht om, kort gezegd, meer inspanningen te verrichten om deze getuigen te traceren, teneinde ze te horen:
‘3.4. Verstandhouding met de banken
3.4.1. Aandelenaankoop in privé en compensatie
- 214.
Tevens wordt het verzoek herhaald om de volgende getuigen te (doen) horen over de aandelentransactie in privé en de compensatie voor het daarop geleden verlies:
- 13)
de heer [getuige 5], voormalig bestuursvoorzitter Fortis; 14) de heer [getuige 6], voormalig bestuursvoorzitter ING;
- 15)
de heer [getuige 1], ING Verenigd Koninkrijk;
- 16)
de heer [getuige 2], ING Nederland;
- 17)
de heer [getuige 3], ING Nederland;
- 18)
de heer [getuige 4], ING Nederland.
- 215.
Cliënt heeft verklaard dat hij in 2007 door de heer [getuige 5] van de Fortis bank is gevraagd of hij aandelen wilde kopen, vanwege liquiditeitsproblemen bij de bank (Kirishima Voi-01, p.16). Hetzelfde gebeurde met ING. De heer [getuige 6], toenmalig bestuursvoorzitter van ING, benaderde hem met het verzoek in privé aandelen aan te schaffen in ING en Aegon.
- 216.
Deze aandelenpakketten moesten worden in privé worden gekocht, omdat [bedrijf 1] anders enerzijds geld leende van de banken en anderzijds aandeelhouder was van diezelfde banken. Dat werd als ongewenst gezien. Gezien het belang van een goede relatie met de banken is cliënt op deze verzoeken ingegaan. Hij leende daarvoor geld van [bedrijf 1]. Cliënt heeft in totaal voor circa € 70 mio aan aandelen aangekocht van Fortis, ING, ABN AMRO en Aegon, waarvan de waarde ten gevolge van de bankencrisis met € 50 mio is verminderd.
- 217.
Cliënt was echter steeds ervan uitgegaan dat de banken hem zouden compenseren voor dit verlies, of dat deze banken ten minste een morele plicht zouden voelen [bedrijf 1] door eventueel zwaar weer heen te helpen. Dat droeg in sterke mate bij aan zijn vertrouwen dat [bedrijf 1] overeind zou blijven.
- 218.
Cliënt had al in 2009 contacten met [getuige 6] over compensatie voor de geleden verliezen. [getuige 6] had cliënt namelijk verzekerd dat er geen risico's verbonden waren aan de aandelenkoop. In 2011 hebben daarover twee gesprekken plaatsgevonden, en in februari 2012 is daarover nog een gesprek geweest, en is cliënt tot afspraken met ING gekomen.
- 219.
De vaststellingsovereenkomst en bijbehorende geheimhoudingsverklaring zouden in de eerste week van maart 2012 worden getekend. Ondanks herhaald verzoek heeft cliënt echter hierover nooit meer iets gehoord van ING.
- 220.
Cliënt ging er dus ten minste tot begin maart 2012 van uit dat ING hem zou compenseren voor de geleden verliezen. Ook vertrouwde cliënt er volledig op dat de banken [bedrijf 1] op hun beurt door moeilijker tijden zouden helpen.
- 221.
De houding van ING veranderde echter rigoureus in het voorjaar van 2012. Cliënt gaat ervan uit dat dit hot gevolg was van negatieve beïnvloeding door de medewerkers van FGH.
- 222.
[getuige 6] was destijds bestuursvoorzitter van ING en [getuige 5] was bestuursvoorzitter van Fortis. Zij hebben cliënt benaderd met het verzoek om aandelen te kopen en hem verzocht dit via privévermogen te financieren.
- 223.
De heren [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] waren destijds allemaal werkzaam bij ING en hebben één of meer gesprekken bijgewoond over de compensatie aan cliënt,
- 224.
De verdediging wenst deze getuigen te horen over de wijze waarop de aandelenaankoop door cliënt in de banken tot stand is gekomen, onder welke, voorwaarden dit is geschied en waarom, en wat er nadien is gecommuniceerd over een compensatie voor het geleden verlies.
- 225.
Dat is in het belang van de verdediging en noodzakelijk voor een zorgvuldige beoordeling van de bewijsvraag voor feiten 1. en 3. inzake Kirishima.
(…) [JK en DS: hier volgt een herhaling van pleidooi uit 2020, om die reden door de raadsvrouwe klein en gecursiveerd weergegeven en hier niet weergegeven]
- 240.
Bij tussenarrest van 27 mei 2020 wees uw Hof de verzoeken om [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] toe.
- 241.
Inmiddels is echter gebleken dat de raadsheer-commissaris het niet aannemelijk acht dat getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] binnen aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en dat daarom wordt afgezien van het oproepen van deze getuigen (proces-verbaal bevindingen raadsheer-commissaris 10 mei 2021).
- 242.
Primair verzoek ik u onderzoek naar de contactgegevens te (laten) doen via de Belastingdienst, via de pensioenverzekeraar van ING of andere instanties waarbij gegevens van oud-werknemers van ING (kunnen) zijn opgeslagen. Ook verzoek ik u de mogelijkheden te (laten) onderzoeken om Linkedln-pagina's uit 2012 in te zien. (onderstreping JK en DS)
- 243.
Nu cliënt immers niet beschikt over verdere contactgegevens, moet worden voldaan aan de inspanningsplicht voor de autoriteiten om de getuigen op te sporen. De autoriteiten hebben daartoe immers ook meer mogelijkheden dan de verdediging.
- 244.
Die inspanningsplicht is door het EHRM ook uitdrukkelijk erkend voor getuigen a decharge.
- 245.
Op 19 januari 2021 is het arrest Keskin vs. Nederland gewezen, waarin opnieuw werd bevestigd dat art. 6 lid 3 sub d EVRM ook van toepassing is op getuigen a décharge. ‘Paragraph 3 (cl) also contains a right to obtain the attendance and examination of witnesses on behalfofthe accused, or ‘defence witnesses’, that is to say witnesses whose statements are in favour of the defendant (see, for instance, Pello v. Estonia, no. 1142,3/03, § 31,12 April 2007).’
- 246.
In 2018 bepaalde het EHRM meer specifiek dat ook bij getuigen a décharge sprake moet zijn van een volledige ‘equality of arms’ en dat dit leidt tot een inspanningsverplichting voor de autoriteiten om ondervraging van de getuige mogelijk te maken:
‘The Court has noted that a decision to call a defence witness at a certain point during the investigation or trial and the subsequent absence of that witnessfrom trial is significant, but not in itself conclusive (compare Popov v. Russia, no. 26833/04, § 188, 13 July 2006, where the absence of the witness led to a violation of Article 6 of the Convention, and Andrey Zakharov v. Ukraine, no. 26581/06, §§ 61–62, 7 January 2016, where it did not). However, once the domestic, courts have accepted, at least in principle, that the examination of a witness for the defence was relevant, they have an obligation to take ‘effective’ measures to ensure the witness’ presence at the hearing by way of, at the very least, issuing a summons (see Polufakin and Chernyshev v. Russia, no. 3oggy/()2, § 207, 25 September 2008) or by ordering the police to compel a wit ness to appear in court (see Pello, cited above, § 34).’
- 247.
In de zaak Keskin werd bevestigd dat een gebrek aan ‘good reason for the absence, of a witness’ een belangrijke factor is bij de beoordeling van de ‘overall fairness of a trial’:
‘While the absence of a good reason for the non-attendance of the witness could not of itself be conclusive of the unfairness ofthe applicant's trial, it was a very important factor to be weighed in the balance when assessing the overall fairness of a trial, and one which might tip the balance in favour of finding a breach ofArticle 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention (ibid., § 113).’
- 248.
Het begrip ‘good reason’ was in 2015 al nader toegelicht in de zaak Schatschaschwili vs. Duitsland, waarin de inspanningsverplichting om een getuige te traceren is neergelegd. Deze inspanningsverplichting behelst ‘all reasonable efforts’, en vereist 'positive steps’ van de autoriteiten om de ondervraging mogelijk te maken. Om te voldoen aan de vereisten van art. 6 EVRM moet op zijn minst actief naar de getuige zijn gezocht:
‘In cases concerning a witness's absence owing to unreachability, the Court requires the trial court to have made all reasonable efforts to secure the witness's attendance (see Gabrielyan v. Armenia, no. 8088/03, § 78,10 April 2012; Tseber v. the Czech Republic, no. 46203/08, § 48, 22 November 2012; and Kostecki v. Roland, no. 14032/00, §§ 65–66. 4 June 2013/ The fact that the domestic courts were unable to locate the witness concerned or the fact that a witness was absent from the country in which the proceedings were conducted was found not to be sufficient in itself to satisfy the requirements of Article 6 § 3 (d), which requires the Contracting States to take positive steps to enable the accused to examine or have examined witnesses against him (see Gabrielyan, cited above, § 81; Tseber, cited above, § 48; and Lucie v. Croatia, no. 5699/11, § 79, 27 February 2014). Such measures form part of the diligence which the Contracting States have to exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Article 6 are enjoyed in an effective manner’ (see Gabrielyan, cited above, § 81, with further references). Otherwise, the witness's absence is imputable to the domestic authorities (see Tseber, cited above, § 48, and Lucie, cited above, § 7g).
- 121.
It is not for the Court to compile a list of specific measures which the domestic courts must have taken in order to have made all reasonable efforts to secure the attendance of a witness whom they finally considered to be unreachable (see Tseber, cited above, § 49). However, it is clear that they must have actively searched for the witness with the help of the domestic authorities, including the police (see Salikhov, cited above, §§ 116-17; Pra/ina v. Romania, no. 3392/03, § 47, 7 January 2014; and Lucie, cited above, § 79) and must, as a ride, have resorted to international legal assistance where a witness resided abroad and such mechanisms were available (see Gabrielyan, § 83; Fafrowicz, §56; Lucie, § 80; and Nikolitsas, § 35, all cited above).
- 122.
The need for all reasonable efforts on the part of the authorities to secure the witness's attendance at the trial further implies careful scrutiny by the domestic courts of the reasons given for the witness's inability to attend trial, having regard to the specific situation of each witness (see Nechto, § 127; Damir Sibgatullin, § 56; and Yevgeniy Ivanov, § 47, all cited above).’
- 249.
In de Nederlandse jurisprudentie is bevestigd dat op zijn minst de basisregistratie personen (BRP) dienen te worden geraadpleegd.
- 250.
Van belang is dat de verplichting om de getuige op te sporen rust op de autoriteiten (OM en/of politie) en dat ‘zolang nog aanknopingspunten bestaan om de getuige te vinden, […] deze [zullen] moeten worden benut. Pas wanneer alle mogelijkheden zijn uitgeput, mag worden geconcludeerd dat een nieuw bevel tot oproeping of medebrenging geen resultaat zal hebben’
- 251.
Zodoende verzoek ik uw Hof primair al het mogelijke te doen de contactgegevens van deze getuigen te achterhalen.
- 252.
Gedacht kan worden aan iedere registratie van werknemers in Nederland en in hel Verenigd Koninkrijk. Dat is niet alleen de werkgever zelf, maar ook de Belastingdienst, het UWV en/of de pensioenverzekeraar. Ook kan worden gedacht aan aan [sic] gewijzigde Linkedln-pagina's die via reguliere zoekmachines niet meer beschikbaar zijn.
- 253.
Subsidiair verzoek ik u ter compensatie van de onmogelijkheid om getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] te horen, het verhoor van [getuige 5] en [getuige 6] alsnog toe te wijzen. (onderstreping JK en DS)
- 254.
Het belang om [getuige 5] en [getuige 6] te horen wordt immers des te groter als niet aannemelijk is dat de toegewezen getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en dat daarom wordt afgezien van het oproepen van deze getuigen (proces-verbaal bevindingen raadsheer-commissaris 10 mei 2021).
- 255.
Gebleken is dan immers dat het verhoor van [getuige 5] en [getuige 6] mogelijk de enige wijze is waarop informatie over de compensatieafspraken kan worden verkregen.
- 256.
Hen kan worden gewaagd wie deze gesprekken met cliënt hebben gevoerd, zodat een hernieuwde poging kan worden gedaan de reeds toegewezen getuigen op te sporen.
- 257.
Bovendien kunnen zij zelf verklaren wat zij weten over de compensatieafspraken.
- 258.
Bij tussenarrest van 27 mei 2020 wees uw Hof de verzoeken om [getuige 5] en [getuige 6] af (tussenarrest 27 mei 2020, p. 5):
‘Indien al juist is de stelling van verdachte dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, dan blijft nog de vraag op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak. Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen.’
- 259.
Ten eerste stelt cliënt dat hij al in 2009 contacten had met [getuige 6] over compensatie voor de geleden verliezen. Ook met [getuige 5] is dat ter sprake gekomen, aldus cliënt.
- 260.
Bovendien heelt de zoon van cliënt in de door de FIOD geretourneerde administratie een document teruggevonden waarin wordt bevestigd dat cliënt reeds in 2007 schriftelijk de afspraken met de banken vastlegde.
- 261.
In deze notulen van 16 maart 2007 wordt de aandelenaankoop gedocumenteerd. Dit document bevestigt de stelling van cliënt dat hij beide bestuursvoorzitters een gunst verleende, en vormt extra aanleiding de bestuursvoorzitters te bevragen over de totstandkoming van deze afspraken en over eventuele toezeggingen die daarbij zijn gedaan. Dit document bevestigt dat de bestuursvoorzitters — eventueel op hoofdlijnen — kunnen verklaren over een compensatie voor de geleden verliezen.
- 262.
Vanwege de aard van de strafrechtelijke verwijten die cliënt in verschillende procedures worden gemaakt, heeft de verdediging dit document in eigen beheer laten onderzoeken. De documenten die namens cliënt in procedures worden ingébracht worden immers met de nodige scepsis benaderd. Om deze op voorhand weg te nemen is onderzoeksbureau Forensicon verzocht onderzoek te doen naar de authenticiteit van de notulen van 16 maart 2007.
- 263.
De resultaten (p. 9) houden in dat op basis van de gebruikte printtechnieken slechts is vast te stellen dat het document is ‘geprint in de periode tussen 'halverwege jaren 80 tot heden’.
- 264.
Ook bevat het rapport de passage (p. 8):
‘Naar aanleiding van de vraagstelling zijn de volgende elkaar uitsluitende hypothesen beschouwd:
- H1:
Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
- H2:
Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
De deskundigen hebben gerapporteerd dat de onderzoeksresultaten extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer H1 juist is dan wanneer H2 juist is. ’
- 265.
Dit is de hoogste waarschijnlijkheidsterm die in het rapport is betrokken. Anders dan het OM stelt, komt deze conclusie niet uit de lucht vallen, maar is dit de conclusie die het onderzoeksbureau trekt.
- 266.
Vervolgens is de opdracht gegeven om op basis van koolstofdatering aan te geven in welke periode dit document is opgemaakt.
- 267.
Daarop werd van Forensicon het volgende antwoord ontvangen:
‘Ik ben vanuit het laboratorium geïnformeerd over de resultaten van d el extractie uit het papier. Helaas zijn daarbij, tegen de verwachting van de deskundigen, onvoldoende hoeveelheden zetmeel verkregen om een betrouwbare datering van het papier mogelijk te kunnen maken. Ik heb ze verzocht of met nadere extracties wel verwacht mag worden dat er voldoende zetmeel verkregen kon worden, maar ook hierop hebben ze mij aangegeven geen mogelijkheden te zien om meer (niet gecontamineerd) zetmeel uit verdere extracties te verkrijgen.’
- 268.
Nader onderzoek naar de datering van het document is dus volgens Forensicon niet mogelijk.
- 269.
Ik verzoek uw Hof daarom van de inhoud van dit document uit gaan.
- 270.
De notulen bevestigen dat de verzochte getuigen mogelijk kunnen verklaren over de gemaakte afspraken. Dit geeft reden temeer om [getuige 6] en [getuige 5] als getuigen te horen.
- 271.
Deze getuigenverhoren dienen ter onderbouwing van de stellingen van cliënt over de relatie die cliënt had met de banken, en de mondelinge toezeggingen die aan hem waren gedaan over compensatie. Cliënt was ervan overtuigd dat deze bankmedewerkers [bedrijf 1] door zware tijden heen zouden loodsen.
- 272.
Hun verhoren zijn daarom in het belang van de verdediging en noodzakelijk voor de beoordeling van de bewijsvraag.’
(onderstrepingen JK en DS)
32.
Het hof heeft de verzoeken van de verdediging afgewezen (proces-verbaal zitting hof 8 juni 2022, p. 5 en 7):
- ‘13)
de heer [getuige 5], voormalig bestuursvoorzitter Fotlis;
- 14)
de heer [getuige 6], voormalig bestuursvoorzitter ING;
- 15)
de heer [getuige 1], ING Verenigd Koninkrijk;
- 16)
de heer [getuige 2], ING Nederland;
- 17)
de heer [getuige 3], ING Nederland;
- 18)
de heer [getuige 4], ING Nederland;
(…)
Relatie met de banken compensatie aandelentransacties
Op verzoek 13 is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing nu het een herhaald verzoek betreft. De verzoeken 14 tot en met 18 zijn niet bij tijdig ingekomen appelschriftuur gedaan en worden daarom getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium.
‘Het horen van getuige 13 is naar het oordeel van het hof niet van belang voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing, mede omdat [getuige 5] al in september 2008 bij Fortis is vertrokken. [getuige 6] (getuige 14) is sinds januari 2009 weg bij ING. Aan de orde is de vraag in hoeverre sprake is van (voorwaardelijk) opzet op bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers. Daarvoor zijn de financiële situatie en in het bijzonder de liquiditeitspositie van [bedrijf 4] en de met haar verbonden vennootschappen en de financiële situatie en de liquiditeitspositie van verdachte van belang. Indien al juist is de stelling van verdachte dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, dan blijft nog de vraag op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak. Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen. Het na 13 mei 2020 overgelegde verslag van een aandeelhoudersvergadering gehouden in 2007 leidt niet tot een andere conclusie. Ook hier voor geldt dat zelfs indien de aankoop op verzoek van [getuige 6] en [getuige 5] is verricht, niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd, indachtig het vertrek van beide heren bij de betreffende financiële instellingen en het feit dat enige schriftelijke vastlegging bij de banken ontbrak. Het hof zal de verzoeken 13 en 14 dan ook afwijzen, de verdediging is daardoor niet in haar belang geschaad en de noodzaak tot horen is niet gebleken.
Het hof heeft het horen van de getuigen 15 tot en met 18 noodzakelijk geacht. Dat brengt met zich dat ten aanzien van die getuigen het criterium van het verdedigingsbelang geldt. De getuigen zijn niet gehoord. Het verzoek is herhaald en wordt opnieuw afgewezen. Het is niet aannemelijk dat de getuigen 15 tot en met 18 binnen redelijke termijn gehoord kunnen worden. De raadsheer-commissaris heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2021 met bijlagen aangegeven welke pogingen zijn ondernomen om aan nadere persoonsgegevens te komen. Ook de verdediging was destijds niet in staat de raadsheer-commissaris van nadere gegevens te voorzien. Ook nu heeft de verdediging geen nadere gegevens overgelegd. Zo is van alle getuigen de geboortedatum niet bekend. Onder deze omstandigheden is niet aannemelijk dat deze getuigen binnen aanvaarbare termijn kunnen worden opgespoord en verhoord. Van het horen van getuige mr. [getuige 7] is door de verdediging afstand gedaan, de verdediging heeft niet verzocht deze getuige alsnog te horen.’’
(onderstreping JK en DS)
33.
De verscheidene beslissingen van het hof zijn onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, (zeker) gelet op hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.
Ad a) Beslissing d.d. 8 juni 2022 m.b.t. getuigen 15 t/m 18 ([getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4])
34.
Allereerst is onjuist en/of onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de verzoeken herhaald zijn en opnieuw worden afgewezen. De onderhavige getuigenverzoeken waren eerst namelijk toegewezen.
35.
Voorts heeft de verdediging bij pleidooi de vraag besproken (inclusief het daarop naar de mening van de verdediging te geven antwoord) hoe ver de inspanningsplicht van de overheid om de getuigen te traceren rijkt.
36.
In dat verband is erop gewezen dat:
- a)
in de Nederlandse jurisprudentie is bevestigd dat op zijn minst de basisregistratie personen (BRP) dienen te worden geraadpleegd;4.
- b)
de verplichting om de getuige op te sporen rust op de autoriteiten (OM en/of politie) en dat ‘zolang nog aanknopingspunten bestaan om de getuige te vinden, […] deze [zullen] moeten worden benut. Pas wanneer alle mogelijkheden zijn uitgeput, mag worden geconcludeerd dat een nieuw bevel tot oproeping of medebrenging geen resultaat zal hebben’;5.
- c)
uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat ‘it is clear that they [JK en DS: the authorities] must have actively searched for the witness with the help of the domestic authorities, including the police (see Salikhov, cited above, §§ 116-17; Pra/ina v. Romania, no. 3392/03, § 47, 7 January 2014; and Lucie, cited above, § 79) and must, as a ride, have resorted to international legal assistance where a witness resided abroad and such mechanisms were available (see Gabrielyan, § 83; Fafrowicz, J 36; Lucie, § 80; and Nikolitsas, § 35, all cited above).’, en;
- d)
dat bij het verrichten van inspanningen, gedacht kan worden aan iedere registratie van werknemers in Nederland en in hel Verenigd Koninkrijk. Dat is niet alleen de werkgever zelf, maar ook de Belastingdienst, het UWV en/of de pensioenverzekeraar. Ook kan worden gedacht aan gewijzigde Linkedln-pagina's die via reguliere zoekmachines niet meer beschikbaar zijn.
37.
Het hof rept enkel over de verantwoordelijkheid van verzoeker om gegevens aan te leveren, en laat de door de verdediging aangedragen inspanningsplicht van de overheid onbesproken. Het oordeel van het hof is in zoverre ontoereikend gemotiveerd.
38.
Het oordeel van het hof dat ‘de raadsheer-commissaris in een proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2021 met bijlagen heeft aangegeven welke pogingen zijn ondernomen om aan nadere persoonsgegevens te komen’ is ook ontoereikend gemotiveerd, nu thans niet duidelijk en controleerbaar is welke pogingen dit zijn.
39.
Op grond van het voorgaande is het oordeel van het hof dat ‘niet aannemelijk is dat de getuigen 15 tot en met 18 binnen redelijke termijn gehoord kunnen worden’ onbegrijpelijk.
40.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
41.
Daarnaast heeft het hof bij de (impliciete) beslissing dat niet andermaal gepoogd hoefde te worden de betreffende getuige op te roepen gelet op de onaannemelijkheid van verschijning ter zitting binnen aanvaardbare termijn, verzuimd de in dit verband vereiste belangenafweging te maken.
42.
Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de woorden ‘binnen een aanvaardbare termijn’ veronderstellen dat de rechter daarbij dient te betrekken de periode waarbinnen de getuige eventueel ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, de aard van de zaak en het belang van de getuigenverklaring voor de door de rechter te nemen beslissing (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3, p. 25). Uw Raad denkt daar deels anders over, zie HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466:
‘2.4.3
Anders dan mogelijk uit deze wetsgeschiedenis zou kunnen worden afgeleid, houdt artikel 288 lid 1 Sv niet de verplichting voor de rechter in, als hij afziet van het oproepen van een getuige op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, ervan blijk te geven in die beslissing de aard van de zaak en — in het bijzonder — het belang van de getuigenverklaring te hebben betrokken. Bij de toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv staat de vraag voorop of het mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. Op het moment dat zo'n beslissing moet worden genomen, zal ook niet steeds vaststaan wat de betekenis en het gewicht van de verklaring van de getuige zijn of kunnen zijn voor onder meer de beantwoording van de bewijsvraag en daarmee wat het concrete belang van de verdachte is om die getuige te (doen) ondervragen.’
43.
Een en ander neemt evenwel niet weg dat wel enige belangenafweging zal moeten plaatsvinden, waarbij — in de visie van verzoeker — de termijn waarin de getuige wél gehoord zou kunnen worden dient te worden betrokken, alsook de tijd die is verstreken sedert het standpunt van (bijvoorbeeld) de raadsheer-commissaris dat de getuige (op dat moment) onvindbaar was (vgl. HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9173, NJ 2011/92). De overwegingen van het gerechtshof in casu behelzen geen enkele belangenafweging, waardoor het gerechtshof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn beweegredenen om de getuige, waarvan het gerechtshof eerder had geoordeeld dat zij dienden te worden opgeroepen teneinde te worden gehoord, niet andermaal (te proberen) op te roepen.6.
44.
In dat verband wordt erop bovendien op gewezen dat het proces-verbaal van de Raadsheer-commissaris dateert van 10 mei 2021, meer dan een jaar voor de zitting bij het hof van 8 juni 2022.
45.
Verzoeker meent verder dat ondanks dat de rechter niet ‘verplicht’ is om het (mogelijke) belang van de getuigenverklaring bij zijn oordeelsvorming te dezen te betrekken, het ontbreken van een overweging hieromtrent wel kan bijdragen aan de onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof wanneer het bestaan van dit belang eerder door het hof zelf is vastgesteld. Met andere woorden: in het licht van het (door het hof zelf in mei 2020 onderkende) belang van de verklaringen van de getuigen, te weten dat vanwege de schuld van verzoeker in privé aan [bedrijf 1] de waardedaling van de aandelen — waarover de getuigen mogelijk zouden kunnen verklaren — relevant is voor de beoordeling van de vraag of het faillissement van [bedrijf 1] voorzienbaar was, is het oordeel van het hof op dit punt (des te) onbegrijpelijker.
46.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Ad b) afwijzingen getuigenverzoeken [getuige 5] en [getuige 6]
47.
Ook de beslissingen van het hof omtrent deze getuigenverzoeken zijn onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. De beslissing van het hof van 27 mei 2020 en het (ten dele gelijkluidende) oordeel van 8 juni 2022 worden beide aangevochten.
48.
Het hof besliste in zijn weergegeven oordeel van 8 juni 2022 op de keper beschouwd dat (p. 7):
- ‘—
‘Indien al juist is de stelling van verdachte dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, dan blijft nog de vraag op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak.’
- —
‘Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen.’
- —
‘Het na 13 mei 2020 overgelegde verslag van een aandeelhoudersvergadering gehouden in 2007 leidt niet tot een andere conclusie. Ook hier voor geldt dat zelfs indien de aankoop op verzoek van [getuige 6] en [getuige 5] is verricht, niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd, indachtig het vertrek van beide heren bij de betreffende financiële instellingen en het feit dat enige schriftelijke vastlegging bij de banken ontbrak.’
(onderstrepingen JK en DS)
49.
De twee onderstreepte zinnen zijn de belangrijkste gronden van het hof voor de afwijzing van de getuigenverzoeken. Deze daarin genoemde redenen zijn echter onbegrijpelijk.
50.
Aan de getuigenverzoeken is van meet af aan ten grondslag gelegd dat [getuige 6] en [getuige 5] bestuursvoorzitter waren van resp. ING en Fortis, en dat zij verzoeker hebben benaderd met het verzoek om aandelen te kopen en hem hebben verzocht dit via privévermogen te financieren. In het bijzonder is aangevoerd dat verzoeker reeds in 2009 contacten had met [getuige 6] over compensatie voor de geleden verliezen, nu hij verzoeker had verzekerd dat er geen risico's verbonden waren aan de aandelenkoop. In 2011 hebben daarover twee gesprekken plaatsgevonden, en in februari 2012 is daarover nog een gesprek geweest, en is cliënt tot afspraken met ING gekomen, aldus verzoeker. Ook in gesprekken met [getuige 5] is de compensatie ter sprake gekomen (pleitnota 8 juni 2022 onder 259).
51.
Het hof heeft deze getuigenverzoeken in mei 2020 afgewezen in verband met het feit nu [getuige 5] ‘al in september 2008 bij Fortis is vertrokken’ en [getuige 6] sinds januari 2009 weg is bij ING. Het hof stelde toen dat indien al juist is de stelling van verzoeker dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, de vraag nog blijft op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak. ‘Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen’, aldus het hof.
Op onaanvaardbare wijze vooruitlopen op de inhoud van de verklaringen van de getuigen
52.
Met dit laatste oordeel, maar ook met de zin ervoor, wordt op onaanvaardbare wijze vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren. Het hof weet niet en kan niet weten wat de bestuurders hierover kunnen verklaren, terwijl verzoeker van meet af aan heeft aangegeven dat hij met hen beiden wel degelijk contact heeft gehad over compensatie. (Alleen) [getuige 6] en/of [getuige 5] kan/kunnen hierover meer helderheid verschaffen. In zoverre is het oordeel van het hof onjuist en/of onbegrijpelijk (vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3297).
53.
Verzoeker heeft bij deze klacht op zichzelf reeds voldoende belang ex art. 80a RO, nu na vernietiging en terug- of verwijzing deze getuigenverzoeken mogelijk (dienen te) worden toegewezen, en nu het horen van de getuigen — zoals door de verdediging is gesteld — van belang is voor de vragen ex art. 350 Sv.
Onjuiste rechtsopvatting
54.
Een volgende klacht is dat, anders dan het hof stelt, niet vereist is dat ‘aannemelijk is’ of de betreffende voormalige bestuurders iets kunnen verklaren (over mogelijke compensatie aan verzoeker); het gaat erom of (door de verdediging wordt aangegeven waarom) het horen van deze getuige van belang is/kan zijn voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissing. In zoverre getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting. Ook bij deze klacht heeft verzoeker voldoende belang; het criterium van het hof is strenger dan het toepasselijke criterium.
Overige onbegrijpelijkheid
55.
Ook overigens is dit oordeel van het hof onbegrijpelijk. Geheel onduidelijk is waarop het oordeel van het hof dat ‘niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd’ berust. Bovendien wordt met dit oordeel miskend dat door de verdediging (onder 155–157) is aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst en bijbehorende geheimhoudingsverklaring (omtrent compensatie) in de eerste week van maart 2012 zouden worden getekend. Betoogd is dat ondanks herhaald verzoek, verzoeker hierover nooit meer iets gehoord van ING, dat verzoeker er ten minste tot begin maart 2012 van uitging dat ING hem zou compenseren voor de geleden verliezen, maar dat de houding van ING rigoureus veranderde in het voorjaar van 2012, naar verzoeker stelt door negatieve beïnvloeding van derden. Daarmee heeft verzoeker zijn standpunt handen en voeten gegeven, welke handen en voeten eenvoudig bij het getuigenverhoor kunnen worden geverifieerd.
Oordeel hof dat ‘zelfs indien de aankoop op verzoek van [getuige 6] en [getuige 5] is verricht, niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd’
56.
Van belang is voorts dat de verdediging in het tweede getuigenverzoek d.d. 8 juni 2022 de aandacht heeft gevestigd op het door de zoon van verzoeker in de door de FIOD geretourneerde administratie teruggevonden document, waarin wordt bevestigd dat cliënt reeds in 2007 schriftelijk de afspraken met de banken vastlegde (pleitnota onder 260 e.v.). De verdediging stelt (onder 261):
‘In deze notulen van 16 maart 2007 wordt de aandelenaankoop gedocumenteerd. Dit document bevestigt de stelling van cliënt dat hij beide bestuursvoorzitters een gunst verleende, en vormt extra aanleiding de bestuursvoorzitters te bevragen over de totstandkoming van deze afspraken en over eventuele toezeggingen die daarbij zijn gedaan. Dit document bevestigt dat de bestuursvoorzitters — eventueel op hoofdlijnen — kunnen verklaren over een compensatie voor de geleden verliezen.’
57.
Dit rapport is door de verdediging laten onderzoeken door Forensicon, uit welk onderzoek volgt dat op basis van de gebruikte printtechnieken slechts is vast te stellen dat het document is geprint in de periode tussen halverwege jaren 80 en heden (onder 263). Verder stelt de verdediging:
- ‘264.
Ook bevat het rapport de passage (p. 8):
‘Naar aanleiding van de vraagstelling zijn de volgende elkaar uitsluitende hypothesen beschouwd:
- H1:
Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
- H2:
Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
De deskundigen hebben gerapporteerd dat de onderzoeksresultaten extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer H1 juist is dan wanneer H2 juist is.’
- 265.
Dit is de hoogste waarschijnlijkheidsterm die in het rapport is betrokken. Anders dan het OM stelt, komt deze conclusie niet uit de lucht vallen, maar is dit de conclusie die het onderzoeksbureau trekt.’
58.
Het oordeel van het hof, dat inhoudt:
‘Het na 13 mei 2020 overgelegde verslag van een aandeelhoudersvergadering gehouden in 2007 leidt niet tot een andere conclusie. Ook hier voor geldt dat zelfs indien de aankoop op verzoek van [getuige 6] en [getuige 5] is verricht, niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd, indachtig het vertrek van beide heren bij de betreffende financiële instellingen en het feit dat enige schriftelijke vastlegging bij de banken ontbrak’
(onderstreping JK en DS)
is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
59.
Zulks in vrij letterlijke zin. Het hof gaat hier (8 juni 2022) kennelijk uit van de juistheid van het standpunt van de verdediging omtrent de opgenomen datum van de notulen. Gegeven (ook door het hof aangenomen) dat verzoeker aan de beide bestuursvoorzitters een gunst verleende, ligt de juistheid van de stelling van verzoeker dat is gesproken over een compensatie, in de rede. Onduidelijk is waarom het hof meent van niet. Hoe ‘het vertrek van beide heren bij de betreffende instanties’ hieraan afdoet, is onduidelijk, terwijl het feit dat schriftelijke vastlegging bij de banken ontbrak de mogelijkheid onverlet laat dat hierover mondeling wel gesproken is.
60.
In dat verband verdient opmerking dat wanneer hierover (enkel) mondeling gesproken zou zijn, dit ook relevant kan zijn voor beslissing van het hof omtrent de voorzienbaarheid c.q. aanmerkelijke kans op een faillissement van [bedrijf 1] (en daarmee van verzoeker) en de willens en wetens aanvaarding daarvan. Daarmee is ook het belang van verzoeker ex art. 80a RO bij klachten omtrent de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] gegeven.
61.
Bovendien is niet uitgesloten dat de twee bestuurders zelf (ook) aantekeningen hebben van de met verzoeker gevoerde gesprekken.
62.
Dat het hof bij zijn (eind)arrest van 2 december 2022 niet langer van de juistheid van de dagtekening van het document uitgaat (arrest p. 21), staat — gelet op hetgeen daarover in middel V wordt aangevoerd — aan (het belang ex art. 80a RO van verzoeker bij) het hiervoor gestelde niet in de weg.
Verdedigingsbelang
63.
Opmerking verdient verder dat getuige [getuige 5] tijdig bij appelschriftuur is opgegeven, zodat bij de eerste beslissing van het hof hieromtrent (27 mei 2020) het verdedigingsbelang het toepasselijke criterium was. Op de hiervoor vermelde gronden, is het oordeel van het hof van 27 mei 2020 in dat licht bezien des te onbegrijpelijker.
Onjuiste lezing van het getuigenverzoek
64.
Verder heeft het hof, door op 8 juni 2022 eerst te beslissen op deze getuigenverzoek en daarná pas op de getuigenverzoeken 15 t/m 18, miskend althans niet onderkend dat de verdediging heeft betoogd dat het horen van getuigen [getuige 5] en [getuige 6] des te belangrijker is wanneer de andere getuigen vanwege hun onvindbaarheid niet konden worden gehoord. Zie de pleitnota van 8 juni 2022:
- ‘253.
Subsidiair verzoek ik u ter compensatie van de onmogelijkheid om getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] te horen, het verhoor van [getuige 5] en [getuige 6] alsnog toe te wijzen.
- 254.
Het belang om [getuige 5] en [getuige 6] te horen wordt immers des te groter als niet aannemelijk is dat de toegewezen getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en dat daarom wordt afgezien van het oproepen van deze getuigen (proces-verbaal bevindingen raadsheer-commissaris 10 mei 2021).
- 255.
Gebleken is dan immers dat het verhoor van [getuige 5] en [getuige 6] mogelijk de enige wijze is waarop informatie over de compensatieafspraken kan worden verkregen.
- 256.
Hen kan worden gewaagd wie deze gesprekken met cliënt hebben gevoerd, zodat een hernieuwde poging kan worden gedaan de reeds toegewezen getuigen op te sporen.
- 257.
Bovendien kunnen zij zelf verklaren wat zij weten over de compensatieafspraken.’
(onderstreping JK en DS)
65.
Dit standpunt van de verdediging kan in zijn begrijpelijkheid voor juist worden gehouden. Het hof heeft zich hierover evenwel niet uitgelaten. In aanmerking genomen dat het hof de mogelijkheid van compensatiegesprekken op 27 mei 2020 — gezien de (motivering van de) toewijzing van de vier genoemde getuigenverzoeken — voor juist heeft aangenomen, terwijl bovendien het bestaan van getuige [getuige 5] en [getuige 6] (kennelijk doch evident) vaststaat, is het oordeel van het hof in zoverre ontoereikend gemotiveerd en bovendien onbegrijpelijk.
66.
Al het voorgaande klemt te meer gelet op het oordeel van het hof op p. 21 van zijn (eind)arrest, inhoudende dat het hof ‘in het dossier ook geen aanwijzingen ziet (behalve de bewering van verdachte) dat de beweerdelijke verzoeken, dan wel toezeggingen tot coulance aan de orde zijn geweest in de gesprekken met de banken nadat het concern in zwaar weer kwam te verkeren’. De verdediging is elke mogelijkheid ontnomen om die aanwijzingen aan te tonen.
67.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Deelklacht 3: afwijzing getuigenverzoek dhr. [getuige 8]
68.
De verdediging heeft op 13 mei 2020 verzocht [getuige 8] als getuige te horen:
‘Rol bankmedewerkers bij totstandkoming documenten Vercors
- 183.
De nauwe relatie met de banken had nog een andere component.
- 184.
Volgens cliënt waren medewerkers van FGH — onder wie in elk geval [getuige 8] — reeds voorafgaand aan het overleggen van de valse geschriften in Vercors volledig op de hoogte waren; [getuige 8] heeft juist om de documenten verzocht.29
- 185.
Nadat de valsheden in deze documenten in breder verband bekend werden heeft cliënt op 15 november 2011 een gesprek met de FGH en de Rabobank gevoerd, waarbij [getuige 8] hem van tevoren had gesouffleerd wat te zeggen.
- 186.
De Advocaat-Generaal lijkt te suggereren dat cliënts uitspraken tijdens dit gesprek, erop zouden duiden dat zijn verklaring onjuist is (p. 3), maar dat miskent dat cliënt ook heeft uitgelegd dat deze uitspraken tijdens dat gesprek hem zijn aangedragen door [getuige 8].
- 187.
Over de documenten die betrekking hebben op financieringen van SNS verklaart cliënt ook dat deze zijn opgemaakt op verzoek van de commerciële mensen van SNS.3o
- 188.
Deze documenten hebben uiteindelijk geleid tot aangiftes tegen cliënt door de banken (zoals die van FGH op 15 december 2011), tot de bevriezing van bankrekeningen en (dus) tot een verslechtering van de positie van [bedrijf 1]. Omdat cliënt stelt dat deze bankmedewerkers zelf betrokken waren bij de valse documenten, bevestigt dit zijn vermoeden dat aan die aangiftes en die rekeningblokkades oneigenlijke motieven ten grondslag lagen. Met andere woorden: de bankmedewerkers wilden hun eigen posities veiligstellen ten koste van [verdachte] en het [bedrijf 1]-concern.
- 189.
Over cliënts verklaring is in het vonnis slechts het volgende te lezen (vonnis p. 7):
‘De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden voor de bewering dat [verdachte]' sr de geschriften op verzoek van [getuige 8] heeft opgemaakt en dat [betrokkene 1] wist van de onjuistheden in de geschriften. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de lezing van [verdachte] sr op dit punt niet aannemelijk is geworden.’
- 190.
Een nadere motivering ontbreekt.
- 191.
Het vervolg luidt (vonnis p. 7):
‘De rechtbank voegt hier nog aan toe dat ook in het geval de FGH bank, in de personen van genoemde [getuige 8] en [betrokkene 1], na het overleggen van de valse geschriften op de hoogte zou zijn gekomen van de valsheid, dit niet afdoet aan het feit dat [verdachte] sr de geschriften valselijk heeft opgemaakt.’
- 192.
Cliënt heeft echter juist gesteld dat de medewerkers van FGH — onder wie in elk geval [getuige 8] — reeds voorafgaand aan het overleggen van de geschriften volledig op de hoogte waren; [getuige 8] heeft juist om de documenten verzocht. Die kennis vooraf is wel degelijk relevant voor de beoordeling van de bewijsvraag van art. 225 Sr inzake Vercors en voor de bewijsvraag van feiten 1. en 3. inzake Kirishima.
- 193.
Voor vervalsing of valselijk opmaken in de zin van het eerste lid van art. 225 Sr is immers vereist dat een geschrift is vervalst ‘met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken’. Dit oogmerk is in de Memorie van toelichting bij artikel 225 Sr en in de jurisprudentie uitgelegd als ‘misleiding van derden’.
- 194.
Zie bijvoorbeeld Tweede Kamer, 1988–1989, 21 186, nr. 3, blz. 11:
‘Naast het opzet, gericht op het valselijk opmaken of vervalsen, is het bijkomend oogmerk vereist om het stuk als echt en onvervalst te gebruiken. Oogmerk houdt opzet met een bedoeling in. In het licht van de hierna nog aan de orde komende jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de betekenis van het woord ‘gebruik maakt’ in het tweede lid van artikel 225 Sr moet aan dit oogmerk de eis worden gesteld dat het betrekking heeft op gebruik ter misleiding van derden’
(onderstreping RZ)
- 195.
De FIOD verwijst ook meermaals naar dit vereiste oogmerk tot misleiding (p. 110, 148, 177, 244) (onderstreping RZ):
‘Blijkens de Memorie van Toelichting is gekozen voor ‘oogmerk tot misleiding’, omdat dit beterpast bij de essentie van een valsheidsdelict (Smidt II, p. 254). Dit oogmerk behelst doelbewustheid met betrekking tot het (doen) gebruiken van het valse geschrift als echt en onvervalst. Oogmerk van misleiding betekent dat er derden in het spel moeten zijn, die niet van de valsheid op de hoogte zijn.’
- 196.
Cliënt heeft verklaard dat de aannemingsovereenkomst en de afbouwgarantie inzake Vercors niet alleen met voorafgaand medeweten, maar zelfs op verzoek van de FGH en de SNS bank zijn opgemaakt. Vanuit de banken werd benadrukt dat de documenten feitelijk geen waarde hadden, en dat deze niet verder zouden worden verspreid. Daarop is door de rechtbank niet gereageerd.
- 197.
De Advocaat-Generaal stelt in haar reactie slechts (p. 3):
‘De valsheid in geschrifte, zo blijkt uit het dossier, is niet gepleegd op verzoek van welke bank waar [verdachte] leningen had lopen dan ook.’
Daarmee gaat het openbaar ministerie nog een stap verder dan de rechtbank (door te stellen dat er bewijs zou zijn dat dit niet is gebeurd).
- 198.
Uit het dossier blijkt echter niet dat de onjuiste documenten niet op verzoek van de banken zijn opgemaakt. Integendeel. Het dossier geeft aanleiding te denken dat dat de banken wel degelijk belang hadden bij de documenten en van de onjuistheden op de hoogte waren.
- 199.
Vast staat immers dat [getuige 8] en [betrokkene 1] al maanden vóór 15 november 2011 wisten dat de huurovereenkomst met Lease Plan Corporation niet correct was, maar besloten personen binnen FGH en Rabobank daarvan onwetend te houden. Dit lijkt te zijn ingegeven door hun drang om financieringen af te sluiten en omdat het afketsen van Carlton ook de herfinanciering van Diana en Vesta in gevaar zou brengen…
- 200.
[betrokkene 1] heeft in eerste aanleg meermaals verklaard dat hij al in april of mei 2011 twijfels had over de rechtsgeldigheid van de ondertekening van het huurcontract.
- 201.
In zijn eerste verhoor stelt hij:
‘Ik kende iemand die bij Lease Plan Nederland werkte en heb in april/mei aan die persoon gevraagd wanneer Lease Plan Corporation de 20e tot en met de 29e verdieping zou betrekken. (…) Die persoon heeft dit nagevraagd, maar bij Lease Plan Nederland bleek niemand op de hoogte te zijn van hetfeit dat Lease Plan Corporation ook een aantal verdiepingen in het gebouw Carlton zou gaan huren. Ik heb ook uitgezocht bij de Kamer van Koophandel of de ondertekenaar van het huurcontract namens Lease Plan Corporation, ene [procuratiehouder], daarin voorkwam als procuratiehouder. De naam [procuratiehouder] kwam echter niet voor in de registers van de Kamer van Koophandel als procuratiehouder voor Lease Plan Corporation. De persoon die ik kende bij Lease Plan Nederland, heeft op mijn verzoek nagekeken of de naam [procuratiehouder] voorkwam in de interne telefoonlijst van Lease Plan en heeft gezien dat dit niet het geval was. Later heb ik zelfook nog gebeld met Lease Plan Corporation, en de telefoniste vertelde mij dat Lease Plan Corporation niet zou verhuizen naar het gebouw Carlton.’
- 202.
[betrokkene 1] heeft hieromtrent in zijn tweede verhoor aangegeven:
‘Pas in 2011, in april of in mei 2011 ontstond er bij mij twijfel aan het huurcontract. Er was mij verteld dat de huurder in maart 2011 in hetpand Carlton mocht en dat de huurderpas per 1 oktober 2011 huurzou gaan betalen. Er moest nog een inbouwpakket voor de huurder gemaakt worden, dat op 1 maart 2011 dus klaarzou zijn. FGH Bank hield de liquiditeiten van [bedrijf 1] nauwlettende in de gaten en heeft dus ook gevraagd wanneer het geld voor het inbouwpakket voor LeasePlan Corporation beschikbaar moest zijn. Omdat dat steeds maar werd uitgesteld, ontstond er bij mij argwaan.
- 203.
Ook bij de rechter-commissaris heeft [betrokkene 1] aangegeven dat de twijfels omtrent de echtheid er al lang waren.33
- 204.
Toch meldt [betrokkene 1] pas op 12 augustus 2011 aan [getuige 8] dat er twijfels bestonden over het huurcontract.34 Dat is nog drie maanden voor het gesprek op 15 november 2011.
- 205.
[getuige 8] en [betrokkene 1] hebben vanwege het (persoonlijk) belang van FGH ervoor gekozen dit gegeven niet te openbaren. Dit blijkt uit een verslag van een bespreking tussen [getuige 8] en [betrokkene 1] voorafgaand aan een lunch met cliënt.35 [getuige 8] en [betrokkene 1] hebben kennelijk gesproken over de onduidelijkheid omtrent de ondertekening van voornoemde huurovereenkomst en over de vraag of zij dit tijdens de aansluitende lunch zouden aankaarten. Zij hebben vervolgens besloten dit niet te doen, doch hier pas op terug te komen als zij de zekerheidspositie van de banken hadden geoptimaliseerd:
‘‘Heikel’ punt op dit moment blijft de onduidelijkheid inzake de ondertekening van het huurcontract door Lease Plan Corporation NV voor de aanhuur van de 20e tot en met 29e verdieping (7.220 m2 v.v.o., huursom i.6g6k perjaar) van het gebouw Carlton te Almere. In huurcontract staat dat huur ingaat op 1-10-2011 en is getekend door [procuratiehouder]. Deze naam komt niet voor in de KvK. (…) Voorstel van HB is om dit niet te doen en hier pas op terug te komen nadat wij onze (lees Rabo groep) zekerheidspositie hebben geoptimaliseerd door notariële borgtocht van [verdachte] ad 15 mln en hypotheek op Diana & Vesta ad 50 mln (op moment van hypotheekvestiging zal er ca 35/40 mln reeds door relatie geïnvesteerd zijn in dit pand en wij keren bij hypotheekvestiging niets uit).
Concrete afspraken
- —
PCK is het eens met advies HB en zo gaan we het doen.’
- 206.
[betrokkene 1] bevestigt dit tijdens zijn verhoor op 22 mei 2013 en bij de rechter-commissaris.
- 207.
[betrokkene 1] verklaart tijdens zijn verhoor op 22 mei 2013:
‘Als we het huurcontract zouden aankaarten en op dat moment zou blijken dat het huurcontract was vervalst, zou de deal rond Diana en Vesta niet door kunnen gaan. Ik wilde de deal voor Diana en Vesta eerst zeker stellen, omdat daardoor de positie van Rabo voor de account [bedrijf 1] zou verbeteren. Nadat de deal voor Diana en Vesta rond zou zijn, zou dan het huurcontract voor Carlton besproken kunnen worden.’3
- 208.
Hij stelt bij de rechtercommissaris:
‘Ik wilde de deal met Diana en Vesta doorlaten gaan. Ik had hier persoonlijk overigens geen enkel belang bij. Het was het belang van de bank en de relatie. Als relatiebeheerder hoor je een soort smeerolie te zijn tussen klant en bank. Het zou een win-win situatie zijn. Het wilde er bij mij ook niet in dat het contract vals zou zijn. Als zou blijken dat het contract vals was, zou de relatie met dhr. [verdachte] direct zijn beëindigd. Diana en Vesta vertegenwoordigde toen een waarde van €35 miljoen. Wij zouden aan [bedrijf 1] €17 miljoen uitkeren aan lening. Die zouden zij gelet op hun liquiditeitspositie goed kunnen gebruiken. En wij als bank zouden zekerheden hebben van het verschil tussen die 17 en 35 miljoen. Wij zouden dus een extra buffer hebben van €18 miljoen. (…) Wij gingen voor het realiseren van de zekerheden rond Diana en Vesta. Daarna zouden we gaan spreken met dhr. [verdachte].’
- 209.
[getuige 8] bevestigt dit bij de FIOD:
‘FGH Bank is toen bezig geweest met het veilig stellen van de zekerheden en om die reden zullen we besloten hebben dat er op dat moment niet met [verdachte] gesproken zou worden over het huurcontract van [bedrijf 1] met LeasePlan.’
- 210.
Bij de rechter-commissaris verklaart hij in gelijke zin.
- 211.
De verklaringen van [betrokkene 1] en [getuige 8] bevestigen (nog) niet dat [getuige 8] cliënt heeft verzocht om de huurovereenkomst op te stellen, maar wel dat [betrokkene 1] en [getuige 8] op een eerder moment op de hoogte waren van de onjuistheid van de huurovereenkomst. [betrokkene 1] en [getuige 8] vreesden echter dat de deal rond Diana & Vesta geen doorgang zou vinden als zij het vermoede onjuiste huurcontract zouden aankaarten. FGH heeft er toen bewust voor gekozen om geen onderzoek te doen. Evenmin werd de afdeling Compliance ingeschakeld. Door de vermoede onjuistheid niet aan te kaarten en geen nader onderzoek te verrichten heeft de FHG de onjuistheid op de koop toegenomen, dit vanwege het belang dat FGH bij de financieringen had.
- 212.
Dat vormt aanleiding de stelling van cliënt — dat de overeenkomsten zelfs op verzoek van de medewerkers van FGH tot stand zijn gekomen -te onderzoeken.
- 213.
Daar komt bij dat men binnen FGH Bank heel goed wist dat er bij Diana en Vesta bij oplevering betaald zou worden, maar dat dit verborgen is gehouden voor de moederbank Rabobank, die het krediet gezien de omvang ook goed moest keuren.
- 214.
Dit blijkt uit de side-letter bij het taxatierapport van de FGH bank, dat bij het kredietrapport hoorde. Dit taxatierapport bestaat uit 23 pagina's, maar daaraan is een pagina/bijlage d.d. 9 maart 2011 toegevoegd: ‘pagina 24 van 23’, zijnde een ‘side-letter’.41
- 215.
Uit deze side-letter blijkt dat onder meer de zin ‘Conform de concept aannemingsovereenkomst zal algehele betaling van de aanneemsom na oplevering plaats vinden;’ uit het taxatierapport is verwijderd. Op gelijke wijze werd de zin:
‘Relatie verzoekt om betaling van €35 mio in 3 termijnen van respectievelijk 15 (op 1 maart 2011), 10 (op Ijuli 2011) en 10 mio (op 1 december 2011)’
naar de side-letter verplaatst.
- 216.
De opstellers van het taxatierapport hebben op verzoek van relatiemanagement en de directie van FGH de (inhoudelijk juiste) passages verwijderd uit het taxatierapport, en deze in de side-letter geplaatst:
‘Relatiemanagement en directie FGH Bank heeft om hun moverende redenen verzocht enkele passages uit het taxatierapport aan te passen. Aangezien deze constateringen conform de ontvangen objectinformatie juist zijn, zijn deze als losse bijlage bij het taxatierapport gevoegd. ’
42
- 217.
Er is niet ervoor gekozen om over deze passages navraag te doen bij de betreffende aannemer. Het taxatierapport is zonder de sideletter verzonden naar de Rabobank. Dat blijkt uit de verklaringen van [betrokkene 1].
- 218.
In zijn verklaring op 22 mei 2013 gaf hij aan:
‘De taxatieafdeling van FGH Bank, die dit rapport hebben opgesteld, wilde niet uitzoeken wie er gelijk had. Omdat zij het niet met mij eens waren, heeft de taxatieafdeling de opmerkingen in een sideletter geplaatst. Het aangepaste taxatierapport is volgens mij zonder de sideletter, pagina 24 van 23 naar de Kredietcommissie gegaan. (…) FGHBank heeft nooit naar de betaalbewijzen gevraagd.’
Bij de rechter-commissaris bevestigt hij dit.
- 219.
Daarnaast maakt het taxatierapport geen melding van de twijfel over de LeasePlan huurovereenkomst. Integendeel. [bedrijf 1] wordt omschreven als:
‘De projectorganisatie bestaat onder andere uit ontwikkelaar [bedrijf 1] B.V. te Deventer (…). Ontwikkelaar en aannemerzijn beide grote spelers op het gebied van commercieel onroerend goed en hebben een bewezen track record?’
- 220.
Deze gang van zaken past bij het gestelde belang bij de financiering van Diana en Vesta. Twijfels over de juistheid van het huurcontract in Carlton en de betalingsafspraken over de bouwsom werden stilgehouden, omdat die informatie zou kunnen leiden tot het verstrekken van minder krediet.
- 221.
Bij SNS zijn ook aanknopingspunten te vinden voor de verklaring van cliënt over het grote belang van de bank bij het verstrekken van financiering.
- 222.
In een memo Loohuis, goedgekeurd door Menkveld, over Martinez van 6 mei 2008 is te lezen (D-134):
‘Dit is een substantiële afwijking van het gefiatteerde stuk. Ik acht deze afwijkingen echter verantwoord omdat we te maken hebben met een uitstekende debiteur. Voorts betreft het een zeer goedproject, met een LTV van 47%, dat geheel is voor verhuurd aan WTCAlmere. Belangrijker echter vind ik het feit dat we het risico lopen een zeer goede klant te verliezen. [bedrijf 1] is een grote klant van SNSPF en zeker voor de regio noordoost Nederland zeer belangrijk. Mijn intuïtie zegt me dat als we onderhavige financiering niet kunnen verstrekken we ‘out of business’ zijn bij [bedrijf 1].’
- 223.
De banken hadden er aantoonbaar belang bij dat financieringen aan [bedrijf 1] doorgang vonden. Minstgenomen staat vast dat van eventuele onjuistheden bij financieringsaanvragen geen werk werd gemaakt, om te voorkomen dat [bedrijf 1] haar heil elders zou zoeken.
- 224.
De stelling van de Advocaat-Generaal dat uit het dossier zou blijken dat ‘de valsheid in geschrifte (…) niet fis] gepleegd op verzoek van welke bank waar [verdachte] leningen had lopen dan ook’ is daarom niet houdbaar. Dat geldt ook voor de stelling van de rechtbank dat (vonnis p. 7) ‘de rechtbank (…) in het dossier geen aanknopingspunten heeft gevonden voor de bewering dat [verdachte] sr de geschriften op verzoek van [getuige 8] heeft opgemaakt en dat [betrokkene 1] wist van de onjuistheden in de geschriften’. Die aanknopingspunten zijn er wel degelijk, in ieder geval in voldoende mate om hiernaar nader onderzoek te doen.
- 225.
Van belang voor de bewijsvraag en de vraag naar strafwaardigheid van de feiten inzake Vercors en inzake Kirishima is onderzoek in te stellen naar de totstandkoming van die stukken en naar de afwikkeling van het bekend worden van de onjuistheden erin. Daartoe dienen de volgende personen te worden gehoord.’
15)
De heer [getuige 8], geboren [geboortedatum]-1953, gegevens bekend.
- 226.
[getuige 8] was van 1998 tot 2015 voorzitter van de statutaire directie van FGH, met als aandachtsgebied vastgoedfinanciering. Cliënt stelt dat hij binnen FGH de persoon was die hem om valse documenten verzocht, en dat hij een belangrijke rol speelde in de samenzwering tegen hem.
- 227.
Inzake Maruoka is [getuige 8] opnieuw bevraagd. Hem wordt een brief van Wessels aan Schat en hemzelf getoond (DOC-100).
- 228.
Daargelaten de vraag of Wessels deze brief aan Schat en [getuige 8] heeft geschreven, stelt [getuige 8] dat de inhoud verzonnen is (Maruoka, p. 1108), ook op punten die volgens cliënt wel degelijk juist zijn:
‘Ik zie bijvoorbeeld staan dat de fictieve afbouwgarantie (FGH) die Peter heeft opgesteld en Ger op verzoek van Peter heeft getekend, moet wel onderdeel blijven uitmaken van de aangifte. Dat is compleet onjuist, omdat ik nog nooit een contract heb opgesteld.’
- 229.
Als gezegd stelt cliënt dat [getuige 8] hem wel degelijk de afbouwgarantie heeft laten tekenen.
- 230.
Eveneens wenst de verdediging hem te bevragen over de relatie met Wessels. [getuige 8] stelt dat hij Wessels met enige regelmaat zag, maar dat hij niet klantinhoudelijk met Wessels over [bedrijf 1] sprak, en dat Wessels niet met hem heeft gesproken over een overname van [bedrijf 1] (Maruoka, p. 1105). Cliënt stelt echter dat juist Wessels en [getuige 8] twee spilfiguren waren binnen de samenzwering om [bedrijf 1] naar het faillissement te brengen.
(….)’
69.
Het hof heeft dit verzoek in zijn tussenarrest van 27 mei 2020 als volgt afgewezen:
‘De verzoeken 15 tot en met 23 zijn niet bij tijdig ingekomen appelschriftuur gedaan en dienen daarom aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium te worden beoordeeld.
Het hof stelt in dezen het volgende voorop. Voor de vraag of het faillissement van [bedrijf 1] Holding voorzienbaar was en in hoeverre daar rekening mee moest worden gehouden, is in de eerste plaats de financiële situatie (iiquiditeitspositie) van het bedrijf doorslaggevend en niet de (veronderstelde) houding van de banken ten opzichte van verdachte en [bedrijf 1] of de reden van het doen van aangifte tegen [bedrijf 1].
Daarbij komt dat [getuige 9] (Rabobank), [getuige 10] (NIBC), [getuige 11] (NIBC), [getuige 12] (SNS), [getuige 13](SNS), [getuige 14] (SNS), [getuige 15] (ABN Amro/Fortis) en [getuige 16] (ABN Amro/Fortis) door of in opdracht van de rechter-commissaris al over dit onderwerp zijn gehoord.
Gelet op het voorgaande zijn de verzoeken naar het oordeel van het hof te algemeen — en daarom onvoldoende — onderbouwd. De noodzakelijkheid van het horen van de getuigen is niet gebleken. Om die reden zal het hof de verzoeken 15 tot en met 23 afwijzen.’
70.
Het getuigenverzoek is op 8 juni 2022 door de verdediging op dezelfde gronden herhaald, en door het hof op dezelfde gronden afgewezen — het bevond zich nu onder de afgewezen getuigenverzoeken onder 19 t/m 27.
71.
Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Aannemelijkheid standpunt verzoeker
72.
Verzoeker stelt voorop dat het hof het door de verdediging naar voren gebrachte standpunt omtrent de betrokkenheid c.q. het handelen van [getuige 8] bij zijn beslissing van 8 juni 2022 niet op voorhand onaannemelijk heeft bevonden.
73.
Het hof heeft in zijn arrest van 2 december 2022 wel het volgende geoordeeld (p. 14):
‘Verdachte heeft aangevoerd dat de banken op de hoogte waren van de vervalsingen en dat hem zelfs is gevraagd om bepaalde stukken aan te leveren zodat de financieringsaanvragen door de controle- of compliance-afdelingen van de banken zouden worden geaccepteerd. Naar het oordeel van het hof is echter niet aannemelijk geworden dat bankmedewerkers mee hebben gewerkt aan het vervalsen van deze documenten om krediet te kunnen verstrekken. Uit het dossier-Vercors blijkt wel dat alle banken vaste procedures en protocollen hebben om kredietaanvragen te beoordelen. Er zijn bijvoorbeeld verschillende medewerkers van de FGH Bank gehoord. Aan de hand van hun verklaringen is duidelijk dat bij het uitbrengen van een offerte aan [bedrijf 1] Holding ten minste een relatiemanager, een kredietanalist, een closing manager, een compliance officer, directieleden en procuratiehouders waren betrokken.51 Her is ondenkbaar dat een bankmedewerker (en dan ook nog medewerkers bij verschillende banken) telkens weer in staal zou zijn al deze procedures te omzeilen. Mogelijk is er niet direct ingegrepen, nadat de eerste twijfel over de echtheid van (alle onderdelen van) de overgelegde stukken was gerezen. Maar dat wijst niet, zoals verdachte veronderstelt, op een instemming. Eén van de bankmedewerkers verklaarde dat hij aanvankelijk niet kon geloven dat er iets mis zou zijn met de overeenkomsten. Een andere medewerker verklaarde dat er eerst meer onderzoek moest plaatsvinden vóór je zo’n grote klant als verdachte en zijn [bedrijf 1]-groep kon beschuldigen van het indienen van valse stukken. Ook is verklaard dat er niet direct werd gereageerd om eerst de belangen van de bank door het verkrijgen van meer zekerheden veilig te stellen Wat de redenen van de bankmedewerkers ook zijn geweest om verdachte niet direct te confronteren, hij is zelf verantwoordelijk voor hei indienen van de valse of vervalste overeenkomsten zodat hij de kredieten zou verkrijgen die zo broodnodig waren om het bedrijf (langer) overeind te houden. Het hof verwerpt het verweer.
Ten overvloede merkt het hof het volgende op. Bankmedewerkers zijn bij het verlenen van krediet gebonden aan interne richtlijnen van de bank die strenger zijn naarmate het te verlenen krediet groter is. Dat geldt zelfs voor bestuurders van een bank. Dat brengt met zich dat met name bij grotere kredieten meerdere personen/instanties/afdelingen hun goedkeuring of advies dienen te geven. Dat betekent dat de bank als rechtspersoon wel degelijk kan worden misleid indien aan de kredietverlening valse bescheiden ten grondslag liggen, zelfs als een enkele medewerker van de bank op de hoogte zou zijn van die misleiding. In de bewezen verklaarde gevallen kan op grond van de aangiftes worden vastgesteld dat de overgelegde valse bescheiden van wezenlijk belang waren voor de kredietaanvragen.’
(onderstreping JK en DS)
74.
Dit oordeel slaat de plank, in ieder geval met betrekking tot [getuige 8], in de optiek van verzoeker evenwel mis. De stelling dat ‘niet aannemelijk geworden is dat bankmedewerkers mee hebben gewerkt aan het vervalsen van deze documenten om krediet te kunnen verstrekken’, terwijl het hof het verzoek om een getuige waarvan is gesteld dat deze rechtstreeks bij de totstandkoming van de valse stukken betrokken is geweest afwijst, is immers onbegrijpelijk.
75.
Het hof staat in deze overweging verder niet specifiek stil bij getuige [getuige 8]. De overwegingen van het hof blijven steken in algemeenheden. Daartegenover staat een concreet, indringend en stevig onderbouwd getuigenverzoek.
76.
Kortom; op voorhand wordt geconstateerd dat gelet op de uitvoerige onderbouwing van dit getuigenverzoek, dit algemene, latere oordeel van het hof niet aan (het belang bij) het slagen van deze klacht in de weg kan staan.
77.
Met een andere opvatting zou bovendien op onaanvaardbare wijze vooruitgelopen worden op hetgeen [getuige 8] als getuige zou kunnen verklaren.
Afwijzing getuigenverzoek
78.
De afwijzing van het getuigenverzoek berust in de kern op de gronden dat:
- a)
voor de vraag of het faillissement van [bedrijf 1] voorzienbaar was en in hoeverre daar rekening mee moest worden gehouden, in de eerste plaats de financiële situatie (liquiditeitspositie) van het bedrijf doorslaggevend is en niet de (veronderstelde) houding van de banken ten opzichte van verdachte en [bedrijf 1] of de reden van het doen van aangifte tegen [bedrijf 1], en;
- b)
(nu er al een aantal mensen over dit thema gehoord is) de verzoeken naar het oordeel van het hof te algemeen — en daarom onvoldoende — onderbouwd zijn.
Getuigenverzoek gericht op dossier Vercors
79.
Het verzoek om [getuige 8] als getuige te horen heeft ten eerste betrekking op de in de zaak Vercors tenlastegelegde vier valsheden. Dat stelt de verdediging met zoveel woorden onder randnummer 192, waarna bovendien het juridisch kader van art. 225 Sr uiteengezet wordt en wordt uitgelegd waarom het horen van [getuige 8] van belang is/kan zijn voor de bewijsvraag. Daarover hierna meer.
80.
Argument a) van het hof ter afwijzing van het getuigenverzoek heeft hierop geen betrekking, doch heeft veeleer betrekking op het (ontbreken van) de noodzaak om [getuige 8] met betrekking tot de voorzienbaarheid van het faillissement te horen (Kirishima). Het oordeel van het hof daaromtrent wordt in cassatie niet bestreden; wel wordt geconstateerd dat het oordeel van het hof in zoverre geen begrijpelijke reden voor de afwijzing van het getuigenverzoek behelst.
81.
Het oordeel van het hof onder b) is evenmin van toepassing op het verzoek [getuige 8] als getuige te horen; waar verzoeker in cassatie niet opkomt tegen het oordeel van het hof voor zover dit betrekking heeft op de overige verzochte getuigen — [getuige 30], [getuige 31], [getuige 35], [getuige 44], Oranje, Dulack en Poelenij — kan ten aanzien van [getuige 8] niet gesteld worden dat dit verzoek ‘te algemeen’ of ‘onvoldoende’ onderbouwd is. Een blik op het pleidooi van de verdediging leert dat de betrokkenheid van [getuige 8] juist uitvoerig is onderbouwd. Die onderbouwing komt er in de kern op neer dat [getuige 8] bevraagd dient te worden over de standpunten van verzoeker dat a) [getuige 8] binnen FGH de persoon was die verzoeker om valse documenten verzocht, b) [getuige 8] een belangrijke rol speelde in de samenzwering tegen verzoeker, c) [getuige 8] verzoeker op 15 november 2011 in een gesprek met de FGH en de Rabobank van tevoren heeft gesouffleerd wat te zeggen, terwijl d) de banken c.q. [getuige 8] er belang bij had(den) dat financieringen aan [bedrijf 1] doorgang vonden (er was bij FGH Bank wetenschap dat er bij Diana en Vesta bij oplevering betaald zou worden, hetgeen verborgen is gehouden voor de moederbank Rabobank, die het krediet gezien de omvang ook goed moest keuren, en terwijl ten slotte e) [getuige 8] naar verzoeker meent ten onrechte stelt dat hij Wessels ‘met enige regelmaat zag’ en niet klantinhoudelijk met Wessels over [bedrijf 1] sprak en niet met hem heeft gesproken over een overname van [bedrijf 1]; verzoeker stelt dat Wessels en [getuige 8] twee spilfiguren waren binnen de samenzwering om [bedrijf 1] naar het faillissement te brengen.
82.
Reeds om deze redenen heeft het hof het verzoek van de verdediging om [getuige 8] als getuige te (doen) horen afgewezen op onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden. Na vernietiging en terug- of verwijzing dient het hof te onderzoeken of het horen van [getuige 8] met betrekking tot het dossier Vercors noodzakelijk is / kan zijn voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing.
83.
Volledigheidshalve wordt stilgestaan bij hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht over het belang van de verklaring van [getuige 8] over de art. (348 en) 350 Sv-vragen.
83.1.
Zij heeft aangevoerd dat voor vervalsing of valselijk opmaken in de zin van het eerste lid van art. 225 Sr, vereist is dat een geschrift is vervalst ‘met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken’. Dit oogmerk is in de Memorie van toelichting bij artikel 225 Sr en in de jurisprudentie uitgelegd als ‘misleiding van derden’, aldus de verdediging. Een citaat:
- ‘194.
Zie bijvoorbeeld Tweede Kamer, 1988–1989, 21 186, nr. 3, blz. 11:
‘Naast het opzet, gericht op het valselijk opmaken of vervalsen, is het bijkomend oogmerk vereist om het stuk als echt en onvervalst te gebruiken. Oogmerk houdt opzet met een bedoeling in. In het licht van de hierna nog aan de orde komende jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de betekenis van het woord ‘gebruik maakt’ in het tweede lid van artikel 225 Sr moet aan dit oogmerk de eis worden gesteld dat het betrekking heeft op gebruik ter misleiding van derden’’
(onderstreping mr. Van Zijl)
Verzoeker heeft verklaard dat de aannemingsovereenkomst en de afbouwgarantie inzake Vercors ‘niet alleen met voorafgaand medeweten, maar zelfs op verzoek van de FGH en de SNS bank zijn opgemaakt’, zo is gesteld.
83.2.
In dat verband is benadrukt dat uit het dossier niet blijkt dat de onjuiste documenten niet op verzoek van de banken zijn opgemaakt:
‘Integendeel. Het dossier geeft aanleiding te denken dat dat de banken wel degelijk belang hadden bij de documenten en van de onjuistheden op de hoogte waren. 199. Vast staat immers dat [getuige 8] en [betrokkene 1] al maanden vóór 15 november 2011 wisten dat de huurovereenkomst met Lease Plan Corporation niet correct was, maar besloten personen binnen FGH en Rabobank daarvan onwetend te houden. Dit lijkt te zijn ingegeven door hun drang om financieringen af te sluiten en omdat het afketsen van Carlton ook de herfinanciering van Diana en Vesta in gevaar zou brengen… 200. [betrokkene 1] heeft in eerste aanleg meermaals verklaard dat hij al in april of mei 2011 twijfels had over de rechtsgeldigheid van de ondertekening van het huurcontract. (…) [JK en DS: nader onderbouwd met citaten]’
83.3.
Ook is benadrukt (onder 211 e.v.) dat de verklaringen van [betrokkene 1] en [getuige 8] (nog) niet bevestigen dat [getuige 8] verzoeker heeft verzocht om de huurovereenkomst op te stellen, maar wel dat [betrokkene 1] en [getuige 8] op een eerder moment op de hoogte waren van de onjuistheid van de huurovereenkomst. De verdediging stelt dat [betrokkene 1] en [getuige 8] vreesden dat de deal rond Diana en Vesta geen doorgang zou vinden als zij het vermoede onjuiste huurcontract zouden aankaarten. Hierop is geen onderzoek verricht, en is evenmin de compliance-afdeling ingeschakeld. Dit en meer (zie het volledige citaat aan het begin van deze deelklacht), zou volgens de verdediging aanleiding moeten zijn om de stelling van verzoeker — dat de overeenkomsten zelfs op verzoek van de medewerkers van FGH tot stand zijn gekomen — te onderzoeken.
84.
Een opmerking tot besluit; bij de beoordeling van dit getuigenverzoek stond de vraag centraal of er voldoende aanknopingspunten waren c.q. of voor het hof de noodzaak was gebleken om [getuige 8] — die naar verzoeker stelt een directe en grote rol heeft gehad met betrekking tot de valsheid — als getuige te horen. In het oordeel van het hof blijft in het midden waarom het horen van [getuige 8] anders dan de verdediging stelt niet relevant zou zijn voor de beoordeling van de aan verzoeker tenlastegelegde valsheid. Daarmee blijft de facto in het midden waarom dit getuigenverzoek is afgewezen.
85.
Mitsdien lijdt het arrest aan nietigheid.
Deelklacht 4: afwijzing getuigenverzoeken van de heren [getuige 32 en getuige 33]
86.
Door de verdediging is op de zitting van 13 mei 2020 verzocht om de heren [getuige 32] en [getuige 33] als getuigen te horen (getuigen 32 en 33). Hiertoe is het volgende aangevoerd:
- ‘312.
In de opgave van de onderzoekswensen van 9 april 2020 zijn de heren [paardenhandelaar 1] en [paardenhandelaar 2] opgegeven als getuigen, maar gelet op hetgeen waarover de verdediging hen wenst te bevragen, moet een benoeming als deskundige ex art. 51i Sv juridisch zuiverder worden geacht. Zij waren weliswaar bekend met de Stal, maar worden verzocht te verklaren vanuit hun algemene expertise over de taxatie van paarden, de paardensport etc.
- 313.
Cliënt is inzake Kirishima door de rechtbank veroordeeld voor het onder feit 1 onder A primair tenlastegelegde: bedrieglijke bankbreuk met betrekking tot de rechtshandelingen die zagen op de overdracht van de stal van [befrijf 1] naar [bedrijf 3] BV, het bedrijf van de zoon van cliënt. Daarnaast is hij inzake Kirishima veroordeeld voor feit 3 onder b: bedrieglijke bankbreuk binnen zijn privéfaillissement met betrekking tot de aankoop van het paard [paard 1], en voor feit 3 onder c: bedrieglijke bankbreuk binnen zijn privéfaillissement met betrekking tot de sponsoring van [bedrijf 3].
- 314.
Voor de beoordeling van feit 1A. wenst de verdediging nader te (doen) onderzoeken of de stal een serieuze en levensvatbare onderneming vormde, en of de waardebepaling van de paarden juist is geweest.
- 315.
Over de stal heeft de rechtbank geoordeeld dat (vonnis p. 25) ‘de Stal niet een serieus te nemen onderneming vormde, maar slechts diende als rechtspersoonlijk vehikel waarin een grootschalige liefhebberij van de familie [verdachte] was ondergebracht en waarbij het zakelijk belang ruimschoots ondergeschikt was aan de hobby. Voor een badwill verrekening is in zo'n constructie geen plaats. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen redelijke grondslag voor een waardering van de aandelen going concern.’
- 316.
De rechtbank motiveert dit als volgt (p. 25):
‘De Stal maakte als branchevreemd element tot 1 december 2011 deel uit van de [bedrijf 1]-groep. In deze periode heeft de Stal een schuld opgebouwd bij [bedrijf 1] BV voor het zeer aanzienlijke bedrag van E 38.250.000,--. De Stal leed structureel miljoenen verlies per jaar. Niet is gebleken dat ten tijde van de overdracht een gedegen, of ten minste onderbouwd, plan bestond waarmee de Stal zou kunnen worden omgevormd tot een winstgevende onderneming.’
- 317.
De verdediging wenst beide getuigen [getuige 32 en getuige 33] te bevragen over deze omstandigheden. Dat de stal structureel verlieslatend was, staat niet ter discussie. Wel staat ter discussie of [medeverdachte 1] jr. een gedegen plan had om de stal om te vormen tot een winstgevende onderneming. Cliënt stelt dat zijn zoon serieuze zakelijke plannen had met de stal, en dat de stal wel degelijk een serieuze onderneming was die — met de juiste bedrijfsvoering — zelfstandig levensvatbaar was.
- 318.
De stal en met name de internationale wedstrijduitstraling daarvan werd namelijk ingezet voor de promotionele activiteiten van het vastgoedbedrijf. Zo werden klanten en relaties meegenomen naar wedstrijden en vonden er op de stal bijeenkomsten met relaties plaats in aanwezigheid van beroemde paarden en ruiters.
- 319.
Dat in combinatie met het feit dat [medeverdachte ] jr. de bedrijfsvoering wilde veranderen maakte de stal een serieus te nemen onderneming, die going concern kon worden overgedragen, waarbij voor de waarde van de aandelen niet alleen de waarde van de activa, maar ook de bedrijfsresultaten een rol speelden. De jaarlijks terugkerende verliezen moesten worden meegewogen bij de overdracht omdat [medeverdachte 1] jr. niet slechts eigenaar werd van de stal en de paarden, maar ook verantwoordelijk voor de lopende kosten en verplichtingen.
- 320.
Beide getuigen Schröder hebben jarenlang in de stal gewerkt. Zij kunnen worden bevraagd over de bedrijfsvoering binnen de stal, de levensvatbaarheid van de onderneming en over de plannen van [medeverdachte 1] jr. Ook kunnen zij verklaren over wijzigingen in de bedrijfsvoering na de overname door de zoon van cliënt. Dat is direct van belang voor de vraag of de waarderingsgrondslag van de stal juist was — of er een lopend bedrijf werd overgedragen of een aantal losse activa. Dat is immers relevant voor de beoordeling van het (zakelijk) karakter van de rechtshandelingen op 1 december 2011.
- 321.
Vervolgens oordeelde de rechtbank dat de paarden van de stal te laag zijn gelaxeerd. In dat kader wordt waarde gehecht aan het verschil tussen de latere opbrengst van de paarden en de taxatie. In eerste aanleg is echter betoogd dat de prijzen van paarden buitengewoon snel kunnen stijgen, en in feite afhankelijk zijn van de waan van de dag.
- 322.
De rechtbank gaat hieraan voorbij (vonnis p. 26):
‘De rechtbank acht het grote verschil tussen opbrengst en taxatiewaarde evenwel niet louter verklaarbaar uit waardevermeerdering na peildatum.’
- 323.
Bij de beoordeling van feit 3(b). inzake Kirishima stelt de rechtbank dat de betaling van € 600.000,- door cliënt aan [bedrijf 3] niet is gebaseerd op een koopovereenkomst van het paard [paard 1]. Dit mede omdat (vonnis p. 39) ‘[h]et aankoopbedrag ad € 600.000,- voor [paard 1] dat vader en zoon [verdachte] zijn overeengekomen (…) significant af[wijkt] van de door taxateur [betrokkene 4] per 1 november 2011 vastgestelde waarde.’
- 324.
De rechtbank oordeelt zelfs (vonnis p. 26) ‘dat de taxaties (deels) op basis van onvolledige en/of onjuiste informatie, verstrekt door of namens de opdrachtgever, tot stand zijn gekomen.’
- 325.
Vonnis p. 27:
‘Anders dan de verdediging acht de rechtbank daarbij ook informatie van na de peildatum van belang, zeker in die gevallen waarin de paarden in een tijdsbestek van enkele maanden na de peildatum voor aanzienlijk hogere bedragen zijn verkocht.’
- 326.
Die benadering is echter onjuist.
- 327.
Omdat de waarde van paarden zo sterk kan fluctueren, zou het onzuiver zijn om informatie te verstrekken die betrekking heeft op de periode na de peildatum. Die taxateur wordt daardoor immers onmiskenbaar beïnvloed, terwijl die informatie feitelijk irrelevant is.
- 328.
Ook daarover — de uitgangspunten bij deze taxatie van paarden — kunnen de gebroeders [getuige 32 en getuige 33] vragen worden gesteld.’
87.
Het hof heeft deze getuigenverzoeken afgewezen en hiertoe op 27 mei 2020 het volgende overwogen (p. 8):
‘Verzoek 32 is bij tijdige appelschriftuur gedaan en zal daarom aan de hand van het verdedigingsbelang worden beoordeeld. Verzoek 33 is niet bij tijdige appelschriftuur gedaan, zodat daarop het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. Voor de verzoeken c en d geldt eveneens het noodzakelijkheidscriterium.
Ten aanzien van de verzoeken 32 en 33 merkt het hof op dat de waarde van een bedrijf zo hoog is als de hoogste van de directe en de indirecte opbrengstwaarde. Daarbij is de indirecte opbrengstwaarde de ‘going concern’-waarde en de directe opbrengstwaarde de liquidatiewaarde. Uit punt 319 van de pleitnota blijkt dat de verzoeken zijn gebaseerd op de (onjuiste) aanname dat de waarde van de stal (uitsluitend) wordt bepaald door de ‘going concern’-waarde. Daarmee is het horen van getuige 32 niet relevant voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing en ontvalt de noodzaak tot het horen van getuige 33. Het hof zal daarom deze verzoeken afwijzen.’
88.
Op de zitting van 8 juni 2022 zijn deze getuigenverzoeken herhaald. Hierbij zijn geen nieuwe argumenten aangedragen. Ook het oordeel van het hof is onveranderd gebleven, met dien verstande dat nu ook ten aanzien van getuigenverzoek 32 — in het oordeel van het hof van 8 juni 2022 zijn dit overigens getuigenverzoeken 33 en 34 — het noodzakelijkheidscriterium gold. Over beide beslissingen van het hof wordt geklaagd.
89.
Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk.
90.
Voor zover uit punt 319 van de pleitnota inderdaad volgt dat de verdediging ten onrechte de waarde van een bedrijf enkel heeft gestoeld op de ‘going concern-waarde’, is onduidelijk waarom dit de getuigenverzoeken voor de 348–350 Sv-vragen zinledig maakt. Integendeel, zou verzoeker willen zeggen.
91.
In de getuigenverzoeken van de verdediging komt tot uitdrukking dat:
- —
de stal een serieuze onderneming was die met de juiste bedrijfsvoering levensvatbaar was;
- —
de stal en met name de internationale wedstrijduitstraling ervan werden ingezet voor promotionele activiteiten;
- —
[medeverdachte 1] jr. de bedrijfsvoering wilde veranderen;
- —
hetgeen bij elkaar de stal een serieus te nemen onderneming maakte, die going concern kon worden overgedragen, waarbij voor de waarde van de aandelen niet alleen de waarde van de activa, maar ook de bedrijfsresultaten een rol speelden.
92.
Het hof heeft zelf geoordeeld dat de waarde van een bedrijf zo hoog is als de hoogste van de directe en de indirecte opbrengstwaarde, waarbij de indirecte opbrengstwaarde de ‘going concern’-waarde en de directe opbrengstwaarde de liquidatiewaarde is. Wanneer de ‘going concern-waarde’ hoger zou zijn dan de liquidatiewaarde — hetgeen de verdediging welbeschouwd heeft betoogd, en hetgeen ook voorshands niet onaannemelijk is — snijdt het pleidooi van de verdediging dus ‘gewoon’ hout.
93.
Redenen waarom het andersluidende oordeel van het hof onbegrijpelijk is.
Deelklacht 5: afwijzing nader onderzoek liquiditeitsprognose, en/of afwijzing verzoek tot horen van getuige 4) [getuige 20], 5) anderen binnen [bedrijf 5] die waren betrokken bij het opstellen van de liquiditeitsprognose, en 6) [getuige 19], en/of afwijzing verzoek tot i. toevoeging van administratie die ten grondslag lag aan de liquiditeitsprognose.
94.
Bij bericht van 10 februari 2022 heeft mr. Van Zijl verzocht tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting in de zaak tegen verzoeker. Verzocht is om noodzakelijk onderzoek te verrichten naar twee cruciale documenten die betrekking hebben op de financiële situatie van de bedrijven van [bedrijf 1]. Dat onderzoek bestaat uit (onder 4–5 en onder 104–105):
- a.
toevoeging aan het dossier van:
- i.
de liquiditeitsprognose waarnaar in D-229 en D-569 wordt verwezen;
- ii.
de administratie die ten grondslag lag aan deze liquiditeitsprognose;
- iii.
de administratie die ten grondslag lag aan D-175;
- b.
het horen van de volgende getuigen:
- i.
de heer [getuige 20];
- ii.
de heer [adviseur];
- iii.
de opsteller van de liquiditeitsprognose waarnaar in D-229 en D-569 wordt verwezen;
- iv.
de heer [curator 1];
- v.
de heer [curator 2];
- vi.
de heer [curator 3];
- vii.
de opsteller van de ‘conceptjaarcijfers’ van D-175.
95.
Uit het bericht volgt voorts, samengevat, het volgende:
- —
Uit de bewijsoverwegingen en de bewijsmiddelen blijkt dat de conclusies van de rechtbank over de gevolgen van de vastgoedcrisis voor de [bedrijf 1]-groep in beslissende mate steunen op twee documenten die niet zijn getoetst (onder 12);
- —
Dit betreft ten eerste een ‘conceptjaarrekening’ over 2011, gemaakt door De Jong & Laan, waarnaar in failissementsverslagen wordt verwezen. Er lijkt volgens de verdediging te worden verwezen naar document D-175:
‘een document van twee pagina's waaruit blijkt dat het vastgoed voor een enorm bedrag is afgewaardeerd, van € 769,7 mio ultimo 2010 naar € 539 mio ultimo 2011.’
(onder 21). Deze conceptjaarrekening blijft in deze klacht verder onbesproken, nu het hof hierop, alsmede op hierop gebaseerde stukken (bv. het faillissementsverslag van 6 juni 2013, niet tot het bewijs gebruikt.
- —
Verder betreft dit een liquiditeitsprognose van accountantskantoor [bedrijf 5] van 8 september 2011, terwijl die liquiditeitsprognose van de accountant niet als zodanig als bewijsmiddel is opgenomen, en voor zover bekend (destijds) ook niet aan het dossier was toegevoegd, terwijl bovendien [getuige 20] noch [adviseur] — medewerkers van [bedrijf 5] — hierover zijn bevraagd (onder 17–18);
- —
De verdediging stelt dat er veel onbeantwoorde vragen zijn, bijvoorbeeld wie het document heeft opgesteld, en op basis van welke gegevens? (onder 32–33) De stelling dat de accountant van [bedrijf 1] een liquiditeitsprognose heeft gemaakt, leidt naar de heren [adviseur] en [getuige 20]. Aldus kunnen die worden bevraagd over het document of over wie het heeft opgesteld, en naar de administratie van [bedrijf 5] die inmiddels bij de curator van [bedrijf 5] ligt. ‘als duidelijk is wie het document heeft opgesteld dan kunnen de onbeantwoorde vragen aan die persoon worden gesteld’, aldus de verdediging (steeds onder 34).
- —
Er is op gewezen dat andere stukken de vragen over deze twee ‘cruciale financiële stukken’ onverlet laten, aangezien zowel in het vonnis van de rechtbank als in die andere stukken zelf op deze twee stukken wordt teruggegrepen (nader gespecificeerd, zie onder 36–41, mede onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland en het Hof Arnhem-Leeuwarden);
- —
Separaat is uitgelicht dat het ‘Independent Business Review’ van E&Y — project Honda — geen antwoord biedt op de vragen over D-175 en de liquiditeitsprognose (onder 67).
96.
Bij emailbericht van 31 maart 2022 is een nieuw verzoek tot heropening gedaan. Aanleiding voor deze aanvulling is dat in een schrijven van 11 maart 2022 een van de curatoren van [bedrijf 1], mr. [curator 2], heeft gesteld dat a) de curatoren van [bedrijf 1] zelf de balans- en winst en verliesrekening over 2011 hebben opgesteld, en niet de Jong & Laan en b) bij deze waardering van activa en vermogen eind 2011 rekening is gehouden met het faillissement in 2012.
97.
Dit leidt volgens de verdediging tot twee conclusies, namelijk (onder 6 en 7):
- —
de curatoren hebben onjuiste informatie verstrekt. Onder meer in de faillissementsverslagen van [bedrijf 1] (door de rechtbank gebruikt als bewijsmiddel 5.) staat onjuist vermeld dat de conceptjaarrekening is opgesteld door een externe accountant. Ook heeft de heer [curator 3] in het onderzoek Kirishima hierover onjuist verklaard bij de rechter-commissaris, en;
- —
de bewijsconstructie van de rechtbank houdt geen stand. Het bewijs van de voorzienbaarheid van het faillissement wordt hiermee immers gebaseerd op het faillissement zelf. De cijfers waarop de rechtbank die voorzienbaarheid baseert, waren geen going concern cijfers, maai cijfers waarin het faillissement en de siloconstructie waren betrokken.
De nieuwe standpunten van de verdediging d.d. 31 maart 2022 hebben vooral betrekking op de conceptjaarrekening en worden hier verder niet toegelicht.
98.
Op 31 maart 2022 heeft de verdediging concluderend het volgende gesteld:
Conclusie
45.
Geconcludeerd moet worden dat er veel onduidelijk is over een in de strafprocedure cruciaal document. Die onduidelijkheid kan niet worden gerijmd met de grote betekenis die aan het document is toegekend in de bewijsvoering van de rechtbank en in het FIOD-dossier.
46.
Dat klemt temeer nu het tweede document waar de rechtbank zich op baseert – de liquiditeitsprognose van 8 september 2011 – niet aan het dossier is toegevoegd. Voor een toelichting daarop zij verwezen naar het verzoek van 10 februari 2022, § 9 t/m 18.
47.
Voor die liquiditeitsprognose gelden vergelijkbare vragen. Wie heeft het document opgesteld, en op basis van welke gegevens?
48.
Het enige aanknopingspunt voor de beantwoording van deze vragen is de stelling dat de accountant van EC een liquiditeitsprognose heeft gemaakt. Die informatie leidt naar de heren [adviseur] en [getuige 20], die kunnen worden bevraagd over het document of over wie het heeft opgesteld, en naar de administratie van [bedrijf 5] die inmiddels bij de curator van [bedrijf 5] ligt. Als duidelijk is wie de liquiditeitsprognose heeft opgesteld dan kunnen de onbeantwoorde vragen aan die personen worden gesteld.
49.
Het is noodzakelijk duidelijkheid te verkrijgen over de basis van beide stukken, omdat deze in de bewijsvoering van de rechtbank, maar ook in het dossier een cruciale rol spelen. De door de rechtbank en door de curatoren genoemde afwaardering is immers gebaseerd op de conceptjaarrekening 2011.
50.
Voor een zorgvuldige beoordeling van de bewijsvraag is daarom toevoeging aan het dossier noodzakelijk van:
- i.
de liquiditeitsprognose waarnaar in D-229 en D-569 wordt verwezen;
- ii.
de administratie die ten grondslag lag aan deze liquiditeitsprognose;
- iii.
de administratie die ten grondslag lag aan D-175.
51.
Daarnaast is noodzakelijk de getuigen te horen die bij deze stukken betrokken waren:
- i.
de heer [getuige 20];
- ii.
de heer [adviseur];
- iii.
de opsteller van de liquiditeitsprognose waarnaar in D-229 en D-569 wordt verwezen;
- iv.
de heer [curator 1];
- v.
de heer [curator 2];
- vi.
de heer [curator 3];
- vii.
de opsteller van de conceptjaarrekening over 2011 (al dan niet zijnde D-175).
52.
Tevens zal op die regiezitting worden verzocht om op voet van art. 315 jo. 415 Sv (nader) noodzakelijk onderzoek te verrichten naar de aankoop in privé door cliënt van aandelen in Fortis, Aegon en ING. Dat onderzoek bestaat uit het horen van de volgende getuigen:
- viii.
de heer [getuige 5]; voormalig bestuursvoorzitter Fortis;
- ix.
de heer [getuige 6]; voormalig bestuursvoorzitter ING.
53.
Voor een toelichting op deze verzoeken wordt verwezen naar het verzoek van 10 februari 2022 § 106 t/m 127.
Besluit
54.
Dit onderzoek is noodzakelijk voor een zorgvuldige beoordeling van de bewijsvraag van de feiten op de Kirishima-tenlastelegging. Verzocht wordt dan ook zo spoedig mogelijk een regiezitting te plannen.
55.
Ik denk u bij voorbaat voor de aan dit bericht te besteden tijd en aandacht en wacht uw reactie graag af.
99.
Bij pleidooi van 8 juni 2022 is in het verlengde hiervan c.q. in aanvulling hierop onder meer het volgende aangevoerd:
‘Ad liquiditeitsprognose (onder 2.2)
- —
(onder 19) Verzoeker geeft aan dat dit liquiditeitsoverzicht is gemaakt om Steensma ervan te weerhouden om beslag te leggen en daarom een zeer sombere interpretatie geeft van de werkelijkheid. Eventuele verkopen zijn in het geheel niet meegenomen in de prognose. Dat blijkt ook uit het document zelf, aldus de verdediging;
- —
(onder 20–22) Verzoeker stelt dat er in de betreffende periode een aantal verkopen in de afrondende fase waren, te weten:
- a.
Arnhem kantoor Carmel. Koopsom C 13,5 mio. Inkoop €9 mio. Winst € 4,5 mio.
- b.
Arnhem kantoor Eusebiusveste. Koopsom € 14 mio. Inkoop € 9 mio. Winst € 5 mio.
- c.
Deventer kantoor Hercules. Koopsom € 13,75 mio. Inkoop € 9 mio. Winst €4,75 mio.
- d.
Arnhem GelreDome. Koopsom C 48 mio. Inkoop € 18,5 mio. Winst €29,5 mio.
- e.
Onderhandelingen Arab Investment Fund. Verschillende panden.
Het niet betrekken van de verwachte verkopen zorgde dus voor een zeer negatief beeld van de liquiditeit, aldus de verdediging;
- —
(onder 23) Noch [getuige 20] noch andere medewerkers van [bedrijf 5] zijn over deze liquiditeitsprognose bevraagd. Ook [getuige 19] is hierover niet bevraagd.
- —
(onder 24) Over deze liquiditeitsprognose dient duidelijkheid te komen voordat deze als bewijsmiddel zou kunnen worden gebruikt. ‘Wie van [bedrijf 5] heeft het document opgesteld? Op basis van welke gegevens is het opgesteld? Met welk doel is het opgesteld? Is de verklaring van cliënt op dit punt juist?’, aldus de verdediging;
- —
(onder 25) Als de verklaring van verzoeker over deze prognose niet zonder meer wordt aangenomen, dient er onderzoek naar te worden gedaan. [getuige 20] en [getuige 19] kunnen hierover worden bevraagd;
- —
Naar blijkt uit p. 70 van dit pleidooi is verzocht om het horen van 4) de heer [getuige 20], geboren [geboortedatum] 1956, gegevens bekend; 5) anderen binnen [bedrijf 5] die waren betrokken bij het opstellen van de liquiditeitsprognose; 6) de heer [getuige 19], geboren [geboortedatum] 1953, gegevens bekend, en is (kennelijk) afgezien van het verzoek tot het horen van [adviseur].’
100.
Het hof heeft de verzoeken afgewezen en hiertoe het volgende overwogen:
‘Aanvullende verzoeken
De aanvullende verzoeken zijn neergelegd en toegelicht in brieven van de verdediging van 10 februari en 31 maart 2022 en heden ter zitting gedaan. De verzoeken strekken er — in hoofdlijnen — toe meer duidelijkheid te krijgen over de totstandkoming van de conceptjaarrekening 2011 (al dan niet D-175) en de in de stukken genoemde liquiditeitsprognose van 8 september 2011. Naar dit laatste stuk wordt in de documenten D-229 en D569 verwezen, doch de liquiditeitsprognose is pas onlangs aan de stukken toegevoegd.
Nader onderzoek naar de totstandkoming en de onderliggende administratie van de conceptjaarrekening 2011 acht het hof niet van belang. Het dossier bevat voldoende informatie om een goed beeld te krijgen van de financiële situatie van [bedrijf 4] en de met haar verbonden bedrijven.
Weliswaar is de liquiditeitsprognose recent aan het dossier toegevoegd, maar de herkomst en een deel van de inhoud blijkt al uit het dossier. Zo blijkt uit D-229 (een memo van de curator van [befrijf 1]) dat het stuk afkomstig is van [bedrijf 5] (het accountantskantoor van [bedrijf 1]) en zou daar in staan dar de liquide middelen die op dat moment nog 25 min bedragen eind april 2012 verdwenen zullen zijn en er per juli 2012 een tekort van 9.3 miljoen wordt voorzien. Ook maakt de curator een aantal opmerkingen over zaken die nog niet in die prognose meegenomen zijn, dan wel uiteindelijk geen doorgang hebben gevonden Soortgelijke opmerkingen slaan in D-569 (faillissementsverslag nr 9).
Uit de nu aan het dossier toegevoegde informatie blijkt dat de liquiditeitsprognose op 8 september 2011 door [bedrijf 5] accountants (dhr. [getuige 20]) is toegezonden aan de directie van ECH met de volgende opmerking:
‘De liquiditeitsplanning is door ons in samenspraak met [getuige 19] vervaardigd op basis van de dooi u aangeleverde gegevens en uitgangspunten’.
De liquiditeitsprognose is geen aanleiding nader onderzoek te verrichten. De verdediging is daardoor met in haar belangen geschaad. De strekking van de prognose was bekend, de herkomst was bekend (de eigen accountant van [befrijf 1]) en blijkt samengesteld op basis van door [befrijf 1] verstrekte gegevens. Ook dat laatste is geen verrassing, evenmin als de betrokkenheid van getuige [getuige 19], die in die tijd [befrijf 1] adviseerde. Gevoegd bij het feit dat juist de liquiditeitspositie van belang is bij de beoordeling van een faillissementsaanvraag kan de conclusie niet anders zijn dat de liquiditeitsprognose geen aanleiding is de verzoeken toe te wijzen. Daarbij komt nog dat de verdediging de mogelijkheid om getuigen te bevragen over de liquiditeitspositie en de door [bedrijf 5] accountants opgestelde prognose heeft gehad. De onder 4 en 6 genoemde getuigen zijn in eerste aanleg bij de rechtercommissaris zijn gehoord, [sic] De stelling van de verdediging dat de prognose bewust te negatief is opgesteld om Steensma te weerhouden van beslaglegging acht het hof zonder nadere onderbouwing niet op voorhand plausibel en vormt geen reden de onderzoekswensen anders te beoordelen. Verdachte kan ter zitting zelf toelichten op welke onderdelen de prognose niet klopt.
Alle verzoeken worden afgewezen.’
101.
In dit oordeel van het hof ligt besloten de afwijzing van de getuigenverzoeken van 4) de heer [getuige 20], 5) anderen binnen [bedrijf 5] die waren betrokken bij het opstellen van de liquiditeitsprognose, en 6) de heer [getuige 19], alsook van het verzoek strekkende tot i. toevoeging van administratie die ten grondslag lag aan de liquiditeitsprognose.
102.
Het oordeel van het hof dat de liquiditeitsprognose geen aanleiding is nader onderzoek te verrichten is onbegrijpelijk.
103.
Het hof legt hieraan ten eerste ten grondslag dat de strekking van de prognose en de herkomst (de eigen accountant van [befrijf 1]) bekend waren. Dat is door de verdediging echter niet ontkend, en laat onverlet dat zij een gemotiveerd verzoek kan om de betrokkenen hierover te horen.
104.
Dat de prognose is samengesteld op basis van door [befrijf 1] verstrekte gegevens is onbegrijpelijk en kan bovendien niet uit de bewijsvoering volgen. De verdediging heeft gesteld (pleitnota 8 juni 2022) dat onder meer onduidelijk is op basis van welke gegevens de prognose is opgesteld (onder 24). De bewijsmiddelen verschaffen hierin geen helderheid. Zie bewijsmiddel 20:
- ‘20.
Een schriftelijk bescheid, te weten de in hoger beroep gevoegde liquiditeitsprognose, opgemaakt door de [bedrijf 5]-groep en op 8 september 2011 bij brief aangeboden aan de directie van [bedrijf 1], voor zover van belang inhoudende:
105.
Het oordeel van het hof dat de verdediging de mogelijkheid om getuigen te bevragen over de liquiditeitspositie en de door [bedrijf 5] accountants opgestelde prognose heeft gehad, nu de 4 en 6 genoemde getuigen zijn in eerste aanleg bij de rechter-commissaris zijn gehoord, kan de afwijzing van dit verzoek evenmin dragen, aangezien verzoeker toen door andere raadslieden werd bijgestaan die — zoals (in een ander verband) is betoogd — een andere verdedigingsstrategie hanteerden dan de raadslieden in hoger beroep, terwijl bovendien ten tijde van dit verhoor nog niet bekend was / vaststond dat de rechtbank (en naar nu is gebleken: het hof) haar bewijsvoering op deze prognose stoelt.
106.
Wat daarvan ook zij; de verdediging heeft een belangrijk ander, nieuw argument ten grondslag gelegd aan de getuigenverzoeken / het verzoek tot nader onderzoek naar de liquiditeitsprognose, namelijk dat een aantal verkopen in de afrondende fase waren, die niet zijn meegenomen in de liquiditeitsprognose, te weten:
- a.
Arnhem kantoor Carmel. Koopsom C 13,5 mio. Inkoop €9 mio. Winst € 4,5 mio.
- b.
Arnhem kantoor Eusebiusveste. Koopsom € 14 mio. Inkoop € 9 mio. Winst € 5 mio.
- c.
Deventer kantoor Hercules. Koopsom € 13,75 mio. Inkoop € 9 mio. Winst €4,75 mio.
- d.
Arnhem GelreDome. Koopsom C 48 mio. Inkoop € 18,5 mio. Winst €29,5 mio.
- e.
Onderhandelingen Arab Investment Fund. Verschillende panden.
107.
In dat verband is aangevoerd dat het niet betrekken van de verwachte verkopen zorgde voor zeer negatief beeld van de liquiditeit. Ook is gesteld dat als de verklaring van verzoeker over deze prognose niet zonder meer wordt aangenomen, er onderzoek naar dient te worden gedaan (onder 22 resp. 25).
108.
Verder is erop gewezen dat [getuige 20] en [getuige 19] — die laatste is in ieder geval bij de totstandkoming van de prognose betrokken geweest (onder 18) — die beiden in hoger beroep niet als getuigen zijn gehoord, hierover kunnen worden bevraagd (vgl. onder 23 en 25).
109.
Het hof noemt de eerste vier panden / gebouwen niet in zijn afwijzende beslissing d.d. 8 juni 2022, en even min in zijn (eind)arrest d.d. 2 december 2022.
110.
Daarmee is het standpunt van de verdediging omtrent de onjuistheid van de liquiditeitsprognose in het midden gebleven. Daaraan doet overigens niet af het oordeel van het hof dat het de stelling van de verdediging dat de prognose bewust te negatief is opgesteld om Steensma te weerhouden van beslaglegging niet op voorhand plausibel acht, nu dit een argument van ondergeschikt belang is geweest, terwijl de mogelijkheid openblijft dat de verkopen van de genoemde panden/gebouwen — met naam genoemd — in de afrondende fase waren.
111.
Het voorgaande klemt te meer nu het hof in zijn arrest oordeelt:
‘(p. 19):
‘Uit de liquiditeitsprognose van 8 september 2011, in opdracht van verdachte opgemaakt door zijn accountant, [bedrijf 5], blijkt dat er voor de maand mei 2012 al een tekort van ruim € 2 miljoen werd voorzien, waarbij overigens de betaling van de aanneemsom voor Diana en Vesta geheel buiten beschouwing is gelaten en huurinkomsten zijn meegerekend van niet daadwerkelijk verhuurde kantoorruimte.65’’
112.
Met deze overweging van het hof, alsook met het opnemen van bewijsmiddel 20 (hiervoor weergegeven), is voorts het belang van verzoeker ex art. 80a RO gegeven.
113.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Middel III:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR, 47, 51 en 341 (oud) Sr, 348, 349, 350, 358, 359 en 415 Sv doordat de bewijsvoering niet redengevend is voor het in de zaak ‘Kirishima’ (parketnummer 08-996128-13) bewezenverklaarde onder feit 1 primair (feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk) en feit 3 (medeplegen van bedrieglijke bankbreuk) en/of die bewezenverklaring (telkens) onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed. Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
De bewezenverklaring onder 1. primair
1.
Volgens de bewezenverklaring onder 1. primair heeft verzoeker als feitelijk leidinggever van [bedrijf 1] B.V. ([bedrijf 1]), die bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 12 juli 2012 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 1 januari 2010 toe en met 5 maart 2014 de rechten van schuldeisers bedrieglijk verkort door de volgende handelingen:
- a.
onttrekken van goederen aan de boedel
- c.
vervreemden van enig goed, klaarblijkelijk beneden de waarde
en wel van de volgende goederen:
- A)
*** het — bij overeenkomst van 1 december 2011 — de facto kwijtschelden van een vordering van [bedrijf 1] op [bedrijf 1] B.V., later [bedrijf 6], door daarin te bepalen dat de vordering van [bedrijf 1] op [bedrijf 1] Promotie per 30 november 2011 ten bedrage van EUR 38.250.000 — die [bedrijf 1] had verpand aan de Rabobank — middels een (agio)storting door [bedrijf 1] van EUR 38.250.000 op door haar gehouden aandelen [bedrijf 1], later [bedrijf 6] wordt omgezet en waarbij [bedrijf 1] verklaart niets meer van [bedrijf 1], later [bedrijf 6], te vorderen te hebben uit hoofde van de vordering en kwijting verleent aan [bedrijf 1], later [bedrijf 6], voor betaling van de vordering, als gevolg waarvan het bedrag van de deelneming van [bedrijf 1] in het risicodragend kapitaal van [bedrijf 1], later [bedrijf 6], is verhoogd en [bedrijf 1] Holding per saldo heeft afgezien van het vermogensrecht bestaande in die vordering en het pandrecht van de Rabobank is miskend;
*** het op 1 december 2011 middels notariële akte (ver) beneden de waarde verkopen/overdragen van de aandelen van [bedrijf 1], later [bedrijf 6], te weten EUR 7.000.000, aan [bedrijf 3] BV, waarbij is overeengekomen dat betaling van de koopsom van de aandleen is voldaan middels de hierna te noemen geldleningsovereenkomst;
*** het op 1 december 2011 sluiten van een geldleningsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] waarbij [bedrijf 1] een geldbedrag van EUR 7.000.000 leent aan [bedrijf 3] onder meer onder voorwaarde van 7 jaarlijkse aflossingen van elk EUR 1.000.000 door [bedrijf 3] te beginnen op 1 december 2012
*** het op 1 december 2011 sluiten van een sponsorovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 1], later [bedrijf 6], inhoudende dat [bedrijf 1] gedurende zeven jaren jaarlijks EUR 1.000.000 betaalt voor door [bedrijf 1], later [bedrijf 6] te leveren sponsoractiviteiten,
welke feiten tezamen en in onderling verband bezien ertoe hebben geleid dat aanzienlijke vermogensbestanddelen het vermogen van [bedrijf 1] hebben verlaten, en
- C)
*** het op een tijdstip in de bewezenverklaarde periode opmaken van een geldleningsovereenkomst, gedateerd 4 januari 2011, waarin [bedrijf 1] — zonder zakelijk belang en zonder zekerheden — een lening verstrekt aan [bedrijf 7] BV ter hoogte van EUR 2.050.000 en
*** het op een tijdstip in de bewezenverklaarde periode opstellen van een pandrechtsovereenkomst, waarin onder meer staat vermeld dat [bedrijf 1] aan [bedrijf 7] BV een geldlening verstrekt van EUR 2.050.000 en waarin door verdachte wordt erkend een schuld aan [medeverdachte 2] te hebben van EUR 2.050.000 gebaseerd op een ogenschijnlijk op 28 september 2009 gedateerde overeenkomst VVHV (Verrekening Verleden Huwelijkse Voorwaarden) en erkent de in die VVHV afgesproken bedragen niet tijdig conform afspraak heeft betaald aan [verdachte]-[medeverdachte 2] en dat [bedrijf 1] onzakelijk/onverplicht een pandrecht/zakelijke borgtocht voor de gestelde schuld van verdachte aan [medeverdachte 2] verleent voor een bedrag van EUR 2.050.000 aan [medeverdachte 2], in houdende dat indien verdachte zijn verplichtingen aan [medeverdachte 2] niet voor 1 december 2013 nakomt automatisch per 31 december 2013 het pandrecht/zakelijk borgtocht zal worden ingeroepen waardoor na uitoefening van het pandrecht/zakelijke borgtocht [bedrijf 1] een vordering ad EUR 2.050.000 heeft op verdachte en/
*** het (veel eerder dan verplicht) overmaken op 4 januari 2011 van de (bank)rekening van [bedrijf 1] van een bedrag van EUR 2.050.000 op de bankrekening van [bedrijf 7] BV met de omschrijving ‘overboeking’
welke feiten tezamen en in onderling verband bezien ertoe hebben geleid dat een bedrag van EUR 2.050.000 aan het vermogen van [bedrijf 1] is onttrokken.
De bewezenverklaring onder 3.:
2.
Volgens de bewezenverklaring onder 3. heeft verzoeker, die bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 27 november 2012 in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met [verdachte]-[medeverdachte 2] of met [medeverdachte 1] jr. of alleen in de periode van 1 december 2010 toe en met 5 maart 2014 de rechten van schuldeisers bedrieglijk verkort door de volgende handelingen:
- a.
onttrekken van goederen aan de boedel
- c.
vervreemden van enig goed, klaarblijkelijk beneden de waarde
door ten aanzien van de volgende goederen:
tezamen met [medeverdachte 2]:
*** op 1 december 2010 voor EUR 1 verkopen van de woning aan de [a-straat 01] te [a-plaats] aan de Stichting [stichting]
tezamen met [medeverdachte 1] jr:
*** op 23 december 2011 storten van een bedrag van EUR 600.000 — onverplicht en zonder (geldige) titel — op een bankrekening van [bedrijf 3] BV
tezamen met [medeverdachte 2]:
*** op of omstreeks 26 januari 2012 betalen van een geldbedrag van EUR 1.000.000 aan [bedrijf 3] BV — zonder redelijke en/of duidelijke tegenprestatie en zonder zakelijk belang — met de omschrijving jaarsponsoring [bedrijf 1]
*** op of omstreeks 23 december 2011 — onverplicht en zonder (geldige) titel — overmaken van een geldbedrag van EUR 2.500.000 en op 26 januari 2012 een geldbedrag van EUR 2.000.000 vanaf verdachtes privérekening op een bankrekening van de Stichting [stichting]
*** op één of meer tijdstippen in genoemde periode — onverplicht en zonder (geldige) titel — overmaken van geldbedragen tot een totaal van EUR 1.080.000 naar een bankrekening van [medeverdachte 2]
alleen:
*** op of omstreeks 29 december 2011 opnemen van een geldbedrag van EUR 250.000 contant van zijn bankrekening.
Juridisch kader
3.
Voor bewezenverklaring van het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ in de bewezenverklaring van feiten 1. en 3. is vereist dat uit de bewijsvoering kan blijken dat is gehandeld met het opzet op die verkorting, waaronder ook voorwaardelijk opzet is begrepen. Dat wil zeggen dat ten minste het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers is vereist.7.
4.
De Hoge Raad bevestigde in 2017 dat ten tijde van de handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement moet hebben bestaan of ten gevolge daarvan ontstond:
‘Het Hof heeft in zijn hiervoor onder 5.3 weergegeven motivering van de vrijspraak overwogen dat ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen, 20 augustus 2004, ‘geen aanmerkelijke kans op het faillissement bestond’ en dat die aanmerkelijke kans ‘ook niet is ontstaan als gevolg van de ten laste gelegde handelingen’, op welke grond het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat het handelen van de verdachte niet de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan. Dat oordeel getuigt, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen en hetgeen het Hof met betrekking tot de omstandigheden ten tijde van de aan de verdachte verweten gedragingen heeft vastgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.’ 8.
5.
In zijn conclusie voor dit arrest maakt Advocaat-generaal Hofstee duidelijk dat wetgeving, rechtspraak en literatuur het oordeel van het hof rechtvaardigen.9.
6.
Volgens Hofstee komt ‘de opvatting van het hof overeen met de redenering van Hilverda ten aanzien van de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers.’10.
7.
In de visie van Hilverda ‘gaat het vereiste dat de gedraging moet zijn verricht met het opzet op de benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden uit (voor zover het gaat om gedragingen vóór faillissement) van het opzet dat een faillietverklaring met een tekort daarin zal volgen’.11.
8.
Ook stelt zij dat ‘de objectieve ondergrens van de woorden ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ het volgende in[houdt] (…): voor zover het gaat om gedragingen vóór faillissement: dat ten tijde van de gedraging ten minste een aanmerkelijke kans moet hebben bestaan dat (al dan niet door de betreffende gedraging) een faillietverklaring met een tekort daarin zou volgen en dat de schuldeisers in het latere faillissement door de gedraging zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden’.12.
9.
Hofstee concludeert:
‘Het voorgaande brengt mee dat ten tijde van de handeling een aanmerkelijke kans op een faillissement moet hebben bestaan of dientengevolge zijn ontstaan, zoals het hof heeft overwogen.’ 13.
10.
Hofstee wijst eveneens — in navolging van Hilverda — op rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van art. 42 Fw (de Actio Pauliana) en de invulling van de zinsnede ‘wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn’. Daarvan is sprake indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien.14.
11.
In dat verband wijst Hofstee ook op de wetsgeschiedenis van de nieuwe strafbaarstellingen van faillissementsfraude,15. zoals op 1 juli 2016 in werking getreden.16. Uit die wetsgeschiedenis blijkt dat een belangrijk uitgangspunt is dat de strafrechtelijke norm overeenkomt met de normen neergelegd in de Faillissementswet.17. Dat is reden temeer om aansluiting te zoeken bij de invulling die in het faillissementsrecht aan de norm wordt gegeven.
12.
Daarnaast blijkt uit de wetsgeschiedenis zelf dat de term ‘ter bedrieglijke verkorting’ een aanvullend opzet van de dader vereist, gericht op (het intreden van) het faillissement en de daaruit voortvloeiende benadeling van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden:
‘Het verband tussen de strafbaar gestelde handeling vóór het faillissement en dat faillissement wordt gelegd door het vereiste opzet van de dader (‘weten dat door de handeling die hij verricht schuldeisers worden benadeeld’). In dat (voorwaardelijk) opzet ligt ook een op enig moment intredend faillissement besloten.’ 18.
13.
Ook annotator Keulen bevestigt dat de wetgeschiedenis van de nieuwe strafbaarstellingen de beslissing van het Hof rechtvaardigt, nu uit die wetsgeschiedenis blijkt dat geen sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever, maar van het afstemmen van de wettekst op de invulling die aan de oude wettekst is gegeven. Daaruit blijkt dat ook onder de oude wetgeving het voorwaardelijk opzet vereist dat het faillissement en het tekort daarin was te voorzien:
‘Zou de Hoge Raad de vrijspraken ter zake van bedrieglijke bankbreuk hebben gecasseerd, dan zouden de wijzigingen van de onderhavige bepalingen bij de nieuwe berechting een rol hebben gespeeld op grond van art. 1 lid 2 Sr. Aannemelijk is dat het gewijzigd inzicht van de wetgever in dat geval had meegebracht dat voor de ten laste gelegde feiten geen veroordeling was gevolgd. Het standpunt van de wetgever dat de in deze artikelen omschreven gedragingen slechts bij opzet op het intreden van faillissement strafwaardig zijn, verdraagt zich moeilijk met bestraffing van eerdere gedragingen waarbij dat opzet niet kan worden vastgesteld.’ 19.
14.
Dat de nieuwe strafbaarstellingen geen gewijzigd inzicht van de wetgever behelzen is in recente rechtspraak meermaals bevestigd.20.
15.
In 2022 heeft de Hoge Raad bevestigd dat (ook onder de oude wetgeving) het voorwaardelijk opzet vereist dat het faillissement en het tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien.21.
Het oordeel van het hof:
16.
Het gerechtshof heeft dat toetsingskader niet miskentd waar het als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht (p. 17 van het arrest)
‘dat verdachte vanaf oktober 2010, de datum waarop ABN Amro de kredietfaciliteiten van [bedrijf 1] opzegde, zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement en daarmee, bij het onttrekken van goederen aan de boedel, het bevoordelen van een schuldeiser, of het vervreemden van goederen beneden de waarde, op benadeling van de schuldeisers en dat hij die kans ook bewust heeft aanvaard
en dat
De gevolgen van de kredietcrisis en in her verlengde daarvan — de vastgoedcrisis (…) voor [bedrijf 1] evident (waren). De banken stelden hogere eisen aan de kredietverlening en eisten meer zekerheid. De waarde van het vastgoed van [bedrijf 1] en van de gebouwen in aanbouw daalde. Maar de bedrijfskosten, de gebouw gebonden kosten, de rente- en aflossingsverplichtingen verminderden niet en liepen gewoon door. Verdachte heeft overigens niet betwist dat de waarde van het vastgoed was gedaald, maar heeft betwist met welk bedrag het vastgoed van [bedrijf 1] moest worden afgewaardeerd.
De verhuur en verkoop van de gebouwen stagneerden, terwijl het bedrijf wel aan zijn verplichtingen moest blijven voldoen.’
17.
Verder dan deze algemene beschouwingen over de kredietcrisis en — in het verlengde daarvan — de vastgoedcrisis en wat dat voor [bedrijf 1] kan hebben betekend, komt het gerechtshof echter feitelijk niet. Uit de overwegingen kan niet volgen dat concreet — en ten tijde van de bewezenverklaarde handelingen — sprake was van een aanmerkelijke kans op een faillissement22. van [bedrijf 1] en/of in privé en/of dat verzoeker, die zulks betwist heeft, zich daarvan bewust was/willens en wetens die kans en/of die op de aanmerkelijke kans dat de rechten van de schuldeisers bedrieglijk zouden worden verkort, heeft aanvaard. Een en ander zal in het navolgende uiteengezet worden.
18.
De aan de algemeenheden gekoppelde veronderstellingen van het gerechtshof, te weten dat de crises ook gevolgen hadden voor [bedrijf 1] en wel in die mate dat de kans dat op een faillissement (daardoor) aanmerkelijk was, worden door de bewijsvoering niet gedekt. Weliswaar wijst het gerechtshof op de valse documenten waarvoor verzoeker in de hiermee samenhangede zaak ‘Vercors’ bij hetzelfde arrest is veroordeeld, waarbij het motief om die documenten te vervalsen mede zou zijn gelegen in het verkrijgen van kredieten die nodig waren om de zware tijden het hoofd te bieden en waaruit zou volgen dat dus voor een faillissement gevreesd moest worden, maar dat motief en in ieder geval die gevolgtrekking kunnen uit de bewijsvoering niet blijken. Meer in het bijzonder geldt dit voor de in de overwegingen vermelde feiten en omstandigheden met betrekking tot de daling van waarde van het vastgoed van [bedrijf 1] en van de gebouwen en/of (impliciet) het (daardoor) niet meer kunnen voldoen aan de doorlopende bedrijfskosten, de gebouw gebonden kosten, de rente- en aflossingsverplichtingen.
19.
Onbegrijpelijk zijn voorts de overwegingen van het gerechtshof dat verzoeker een faillissement temeer moest hebben zien aankomen, omdat (p. 18 arrest)
‘als de kredietverstrekkers de malversaties zouden ontdekken, zij alle contacten met [bedrijf 1] zouden verbreken en zijn kredietmogelijkheden volledig zouden opdrogen. De enige vraag was hoelang het zou duren voordat aan het licht zou komen dat hij de banken had misleid en het bedrijf als een kaartenhuis ineen zou storten.’
20.
Verondersteld mag worden dat een verdachte die valsheid in geschrifte pleegt er niet vanuit gaat dat zijn kwalijke handelen wordt ontdekt. Aannemelijk is dat als hij daarvan wel uit zou gaan, hij het handelen anders achterwege zou hebben gelaten. Hij weet wel dat er een risico bestaat dat het wordt ontdekt, maar gaat ervanuit dat zich dit niet zal realiseren. Een vergelijking kan in dit verband worden getrokken met de redenering in het zgn ‘Porsche-arrest’ van uw Raad die er vertaald naar de onderhavige casus — kort gezegd — op neerkomt dat kan worden verondersteld dat de verdachte in die zaak het mogelijke gevolg van zijn handelen (de dood van zijn eigen bedrijf (lees: faillissement) niet ook op de koop zou hebben heeft toegenomen. Uitgaande van de redenering van het gerechtshof was het immers juist dát doel, het overleven, dat de reden voor de malversaties vormde.
21.
Bovendien betekent het feit dat die valsheid in geschrifte zou worden ontdekt, ook al heeft die valsheid betrekking op de kredietverlening, niet zonder meer dat een faillissement daarvan het gevolg is en/of de kans daarop aanmerkelijk. Met de link die het gerechtshof ook later in de overwegingen (p. 20 van het arrest) legt tussen de valsheid in geschrifte en een mogelijk faillissement miskent het dat die valsheid weliswaar mogelijk is ingegeven door de liquiditeitspositie van de [bedrijf 1] te vergroten, maar kan daaruit niet worden afgeleid dat die zodanig was dat er een aanmerkelijke kans op een faillissement was.
22.
Uit de overwegingen van het gerechtshof volgt dat de malversaties waarover hier wordt gesproken, op 15 november 2011 door een bekennende verklaring van verzoeker tegenover de Rabobank en FGH bank aan het licht kwamen. Niet kan echter blijken dat voornoemde banken aan een en ander consequenties verbonden, zodanig dat die tot een faillissement zouden kunnen leiden. De overweging in dat verband van het gerechtshof:
‘op 15 november 2011 was het faillissement — tenzij er een wonder zou gebeuren — onvermijdelijk’
is dan ook onbegrijpelijk.
23.
Aan een en ander doet niet af dat het gerechtshof concludeert dat ‘het concern’
‘al moeite (had) om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. De jaarrekening 2009 van [bedrijf 4] vermeldde al dat de beleggingsmarkt nagenoeg tot stilstand was gekomen. In 2009 is maar één gebouw verkocht. Die omzet was nauwelijks voldoende om de jaarlijkse bedrijfskosten te dekken. Rente en aflossingen over de kredieten zijn dan nog niet betaald, terwijl die kredieten een bedrag van bijna € 700 miljoen beliepen. De negatieve kasstroom dat jaar was ruim € 160 miljoen.’
24.
Uit de verwijzing die het gerechtshof in dat verband doet naar bewijsmiddel 12 (wij begrijpen: van de bewijsmiddelen ‘Kirishima’, bijlage C bij het arrest) kan zulks ten eerste bezwaarlijk worden afgeleid, omdat dit bewijsmiddel ziet op (de jaarrekening van) [bedrijf 4] en de bewezenverklaring en het faillissement in 2012 betrekking hebben op [bedrijf 1]. Bovendien blijkt uit het in dat bewijsmiddel opgenomen stuk niet meer dan dat
- ‘a)
de kasstroom in 2009 negatiever was dan in 2008 (€ 163.482.000 tegenover € 1.352.000)
zonder dat uit de bewijsvoering kan blijken tot welke gevolgen dat zou kunnen leiden;
- b)
de kredietcrisis voor [bedrijf 1] tot gevolg heeft gehad, dat de top-beleggingsprodukten geen eindbelegger konden vinden, waardoor het balanstotaal opgelopen is,
eveneens zonder dat uit de bewijsvoering kan blijken tot welke gevolgen dat kon leiden en meer in het bijzonder of dit de (totale) financiële positie. [bedrijf 1] had meer producten, waaronder verhuur, terwijl niet kan blijken dat ook in dat segment van ontwikkelingen die een negatieve invloed hadden sprake was. Dat op basis van die jaarstukken voor een faillissement gevreesd moest worden en/of dat daarop, zoals het gerechtshof heeft geoordeeld, een aanmerkelijke kans bestond is dan ook zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk;
- c)
terwijl ook uit de daarin opgenomen winst- en verliesrekening
niet zonder meer kan volgen dat daarvan sprake was’
25.
En wat zich daarnaast opdringt: kennelijk heeft het gerechtshof zich in dezen voor het bewijs geheel verlaten op de situatie in 2009. Zulks ten onrechte nu volgens de bewezenverklaring van 1. primair alle bedrieglijke handelingen hebben plaatsgevonden in 2011 en begin 2012 en het bij het bewezenverklaarde onder 3. gaat om bedrieglijke handelingen van 30 december 2010 (datum koopcontract, datum leveringsovereenkomst is 30 december 2012), 23 december 2011 (2x), 29 december 2011, 26 januari 2012 en ‘een of meer tijdstippen in de periode 1 december 2010 tot en met 17 juli 2014’. Uit de bewijsvoering ((jaar)stukken of anderszins) kan niet volgen dat over de jaren 2010 en/of 2011 sprake is van een beeld waarin van een zodanig penibel wordende financiële situatie van [bedrijf 1] sprake was, waarvan verzoeker als bestuurder geacht moet zijn op de hoogte te zijn geweest, dat de kans op een faillissement aanmerkelijk was. Integendeel, het gerechtshof maakt zelf melding van het feit dat in 2010 meer omzet werd gegenereerd (p. 18 arrest).
26.
Het enkele feit dat na opzegging in 2010 door ABN Amro van de kredietfaciliteiten verzoeker er tijdens onderhandelingen met deze partij op heeft gewezen (p. 18 arrest)
‘dat het uitblijven van overeenstemming over de condities en voorwaarden van een nieuwe kredietovereenkomst mogelijk consequenties kon hebben voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van de [bedrijf 1]-groep’
brengt, anders dan het gerechtshof van oordeel is, nog niet mee dat daaraan de conclusie moet/kan worden verbonden dat verzoeker toen zelf van mening was dat van een aanmerkelijke kans op een faillissement sprake was. Meer in het bijzonder niet nu de hiervoor vermelde uitlatingen kennelijk argumenten vormden in onderhandelingen met als doel ABN Amro ertoe te bewegen de kredietfaciliteit op een door verzoeker gewenste manier voort te zetten. Dat hij ABN Amro hiermee feitelijk meedeelde, zoals het gerechtshof kennelijk voor ogen heeft, dat alsdan een faillissement aanstaande is reeds daarom niet waarschijnlijk nu ABN Amro de betrekkingen met het bedrijf acuut zou hebben verbroken, terwijl het — integendeel — de relatie met verzoeker toen heeft voorgezet (onder andere voorwaarden, zie ook hierna).
27.
Een en ander wordt niet anders wanneer daarbij bewijsmiddel 13 wordt betrokken, waarnaar het gerechtshof in noot 59 verwijst, nu daarin (door kennelijk de Fortis bank, later ABN Amro bank) niet meer wordt opgemerkt dan dat zij, wanneer de daarin genoemde financieringen zouden komen te vervallen, hebben gewezen
‘op de mogelijke risico's van bovenstaande ontwikkelingen voor de continuïteit van de bedrijfsvoering indien er geen overeenstemming is over de condities en voorwaarden zoals verwoord in de Nieuwe Kredietovereenkomst. (onderstreping JK en DS)’
Dat de bank, vanuit de eigen positie bekeken, risico's ziet wil nog niet zeggen dat die vanuit [bedrijf 1] of schuldeisers op dezelfde manier bekeken zouden moeten worden, nog daargelaten dat in de brief wordt opgemerkt dat het gaat om ‘mogelijke’ risico's en dat ‘risico's voor de continuïteit’ niet per definitie betekent dat de kans op een faillissement aanmerkelijk is.
28.
Dat de bank ‘geen vertrouwen meer in verdachte (had) en het dossier was 1 juni 2010 (had) overgedragen aan de afdeling Bijzonder Beheer’ (p. 18 arrest) is feitelijk onjuist: het bewijsmiddel is eerder een bevestiging van het feit dat toen van een situatie waarin van een faillissement in zicht kwam geen sprake is. De overdracht aan ‘Bijzonder beheer’ vond immers niet plaats omdat daarvoor werd gevreesd, maar had tot doel óf het opstellen van een behandelplan waarbij er na afloop nog zaken wordt gedaan met de dient, óf een behandelplan met als doel afscheid te nemen. Bij [bedrijf 1] was het in eerste instantie de bedoeling om na afloop van het behandelplan zaken te blijven doen.
29.
Dat later (wanneer dat was blijkt niet uit het bewijsmiddel) is gekozen voor de ‘exit strategie’, betekent niet dat daarmee het faillissement van [bedrijf 1] bezegeld was, maar enkel dat ABN Amro geen zaken meer met [bedrijf 1] wilde doen. Eerder rijst het beeld dat ABN Amro, ondanks de bewoordingen in de brieven, onderhandelingen met [bedrijf 1] /verzoeker bleef voeren (bewijsmiddel 16, 17).
30.
Uit de daarop volgende in de overwegingen opgenomen bewijsmiddelen dan wel andere bewijsmiddelen kan evenmin, anders dan het gerechtshof het doet voorkomen, blijken van een situatie waarbij de kans aanmerkelijk is dat er een faillissement aanstaande is, net zomin als dit uit de jaarrekening 2010 kan blijken (zie de door het gerechtshof in de voetnoten 58 t/m 63 genoemde bewijsmiddelen 12, 13, 15, 17).
31.
De overweging van het gerechtshof, in dit verband, dat verzoeker zou hebben verklaard niet meer aan de aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen is bovendien niet juist: uit bewijsmiddel 90 waarnaar het gerechtshof daarvoor verwijst, kan dit niet blijken nu daarin staat vermeld:
‘90.
Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van [verdachte] sr. aan ABN Amro van 27 juni 2011, voor zover van belang inhoudende (D-489, pag. 3436):
‘Dit betekent concreet, dat wij naar de ABN AMRO de afgesproken (reguliere) aflossingen kunnen blijven voldoen, behoudens het terugbrengen van de multi-purpose kredietfaciliteit ad € 25 miljoen. Deze kan per 1 juli 2011 worden teruggebracht tot € 22 miljoen, waarna maandelijks € 1 miljoen aflossing zal plaatsvinden, voor het eerst per 1 augustus 2011.
Ten aanzien van de volledige beëindiging van alle faciliteiten bij ABN AMRO per 1 oktober 2011 merken wij bij deze al op, dat dit enkel en alleen mogelijk is indien structurele verkopen plaatsvinden, hetgeen op dit moment nauwelijks mogelijk zal zijn, maar wij willen niet vooruitlopen op hetgeen de komende maanden wellicht toch nog zal gebeuren, echter, wij vinden het van belang u reeds nu hierover te informeren.’
(onderstrepingen JK en DS)
32.
Dat [bedrijf 1] op de voor de bewezenverklaring van belang zijnde data niet meer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen en dit een aanmerkelijke kans op een faillissement zou opleveren, zoals het gerechtshof overweegt (p. 19 arrest), kan evenmin volgen uit de bewijsvoering. De notitie van de curatoren waarnaar daarvoor wordt verwezen (bewijsmiddel 10) dateert van 13 januari 2014 en geeft een overzicht van de jaren 2000 — 2012 van het bedrijf. Behoudens dat er uit kan blijken dat door het bedrijf vanaf 2008 veel wordt gedaan om (de gevolgen van) de kredietcrisis het hoofd te bieden, is het stuk niet toereikend om de conclusie dat toentertijd een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond en betrokkenen, meer in het bijzonder verzoeker, zich daarvan bewust waren, te dragen.
33.
Het is een stuk, overigens net als bewijsmiddel 21, waarin achteraf en met ‘de wetenschap van nu’ de aan het faillissement voorafgaande periode wordt beschouwd. Daarbij kan het feit dat bij beschouwing van de financiële stukken wordt gezien dat ‘in de loop van het jaar 2011 de liquiditeitsproblemen steeds nijpender werden en [bedrijf 1] de financiering van een paar nieuwe panden niet meer rond (kon) krijgen’ (onderstreping JK en DS) destijds mogelijk wel een reden tot zorg zijn geweest,23. maar dit betekent niet dit automatisch meebracht dat ook de kans op een faillissement aanmerkelijk werd én verzoeker zich daarvan op dat moment bewust was.
34.
Ook het feit dat in de liquidatieprognose (overigens een tot de bewijsmiddelen behorend onleesbaar stuk, bewijsmiddel 20) ten aanzien waarvan door het gerechtshof wordt overwogen dat voor de maand mei 2012 een tekort van ruim 2 miljoen werd voorzien en waarbij volgens het gerechtshof bovendien de betaling van de aanneemsom voor Diana en Vesta geheel buiten beschouwing is gelaten en huurinkomsten zijn meegerekend van niet daadwerkelijk verhuurde kantoorruimte, kan het bewijs van de (bewustheid van de) aanmerkelijke kans op een faillissement reeds vanwege het feit dat de liquiditeitsplanning waaraan het gerechtshof voor de bewijsvoering refereert, betrekking heeft op een periode van ná de beweerdelijke gedragingen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers (te weten 2010, 2011 en begin 2012) niet dragen, net als de daarna opgenomen overwegingen op p. 19 van het arrest omtrent het rapport Honda van Ernst & Young (met betrekking tot Arab Investments), bewijsmiddel 91, dat eveneens dateert uit het jaar 2012 (2 april) en waarin onder meer is opgemerkt:
‘In de bovenstaande tabel en grafiek is de liquiditeitsprognose weergegeven die door het management is opgesteld voor de periode februari 2012 tot en met juli 2013.
en
- •
Rekening houdend met de bestaande rente-, aflossing- en afnameverplichtingen bevindt [bedrijf 1] zich momenteel [opm JK en DS: op de datum van het rapport, te weten 2 april 2012] in acute liquiditeitsproblemen (onderstreping JK en DS)’
35.
Van de beslagleggingen waaraan het gerechtshof voorts refereert kan, gezien de omvang van het bedrijf, evenmin worden gezegd dat zij geëigend zijn om een aanmerkelijke kans op een faillissement te bewerkstelligen dan wel leiden tot de conclusie dat verzoeker die kans bewust heeft aanvaard, terwijl ook ten aanzien daarvan moet worden vastgesteld dat zij grotendeels uit 2012 zijn en aldus dateren van na de beweerdelijk gepleegde handelingen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers.
36.
Uit de overwegingen van het gerechtshof blijkt verder dat verzoeker kennelijk ten tijde van c.q. voorafgaand aan de beweerdelijke gedragingen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers, gelijk zijn eigen stelling, op 27 september 2011 een kredietvoorstel van NIBC had gekregen (bewijsmiddel 92) en dat uitbetaling toen kennelijk ook heeft plaatsgevonden (bewijsmiddel 94). Dit vormt een belangrijke tegenindicatie voor de aanmerkelijke kans op een faillissement. Deze door het door het gerechtshof óók tot bewijs gebezigde feiten, die feitelijk de bewezenverklaring tegenspreken, maken dat de bewezenverklaring en/of de daartoe gebezigde motivering onbegrijpelijk zijn. Dat namens NIBC later in dat verband is verklaard dat als zij wisten van de verdenking van fraude bij [bedrijf 1] zij niet tot uitbetaling waren overgegaan, doet daaraan niet af.
37.
Een en ander geldt mutatis mutandis voor het verlenen van een ‘beredderingskrediet’ (bewijsmiddel 95) waarover de getuige [getuige 8] heeft verklaard en waaraan het gerechtshof (p. 20 arrest) bewijsoverwegingen wijdt: ook die omstandigheid is feitelijk in tegenspraak met het oordeel van het gerechtshof dat er een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond. Voornoemd bewijsmiddel houdt immers in:
‘Voor FGH bank was dhr. [verdachte] een grote klant.
We vonden ook dat we hier heel zorgvuldig in moesten handelen. Het ging om een belangrijk en groot bedrijf dat wij al lang als klant kenden. Wij wilden ons dus goed voorbereiden. Het was voor ons niet niks.
U vraagt mij weer naar de krapper wordende liquiditeitspositie van [bedrijf 1]. Wij dachten toen dat er wel een einde zou komen aan de crisis en wij wilden deze klant [bedrijf 1], ondersteunen. Je kunt het een beredderingskrediet noemen. (onderstreping JK en DS).’
38.
Het feit dat en de reden waarom, te weten een verwacht einde van de crisis en vertrouwen in deze ‘grote klant’ voor FGH bank, maakten kennelijk dat de bank c.q. [getuige 8] ondanks de krapper wordende liquiditeitspositie van [bedrijf 1] toen niet aan faillissement dachten. In zijn motivering van de bewezenverklaring legt het gerechtshof mede in het licht hiervan niet genoegzaam uit waarom verzoeker daar toen dan wel beducht voor had moeten zijn en/of niet, net als de FGH bank en [getuige 8], van een kortere duur en beperkter effect van de kredietcrisis en de eigen kracht van het bedrijf uit mocht gaan.
39.
Integendeel: onbegrijpelijkerwijze overweegt het op p. 20/21 van het arrest het volgende:
‘De schuld aan [bedrijf 4] was mede ontstaan door de aankoop in privé van aandelen Fortis, ING ABN Amro en Aegon. Deze aankoop was gefinancierd door [bedrijf 1]. Verdachte heeft verklaard dat hij in 2007 is benaderd door de bestuursvoorzitters van Fortis en ING met het verzoek aandelen te kopen om de liquiditeitsproblemen bij die banken op te lossen. Verdachte heeft voor € 70 miljoen aandelen gekocht. De waarde van de aandelen is door de kredietcrisis met € 50 miljoen gedaald. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte er steeds van is uitgegaan dat de banken hem zouden compenseren voor dit verlies of dat zij ten minste een morele plicht zouden voelen [bedrijf 1] door eventueel zwaar weer heen te helpen. Hij mocht erop vertrouwen dat de banken [bedrijf 1] en in het verlengde daarvan hemzelf overeind zouden houden.
Deze verklaring, die op geen enkele wijze is onderbouwd met verklaringen van getuigen of brieven dan wel andere stukken of informatie, is niet aannemelijk geworden. De vier medewerkers van de ING, die volgens verdachte bij de gesprekken aanwezig waren geweest, zouden op zijn verzoek bij de raadsheer-commissaris worden gehoord. Zij waren alle vier onvindbaar.
Het hof acht het hoogst onaannemelijk dat de bestuursvoorzitters een dergelijk verzoek aan verdachte zouden hebben gedaan. Niet valt in te zien hoe dergelijke aandelentransacties liquiditeitsproblemen van de banken hadden kunnen oplossen, maar het is bovendien niet geloofwaardig dat verdachte een dergelijk risico zou zijn aangegaan zonder enige garantie van de betrokken banken voor een eventueel verlies. En ais verdachte dat wel zou hebben gedaan zonder enige schriftelijke bevestiging is niet duidelijk op grond waarvan verdachte erop mocht vertrouwen dat de betreffende banken na het vertrek van de betreffende bestuursvoorzitters op basis van een nergens vastgelegd, beweerdelijk verzoek jegens verdachte en de aan hem gelieerde vennootschappen extra coulant zouden zijn. Het hof ziet in het dossier ook geen aanwijzingen (behalve de bewering van verdachte) dat de beweerdelijke verzoeken, dan we toezeggingen tot coulance aan de orde zijn geweest in de gesprekken met de banken nadat het concern in zwaar weer kwam te verkeren.(onderstrepingen JK en DS)’
40.
De inhoud van de in de bewijsmiddelen opgenomen verklaring van [getuige 8] kan bezwaarlijk anders worden gelezen dan dat daaruit volgt dat bij — in ieder geval — de FGH bank zorgvuldig handelen de insteek was en dat zij nadat [bedrijf 1] in zwaar weer kwam, het bedrijf wilden ondersteunen. Bovendien dachten zij dat er wel een einde zou komen aan de crisis. Anders dan het gerechtshof overweegt — waarmee bovendien wederom sprake is van een tegenstrijdigheid in de bewijsvoering — waren er aldus wel degelijk aanwijzingen dat er sprake was van door de bank(en) gevoelde morele plichten, een wens om het bedrijf overeind te houden en mocht coulance worden verwacht.
41.
Het oordeel van het gerechtshof dat dit niet zo was en/of de verklaring van verzoeker in dat opzicht niet aannemelijk is geworden, is dan ook onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.
42.
Het gerechtshof betrekt de redenering die hiervoor is betwist ook door naar het privé-faillissement van verzoeker (p. 22 e.v.):
‘De borgstelling jegens ABN Amro en de torenhoge schuld aan [bedrijf 4] leidden ertoe dat een faillissement van [bedrijf 1] onvermijdelijk ook zou leiden tot een privéfaillissement, omdat verdachte geen mogelijkheden had om zijn verplichtingen jegens [bedrijf 4], de schuld in rekening-courant, en de ABN Amro na te komen. Zijn aangifte inkomstenbelasting 2009 vermeldt al een negatief privévermogen van zo'n € 19 miljoen.’
43.
In dat verband wordt door het gerechtshof verwezen naar bewijsmiddel 46, waarin evenwel niet meer staat opgenomen dan dat:
‘Het totaal van de bezittingen van verdachte per 31 december 2009 € 81.345.437,-- bedraagt en het totaal van de schulden € 100.315.641.’
44.
Kennelijk beoordeelt het gerechtshof dit als problematisch en/of ongebruikelijk en/of ziet het dit als aanwijzing dat verzoeker (op korte termijn) niet meer aan zijn financiële verplichtingen (jegens de banken?) zou kunnen voldoen. Op grond van deze ene zin uit een aangifte Inkomstenbelasting is die conclusie zonder wetenschap over de aard van de schulden en de daaraan verbonden verplichtingen tot terugbetaling daarvan en/of de overige in de aangifte opgenomen feiten en omstandigheden echter bezwaarlijk te trekken.
45.
De vraag is dan of er feiten en omstandigheden zijn die een dergelijke conclusie wél zou kunnen rechtvaardigen.
46.
In dat verband zijn de volgende door het gerechtshof genoemde bewijsmiddelen en daaraan gekoppelde bewijsoverwegingen, met telkens daarop door ondergetekenden gegeven commentaar, van belang:
‘46.1
de verklaring van [adviseur], belastingadviseur bij de [bedrijf 5], ‘dat hij in het najaar van 2010 is benaderd door verdachte met de vraag hoe hij zijn pensioen en de woning uit de borgstelling van de bank kon houden’ (bewijsmiddel 26, overweging p. 22 arrest).
Commentaar: uit het feit dat verzoeker aan zijn adviseur [adviseur] heeft gevraagd/verzocht, zoals in het bewijsmiddel zelf staat, het pensioen en de woning naar zijn vrouw dan wel zijn kinderen over kon doen zodat dit buiten de privé borgstelling die de banken eisen bleef, kan niet worden afgeleid dat er een aanmerkelijke kans bestond dat verzoeker in privé binnen een afzienbare termijn niet meer aan zijn (betalings)verplichtingen kon voldoen en/of (daardoor) er een aanmerkelijke kans bestond dat [bedrijf 1] failliet zou gaan.
46.2
het overhevelen van vermogen uit de [bedrijf 1]-groep en uit zijn privébezittingen naar zijn gezinsleden zoals de overdracht van de [stal] aan de vennootschap van zijn zoon en hotel-restaurant [hotel-restaurant] aan zijn dochter,24. alsook de leningsovereenkomsten die hij sloot en waarbij [bedrijf 1] aanzienlijke bedragen aan zijn gezinsleden of hun vennootschappen leende en vervolgens de schulden ‘verrekende’ waarbij, aldus het gerechtshof, geen van deze transacties enig zakelijk belang van [bedrijf 1] diende.
Commentaar: het feit dat deze handelingen — volgens het gerechtshof — geen zakelijk belang van [bedrijf 1] dienden, brengt nog niet mee dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de handelingen plaatsvonden terwijl er een aanmerkelijke kans op een faillissement van [bedrijf 1] was.
46.3
uitholling van het privévermogen van verzoeker door de verkoop van zijn woning aan de Stichting [stichting] voor een bedrag van € 1,- en overboeking aan diezelfde Stichting van in totaal € 4,5 miljoen, de ontvangst van in totaal € 1.080.000.- op haar bankrekening door de echtgenote, van € 600.000 resp. € 1 miljoen in januari 2012 door en [bedrijf 3] en de contante opname van de bankrekening van de verdachte op 29 december 2011 van een bedrag van € 250.000,- Achteraf heeft verdachte getracht een zakelijke verklaring voor deze onttrekkingen te construeren, maar ook deze zijn, aldus het gerechtshof, allemaal gebaseerd op valse brieven, overeenkomsten en verklaringen.
Commentaar: van belang met betrekking tot deze (en overigens ook de andere) gedragingen, is om vast te stellen of zij plaatsvonden na de feiten en omstandigheden waaruit door het gerechtshof waaruit wordt afgeleid dat verzoeker zich bewust was van de aanmerkelijke kans op een faillissement. Alleen dan zou dit de conclusie dat zij hebben plaatsgevonden ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers kunnen dragen.
Uitgaande van de bewezenverklaring onder 3. hebben de bedrieglijke handelingen die verzoeker daarin worden verweten, ervoor plaatsgevonden.
- —
Afgaande op de overwegingen van het gerechtshof en de leesbare bewijsmiddelen (de bewijsmiddelen waarnaar in de overwegingen wordt verwezen zijn onleesbaar, om een leesbare versie daarvan is aanvullend verzocht en zal wellicht nog aanleiding zijn deze cassatieschriftuur aan te vullen en/of te wijzigen) gaat het bij de overeenkomst met betrekking tot de woning (kennelijk, het koopcontract bevindt zich niet onder de bewijsmiddelen) om een koopcontract van 30 december 2010 en een leveringscontract van 30 december 2012 (bewijsmiddel 48, zie aanhef ‘notariële akte van levering van 30 december 2012’). Dit brengt mee dat op het moment van de vermeend bedrieglijke handelingen van een levering aan de Stichting nog geen sprake was en het goed nog niet uit het vermogen van verzoeker naar de Stichting was overgeheveld.
- —
Bij de overboekingen aan de Stichting [stichting] gaat het volgens de overwegingen om tijdstippen ‘in december 2011 en januari 2012’ terwijl de vermeende handelingen ter bedrieglijke verkorting volgens de bewezenverklaring op 3 januari 2011, 4 januari 2011 en 1 december 2011 zouden hebben plaatsgevonden.
- —
De data van overboeking/ontvangst van gelden met betrekking tot de echtgenote en [bedrijf 3] lijken, gelet op de aanhef van de betreffende bewijsmiddelen (de inhoud van het bewijsmiddel is onleesbaar, zie hiervoor), te zijn geweest op 29 februari 2012 (bewijsmiddel 59–61), 31 augustus 2012 (bewijsmiddel 62) en 9 mei 2012 (bewijsmiddel 63), resp. 29 december 2011 (bewijsmiddel 58) en januari 2012 (overweging gerechtshof en bewijsmiddel 55).
- —
De contante opname door verzoeker van zijn eigen rekening is op 29 november 2011 geweest.’
47.
Reeds daarom rechtvaardigt de bewijsvoering in dat opzicht niet de conclusie van het gerechtshof dat (p. 23 arrest)
‘deze handelingen van verdachte in onderling verband en samenhang gezien, geen ander doel hebben gehad dan het onttrekken van vermogen aan [bedrijf 1] en het privébezit van verdachte, waarbij verdachte ten minste bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard op verkorting van de rechten van de schuldeisers’
48.
Op grond van al het vorenstaande is het oordeel van het gerechtshof dat sprake was van een aanmerkelijke kans op een faillissement van [bedrijf 1] en/of verzoeker zelf en/of dat verzoeker zich daarvan bewust moet zijn geweest en die kans ook heeft aanvaard ‘op het moment dat verdachte de eerste vervalste huurovereenkomst indiende’ en/of ‘ten minste (…) vanaf 1 oktober 2010, toen de ABN Amro de kredietfaciliteit opzegde’ en/of op enig ander moment voorafgaand aan de beweerdelijke handelingen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed als gevolg waarvan ook het oordeel dat de handelingen als bewezenverklaard onder 1. primair en 3. zijn verricht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
49.
Het arrest lijdt daardoor aan nietigheid.
Middel IV:25.
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR, 47, 51 en 341 (oud) Sr, 348, 349, 350, 358, 359 en 415 Sv doordat de bewijsvoering niet redengevend is voor het in de zaak Kirishima (parketnummer 08-996128-13) bewezenverklaarde onder feit 1 primair met betrekking tot de stal [bedrijf 1] en het vastgoed en/of die bewezenverklaring (telkens) onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed. Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Onder feit 1 wordt verzoeker verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk, onder meer doordat [bedrijf 1] 1 december 2011 de aandelen in [bedrijf 1] heeft overgedragen aan [bedrijf 3] voor een bedrag van € 7 miljoen, waarbij is bepaald dat de koopsom bij wijze van lening verschuldigd blijft aan [bedrijf 1].
2.
In het arrest heeft het hof het ten laste gelegde bewezen verklaard en daartoe onder meer overwogen:
‘Oordeel van het hof
[bedrijf 1] had jarenlang de verliezen van Stal [bedrijf 1] gefinancierd. Inmiddels was de schuld van [bedrijf 1], de eigenaar van de stal, aan het moederbedrijf opgelopen tot € 38.250.000,--. Deze vordering was verpand aan de Rabobank.91. waardoor de bank de schuld die [bedrijf 1] aan haar had — destijds zo'n € 70 miljoen — zo nodig ook zou kunnen verhalen door de activa van de stal uit te winnen. De activa van de stal, met name de paarden, vertegenwoordigden een aanzienlijke waarde.
Zoals eerder opgemerkt is de waarde van een bedrijf zo hoog is als de hoogste van de directe of de indirecte opbrengstwaarde. Daarbij is de indirecte opbrengstwaarde de waarde going concern en de directe opbrengstwaarde de liquidatiewaarde. Over de waarde going concern kan het hof kort zijn. Stal [bedrijf 1] was al jaren verlieslatend en kon in feite alleen door financiële steun van [bedrijf 1] op de been blijven. Het hof zal om die reden de directe opbrengstwaarde van [bedrijf 1] /[bedrijf 6] beoordelen.
De waarde van de stal, de paarden
De taxateurs [betrokkene 4] en [betrokkene 5] hebben de volgende taxatierapporten uitgebracht:
- —
Op 25 september 2012 hebben zij 65 paarden getaxeerd voor een gezamenlijke waarde van € 4.247.500,--;92.
- —
Op 22 november 2012 hebben zij nog eens vijftien paarden getaxeerd op een gezamenlijke waarde van € 320.750,--;93.
- —
Voor [paard 1] is bij brief een aparte waardebepaling afgegeven op 14 januari 2013. De waarde van [paard 1] op 1 december 2011 bedroeg € 100.000,--94. en
- —
Op 20 februari 2013 is een taxatie van 26 paarden afgegeven met een gezamenlijke waarde van € 115.450,--.
De totale waarde, van 107 paarden, bedroeg volgens de taxatierapporten van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] per 1 december 2011 € 4.783.700.--.
Op 31 december 2011 stonden in totaal 125 paarden op de balans van [bedrijf 6] met een totale boekwaarde van € 12.654.342. Van de in de boekhouding van [bedrijf 6] opgenomen 125 paarden kwamen 26 paarden niet voor in de taxatierapporten. Deze 26 paarden stonden op de grootboekrekeningen met een totale waarde van € 204.748,58. Acht paarden die in de taxatierapporten waren vermeld kwamen niet voor in de boekhouding van [bedrijf 6]. Deze acht paarden stonden in de taxatierapporten met een totale waarde van € 43.250,--
De verdediging heeft omtrent het grote verschil tussen de taxatiewaarden en de latere verkoopwaarden in eerste aanleg naar voren gebracht dat de waardevermeerderingen verklaarbaar zijn uit ontwikkelingen na de peildatum 1 december 2011 en dat informatie van na de peildatum in principe niet relevant is voor de beoordeling van de waarde op dat moment.
Het hof neemt wel aan dat een paard in relatief korte tijd aanzienlijk meer waard kan worden. Een goed voorbeeld daarvan is [paard 2] dat door zijn prestaties op de Olympische Spelen in 2012 € 8,6 miljoen heeft opgebracht. Maar er zijn ook onverklaarbare verschillen tussen de taxatiewaarden en de verkoopwaarden, die heel kort na de taxatie zijn gerealiseerd. Zo is [paard 3] in het rapport van 25 september 2012 getaxeerd op € 100.000,--95. (met als peildatum 1 december 2011). [paard 3] was echter al op 1 april 2012 verkocht voor € 2.200.000,--96. en had het seizoen vóór de verkoop goed gepresteerd. Het paard [paard 4] kent ook een vreemde geschiedenis. Het is in 2011 gekocht voor € 230.000,-- van [bedrijf 12],97. is getaxeerd op € 35.000,--98. en is op 23 januari 2012 — dat is althans de factuurdatum — weer verkocht aan [bedrijf 12] voor € 110.000.--99. [bedrijf 12] zou het paard volgens de factuur (van 13 januari 2012) vóór die tijd al weer hebben doorverkocht voor € 190.000,--.100. Het paard [paard 5] is getaxeerd op € 150.000,--101. en op 24 juli 2012 verkocht voor € 1 450.000,--.102.
Daarnaast zijn er taxaties van paarden die dekgelden opbrachten. Zo is [paard 6] getaxeerd op € 75.000,--,103. terwijl in 2011 in totaal ruim € 275.000,-- (netto ruim € 191.000,--) aan dekgeld is ontvangen.104. Hetzelfde geldt voor het paard [paard 7], dat is getaxeerd op € 75.000,--.105. Op een in beslaggenomen lijst van dekkingen in 2012 komt naar voren dat voor [paard 7] in 2012 voor een totaalbedrag van ongeveer € 120.000,-- dekgeld is ontvangen106. en in 2011 voor een totaalbedrag van ruim € 136.000,-- netto.107.
Taxateur [betrokkene 5] is door de FIOD gehoord. Over de waarde van [paard 3], die hij heeft getaxeerd nadat het paard was verkocht, verklaarde hij:
‘Daar blijkt wel uit dat we dat niet hebben geweten. Of wij deze gegevens hadden moeten weten is een ethisch vraagstuk, ik ben van mening dat wij dit wel hadden moeten weten. Voor [paard 5] geldt hetzelfde. Dit is door [verdachte] junior niet meegedeeld’.108.
Het hof is van oordeel dat de taxatierapporten nier als uitgangspunt kunnen dienen voor de waarde van de paarden op 1 december 2011.
Alles overziende oordeelt het hof dat de gehanteerde waarde van de paarden van € 4,5 miljoen veel te laag is en dat verdachte en zijn medeverdachte zich van het aanzienlijke verschil met een reële waarde bewust moeten zijn geweest.
Waarde van de stal, het vastgoed
De waarde van het vastgoed is door [bedrijf 13] Makelaardij & Hypotheken per 1 december 2011 getaxeerd op € 3.095.000,--.109. De bij de stal behorende roerende zaken zijn per 1 december 2011 getaxeerd op € 302.600.--.110. De totale waarde van de onroerende en roerende zaken bedroeg € 3.397.600,--. Dit bedrag wijkt bijna € 900.000,-- af van de waarde die [medeverdachte 1] jr. en [verdachte] sr., volgens een bij [verdachte] sr. aangetroffen briefje (D-066, waarvan de authenticiteit overigens in twijfel kan worden getrokken) zouden zijn overeengekomen. Dat de opbrengst bij verkoop in het kader van de executie aanzienlijk lager was, doet daaraan niet af.
Het hof stelt vast, zonder een exacte waarde van de [stal] te kunnen bepalen, dat de verkoopprijs van € 7.000.000,-- voor de aandelen klaarblijkelijk te laag is geweest, nog daargelaten de vraag of aan de samenhangende sponsorovereenkomst een prijs van € 7.000.000 kan worden toegekend. Hei hof is van oordeel dat [bedrijf 1] geen enkel zakelijk belang bij de transactie heeft gehad. Tegenover het wegvallen van de verliezen stond allereerst een jaarlijkse sponsoring van € 1.000.000,-- en haar vordering op [bedrijf 6] verminderde met niet minder dan ruim € 30 miljoen. De voordelen die voor [bedrijf 1] uit de sponsorovereenkomst voortvloeiden (onder meer ontvangst van bestuur en gasten van [bedrijf 1]) en de eventuele naamsbekendheid van [bedrijf 1] rechtvaardigden geenszins een jaarlijkse sponsorbijdrage van € 1 miljoen Gezien de liquiditeitspositie van [bedrijf 1] was de sponsorovereenkomst volstrekt onzakelijk en onverantwoord.
Met betrekking tot de rechtshandelingen kan het volgende worden vastgesteld:
- •
De waarde van de aandelen (€ 7.000 000,--) is (veel) te laag en
- •
De waardering van de door [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] te leveren tegenprestatie (van € 1.000.000,-- per jaar) is veel te hoog en vanuit [bedrijf 1] bezien volstrekt onzakelijk.
Elk van deze omstandigheden rechtvaardigt de conclusie dat daardoor sprake is van benadeling van schuldeisers.
Het opzet is naar het oordeel van het hof ook gericht op de benadeling van de schuldeisers. [bedrijf 1] had geen zakelijk belang bij deze transacties. Verdachte heeft verklaard dat zijn zoon al lang de wens had uitgesproken om de stal over te nemen. In het dossier is een aantal briefjes opgenomen die moeten suggereren dat vader en zoon eerder over de overname van de stal en de waarde van de aandelen hadden gesproken. Het hof is ervan overtuigd dat deze briefjes naderhand zijn opgemaakt. Het is ongeloofwaardig dat vader en zoon, die ook nog eens naast elkaar wonen, op deze manier met elkaar communiceerden. Ook is het vreemd dat er kennelijk geen advies is ingewonnen over de waarde van de aandelen of een gedegen businessplan is opgemaakt waaruit zou blijken dat de stal ook zonder verlies geëxploiteerd kon worden. Later zijn de beheerders van de stal gehoord. Zij hebben verklaard dat zij niets hebben gemerkt van de overdracht van de stal. Feitelijk zijn de gevolgen van deze (onverbrekelijk niet elkaar samenhangende) transacties dat de [stal], inclusief de paarden, zonder reële tegenprestatie is overgedragen aan [bedrijf 3] en daarmee aan het verhaalsrecht van schuldeisers van [bedrijf 1] is onttrokken.’
3.
Het hof heeft aldus geoordeeld dat de waarde van de aandelen van € 7 miljoen (veel) te laag is en de tegenprestatie (sponsordeal van € 1 miljoen per jaar) veel te hoog en volstrekt onzakelijk. Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de totale waarde van 107 paarden volgens de taxatierapporten per 1 december 2011 € 4.783.700,- bedroeg en op 31 december 2011 125 paarden op de balans van [bedrijf 6] stonden met een boekwaarde van ruim € 12,5 miljoen. Daarnaast heeft het hof overwogen wel aan te nemen dat de waarde van een paard in korte tijd kan fluctueren, maar er volgens het hof ook onverklaarbare verschillen zijn tussen de taxatiewaarden en de verkoopwaarden, die heel kort na de taxatie zijn gerealiseerd. Het hof noemt vervolgens een aantal voorbeelden, waarbij overigens maanden zitten tussen de taxaties en de verkopen.
4.
Omtrent de waarde van de stal en de paarden heeft het hof overwogen dat de taxatierapporten niet als uitgangspunt kunnen dienen voor de waarde van de paarden op 1 december 2011 en komt vervolgens tot de conclusie dat alles overziend € 4,5 miljoen euro veel te laag is en verzoeker zich van het aanzienlijke verschil met de reële waarde bewust moeten zijn geweest.
5.
Het gerechtshof heeft in dit verband echter, ten onrechte, verzuimd (nader) te overwegen waarom de taxatierapporten niet als uitgangspunt kunnen dienen terwijl bewijsmiddelen die tot die conclusie zouden moeten leiden ontbreken. Als gevolg daarvan is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
6.
Ten aanzien van het vastgoed heeft het hof overwogen dat het bedrag bijna € 900.000,- afwijkt van de waarde die verzoeker en [medeverdachte 1] jr. overeen zijn gekomen en dat daaraan niet afdoet dat de opbrengst in het kader van de executieverkoop aanzienlijk lager was. Het hof stelt vervolgens vast dat, zonder de exacte waarde van de stal te kunnen bepalen, de verkoopprijs van € 7 miljoen klaarblijkelijk te laag is geweest.
7.
Het oordeel van het gerechtshof dat sprake is van een aanzienlijk verschil met de reële waarde is onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Indien de reële waarde namelijk niet vastgesteld is door het hof, kan ook niet worden gesteld dat sprake is van een verschil met de door verzoeker en medeverdachte [medeverdachte 1] jr. overeengekomen waarde.
8.
Bovendien kan uit de bewijsvoering niet volgen dat verzoeker zich bewust is geweest van het aanzienlijke verschil met de reële waarde, zo van dit laatste moet worden uitgegaan, en hij met zijn handelingen feitelijk de rechten van de schuldeisers verkortte.
9.
Ook overigens kan het opzet op benadeling van de schuldeisers door deze transacties niet uit de bewijsvoering volgen, althans is dat oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed. Het enkele feit dat [bedrijf 1] ‘bij deze transacties geen belang had’, zoals het gerechtshof overweegt, kan dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet dragen.
10.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Middel V:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 341 (oud) Sr en 350, 358, 359 en 415 Sv, doordat het oordeel van het hof dat het document bevattende notulen van een buitengewone aandeelhoudersvergadering van 16 maart 2007 ‘niet in 2007 is opgemaakt’ onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is. In het bijzonder heeft het hof, ondanks dat dit door de verdediging bij pleidooi van 8 juni 2022 is aangevoerd, niet onderkend dat uit het onderzoek van Forensicon niet enkel volgt dat de notulen zijn geprint in de periode halverwege jaren 80 tot heden, maar ook dat de onderzoeksresultaten extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer hypothese H1 (‘Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend’) juist is dan wanneer hypothese H2 (‘Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend’) juist is.
Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Het hof heeft in zijn arrest geoordeeld (p. 21 –22):
‘De verdediging heeft recent aangevoerd dat verdachte zich wel degelijk had ingedekt tegen verliezen. In hoger beroep (op 10 februari 2022) is een document overgelegd dat teruggevonden zou zijn in door de FIOD aan verdachte geretourneerde stukken. Het betreft de notulen van een buitengewone aandeelhoudersvergadering (BVA) van [bedrijf 4] op 16 maart 2007. De BVA — in de persoon van verdachte — heeft volgens de notulen besloten dat verdachte € 75 miljoen van de vennootschap zal lenen om, op verzoek van de bestuursvoorzitters van Fortis en ING, aandelen Fortis, ING en Aegon te kopen. [bedrijf 4] vrijwaart verdachte voor verliezen die geleden kunnen worden en zal verdachte volledig compenseren voor die verliezen en de mogelijke uit de aankoop voortvloeiende belastingclaims. Verder is vastgelegd dat verdachte al begin 2007, vooruitlopend op de vergadering, is gestart met de aankoop van aandelen. [betrokkene 6], die in 2011 is overleden, zou namens de Rabobank op de hoogte zijn gesteld van bet verzoek van de bestuursvoorzitters en hebben meegedeeld dat de Rabobank geen voorwaarden zou stellen aan de lening. De verdediging heeft met de notulen een onderzoek van Forensicon overgelegd, waaruit naar voren komt dat de notulen zijn geprint in de periode halverwege jaren 80 tot heden’.
Het hof gaat ervan uit dat het document niet in 2007 is opgemaakt. Gesuggereerd wordt dat het document tot voor kort in het bezit van de FIOD zou zijn geweest. In het dossier is echter geen enkele vermelding, verklaring of document terug te vinden die/dat het bestaan van de notulen ondersteunt. Ook in de jaarrekeningen van [bedrijf 4] is niet opgenomen dat zij mogelijke verliezen op aandelentransacties zou moeten compenseren. Pas in het 19e faillissementsverslag van 17 juni 2021 wordt voor het eerst melding gemaakt van het bestaan van de notulen. De curator merkt in dat verslag op:
‘In de afgelopen verslagperiode zond de heer [betrokkene 3] de curator een BVA-besluit van [bedrijf 4] d.d. 16 maart 2007 dat voorheen hij de curator niet bekend was. Zakelijk weergegeven voorzag dit besluit in een volledige vrijwaring van de heer [verdachte] voor koersverliezen, verband houdende met de aandelentransacties, waarvoor de heer [verdachte] de rekening-courantverplichting aanging. Die koersverliezen werden werkelijkheid, voor vrijwel hef hele pro realo bedrag. Het faillissement van de heer [verdachte] is door de curatoren van [bedrijf 4] aangevraagd op (onder meer) deze rekeningcourant vordering ad € 48.217.221,-- De curator vraagt zich af waarom het allereerste verweer van de heer [verdachte] niet heeft geluid, dat hij zijn vordering op FSH op grond van de vrijwaring in verrekening wenste te brengen met zijn rekening-courant verplichtingen jegens [bedrijf 4]. Te meer omdat de heer [verdachte] in eerste aanleg al tot twee keer toe strafrechtelijk is veroordeeld wegens valsheid in geschrifte is de curator terughoudend.’
De aanschaf van aandelen in 2007 past ook niet in de volgende tijdlijn: Volgens de jaarrekeningen van [bedrijf 4] over 2007, 2008 en 2009 had verdachte eind 2007 een schuld van € 0,8 miljoen aan [bedrijf 4], eind 2008 een schuld van € 21 miljoen en eind 2009 bedroeg de schuld € 70 miljoen. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte op z'n vroegst in de loop van 2008 is overgegaan tot de aankoop van de aandelen, maar het grootste deel van de aandelen in 2009 heeft aangeschaft. Fortis was toen al overgenomen en ING werd met staatssteun overeind gehouden. Het hof concludeert dat de aandelen om louter speculatieve redenen door verdachte zijn gekocht en dat hij de voor die aankoop benodigde middelen van [bedrijf 4] heeft geleend.’
(onderstreping JK en DS)
2.
Dit oordeel is onbegrijpelijk, gelet op hetgeen door de verdediging bij pleidooi van 8 juni 2022 (onderzoekswensen) naar voren is gebracht:
- ‘260.
Bovendien heelt de zoon van cliënt in de door de FIOD geretourneerde administratie een document teruggevonden waarin wordt bevestigd dat cliënt reeds in 2007 schriftelijk de afspraken met de banken vastlegde.
- 261.
In deze notulen van 16 maart 2007 wordt de aandelenaankoop gedocumenteerd. Dit document bevestigt de stelling van cliënt dat hij beide bestuursvoorzitters een gunst verleende, en vormt extra aanleiding de bestuursvoorzitters te bevragen over de totstandkoming van deze afspraken en over eventuele toezeggingen die daarbij zijn gedaan. Dit document bevestigt dat de bestuursvoorzitters — eventueel op hoofdlijnen — kunnen verklaren over een compensatie voor de geleden verliezen.
- 262.
Vanwege de aard van de strafrechtelijke verwijten die cliënt in verschillende procedures worden gemaakt, heeft de verdediging dit document in eigen beheer laten onderzoeken. De documenten die namens cliënt in procedures worden ingébracht worden immers met de nodige scepsis benaderd. Om deze op voorhand weg te nemen is onderzoeksbureau Forensicon verzocht onderzoek te doen naar de authenticiteit van de notulen van 16 maart 2007.
- 263.
De resultaten (p. 9) houden in dat op basis van de gebruikte printtechnieken slechts is vast te stellen dat het document is ‘geprint in de periode tussen 'halverwege jaren 80 tot heden’.
- 264.
Ook bevat het rapport de passage (p. 8):
‘Naar aanleiding van de vraagstelling zijn de volgende elkaar uitsluitende hypothesen beschouwd:
- H1:
Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
- H2:
Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
De deskundigen hebben gerapporteerd dat de onderzoeksresultaten extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer H1 juist is dan wanneer H2 juist is.’
- 265.
Dit is de hoogste waarschijnlijkheidsterm die in het rapport is betrokken. Anders dan het OM stelt, komt deze conclusie niet uit de lucht vallen, maar is dit de conclusie die het onderzoeksbureau trekt.
- 266.
Vervolgens is de opdracht gegeven om op basis van koolstofdatering aan te geven in welke periode dit document is opgemaakt.
- 267.
Daarop werd van Forensicon het volgende antwoord ontvangen:
‘Ik ben vanuit het laboratorium geïnformeerd over de resultaten van d el extractie uit het papier. Helaas zijn daarbij, tegen de verwachting van de deskundigen, onvoldoende hoeveelheden zetmeel verkregen om een betrouwbare datering van het papier mogelijk te kunnen maken. Ik heb ze verzocht of met nadere extracties wel verwacht mag worden dat er voldoende zetmeel verkregen kon worden, maar ook hierop hebben ze mij aangegeven geen mogelijkheden te zien om meer (niet gecontamineerd) zetmeel uit verdere extracties te verkrijgen.’
- 268.
Nader onderzoek naar de datering van het document is dus volgens Forensicon niet mogelijk.
- 269.
Ik verzoek uw Hof daarom van de inhoud van dit document uit gaan. ’
(onderstrepingen JK en DS)
3.
De hier aan de orde zijnde notulen van 16 maart 2007, alsmede het onderzoek hiernaar door Forensicon, zijn door ondergetekenden op 12 juni 2023 bij uw Raad opgevraagd en diezelfde dag in het digitaal portaal geplaatst.
4.
Het hof noemt in zijn beslissing enkel de conclusie van Forensicon noemt dat ‘de notulen zijn geprint in de periode halverwege jaren 80 tot heden’, maar niet de conclusie dat de onderzoeksresultaten extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer H1 (‘Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend’) juist is dan wanneer H2 (‘Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend’) juist is.
5.
Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het hof ten onrechte niet bij deze bevindingen van Forensicon, die mogelijkerwijs kunnen pleiten voor het standpunt dat het document stamt uit 2007,26. heeft stilgestaan.
6.
Het oordeel van het hof dat de aanschaf van aandelen in 2007 niet in de tijdlijn past van de jaarrekeningen van [bedrijf 4] over 2007, 2008 en 2009, aangezien hieruit volgt dat verzoeker eind 2007 maar een ‘geringe’ schuld had en dat die schuld pas in 2008 en (vooral) 2009 hoog is opgelopen, kan dit verzuim niet herstellen, althans kan het andersluidende oordeel van het hof (dat het document stamt van ná 2007) niet dragen. Dit aangezien a) de (in bewijsmiddel 24 en 25) opgenomen jaarrekeningen slechts summierlijk en niet onderbouwd aangeven welke schulden verzoeker in de betreffende jaren zou hebben, en b) het gegeven dat verzoeker eind 2007 een schuld had van ongeveer €800.000,- niet uitsluit dat verzoeker in 2007 (slechts) voor dit bedrag aandelen heeft gekocht, en pas in 2008–2009 voor een hoger bedrag aandelen heeft aangeschaft. Het oordeel van het hof, waarin tot uitdrukking komt dát verzoeker ‘al begin 2007, vooruitlopend op de vergadering, is gestart met de aankoop van aandelen’, maar waarin niet vermeld staat voor welk bedrag, laat deze mogelijkheid open. Verder c), en van belang, laat deze vaststelling onverlet dat het hof heeft verzuimd in zijn oordeelsvorming te betrekking dat het rapport van Forensicon mogelijk wél wijst op de juistheid van de dagtekening.
7.
Verder wordt vermeld dat de opmerking van de curator in het faillissementsverslag, waarin de juistheid van de dagtekening van het document in twijfel wordt getrokken, dateert van vóór het onderzoek van Forensicon.
8.
Het oordeel van het hof is mitsdien onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
9.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Middel VI:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 14 IVBPR, 6 lid 2 EVRM, 68 Sr en 348, 349, 350, 358, 359 en 415 Sv doordat het oordeel van het hof waarbij het (het overleggen van) (beweerdelijk) valse stukken ter zake waarvan verzoeker (niet onherroepelijk) in de zaak ‘Maruoka’ is veroordeeld bij de afwijzing van het verzoek om aanhouding en/of de strafoplegging betrekt c.q. daarmee in de strafoplegging ‘(maar) beperkt rekening’ houdt, in strijd is met de onschuldpresumptie en/of doordat het oordeel van het gerechtshof waarbij het met deze omstandigheid in de strafoplegging rekening houdt getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is en/of die strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Het hof heeft in het kader van de strafoplegging geoordeeld (p. 41):
‘De valsheid van de door verdachte in deze procedure ingebrachte geschriften, maakt geen deel uit van de tenlastelegging. Omdat de stukken dienen ter onderbouwing van verweren van de verdachte heeft het hof zich wel een oordeel over die stukken moeten vormen. Uit de getuigenverklaringen in het onderzoek-Maruoka leidt het hof af dat door verdachte overgelegde stukken vals zijn. Van een aantal valse geschriften staat vast dat verdachte bij het opstellen daarvan betrokken is. Dat neemt het hof de verdachte kwalijk. Niettemin houdt het hof met deze omstandigheid bij de straftoemeting maar beperkt rekening. Verdachte is immers voor het gebruik van een aantal valse geschriften inmiddels in een aparte procedure veroordeeld. Weliswaar is die veroordeling niet onherroepelijk, maar het hof wil voorkomen dat met betrekking tot deze geschriften in feite een dubbele bestraffing plaatsvindt.’
(onderstrepingen JK en DS)
2.
Zie ook het oordeel van het hof op p. 5 van het arrest, bij de afwijzende beslissing op het verzoek om schorsing van het onderzoek teneinde zich van juridische bijstand te kunnen voorzien en/of voldoende tijd en gelegenheid te hebben de verdediging voor te bereiden opdat een inhoudelijk verweer kan worden voorbereid en gevoerd:
‘Het hof stelt vast dat de procedure allereerst ernstig is vertraagd doordat verdachte valse documenten heeft overgelegd.’
3.
Ondergetekenden is bekend dat de uitspraak van de rechtbank inzake Maruoka thans niet onherroepelijk is en in hoger beroep loopt, terwijl verzoeker het in die zaak aan hem tenlastegelegd is met klem ontkent. Zie in dit verband ook het uittreksel JD waar als eerste de zaak met parketnummer 20-002375-20 (rechtsmiddel van 01-993321-18) staat vermeld.
4.
Het acht slaan op deze veroordeling als ware zij onherroepelijk/vaststaand, c.q. het vaststellen van de schuld van verzoeker zonder dat de veroordeling onherroepelijk is en/of in deze zaak tenlastegelegd en bewezen is verklaard, is in strijd met de onschuldpresumptie.
5.
Dit brengt een schending van de in art. 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie met zich.
6.
Dit artikellid houdt in dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Uit de rechtspraak van het EHRM (Allen v. The United Kingdom, 25424/09, 12 juli 2013) volgt in lijn met deze wettekst dat de onschuldpresumptie — naast de categorie gevallen die zien op een onherroepelijke vrijspraak — wordt geschonden wanneer iemand voorafgaand aan het op wettige wijze vaststellen van zijn of haar schuld als schuldig wordt aangemerkt:
- ‘120.
In the early case of Minelli, cited above, which concerned an order requiring the applicant to pay prosecution costs following discontinuation of the criminal proceedings, the Court set out the applicable principle as follows:
‘37.
In the Court's judgment, the presumption of innocence will be violated if, without the accused's having previously been proved guilty according to law and, notably, without his having had the opportunity of exercising his rights of defence, a judicial decision concerning him reflects an opinion that he is guilty. This may be so even in the absence of any formal finding; it suffices that there is some reasoning suggesting that the court regards the accused as guilty.’
- 121.
In the first cases with which it was confronted concerning applications by a former accused for compensation or for defence costs, the Court drew on the principle set out in Minelli, explaining that a decision whereby compensation for detention on remand and reimbursement of an accused's necessary costs and expenses were refused following termination of proceedings might raise an issue under Article 6 § 2 if supporting reasoning which could not be dissociated from the operative provisions amounted in substance to a determination of the accused's guilt without his having previously been proved guilty according to law and, in particular, without his having had an opportunity to exercise the rights of the defence (see Englert, cited above, § 37; Nölkenbockhoff, cited above, § 37; and Lutz, cited above, § 60). All three cases concerned prior criminal proceedings which had ended in discontinuation, rather than acquittal. In finding no violation of Article 6 § 2, the Court explained that the domestic courts had described a ‘state of suspicion’ and that their decisions did not contain any finding of guilt.’
(onderstreping JK en DS)
7.
Verder wordt gewezen op de uitspraak EHRM EI Kaada t. Duitsland, Application no. 2130/10, van 12 november 2015. Hierin oordeelde het Hof:
- ‘54.
A fundamental distinction must be made between a statement that someone is merely suspected of having committed a crime and a clear declaration, in the absence of afinalconviction, that an individual has committed the crime in question (see Peltereau-Villeneuve v. Switzerland, no. 60101/09, § 32, 28 October 2014; for the relevance of the finality of the conviction for the principle of the presumption of innocence see also Konstas v. Greece, no. 53466/07, § 35, 24 May 2011). The latter violates the principle of presumption of innocence while the former has repeatedly been considered as complying with Article 6 (see Marziano v. Italy, no. 45313/99, § 31, 28 November 2002 and the cases cited therein; and Peltereau-Villeneuve, cited above, § 32).
- 55.
The Court has consistently emphasised the importance of the choice of words by public officials in their statements before a person has been tried and found guilty of a particular criminal offence (see Böhmer, cited above, §§ 54 and 56; Ismoilov and Others v. Russia, no. 2947/06, § 166, 24 April 2008; and Müller v. Germany, no. 54963/08, § 46, 27 March 2014). Moreover, whether or not a public official's remarks breach the principle of the presumption of innocence must be examined in the context of the particular circumstances in which the offending remarks were made (see Konstas, cited above, § 33; and Müller, cited above, § 46).’
8.
Deze laatste uitspraak laat zien waar de schoen in de onderhavige zaak wringt. Het hof zegt met zoveel woorden dat verzoeker schuldig is, zonder een onherroepelijke (‘final’) veroordeling. Er is bovendien evident sprake van een ‘finding of guilt’. Het hof stelt — ook met zoveel woorden — vast dat sprake is van valse geschriften, en van betrokkenheid van verzoeker hierbij. Daarmee neemt het hof niet de door Straatsburg verlangde nuance in acht dat verzoeker nog verdachte is. De ‘importance of the choice of words’ is door het hof niet onderkend.
9.
Deze schending is des te groter, nu het hof zich in zijn hiervoor geciteerde oordeel niet (enkel) schaart achter het oordeel van de rechtbank, maar in zijn strafmaatoverweging duidelijk maakt acht te slaan op de ‘getuigenverklaringen in het onderzoek Maruoka’. Daarmee velt het hof zonder deze getuigenverklaringen te wegen — het heeft de getuigen niet gehoord/ondervraagd en ook overigens aan de betrouwbaarheid ervan geen woorden gewijd — een oordeel over de betrouwbaarheid van hun verklaringen, en velt het hof zonder proces waarin verzoeker zich over de (waarde en betrouwbaarheid van) die getuigenverklaringen zijnerzijds ten overstaan van de rechter die over de bewezenverklaring ter zake van die valsheid een oordeel moet geven/geeft, een eigen oordeel over de strafbaarheid van niet in deze zaak aan verzoeker tenlastegelegde handelingen.
10.
Het hof heeft beslist dat het met deze omstandigheid bij de straftoemeting maar beperkt rekening houdt. ‘Beperkt rekening houden’ is echter ook rekening houden, zeker wanneer deze zin volgt op de zin dat het hof het verzoeker ‘kwalijk neemt’ dat hij valse stukken heeft overgelegd. Simpel gezegd: elke dag, elk uur en feitelijk elke minuut gevangenisstraf die aan verzoeker op deze grond door het hof is opgelegd c.q. meer is opgelegd, is er één teveel. Daarmee is ook het belang van verzoeker ex art. 80a RO bij deze klacht gegeven.
11.
De beslissing van het gerechtshof is voorts in strijd met rechtspraak van uw Raad. In HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:566, oordeelde uw Raad:
‘2.4.1
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968). Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in artikel 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.
2.4.2
Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd — al dan niet soortgelijk — feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan — dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.
2.4.3
Indien de rechter in verband met de strafoplegging melding maakt van een niet tenlastegelegd feit mag ervan worden uitgegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. Dit kan anders zijn indien uit de strafmotivering blijkt dat de vermelding van een niet tenlastegelegd feit niet tot strafverzwaring aanleiding heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat die vermelding is opgenomen naar aanleiding van hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd. (Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391.)’
(onderstrepingen JK en DS)
12.
Het hof heeft een ten tijde van het wijzen van het arrest niet onherroepelijk feit betrokken bij zijn straftoemetingsbeslissing. Daarbij moet er, gelet op voormelde rechtspraak van uw Raad, vanuit worden gegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. In dat verband wordt er ten overvloede op gewezen dat uit de straftoemetingsbeslissing volgt dat het hof het verzoeker ‘kwalijk neemt’ dat hij valse stukken heeft overgelegd.
13.
Aldus geeft het oordeel van het hof in zoverre blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dit oordeel onbegrijpelijk.
14.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Deze aanvullende schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Kuijper en mr. D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Amstel 326, 1017 AR Amsterdam, die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Amsterdam, 14 juli 2023
J. Kuijper
D.W.E. Sternfeld
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑07‑2023
Zie Hoge Raad d.d. 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:B12315, Hoger Raad d.d. 20 december 2011, ECLI:NR:HR:2011:BT6406 en ECLI:NL:HR:2011:BV907.
Zie Hoge Raad d.d. 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3412.
B.M. Fiori, Disclosure of information in criminal proceedings. A comparative analysis of national and international criminal procedural systems and human rights law, diss. Groningen 2015, p. 161.
Zie pagina 1 p-v terechtzitting d.d. 15 juni 2022
Zie pagina 2 p-v terechtzitting d.d. 15 juni 2022
Zie pagina 3 p-v terechtzitting d.d. 15 juni 2022
Zie hiervoor pagina 3 van het proces-verbaal terechtzitting 24 juni 2022
Vgl. HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3421
dit proces-verbaal is bij uw Raad opgevraagd, doch ten tijde van het indienen van deze cassatieschriftuur nog niet ontvangen.
Onder verwijzing naar B. De Wilde, Stille getuigen: Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen partikel 6 lid 3 sub d EVRM), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 361.
Onder verwijzing naar De Wilde, p. 3 63, op zijn beurt onder verwijzing naar HR 28 januari 1997, NJ 1997, 409, ECLI:NL:HR:1997:ZD0626; en HR 44 15 februari 2005, NS 2005, 85.
Vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:477 en HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:494, in welke zaken onduidelijk was op welke feiten en omstandigheden het oordeel van het gerechtshof dat niet aannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zou worden gehoord was gebaseerd.
HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:BI4691; HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5446; HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1261
Hof Den Haag 30 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1752. Dit is bevestigd in HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen, r.o.v. 5.4.
Conclusie E.J. Hofstee onder 88. voor HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641,NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen.
Conclusie E.J. Hofstee onder 84. voor HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641,NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen.
Ib. met verwijzing naar C.M. Hilverda, De bestrijding van faillissementsfraude: waar een wil is, 2012, p. 89 en 90.
Hilverda 2012, a.w., p. 97.
Conclusie E.J. Hofstee onder 85. voor HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641,NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen.
Hofstee verwijst hier naar HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8493,NJ2010/273 (ABN AMRO Bank/Van Dooren q.q), rov. 3.7. Vgl. ook HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3762,NJ2014/9 en HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3094,NJ2016/49 m.nt. Verstijlen.
Conclusie E.J. Hofstee onder 86. voor HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641,NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen.
Wet van 8 april 2016, Stb. 2016, 154.
Kamerstukken II2013/14, 33 994, nr. 3, p. 6.
Kamerstukken I,2015/16, 33 994, C p. 6. Zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 994, nr. 3, p. 4, 6–7.
HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641,NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen onder 4.
Hoge Raad 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:128 en Hoge Raad 28-09-2021 ECLI:NL:HR:2021:1398
Hoge Raad 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:339.
HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen, r.o.v. 5.4.
Vgl. HR 11-04-2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, r.o. 4.3 en 4.5 m.nt. B.F. Keulen
van deze gedraging ter bedrieglijke verkorting van de schuldeisers heeft het gerechtshof verzoeker nota bene vrijgesproken
opgemerkt wordt dat de tekst van dit middel met toestemming van de opsteller van de namens [medeverdachte 1] jr ingediende cassatieschriftuur grotendeels is ontleed aan de tekst van middel III van die cassatieschriftuur.
BM 32
BM 65 en 66
BM 65A
BM 66
BM 65
BM 67
BM 68
BM 65A
BM 69
BM 70
BM 65
BM 71
BM 65
BM 72
BM 65A
BM 73
BM 72
BM 74
BM 75
BM 76
Opmerking verdient dat de hypothesen H1 en H2 respectievelijk de woorden ‘kan’ en ‘kan niet’ bevatten. Dit verklaart vermoedelijk de waarschijnlijkheidsuitkomsten van de hypothesen. Dat laat evenwel onverlet dat het op de weg van het hof had gelegen om zich hierover uit te laten, en laat bovendien onverlet de hierna onder 6 weergeven klachten tegen het oordeel van het hof.
Beroepschrift 12‑06‑2023
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: S 22/04626
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1953, verzoeker van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, van 2 december 2022, parketnummer 21-000014-17, en van de onder dat parketnummer genomen (tussen)beslissingen.
Verzoeker van cassatie dient hierbij de navolgende middelen in:
Inleiding op de middelen:
Het gerechtshof heeft verzoeker in twee separate strafrechtelijke onderzoeken, te weten het onderzoek ‘Vercors’ (parketnummer eerste aanleg 07-996513-12) en het onderzoek ‘Kirishima’ (parketnummer eerste aanleg 08-996128-13), veroordeeld voor het (meermalen) plegen van valsheid in geschrifte resp. het feitelijk leidinggeven en medeplegen van bedrieglijke bankbreuk.
Voor de cassatieprocedure zijn de volgende uit de stukken in het digitaal portaal blijkende data en/of gebeurtenissen van belang:
- —
Bij vonnis van 16 december 2016 is verzoeker, na een procedure op tegenspraak waarin hij werd bijgestaan door mr. F. Sijbers, door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden;
- —
Tegen dit vonnis is door het Openbaar Ministerie op 22 december 2016 en door verzoekers raadsman mr. F. Sijbers op 23 december 2016 hoger beroep aangetekend;
- —
Namens verzoeker is door voornoemde mr. F. Sijbers tijdig, te weten op 5 januari 2017, een appelmemorie ingediend;
- —
Het gerechtshof heeft op 7 februari 2017 het dossier van de rechtbank (grotendeels) ontvangen. Dit dossier is op 9 januari 2018 gecompleteerd;
- —
Op 18 augustus 2018 heeft mr. J.M.R. Vlaar zich namens verzoeker gesteld als raadsma;.
- —
In verband met vermoede valsheid van door mr. Vlaar op 8 september 2018 namens verzoeker aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad toegezonden stukken, is daarnaar een onderzoek (‘Maruoka’) gestart waarin onder meer verzoeker als verdachte is aangemerkt;
- —
Medio 2018 heeft mr. Vlaar zijn praktijk neergelegd;
- —
Op 17 oktober 2018 stond een regie-zitting gepland, welke zitting in verband met voormeld onderzoek ‘Maruoka’ geen doorgang heeft gevonden en werd uitgesteld tot 6 februari 2019;
- —
Op 10 december 2018 hebben mrs. R.E. van Zijl en K.J. Zeegers zich als raadslieden gesteld voor verzoeker. Voorafgaand aan de zitting van 6 februari 2019 is door hen aangegeven dat zij nog niet (genoegzaam) in staat zijn geweest reeds onderzoekswensen te formuleren;
- —
Op de zitting van 6 september 2019 hebben mrs. R.E. van Zijl en K.J. Zeegers een aantal verzoeken gedaan, waaronder het horen van verzoeker zelf en van getuigen door de raadsheer-commissaris. Het gerechtshof heeft de beslissingen op deze verzoeken aangehouden, bepaald dat de verdachte vóór de volgende regiezitting zijn visie over de zaak — bondig en bij voorkeur in de volgorde van de tenlastelegging — op papier zal zetten, dat aan de hand daarvan een beslissing op het verzoek tot het horen van verdachte bij de raadsheer-commissaris worden genomen, dat het bij tussenarrest de zaak naar de raadsheer-commissaris zal verwijzen en zal het een opdracht aan de advocaat-generaal geven om een aantal stukken aan het dossier toe te voegen. Bepaald is dat de tussenbeslissing zal plaatsvinden ter terechtzitting van 20 februari 2019 te 14:00 uur;
- —
Bij tussenarrest van 20 februari 2019 wordt geoordeeld en verwezen zoals hiervoor weergegeven, waarbij de beslissing op de verzoeken om het horen van getuigen en/of verzoeker (wederom) wordt aangehouden;
- —
Op 13 mei 2020 heeft er een regiezitting plaatsgevonden. Voorafgaande daaraan zijn door de verdediging onderzoekswensen opgegeven die aan de hand van een door het gerechtshof als voorgedragen beschouwde pleitnota zijn toegelicht;
- —
Bij tussenarrest van 27 mei 2020 heeft het gerechtshof op de onderzoekswensen beslissingen genomen. Daarbij is vastgesteld dat tien van de door mr. R.E. van Zijl opgegeven getuigen ook reeds bij appelschriftuur van de raadsman van destijds waren opgegeven. Ten aanzien van die getuigen oordeelt het gerechtshof dat het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing is. Ten aanzien van de verzoeken tot het oproepen van de overige getuigen oordeelt het dat het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. Het gerechtshof wijst het verzoek tot oproeping van tien van de gevraagde getuigen toe, de verzoeken worden voor het overige afgewezen;
- —
Op de hierna volgende zitting van 8 juni 2022 is sprake van een gewijzigde samenstelling van het gerechtshof ten opzichte van de regie-zitting van 13 mei 2020. Met instemming van partijen wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich op laatstgenoemde zitting bevond.
- •
Uit het verhandelde op die zitting blijkt dat de getuigen waarvan op 27 mei 2020 de oproeping is bevolen door de raadsheer-commissaris zijn gehoord met uitzondering van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], die volgens de raadsheer-commissaris onvindbaar bleken, en mr. [getuige 7]. Van laatstgenoemde getuige heeft de verdediging afstand gedaan. Ten aanzien van de andere getuigen oordeelt het gerechtshof dat het niet aannemelijk dat deze getuigen binnen aanvaarbare termijn kunnen worden opgespoord en verhoord;
- •
Verder blijkt uit het verhandelde op de zitting dat de raadsvrouwe nadere onderzoekswensen op voorhand aan het gerechtshof heeft toegestuurd, welke onderzoekswensen zij conform de aan het gerechtshof overgelegde pleitnota ter zitting heeft toegelicht;
- •
Het gerechtshof wijst op de zitting de verzoeken aan de hand van de maatstaf van het noodzakelijkheidscriterium af, met uitzondering van de verzoeken onder 15 tot en met 18 die het beoordeelt aan de hand van het verdedigingsbelang omdat het gerechtshof eerder heeft geoordeeld dat die verzoeken moeten worden toegewezen;
- •
Ten aanzien van de door de verdediging op bijlage 7 van de overgelegde pleitnota genoemde (verzoeken tot oproeping van de) getuigen 4, 5 en 12 heeft het geen (gemotiveerde) beslissing genomen;
- •
Verzoeker wraakt op deze zitting het gerechtshof;
- —
Op de zitting hierna van 15 juni 2022 blijkt dat het gerechtshof de dag ervoor van mrs. Van Zijl en Zeegers een mededeling heeft gekregen dat zij verzoeker niet langer bijstaan. Verzoeker licht ter zitting toe dat het hier gaat om een vertrouwensbreuk.
- •
Verzoeker vraagt vervolgens — kort samengevat — het gerechtshof om de zaak aan te houden opdat hij in staat is zich van bijstand van een advocaat te voorzien en de verdediging voor te bereiden. Het gerechtshof wijst het verzoek af en gaat voort met de behandeling van de strafzaak en de ontnemingszaak;
- •
Het vraagt in dat kader aan verzoeker om zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven, waarop verzoeker zijn verzoek om rechtsbijstand herhaalt. Het gerechtshof houdt voorts stukken voor, geeft de advocaat-generaal het woord voor requisitoir en stelt naar aanleiding van dat requisitoir vragen aan de advocaat-generaal en maakt daarover opmerkingen;
- •
Op de vraag van de voorzitter aan verzoeker of hij op het requisitoir wil reageren herhaalt verzoeker zijn wens zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien;
- •
Het gerechtshof geeft verzoeker de gelegenheid om gebruik te maken van de uitloopdag van 24 juni 2022 om met een verweer te komen en in de tussentijd nog een raadsman of raadsvrouw te raadplegen om de verdediging wat beter voor te bereiden. Verzoeker antwoordt daarop dat dit onhaalbaar is. Hij wraakt het gerechtshof andermaal;
- —
Op de zitting van 24 juni 2022 maakt de voorzitter melding van een e-mail van de avond daarvoor van mr. Van Gessel, advocaat te Amsterdam, die daarin vraagt om overleg in de zaak. Daarnaar gevraagd, verklaart verzoeker dat hij op zoek is naar een advocaat, dat mr. Van Gessel hem mogelijk gaat bijstaan in het hele traject zoals het er nu uitziet en dat hij het gerechtshof daarover heeft bericht;
- •
De voorzitter deelt mee dat hij verzoeker alsnog in de gelegenheid wil stellen om te reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal. Verzoeker geeft daarop aan dat hij zichzelf als verdachte niet kan verdedigen, daarvoor niet deskundig is en in de verhouding tot het openbaar ministerie geen partij is (equality of arms, fair trial). Hij wil graag een advocaat en is bezig er een te vinden. Hij verzoekt nogmaals om aanhouding van de zaak;
- •
Het verzoek wordt door het gerechtshof afgewezen waarbij het aangeeft te blijven bij de eerder genomen beslissing en de motivering daarvoor. Het stelt verzoeker in de gelegenheid inhoudelijk te reageren of gebruik te maken van het recht op het laatste woord;
- •
Als laatste woord verklaart verzoeker dat hij vanuit het oogpunt van gelijkheid wenst te worden bijgestaan te worden door een advocaat maar zich niet professioneel kan laten vertegenwoordigen, omdat het gerechtshof de ruimte daarvoor niet biedt. Verder geeft hij aan dat hij nog veel te zeggen had maar dit niet doet om hij niet weet of dit zijn zaak kan schaden of juist goed zal doen;
- •
Hierop wordt het onderzoek geschorst tot 22 september 2022, 13.30 uur voor de sluiting waar alsdan mogelijk ook direct uitspraak wordt gedaan;
- —
Op de zitting van 22 september 2022 wordt door het gerechtshof melding gemaakt van het feit dat op 6 september 2022 mr. M.L. van Gessel zich heeft gesteld als raadsman en dat door hem bij brief van 19 september 2022 wordt verzocht de zaak te heropenen/schorsen, zodat verdachte alsnog de gelegenheid krijgt om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Daarop heeft het hof de raadsman schriftelijk meegedeeld dat zijn verzoek in verband met een andere samenstelling van het hof niet op 22 september 2022 behandeld kan worden en dat de zaken zullen worden aangehouden. Op de zitting wordt het onderzoek geschorst tot 18 november 2022, 13.30 uur te Zwolle;
- —
Op de zitting van 18 november 2022 is de (gemachtigde) raadsman van verzoeker, mr. M.L. van Gessel aanwezig. In een ter zitting overgelegde pleitnota licht hij het standpunt van de verdediging dat het gerechtshof het verzoek van verzoeker om tijd en gelegenheid teneinde zich van rechtsbijstand te voorzien ten onrechte heeft afgewezen toe en vraagt hij andermaal om aanhouding en heropening van de zaak;
- •
Het gerechtshof bepaalt dat de uitspraak (arresten dan wel tussenarresten) in de zaken van verdachte en de medeverdachten zal plaatsvinden op 2 december 2022 te 14:00 uur te Zwolle;
- —
Bij arrest van 2 december 2022 wijst het gerechtshof het verzoek van de verdediging tot schorsing van het onderzoek af en overweegt daartoe (onder meer) dat verzoeker in hoger beroep in het algemeen en in het bijzonder vanaf de planning voor de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in juni 2022, die in overleg met zijn raadsman tot stand is gekomen, ruim voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden en dat van een schending van het recht op een eerlijk proces geen sprake is.
Het verklaart de feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair in de zaak ‘Vercors’ en de feiten 1 primair en 3 in de zaak ‘Kirishima’ bewezen. Het veroordeelt verzoeker tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren en drie maanden.
Middel I:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR, 17 en 18 Gw en 28, 348, 349, 350, 358, 359 en 415 Sv, doordat:
- —
de oordelen van het gerechtshof van 15 juni 2022, op 24 juni 2022 en (bij arrest) op 2 december 2022, inhoudende dat het verzoek van/namens verzoeker tot aanhouding van de zaak en/of heropening van het onderzoek ter terechtzitting teneinde zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien en/of (zelf) zijn verdediging te kunnen voorbereiden, heeft afgewezen op onjuiste en/of onbegrijpelijke gronden en/of doordat het deze afwijzing ontoereikend heeft gemotiveerd, en/of;
- —
(hierdoor) jegens verzoeker sprake is van een schending van art. 6 lid 3 sub b en/of sub c EVRM — het recht van verzoeker om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging, respectievelijk het recht van verzoeker zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze — en/of (hierdoor) het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces is geschonden, en/of;
- —
door het gerechtshof in de bewijsoverwegingen in het arrest wordt ingegaan op verweren van de verdediging (uit eerste aanleg) en/of (veronderstelde) standpunten van de verdediging en/of verzoeker die in hoger beroep niet zijn gevoerd en/of ingenomen waardoor de bewijsvoering onbegrijpelijk is en/of de bewezenverklaring, die mede op de in die bewijsoverwegingen naar aanleiding van niet gevoerde verweren/standpunten gebaseerd is, onvoldoende met redenen is omkleed.
Het arrest lijdt daardoor aan nietigheid.
Toelichting:
Procesverloop
1.
Op 8 juni 2022 heeft een zitting bij het hof plaatsgevonden waarbij de toenmalige raadsvrouwe van verzoeker, mr. R.E. van Zijl, een aantal onderzoekswensen heeft ingediend, te weten de toevoeging van twee stukken, het (doen) horen van twee deskundigen en het (doen) horen van 34 getuigen. Het hof heeft alle verzoeken afgewezen (proces-verbaal zitting p. 10). Hierop heeft verzoeker het hof gewraakt.
2.
Op de hierna volgende zitting van 15 juni 2022 (dezelfde samenstelling) deelt de voorzitter van het hof mee dat het hof gisteren (14 juni) bericht heeft gekregen dat verzoeker niet langer wordt bijgestaan door zijn (voormalige) raadslieden mr. R.E. van Zijl en mr. K.J. Zeegers. Verzoeker heeft niets willen/kunnen zeggen over de reden van deze breuk, behoudens dat het een vertrouwensbreuk betreft (proces-verbaal p. 2 en p. 7). Op deze zitting heeft verzoeker (negen keer) aangegeven dat hij recht heeft op rechtsbescherming en op rechtsbijstand, en dat hij een advocaat wil, en daarbij telkens verzocht om de zaak aan te houden zodat hij in de gelegenheid is bijstand van een nieuwe advocaat te regelen. Het hof heeft hierover als volgt beslist (proces-verbaal p. 2–3):
‘Het hof heeft een belangenafweging te maken. We constateren dat nu in totaal drie verschillende raadslieden of hun kantoorgenoten zijn geweest. De reden van de laatste onttrekking is totaal niet duidelijk en we zijn nu zes jaar bezig in hoger beroep. Een belangrijk deel van die vertraging is ook veroorzaakt door inbreng van stukken vlak vóór de eerste geplande regiezitting in oktober 2018. Stukken waarvan de authenticiteit werd betwist en waardoor een nieuw opsporingsonderzoek en een nieuwe vervolging heeft plaatsgevonden tegen u. En in die zaak bent u inmiddels veroordeeld — zij het nog niet onherroepelijk — voor valsheid in geschrift. Er was destijds al uitstel verleend in verband met de stukken en een nieuwe advocaat. De regiezitting in 2019 had een heel beperkt karakter door al die ontwikkelingen en is uiteindelijk verschoven naar 2020. U heeft zich de afgelopen jaren, we hebben het over bijna zes (in ieder geval ruim vijfenhalf) jaar in hoger beroep, uitvoerig kunnen voorbereiden en dat het nu tot een breuk komt om onbekende redenen, is bij deze stand van zaken voor rekening van de verdachte. Want inmiddels prevaleert de voortgang van de zaak boven het belang van verdachte om een nieuwe advocaat, dat wil zeggen zijn vierde, te zoeken. We moeten ook de belangen van anderen afwegen en de procesgang die een keer afgerond moet worden. En daar komt bij, u bent zelf uitstekend in staat uw zegje te doen. Dat betekent dus dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen en wij gewoon doorgaan met behandeling van de strafzaak en de ontnemingszaak. Is dat duidelijk, meneer [verdachte]?’
3.
Op dezelfde zitting heeft de A-G zijn requisitoir voorgedragen, culminerend in een eis van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden, en een ontnemingsvordering van €250.000,- aan geschat wederrechtelijk verkregen voordeel (proces-verbaal p. 7). Verzoeker heeft hierop, na schorsing van het onderzoek en na de mededeling van het hof dat hij de gelegenheid krijgt voor een schriftelijke ronde in de ontnemingszaak, als volgt gereageerd:
‘Ik kan mijzelf niet verdedigen. Ik zit zonder advocaat. U weet niet waaraan dat ligt. Ik vind het onrechtvaardig. Ik verzoek u nogmaals een beslissing op het verzoek tot aanhouding te nemen zodat ik een advocaat kan nemen dan wel mijn eigen verdediging kan doen. Ik wil graag reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal, maar ik kan het nu niet. Dus nogmaals verzoek ik u de zaak aan te houden totdat eerder genoemde punten zijn ingevuld, dus dat ik een advocaat kan nemen dan wel zelf proberen mijn verdediging te schrijven. Ik wil graag dat u daar een uitspraak over doet.’
4.
De A-G reageert hierop dat hij/zij begrijpt dat verzoeker wil reageren op het requisitoir en ‘even de gelegenheid moet krijgen om dat te schrijven’. ‘Dat zou vanmiddag om vier uur kunnen’, aldus de A-G. ‘Dan heeft hij in ieder geval een paar uurtjes de tijd gehad heeft [sic] om iets te schrijven’. De A-G voegt hieraan toe dat het eventueel ook op komende vrijdag kan — kennelijk vrijdag 17 juni 2022.
5.
Verzoeker heeft, op verzoek van de voorzitter, hierop als volgt gereageerd (proces-verbaal p. 8):
‘Nou dat antwoord weet u beter dan wie dan ook als advocaat of jurist. Dat is onmogelijk. Daar heb je gewoon tijd voor nodig om dat goed en netjes te doen. Dat kan niet anders, Het gaat niet om niks, het is geen pak suiker. Het gaat om vrijheidsontneming voor een langere periode. Dus ik wil toch wel even heel goed en gedetailleerd — of met een advocaat of dat ik het zelf doe — de verdediging kunnen voeren.’
6.
Het hof heeft hierop na beraad beslist (proces-verbaal p. 8):
‘Vanochtend had u al aanhouding gevraagd omdat u een raadsman wilde inschakelen. Dat hebben we afgewezen. U voegt er nu aan toe dat u in dat geval ook uw eigen verdediging wilt voeren. Wij snappen dat het best lastig is om dat zelf te doen en ieder geval willen we u, waar dat in het bestaande schema kan, zoveel mogelijk tegemoet komen door verder te gaan met uw zaak op de uitloopdag, vrijdag 24 juni aanstaande om 9.00 uur. Dan heeft u in ieder geval nog ruim een week om nog een raadsman of raadsvrouw te raadplegen en de verdediging wat beter voor te bereiden dan wanneer we dat bijvoorbeeld overmorgen zouden doen. Dat is waar u in tegemoet willen komen, waarbij ik dan aanteken dat, afhankelijk van de beslissing van de wrakingskamer in de andere zaken, dat misschien wel een hele drukke dag kan worden. Maar dat zien we dan wel weer.’
7.
Verzoeker heeft hierop gereageerd (procds-verbaal p. 8):
‘Met alle respect, dat is natuurlijk in de praktijk onhaalbaar. U weet net zo goed als ik dat als je dat redelijk goed wil voorbereiden, met advocaat of dat je dat zelf doet, daar heb je gewoon een langere tijd voor nodig. Dat is onhaalbaar, dat is niet realistisch en dat weet u ook. Het is niet anders. Mijn recht op een eerlijk proces wordt mij ontnomen. Ik moet mij kunnen verdedigen en begrijp het echt niet meer. Dan blijft er voor mij maar één ding over, dat ik dit gerechtshof wederom wraak, omdat mij de kans op een eerlijk proces wordt ontnomen.’
8.
Op de zitting van 24 juni 2022 is het proces hervat en is het volgende besproken (p. 2):
‘De voorzitter vraagt verdachte:
Gisteravond tegen half tien ontvingen we een mailtje van mr. Van Gessel uit Amsterdam, die vroeg om overleg in deze zaak. Hij is er niet vandaag?
Verdachte antwoordt:
Nee, dat is correct.
De voorzitter vraagt:
De vraag aan u is: Weet u ook waarom, want vandaag is de zitting gepland en om te gaan overleggen met iemand als het mailtje de avond ervoor om halftien komt; dat wordt wat ingewikkeld.
Verdachte antwoordt:
Ik ben op zoek naar een advocaat, driftig en met gezwinde spoed, maar dat valt niet mee om een aantal redenen. Je zit in een situatie waarbij je richting vakanties gaat, dus dat is al een element. Meneer van Gessel gaat mij mogelijk bijstaan in het hele traject zoals het er nu uitziet en hij heeft u daarover bericht. Dat is het verhaal, volgende week hebben we daar verder contact over.
De voorzitter deelt mee:
Ja, maar we zitten vandaag met de behandeling en u weet, we hebben gezegd dat we vandaag willen doorgaan ondanks uw advocatenperikelen.
Verdachte reageert:
Dat is dan een keuze van het hof.
De voorzitter merkt op:
Ja, dat is heel duidelijk. En verleden keer waren we in uw zaak in het stadium dat er gerekwireerd is door de advocaat-generaal en dat u daarop mocht reageren. Toen heeft u opnieuw een aanhoudingsverzoek gedaan en na de afwijzing een wrakingsverzoek. Dat weten we allemaal. Dus ik wil u nu alsnog in de gelegenheid stellen om te reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal.
Verdachte verklaart:
Dank u wel. Ik kan mij als verdachte niet zelf verdedigen. Ik ben niet deskundig en in de verhouding geen partij voor het openbaar ministerie. Equality of arms. Een fair trial is vereist, voorzien van deskundige bijstand. Ik heb recht op rechtsbijstand. Ik wil graag een advocaat en ben bezig een advocaat te vinden die mij bijstaat. Uw hof is daarover geïnformeerd. Ik kan mijn rechten niet verdedigen. Ik begrijp de juridische merites niet. Blijkbaar vindt dit gerechtshof het niet van belang dat ik mij kan verdedigen. Ik verzoek u nogmaals om aanhouding van de zaak.
(…) De voorzitter hervat en deelt mee:
Meneer [verdachte], het verzoek bevat niets nieuws ten opzicht van de vorige keer en de beslissing is ook niet anders dan de vorige keer. Wij blijven bij onze beslissing en de motivering daarvan. Dat betekent dat u nu de gelegenheid krijgt om of inhoudelijk te reageren of het laatste woord te hebben. Daar krijgt u nu opnieuw de kans voor en als u zegt ‘nou ik maak daar geen gebruik van, daar mag u ook voor kiezen, maar u krijgt nu de gelegenheid om inhoudelijk te reageren.’
Verdachte verklaart:
Inhoudelijk zijn de punten net door mij benoemd, dus dat is een herhaling van zetten. Het laatste woord dat kan ik u ook nog wel vertellen: Geacht hof, het is vanuit het oogpunt van gelijkheid mijn wens om bijgestaan te worden door een advocaat. Deze heeft zich zeer onlangs teruggetrokken omdat sprake is van een vertrouwensbreuk, die ik u, gelet op het vertrouwelijke karakter van advocaat en cliënt niet hoef uit te leggen. Ik kan mij niet professioneel laten vertegenwoordigen, omdat u de ruimte daarvoor niet biedt. Dit is triest en doet verder af aan mijn vertrouwen in de rechtspraak. Ik had nog veel te zeggen, maar doe dit niet. Simpelweg omdat ik niet weet of dit in mijn zaak kan schaden of juist goed zal doen.
De voorzitter deelt mee:
Goed, dat was het. (…)’
9.
Kern van het voorgaande is dat verzoeker heeft aangevoerd zich niet adequaat en met juridische bijstand tegen de beschuldigingen aan zijn adres te kunnen verdedigen. Verzoeker heeft mr. Van Gessel benaderd om hem juridische bijstand te verlenen. De door mr. Van Gessel aan het gerechtshof verzonden e-mail van 23 juni 2022 waaraan de voorzitter in het voorgaande refereert, luidt:
‘Geachte voorzitter, leden van het gerechtshof,
Afgelopen week ben ik benaderd door de heer [verdachte] (geboren op [geboortedatum]-1953) met het verzoek om hem rechtsbijstand te verlenen in de zaak met bovenstaand parketnummer.
De heer [verdachte] heeft mij geïnformeerd omtrent het procesverloop alsmede over het ingediende wrakingsverzoek. Heden ontving ik van hem de beslissing van het Gerechtshof op dit wrakingsverzoek. De situatie — zo begrijp ik — is thans aldus dat er morgen een uitloopdag is bepaald waarop mijn cliënt zelf zijn verdediging zou moeten voeren. Client deelde mij mee dat hij hiertoe niet in staat is en ook nooit bij uw Gerechtshof heeft aangegeven dat hij zelf zijn verdediging op welke wijze dan ook zou gaan voeren.
Hoewel ik de omvang van de zaak niet ken (en overigens ook de inhoud niet), lijkt mij dat het recht op een eerlijk proces valt of staat bij de mogelijkheid om adequate rechtsbijstand te krijgen. Graag treed ik met u in overleg over de mogelijkheden om cliënt in deze zaak adequate rechtsbijstand te verlenen, uiteraard ben ik hiervan afhankelijk van de ruimte die uw Gerechtshof geeft.
Uiteraard ben ik graag bereid omtrent het bovenstaande telefonisch met u te overleggen.’
10.
Verzoeker heeft aangegeven dat hij zelf in negen dagen tijd niet in staat is geweest een adequaat verweer voor te bereiden, zo kan worden opgemaakt uit de mail van mr. Van Gessel (‘De situatie — zo begrijp ik — is thans aldus dat er morgen een uitloopdag is bepaald waarop mijn cliënt zelf zijn verdediging zou moeten voeren. Client deelde mij mee dat hij hiertoe niet in staat is (…)’), maar ook uit het eerder geciteerde verhandelde ter terechtzitting d.d. 24 juni 2022. Uitgelicht wordt de opmerking van verzoeker:
‘Ik had nog veel te zeggen, maar doe dit niet. Simpelweg omdat ik niet weet of dit in mijn zaak kan schaden of juist goed zal doen.’
11.
Op de zitting van 22 september 2022 — de datum waarop de zaak voor uitspraak stond — overweegt het gerechtshof vervolgens:
‘Op 6 september 2022 heeft mr. M.L. van Gessel zich gesteld als raadsman van verdachte. Bij brief van 19 september 2022 heeft de raadsman verzocht de zaak te heropenen/schorsen, zodat verdachte alsnog de gelegenheid krijgt om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Het hof heeft de raadsman meegedeeld dat zijn verzoek in verband met de andere samenstelling van het hof niet op 22 september 2022 behandeld kan worden en dat de zaken zullen worden aangehouden.
De voorzitter schorst het onderzoek, gehoord de advocaat-generaal, tot 18 november 2022, 13.30 uur te Zwolle.’
12.
Uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof van 18 november 2022 (p. 2) volgt dat mr. Van Gessel aldaar het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde ‘Toelichting op heropeningsverzoek’, waarbij de griffier opmerkt dat zowel het heropeningsverzoek van 19 september 2022 als de toelichting hierop aan voornoemd proces-verbaal zijn gehecht.
13.
Het heropeningsverzoek van 19 september 2022 houdt in (p. 24 e.v.):
‘Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Edelgrootachtbare heer
mr. G. Dam,
raadsheer
sr. gerechtsjurist
cc.
Ressortsparket Arnhem
Edelgrootachtbare heer
mr. M. Hemelaar,
Advocaat-generaal
Datum: Amsterdam, 19 september 2022
Dossier: [verdachte] ([geboortedatum]-1953)
E-mail: vangessel@vangesseladvocaten.nl
Uw ref.: 21/000014-17 en 21/004327-18
Edelgrootachtbare heer,
In bovenstaande zaken heb ik mij inmiddels als raadsman gesteld namens de heer [verdachte]. Eerder schreef ik u op 23 juni jl., daags voor de zitting van 24 juni jl. het volgende.
‘Hoewel ik de omvang van de zaak niet ken (en overigens ook de inhoud niet) lijkt mij dat het recht op een eerlijk proces valt of staat bij de mogelijkheid om adequate rechtsbijstand te krijgen. Graag treed ik met u in overleg over de mogelijkheden om cliënt in deze zaak adequate rechtsbijstand te verlenen, uiteraard ben ik hiervan afhankelijk van de ruimte die uw Gerechtshof geeft.’
Uit een automatische ontvangstbevestiging maak ik op dat het betreffende bericht op 24 juni jl. om 7.03.35, derhalve voor de aanvang de zitting, is gelezen.
Bij mailbericht van 28 juni jl., derhalve na de zitting van 24 juni jl. deelde mevrouw N. Versloot mij namens de combinatie mee dat het Hof voor de aanvang van de zitting op 24 juni jl. niet meer in de gelegenheid geweest is om op mijn email te reageren. De heer [verdachte] was ter zitting op 24 juni jl. aanwezig en is in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren. Ik veronderstel u bekend met de inhoud van het mailbericht van 28 juni jl.
Nadien heeft mijn cliënt mij nader geïnformeerd omtrent het procesverloop en heeft hij mij in het bezit gesteld van een aantal stukken. Hieruit maak ik het volgende op.
- —
Uit de mij ter beschikking gestelde stukken blijkt dat in deze zaak die ik verder aanduid als de Euro-commerce procedure er inhoudelijke zittingsdagen zijn bepaald op 8, 10, 15, 17 en 24 juni 2022.
- —
De vorige advocaat van mijn cliënt, mw. mr. R.E. van Zijl heeft op 14 juni jl., de dag voor het requisitoir de verdediging neergelegd.
- —
Op 15 juni jl. heeft mijn cliënt uw gerechtshof verzocht om zijn strafzaken aan te houden zodat hij zich kon voorzien van rechtsbijstand. Hoewel ik niet beschik over het proces-verbaal van de zitting van 15 juni jl. en het derhalve moet doen met de mededeling van mijn cliënt, welke ik overigens heb geverifieerd bij de advocaten van de medeverdachten, is dit verzoek door uw gerechtshof geweigerd.
Deze weigering is voor mijn cliënt aanleiding geweest om uw gerechtshof te wraken.
Bij beslissing van 23 juni jl. heeft de wrakingskamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het wrakingsverzoek afgewezen. De wrakingskamer overweegt als volgt.
‘De wrakingskamer overweegt dat het hof een belangafweging heeft gemaakt tussen enerzijds de belangen van verdachte en anderzijds het belang van een voortvarende rechtspleging. De afwijzing van het aanhoudingsverzoek betreft een processuele beslissing waarbij zich naar het oordeel van de wrakingskamer geen uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de duur van de behandeling in hoger beroep, de planning van de behandeling van de strafzaken die al een half jaar geleden in overleg met de verdediging is vastgesteld, het moment van het neerleggen van het neerleggen van de verdediging en de onduidelijkheid waarom dat is gebeurd.
De wrakingskamer betreft bij dit oordeel in het bijzonder dat verzoeker door het hof weldegelijk de mogelijkheid van uitstel van de behandeling is geboden maar verzoeker dit kennelijk niet heeft geaccepteerd.’
In haar overweging wordt niet duidelijk wat de wrakingskamer heeft bedoeld met een aan cliënt geboden mogelijkheid van uitstel van behandeling.
Client informeerde mij hierover in die zin dat uw gerechtshof op 15 juni jl. hem de mogelijkheid heeft geboden om een andere advocaat te zoeken die desgewenst op 24 juni jl. de verdediging kon voeren. Wellicht dat u zich kunt voorstellen dat een dergelijk aanbod gelet op de omvang en looptijd van de onderhavige strafzaken niet reëel is. Ik verwijs u hiervoor mede naar mijn mailbericht d.d. 23 juni jl.
Voorts overweegt de wrakingskamer dat uit de stukken zou blijken dat mijn cliënt tijdens de procedure meerdere keren van advocaat is gewisseld. Wat de wrakingskamer hiermee bedoeld heeft te zeggen is mij onduidelijk gelet op de informatie welke ik uit het strafdossier heb gehaald.
Mij is gebleken dat mijn cliënt in eerste aanleg is bijgestaan door — kort gezegd — kantoor Wladimiroff uit 's‑Gravenhage. Na het vonnis van 16 december 2016 is mijn cliënt kort bijgestaan door mr. J.M.R. Vlaar. Doordat mr. Vlaar zijn praktijk medio 2018 heeft neergelegd heeft mijn cliënt zich gewend tot het kantoor Jebbink Soeteman te Amsterdam. Dit kantoor heeft hem bijgestaan tot 15 juni jl.
Vooropgesteld moet worden dat er, gelet op de juridische merites van de onderhavige zaak en hetgeen er voor mijn cliënt op het spel staat, geen twijfel over bestaat dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang is gemoeid1..
Bij een beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de strafzaak (in casu strafzaken) dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen. Hierbij dient ook in aanmerking te worden genomen een aan een aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd recht van de verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze2..
Het moge duidelijk zijn dat mijn cliënt vanaf 15 juni jl. ter terechtzitting niet door een raadsman werd bijgestaan. Met verwijzing naar hetgeen hiervoor werd opgemerkt is de door uw hof aangedragen oplossing inhoudende dat mijn cliënt voor de zitting van 24 juni jl. een andere raadsman kon zoeken geen reële mogelijkheid en heeft hij zelf aangegeven zich niet zelf te kunnen verdediging. Ik verwijs u hiervoor ook naar mijn mailbericht van 23 juni jl.:
‘Cliënt deelde mij mee dat hij hiertoe niet in staat is (zichzelf te verdedigen) en ook nooit bij uw gerechtshof heeft aangegeven dat hij zelf zijn verdediging op welke wijze dan ook zou gaan voeren.’
Naar mijn oordeel heeft uw gerechtshof miskend dat mijn cliënt recht heeft op effectieve rechtsbijstand. Ik verwijs u in dit verband naar een uitspraak van het EHRM van 13 mei 19803..
‘The Court recalls that the Convention is intended to guarantee not rights that are theoretical or illusory but rights that are practical and effective; this is particularly so of the rights of the defence in view of the prominent place held in a democratic society by the right to a fair trial, from which they derive (see the Airey judgement of 9 October 1979, Series A no. 32, pp. 12–13, par. 24, and paragraph 32 above). As the Commission's Delegates correctly emphasised, Article 6 par. 3 (c) (art. 6-3-c) speaks of ‘assistance’ and not of ‘nomination’. Again, mere nomination does not ensure effective assistance since the lawyer appointed for legal aid purpose may die, fall seriously ill, be prevented for a protracted period from acting or shirk his duties. If they are notified of the situation, the authorities must either replace him or cause him to fulfil his obligations.’
Het gaat derhalve om effectieve rechtsbijstand, namelijk:
‘The possibility to influence the course of the proceedings. In other words, the appointed lawyer must be put in a position to be effective so to be an influencing factor in the development of the proceedings.’4.
Gelet op het voorgaande is de verdediging van oordeel dat het recht op rechtsbijstand — als onderdeel van het recht op een eerlijk proces op grond van art. 6 lid 3 onder c EVRM en art. 28 lid I Sv. — een essentieel verdedigingsrecht is waar de Hoge Raad weinig uitzonderingen op maakt in gevallen waar de verdachte aangeeft van dit recht gebruik te willen maken, hetgeen mijn cliënt bij herhaling heeft gedaan.
Zulks zo zijnde verzoek ik u om alsnog mijn cliënt in de gelegenheid te stellen om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen in die zin dat hij op een effectieve manier de verdediging bij uw gerechtshof kan laten voeren.
Uit het mailbericht van 28 juni jl. maak ik op dat de sluiting van het onderzoek en de uitspraak in bovenstaande strafzaken staat gepland op 22 september a.s. om 13:30 uur. Ik verzoek u namens cliënt alsdan in beide strafzaken geen arrest te wijzen maar het onderzoek te heropenen teneinde de verdediging in staat te stellen om het standpunt van de verdachte op een later tijdstip ten overstaan van uw gerechtshof te bepleiten.
Ondergetekende of een van mijn kantoorgenoten zal op 22 september a.s. om 13:30 uur aanwezig zijn ter terechtzitting zodat mogelijk een nadere toelichting — indien vereist — kan worden gegeven ten aanzien van het hier vorenstaande geformuleerde heropeningsverzoek.
Hoogachtend,
mr. M.L. van Gessel’
14.
Gelet op eerder door het gerechtshof aangegeven omstandigheden (andere samenstelling) is op de zitting van 22 september 2022 niet meer gebeurd dan dat de zaak is aangehouden tot 18 november 2022 en heeft een toelichting op de zitting van 22 september 2022 niet plaats gevonden. Op de zitting van 18 november 2022 was mr. Van Gessel ook aanwezig, die aldaar zijn eerdere verzoek bij brief van 19 september 2022 als volgt nader heeft toegelicht (p. 29 e.v.):
‘KORTE TOELICHTING OP HEROPENINGSVERZOEK
van mr. M.L. van Gessel
Inzake: [verdachte]/OM
Parketnr.: 21/0000014-17 en 21/004327-18
Zitting: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Zwolle d.d. 18 november 2022 te 13.30 uur
Edelgrootachtbaar Collega, Geachte advocaat-generaal,
Op 22 september jl. heeft u mij per e-mailbericht laten weten dat vandaag, 18 november 2022, het heropeningsverzoek zoals dat is gedaan in mijn schrijven d.d. 19 september 2022 door uw Gerechtshof wordt behandeld. Tevens geeft u in dit e-mailbericht aan dat er beperkt tijd is voor een nadere toelichting. Gelet hierop zal ik volstaan met enkele kernpunten.
De heer [verdachte] sr is bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 16 december 2016 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden. Tegen dit vonnis heeft hij hoger beroep ingesteld.
De inhoudelijke behandeling van zijn strafzaken stond gepland op 8, 10, 15 en 17 juni 2022. Voorzien was in een uitloopdag op 24 juni 2022.
Bij e-mailbericht van 13 juni 2022 (21:21 uur) heeft de voormalig advocaat van de heer [verdachte] uw Gerechtshof bericht dat zij de heer [verdachte] in beide strafzaken niet langer als raadsvrouw bijstaat.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 15 juni 2022 blijkt dat uw Gerechtshof dit bericht heeft ontvangen. Op een vraag van uw Gerechtshof of mijn client iets over de breuk met zijn advocaten kan zeggen antwoordt hij:
‘Ik kan daar niets over zeggen’.
De heer [verdachte] heeft op de zitting van 15 juni 2022 herhaaldelijk verzocht de zaak aan te houden zodat hij zich kon laten voorzien van rechtsbijstand.
‘Ik wil graag een advocaat. Ik wil aanhouding van de zaak.’1.
en
‘Ik heb recht op rechtsbescherming. Ik heb recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil aanhouding van deze zaak.’2.
en
‘Ik heb recht op rechtsbescherming en ik heb het recht op rechtsbijstand en ik wil graag een advocaat. Ik wil graag aanhouding van deze zaak.’ 3.
Zie voorts pagina 7 en pagina 8 van het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 15 juni 2022.
De heer [verdachte] geeft duidelijk op de zitting van 15 juni 2022 aan dat hij tijd nodig heeft om zich goed te kunnen voorbereiden, dat het gaat om een zaak waarin sprake is van langdurige vrijheidsontneming en dat hij niet in staat is om op de uitloopdag van 24 juni 2022 zelf dan wel zich door een nieuwe raadsman te laten vertegenwoordigen.
‘Daar heb je gewoon een langere tijd voor nodig. Dat is onhaalbaar, dat is niet realistisch en dat weet u ook.’
Na een door mijn client (afgewezen) wrakingsverzoek is de zaak verder behandeld op de zitting van 24 juni 2022.
Voorafgaande aan deze zitting heeft ondergetekende raadsman uw per e-mailbericht verzocht om telefonisch met u in overleg te treden over de mogelijkheden om aan de heer [verdachte] in de onderhavige strafzaak adequate rechtsbijstand te verlenen.
Op de zitting van 24 juni 2022 geeft uw Gerechtshof aan op de hoogte zijn van het e-mailbericht van ondergetekende van 23 juni 2022.
Op de zitting (24 juni 2022) vraagt u aan mijn client waarom ondergetekende er niet is. Voorts geeft u aan dat het ingewikkeld wordt om met iemand te overleggen over een e-mailbericht die de avond ervoor om 21.30 uur aankomt.
Gelet op de inhoud van het e-mailbericht was het uw Gerechtshof op voorhand duidelijk dat ondergetekende — die zich overigens nog niet in de zaak had gesteld — niet op de zitting van 24 juni 2022 aanwezig zou zijn. Waarom het ingewikkeld voor uw Gerechtshof wordt om te overleggen ook al zou dit telefonisch zijn, is onduidelijk. Uw Gerechtshof heeft ook geen contact met ondergetekende opgenomen. Herhaaldelijk geeft de heer [verdachte] op de zitting van 24 juni 2022 aan dat hij zich niet zelf kan verdediging, graag een advocaat wil en op deze wijze geen eerlijk proces krijgt.4.
Uw Gerechtshof heeft op 24 juni 2022 het onderzoek geschorst tot 22 september 2022 voor het wijzen van arrest.
Op 19 september 2022 heeft de verdediging gemotiveerd verzocht om in deze zaak het onderzoek te heropenen teneinde de verdachte in staat te stellen zich te laten voorzien van adequate rechtsbijstand.
In de telkens door uw Gerechtshof genomen beslissingen wordt door uw Gerechtshof een afweging gemaakt tussen alle betrokken belangen. Deze belangen zijn (niet limitatief):
- —
het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting;
- —
het belang van een goede organisatie van de rechtspleging en
- —
het recht van de verdachte op rechtsbijstand door een raadsman van zijn keuze.5.
Uw Gerechtshof overweegt — kort samengevat — dat de heer [verdachte] aan zijn derde advocaat of advocatenkoppel bezig zou zijn, het hoger beroep zes jaar duurt en uw Gerechtshof niet aan de gang kunt blijven met aanhoudingen ‘en dat we niet tot in het oneindige kunnen doorgaan met het wisselen van advocaten’.
Uw Gerechtshof heeft, na afweging van de hiervoor genoemde belangen, het belang van de samenleving en van de rechtspleging zwaarder laten wegen dan het belang van mijn client op effectieve rechtsbijstand. In deze belangenafweging heeft u kennelijk betrokken het eerder wisselen van advocaat door mijn client.
Client is van oordeel dat uw Gerechtshof, ten onrechte tot deze beslissing is gekomen in het bijzonder wijst hij er nogmaals op dat er weliswaar sprake is geweest van bijstand (in twee instanties) door diverse advocaten maar dat hij sinds medio 2018 werd bijgestaan door kantoor Jebbink Soeteman in Amsterdam. Voorts wijst hij erop dat de wijziging in 2018 op geen enkele wijze van invloed is geweest op de vertraging van de behandeling in hoger beroep. Uw opmerking zoals hiervoor weergegeven dat uw Gerechtshof niet tot in het oneindige kan doorgaan (lees: aanhouden) omdat van advocaat wordt gewisseld, wordt niet onderbouwd door feiten en omstandigheden die direct voortvloeien uit de onderhavige strafzaak, maar wordt veeleer als een argument (pour besoin de la cause) gebruikt om te komen tot een voorgenomen afhandeling van de strafzaak.
In het schrijven van 19 september 2022 is uitgebreid ingegaan op het recht dat mijn client heeft op effectieve rechtsbijstand en dat door de beslissing van uw Gerechtshof dit recht illusoir wordt gemaakt. Ik verwijs u nogmaals naar de jurisprudentie welke in het schrijven van 19 september 2022 wordt genoemd.
Het vorengaande is reden waarom ik uw Gerechtshof verzoek het onderzoek in beide zaken te heropenen en in overleg met de verdediging te treden omtrent een datum waarop pleidooi kan worden gehouden.
Ik dank u voor uw aandacht.
Raadsman’
15.
Het hof heeft op dit aanhoudings/heropeningsverzoek ter zitting geen beslissing genomen maar pas in het bestreden arrest van 2 december 2022 als volgt beslist:
‘Oordeel van het hof
Het hof zal het verzoek tot schorsing van het onderzoek afwijzen. Het overweegt daartoe als volgt:
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdediging niet valt te verwijten dat de procedure inmiddels al zo lang duurt. Objectief gezien zou het proces niet door de verdediging zijn vertraagd. Daar wreekt zich misschien het feit dat de raadsman het dossier nog niet zo goed kent. Het hof zal daarom nog kort recapituleren (zie hierboven ook onder ‘Procesverloop in hoger beroep’) welke handelingen van verdachte de procedure hebben vertraagd:
- —
De eerste regiezitting was gepland op 17 oktober 2018. Die zitting was gepland in overleg met mr. F.H.H. Sijbers, de toenmalige raadsman van verdachte. Hij had verzocht om 16 getuigen te horen.
- —
Kort voor de geplande regiezitting van 17 oktober 2018 (die uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden) heef mr. Vlaar zich gesteld in plaats van mr. Sijbers. Per brief heeft mr. Vlaar verzocht 75 getuigen te horen. Hij heeft een omvangrijk dossier ingediend dat deels bestond uit vervalste documenten, althans zo luidt de conclusie van de rechtbank Oost-Brabant. Omdat het hof geen beslissing kan nemen op verzoeken die (mogelijk) zijn gebaseerd op valse documenten, zou er eerst onderzoek naar die documenten werden uitgevoerd (het onderzoek-Maruoka). De eerste regiezitting in hoger beroep is daarom uitgesteld tot 6 februari 2019.
- —
Eind december 2018 hebben mr. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging overgenomen van mr. Vlaar. Op 6 februari 2019 heeft de eerste regiezitting plaatsgevonden. Tijdens die zitting hebben de raadslieden aangegeven dat zij hun onderzoekswensen nog niet konden toelichten omdat zij de zaak pas net hadden overgenomen. Bij tussenarrest is beslist dat de zaak in handen van de raadsheer-commissaris werd gesteld cm de getuigenverhoren in de onderhavige zaak en de zaak-Maruoka te coördineren.
- —
Op 13 mei 2020 vond opnieuw een regiezitting plaats. Het hof heeft naar aanleiding van die zitting beslist dat onder meer acht van de gevraagde getuigen moesten worden gehoord. Vier van die getuigen bleken onvindbaar. Het zou medewerkers van de ING betreffen, maar de bank kon deze medewerkers niet in haar personeelsbestand terugvinden.
- —
In januari 2022 is begonnen met de planning van de zaak en in overleg met de raadslieden zijn daarvoor vijf dagen in juni 2022 uitgetrokken.
- —
Tussen januari 2022 en juni 2022 is twee keer door de verdediging verzocht een nieuwe regiezitting te plannen met het verzoek om getuigen te horen die eerder al (grotendeels) door het hof waren afgewezen.
- —
Tijdens de zittingen van de inhoudelijke behandeling in juni 2022 heeft verdachte het hof twee keer gewraakt en is een dag voor de inhoudelijke behandeling de relatie met mrs Zeegers en Van Zijl beëindigd. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat er sprake was van misbruik van de wrakingsprocedure.
Het hof stelt vast dat de procedure allereerst ernstig is vertraagd doordat verdachte valse documenten heeft overgelegd. Verder is mr. Van Gessel nu de vierde advocaat die zijn belangen moet behartigen. En zelfs al zou dat gelet op de lengte van de procedure niet bezwarend hoeven te zijn, het zijn vooral de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld die de procedure telkens hebben vertraagd. Twee keer net voor een geplande regiezitting en één keer net voor de dag van de inhoudelijke behandeling. Mr. Van Zijl had zelfs de bijlagen bij haar pleidooi al aan hel hof gemaild, wat doet veronderstellen dat de verdediging op dat moment al geheel was voorbereid. Daarmee en met de daarop volgende (afgewezen) wrakingsverzoeken heeft verdachte ook de inhoudelijke behandeling in juni 2022 geprobeerd te frustreren.
De belangenafweging zoals het hof die eerder heeft gemaakt is niet anders geworden. Het recht op rechtsbijstand is zeer zwaarwegend, maar niet absoluut. Dat blijkt ook uit een uitspraak van het EHRM (EHRM 30 november 2021, Galovic t. Kroatië, nr. 45512/11, rov. 80 en 90). Verdachte heeft in hoger beroep in het algemeen en in het bijzonder vanaf de planning voor de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in juni 2022, die in overleg met zijn raadsman tot stand is gekomen, ruim voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden.
Het hof is van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijk proces niet is geschonden en wijst het verzoek om het onderzoek te schorsen af.’
(onderstreping JK en DS)
16.
Vervolgens is verzoeker door het hof veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en drie maanden voor het in de zaak met parketnummer 08-996128-13 onder 1 primair en 3 en in de zaak met parketnummer 07-996513-12 onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair tenlastegelegde.
Omvang van de klachten
17.
Vooropgesteld wordt dat de samenstelling van het hof sinds 8 juni 2022 niet is gewijzigd. Aldus kan in cassatie over de beslissingen van het hof op alle aanhoudingsverzoeken, gedaan met het oog op de wens van verzoeker zich van rechtsbijstand te voorzien en/of zijn eigen verdediging voor te bereiden, worden geklaagd. Dat wordt hierbij gedaan. De beslissingen van het hof hangen onderling in zoverre samen, dat het hof steeds (in de kern) aangeeft te blijven bij zijn eerdere beslissing(en) en/of aangeeft dat deze eerdere beslissing(en) niet anders is/zijn geworden. Ook in het bestreden arrest oordeelt het hof dat ‘de belangenafweging zoals het hof die eerder heeft gemaakt niet anders geworden is’. Voor zover in het navolgende in algemene zin wordt geklaagd over de afwijzing van het hof op het aanhoudingsverzoek, heeft de klacht betrekking op alle hier eerder weergegeven beslissingen. Wanneer een specifiek onderdeel van één van deze beslissingen nader wordt aangevochten, dan wordt dit uitdrukkelijk aangegeven.
Deelklacht 1: ontoereikend gemotiveerd en/of onbegrijpelijk oordeel hof in het licht van het procesverloop in de onderhavige zaak, inclusief schending van de onschuldpresumptie
18.
Uit de rechtspraak van uw Raad volgt dat aan een beslissing op een verzoek om aanhouding een afweging van alle betrokken belangen ten grondslag moet liggen, waaronder het belang van de verdachte — dat er in deze zaak in bestaat dat hij gebruik kan maken van (het recht op) bijstand ter terechtzitting van een advocaat en het (recht op het) hebben van voldoende tijd en faciliteiten voor het voeren van die verdediging — het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.
19.
Het gerechtshof heeft in dat verband op de zitting van 15 juni 2022 overwogen — en daaraan in de daarop volgende beslissingen telkens gerefereerd — dat de breuk met de raadslieden van verzoeker kort voor die zitting, ‘bij deze stand van zaken voor rekening van de verdachte is’, ‘omdat inmiddels (…) de voortgang van de zaak (prevaleert) boven het belang van verdachte om een nieuwe advocaat, dat wil zeggen zijn vierde, te zoeken. We moeten ook de belangen van anderen afwegen en de procesgang die een keer afgerond moet worden. En daar komt bij, u bent zelf uitstekend in staat uw zegje te doen. Dat betekent dus dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen en wij gewoon doorgaan met behandeling van de strafzaak en de ontnemingszaak.’
20.
Uit deze overwegingen kan weliswaar blijken dat het gerechtshof een belangenafweging heeft gemaakt, maar niet dat dit de juiste is geweest. Het gerechtshof heeft immers als belang van belang van verzoeker slechts aangemerkt zijn belang om ‘een nieuwe advocaat (…) te zoeken’, terwijl uit het verhandelde ter zitting ook kan volgen dat hij om aanhouding verzocht heeft om voldoende tijd en faciliteiten voor het voeren van de verdediging. Voorts is niet duidelijk wat hof in die overwegingen bedoelt met ‘de belangen van anderen’ en ‘de procesgang die een keer afgerond moet worden’. Meer in het bijzonder kan niet blijken dat het de belangen die de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging tegen die van verzoeker heeft afgewogen. Dit brengt mee dat het gerechtshof de afwijzing van het verzoek om aanhouding ontoereikend heeft gemotiveerd.1.
21.
Daarnaast geldt voor wat betreft die afwijzing dat het hof heeft gewezen op ‘handelingen van verdachte die de procedure hebben vertraagd’, in welk verband het de volgende omstandigheden noemt:
- —
Kort voor de op 17 oktober 2018 geplande regiezitting is verzoeker gewisseld van raadsman mr. Sijbers naar raadsman mr. Vlaar, die meer onderzoekswensen heeft ingediend dan mr. Sijbers had gedaan (75 getuigen in plaats van 16), en die daartoe een omvangrijk dossier heeft ingediend dat deels zou hebben bestaan uit vervalste documenten, zo heeft de rechtbank Oost-Brabant beslist. De eerste regiezitting is daarop uitgesteld tot 6 februari 2019.
- Eind december 2018 hebben mr. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging overgenomen van mr. Vlaar. Op 6 februari 2019 hebben zij op de eerste regiezitting aangegeven dat zij hun onderzoekswensen nog niet konden toelichten omdat zij de zaak pas net hadden overgenomen;
- —
Op 20 februari 2019 is bij tussenarrest beslist dat de stukken in handen van de raadsheer-commissaris worden gesteld, opdat deze in overleg treedt met de behandeld rechter-commissaris in de ‘nieuwe’ zaak Maruoka, onder meer over het horen van personen die in beide zaken als getuigen dienen te worden gehoord;
- —
Na een regiezitting van 13 mei 2020 in de zaak van verzoeker is beslist dat onder meer acht van de gevraagde getuigen moesten worden gehoord, waarvan er vier onvindbaar bleken. Hierna is in januari 2022 begonnen met de planning van de zaak en in overleg met de raadslieden zijn daarvoor vijf dagen in juni 2022 uitgetrokken;
- —
Tijdens de zittingen van de inhoudelijke behandeling in juni 2022 heeft verdachte het hof twee keer gewraakt en is een dag voor de inhoudelijke behandeling de relatie met mrs Zeegers en Van Zijl beëindigd.
22.
Hieruit leidt het hof af dat (de volgorde wordt voor de leesbaarheid iets anders weergegeven dan het hof doet):
- a)
Mr. Van Gessel de vierde advocaat is die de belangen van verzoeker moet behartigen, waarbij het niet dat gegeven is, doch veeleer de momenten waarop van raadsman wordt gewisseld die de procedure telkens hebben vertraagd; twee keer net voor een geplande regiezitting en één keer net voor de dag van de inhoudelijke behandeling;
- b)
Verzoeker de procedure allereerst ernstig heeft vertraagd door valse documenten over te leggen;
- c)
Verzoeker ook met de daarop volgende (afgewezen) wrakingsverzoeken heeft geprobeerd de inhoudelijke behandeling in juni 2022 te frustreren.
Ad (a) de wisseling van advocaten
23.
In verband met (a) kan geconstateerd worden dat de wissel van mr. Sijbers naar mr. Vlaar (kennelijk) niet tot nauwelijks vertraging heeft opgeleverd, te weten vier maanden. Voor zover het gerechtshof hiermee voorts heeft willen suggereren dat sprake zou zijn geweest van een (bewuste) vertragingstactiek, kan daarvan niet blijken.
24.
De geplande regiezitting van 17 oktober 2018 heeft vervolgens kennelijk ‘gewoon’ doorgang gevonden. Van vertraging is in zoverre geen sprake geweest. Hierop wees ook mr. Van Gessel in de toelichting op zijn heropeningsverzoek (‘de wijziging in 2018’):
‘Client is van oordeel dat uw Gerechtshof, ten onrechte tot deze beslissing is gekomen in het bijzonder wijst hij er nogmaals op dat er weliswaar sprake is geweest van bijstand (in twee instanties) door diverse advocaten maar dat hij sinds medio 2018 werd bijgestaan door kantoor Jebbink Soeteman in Amsterdam. Voorts wijst hij erop dat de wijziging in 2018 op geen enkele wijze van invloed is geweest op de vertraging van de behandeling in hoger beroep. Uw opmerking zoals hiervoor weergegeven dat uw Gerechtshof niet tot in het oneindige kan doorgaan (lees: aanhouden) omdat van advocaat wordt gewisseld, wordt niet onderbouwd door feiten en omstandigheden die direct voortvloeien uit de onderhavige strafzaak, maar wordt veeleer als een argument (pour besoin de la cause) gebruikt om te komen tot een voorgenomen afhandeling van de strafzaak.’
25.
Daarnaast moet worden geconstateerd dat de opvolging van mr. Vlaar door andere advocaten uit nood geboren was, nu mr. Vlaar zijn praktijk had neergelegd (zie ook de brief van mr. Van Gessel van 19 september 2022, p. 3 waarin dit — onweersproken — is gesteld).
26.
Dat mrs. Van Zijl en Zeegers de verdediging overgenomen hebben was (in het verlengde daarvan) dus noodzakelijk. Dat zij tijd nodig hadden om onderzoekswensen te formuleren, kan niet als verrassend of (bewust/onnodig) vertragend worden beschouwd. Zij hebben verzoeker vervolgens van eind 2018 tot medio 2022, dat wil zeggen 3,5 jaar, bijgestaan.
27.
Aldus kan bezwaarlijk worden geconcludeerd dat de advocatenwissels van verzoeker tot (onnodige) vertraging hebben geleid. Dit brengt met zich dat het oordeel van het hof dat het vooral de momenten zijn waarop van advocaat gewisseld werd onnodig vertragend waren — twee keer net voor een geplande regiezitting — onbegrijpelijk is, nu de eerste wissel nauwelijks vertraging heeft opgeleverd en de tweede wissel uit nood geboren was.
28.
Daarmee rijst de vraag in hoeverre de overige ‘vertragings-redenen’ die het hof noemt, namelijk b) het beweerdelijk overleggen van valse stukken en c) de wrakingsverzoeken, bij mogen/kunnen dragen aan het kennelijke oordeel van het hof dat verzoeker zijn recht op rechtsbijstand heeft ‘verspeeld’.
Ad (b) valse stukken, onschuldpresumptie
29.
Ten aanzien van (b) wordt vermeld dat ondergetekenden bekend is dat de uitspraak van de rechtbank in deze zaak en die betrekking heeft op die (vermeend) valse stukken tot op heden niet onherroepelijk is en thans in hoger beroep loopt, terwijl verzoeker het in die zaak aan hem tenlastegelegd met klem ontkent.
30.
Het hof heeft desondanks geoordeeld (arrest p. 5):
‘Het hof stelt vast dat de procedure allereerst ernstig is vertraagd doordat verdachte valse documenten heeft overgelegd.’
En (arrest p. 41):
‘Uit de getuigenverklaringen in het onderzoek-Maruoka leidt het hof af dat door verdachte overgelegde stukken vals zijn. Van een aantal valse geschriften staat vast dat verdachte bij het opstellen daarvan betrokken is. Dat neemt het hof de verdachte kwalijk.’
Het acht slaan op deze veroordeling als ware zij onherroepelijk/vaststaand, c.q. het vaststellen van de schuld van verzoeker zonder dat de veroordeling onherroepelijk is en/of van hetgeen in deze zaak überhaupt tenlastegelegd is, is in strijd met de onschuldpresumptie (zie ook separaat over deze schending de klachten in middel II).
31.
In de geciteerde oordelen van het hof ligt besloten dat het verzoeker schuldig oordeelt voor iets dat in de onderhavige zaak niet tenlastegelegd is, c.q. aan een feit dat in een ander proces (Maruoka) aan de orde is doch ten aanzien waarvan zijn schuld nog niet onherroepelijk vaststaat. Dit brengt een schending van de in art. 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie met zich.
32.
Art. 6 lid 2 EVRM houdt in dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Uit de rechtspraak van het EHRM (Allen v. The United Kingdom, 25424/09, 12 juli 2013) volgt in lijn met deze wettekst dat de onschuldpresumptie — naast de categorie gevallen die zien op een onherroepelijke vrijspraak — wordt geschonden wanneer iemand voorafgaand aan het op wettige wijze vaststellen van zijn of haar schuld als schuldig wordt aangemerkt:
- ‘120.
In the early case of Minelli, cited above, which concerned an order requiring the applicant to pay prosecution costs following discontinuation of the criminal proceedings, the Court set out the applicable principle as follows:
- ‘37.
In the Court's judgment, the presumption of innocence will be violated if, without the accused's having previously been proved guilty according to law and, notably, without his having had the opportunity of exercising his rights of defence, a judicial decision concerning him reflects an opinion that he is guilty. This may be so even in the absence of any formal finding; it suffices that there is some reasoning suggesting that the court regards the accused as guilty.’
- 121.
In the first cases with which it was confronted concerning applications by a former accused for compensation or for defence costs, the Court drew on the principle set out in Minelli, explaining that a decision whereby compensation for detention on remand and reimbursement of an accused's necessary costs and expenses were refused following termination of proceedings might raise an issue under Article 6 § 2 if supporting reasoning which could not be dissociated from the operative provisions amounted in substance to a determination of the accused's guilt without his having previously been proved guilty according to law and, in particular, without his having had an opportunity to exercise the rights of the defence (see Englert, cited above, § 37; Nölkenbockhoff, cited above, § 37; and Lutz, cited above, § 60).(…).’
33.
Verder moet worden gewezen op de uitspraak EHRM El Kaada t. Duitsland, Application no. 2130/10, van 12 november 2015. Hierin oordeelde het Hof:
- ‘54.
A fundamental distinction must be made between a statement that someone is merely suspected of having committed a crime and a clear declaration, in the absence of a final conviction, that an individual has committed the crime in question (see Peltereau-Villeneuve v. Switzerland, no. 60101/09, § 32, 28 October 2014; for the relevance of the finality of the conviction for the principle of the presumption of innocence see also Konstas v. Greece, no. 53466/07, § 35, 24 May 2011). The latter violates the principle of presumption of innocence while the former has repeatedly been considered as complying with Article 6 (see Marziano v. Italy, no. 45313/99, § 31, 28 November 2002 and the cases cited therein; and Peltereau-Villeneuve, cited above, § 32).
- 55.
The Court has consistently emphasised the importance of the choice of words by public officials in their statements before a person has been tried and found guilty of a particular criminal offence (see Böhmer, cited above, §§ 54 and 56; Ismoilov and Others v. Russia, no. 2947/06, § 166, 24 April 2008; and Müller v. Germany, no. 54963/08, § 46, 27 March 2014). Moreover, whether or not a public official's remarks breach the principle of the presumption of innocence must be examined in the context of the particular circumstances in which the offending remarks were made (see Konstas, cited above, § 33; and Müller, cited above, § 46).’
34.
Deze laatste uitspraak laat zien waar de schoen in de onderhavige zaak wringt. Het hof zegt met zoveel woorden dat verzoeker schuldig is, zonder een onherroepelijke (‘final’) veroordeling. Er is bovendien evident sprake van een 'finding of guilt’. Het hof stelt vast, wederom ondubbelzinnig, dat sprake is van valse geschriften en van betrokkenheid van verzoeker hierbij. Daarmee neemt het hof in ieder geval niet de door Straatsburg verlangde nuance dat verzoeker nog verdachte is in acht. De ‘importance of the choice of words’ is door het hof miskend.
35.
De hier geconstateerde schending is des te groter, nu het hof zich niet alleen in zijn hiervoor geciteerde oordeel niet schaart achter het (niet onherroepelijke) oordeel van de rechtbank, maar ook in zijn strafmaatoverweging de ‘getuigenverklaringen in het onderzoek Maruoka’ en de conclusies die het daaruit trekt meeweegt bij de oplegging van de straf en de hoogte daarvan. Daarmee velt het hof zonder deze getuigenverklaringen te wegen — het heeft de getuigen niet gehoord/ondervraagd en ook overigens aan de betrouwbaarheid ervan geen woorden gewijd — een oordeel over de betrouwbaarheid van hun verklaringen, en — belangrijker nog — velt het hof zonder proces een eigen oordeel over de strafbaarheid van handelingen waarvoor hij niet onherroepelijk is veroordeeld en die niet (ook) in de onderhavige zaak ten laste zijn gelegd.
36.
Verzoeker is door deze schending bovendien in zijn belangen geschaad, nu het hof dit gegeven (de niet onherroepelijke veroordeling voor valsheid in geschrifte) bezigt ter staving van zijn oordeel dat verzoeker bewust de onderhavige procedure heeft pogen te vertragen c.q. vertraagd. Het hof had deze schending van de onschuldpresumptie ‘nodig’ om het aanhoudingsverzoek af te wijzen. Aan dat oordeel komt nu dit argument te ontvallen, zonder welke de beslissing(en) op het/de aanhoudingsverzoek(en) onbegrijpelijk is. Daarmee is het belang van verzoeker ex art. 80a RO gegeven.
Ad (c) wraking
37.
Ten aanzien van (c) de wrakingen wordt geconstateerd dat de aanleidingen daarvoor waren 1) een afwijzing van alle (34) getuigenverzoeken en 2) de weigering van het hof tot aanhouding van de zaak opdat verzoeker zich van rechtsbijstand kon voorzien. De tweede wraking kan zodoende geen argument ten behoeve van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding (dat zou een cirkelredenering zijn). Verder wordt in algemene zin opgemerkt dat een wrakingsverzoek nu daarop veelal binnen enkele dagen wordt beslist (zo ook hier) slechts een zeer beperkte vertraging oplevert.
38.
Redenen waarom de vaststellingen van het hof omtrent de keren dat / wijzen waarop verzoeker de procedure in hoger beroep heeft vertraagd, onbegrijpelijk zijn. Deze onbegrijpelijkheid werkt door in de hierna te formuleren deelklachten.
Deelklacht 2: schending art. 6 EVRM door het verzuim verzoeker in de gelegenheid te stellen zich van rechtsbijstand te voorzien.
Juridisch kader
39.
Uw Raad heeft in 2015 beslist dat art. 6 EVRM lid 3 onder c de verdachte het recht toekent om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge art. 28, eerste lid, Sv is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. De in dat wetboek voorziene toevoeging van een raadsman aan de verdachte is in een aantal gevallen verplicht, onder meer wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of heeft bevonden (art. 41 Sv). Of een verdachte zichzelf ter terechtzitting wil verdedigen dan wel zich wil laten verdedigen door een raadsman, is ter vrije keuze van de verdachte. (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:2868, r.o. 2.5., onder verwijzing (‘vgl.’) naar HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6406, NJ 2012/29.)
40.
In diezelfde zaak oordeelde uw Raad dat nu de strafzaak van de verdachte behandeld is zonder dat de verdachte het hem toekomende recht op rechtsbijstand feitelijk heeft kunnen uitoefenen, het middel terecht klaagt dat in de gegeven omstandigheden door afwijzing van het verzoek tot aanhouding door het hof art. 6, derde lid onder b en c, EVRM is geschonden:
‘2.6.
Het Hof heeft het verzoek van de verdachte de behandeling van de zaak aan te houden teneinde zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien, afgewezen. Het Hof heeft in de motivering van die beslissing tot uitdrukking gebracht dat de raadsman ondanks zijn mededeling dat hij de verdediging heeft neergelegd totdat de vergoeding van de door hem te verlenen rechtsbijstand met de Raad voor Rechtsbijstand geregeld is, nog wel als toegevoegde raadsman van de verdachte heeft te gelden en dat de verdachte bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting op zichzelf nog steeds aanspraak kon maken op rechtsbijstand door deze raadsman. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 41 Sv en is niet onbegrijpelijk. Voor zover het Hof in zijn overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat het gaat om het recht op rechtsbijstand van de verdachte en niet tevens om de feitelijk aan de verdachte verleende rechtsbijstand, is dat oordeel evenwel onjuist.
2.7.
In deze zaak is sprake van ernstige misdrijven waarvoor in eerste aanleg door de Rechtbank een gevangenisstraf van negen jaren en de maatregel van terbeschikkingstelling was opgelegd. Gelet op de juridische merites van de zaak en hetgeen er voor de verdachte op het spel stond, lijdt het geen twijfel dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang was gemoeid. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de strafzaak tegen de verdachte behandeld is zonder dat de verdachte het hem toekomende recht op rechtsbijstand feitelijk heeft kunnen uitoefenen. Daarom klaagt het middel terecht dat in de gegeven omstandigheden door afwijzing van het verzoek tot aanhouding door het Hof art. 6, derde lid onder b en c, EVRM is geschonden.’
41.
In deze zaak was de verdachte vier keer van raadsman gewisseld en was mr. Speijdel zijn vijfde advocaat (r.o. 2.4).
42.
In HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3421 oordeelde uw Raad dat bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, de rechter een afweging dient te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (r.o. 2.5, onder verwijzing naar(‘vgl.’) HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294)).
43.
Voorafgaand aan dit arrest stelt A-G Bleichrodt het volgende, de rechtspraak van uw Raad samenvattend (met weglating van voetnoten):
- ‘14.
(…) In het aanhoudingsverzoek is expliciet opgenomen dat de verdachte ter terechtzitting rechtsbijstand van zijn raadsvrouwe wilde. De enkele afwezigheid van de verdachte ter terechtzitting houdt geen ondubbelzinnige afstand van rechtsbijstand in. Bij de beoordeling van een aanhoudingsverzoek dat in sterke mate samenhangt met het recht zich ter terechtzitting door de raadsvrouwe van de verdachte te laten bijstaan, zal het verdedigingsrecht in de afweging moeten worden betrokken. Nu het aanhoudingsverzoek tijdig is gedaan, vergt het nadere motivering waarom de verdachte volgens het hof kennelijk afstand moest doen van zijn recht zich te laten bijstaan door de raadsvrouwe van zijn keuze (art. 6, derde lid, onder c, EVRM). In de belangenafweging valt het verdedigingsrecht van de verdachte met andere woorden tussen de wal en het schip. Van een situatie waarin het aan de verdachte zelf te wijten is dat hij niet van rechtsbijstand is voorzien, is in dezen geen sprake.’
44.
Uit rechtspraak van het EHRM volgt het volgende — aangevangen wordt met de (ook door het hof genoemde) zaak Galovic t. Kroatië (31 Augustus 2021, Application no. 45512/11):
‘(b) The Court's assessment
(i) General principles
- 79.
The right to a fair trial under Article 6 § 1 is an unqualified right. However, what constitutes a fair trial cannot be the subject of a single unvarying rule, but must depend on the circumstances of the particular case. The Court's primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (see, among many other authorities, Ibrahim and Others v. the United Kingdom [GC], nos. 50541/08 and 3 others, § 250, 13 September 2016).
- 80.
Compliance with the requirements of a fair trial must be examined in each case, having regard to the development of the proceedings as a whole, and not on the basis of an isolated consideration of one particular aspect or one particular incident, although it cannot be excluded that a specific factor may be so decisive as to enable the fairness of the trial to be assessed at an earlier stage in the proceedings. In evaluating the overall fairness of the proceedings, the Court will take into account, if appropriate, the minimum rights listed in Article 6 § 3, which exemplify the requirements of a fair trial in respect of typical procedural situations which arise in criminal cases. They can therefore be viewed as specific aspects of the concept of a fair trial in criminal proceedings in Article 6 § 1. However, those minimum rights are not aims in themselves: their intrinsic aim is always to contribute to ensuring the fairness of the criminal proceedings as a whole (ibid., § 251).
- 81.
Article 6 § 3 (b) guarantees the accused ‘adequate time and facilities for the preparation of his defence’, and therefore implies that the substantive defence activity on his behalf may comprise everything which is ‘necessary’ to prepare the main trial. The accused must have the opportunity to organise his defence in an appropriate way and without restriction as to the ability to put all relevant defence arguments before the trial court and thus to influence the outcome of the proceedings (see Mayzit v. Russia, no. 63378/00, § 78, 20 January 2005; Moiseyev v. Russia, no. 62936/00, § 220, 9 October 2008; Gregačević v. Croatia, no. 58331/09, § 51, 10 July 2012; and Chorniy v. Ukraine, no. 35227/06, § 37, 16 May 2013).
- 82.
When assessing whether the accused had adequate time for the preparation of his defence, particular regard has to be had to the nature of the proceedings, as well as the complexity of the case and the stage of the proceedings (see Gregačević, cited above, § 51, and Albert and Le Compte v. Belgium, 10 February 1983, § 41, Series A no. 58). In this connection, the Court notes that the guarantees of Article 6 § 3 (b) go beyond trials, and extend to all stages of court proceedings (see D.M.T. and D.K.I. v. Bulgaria, no. 29476/06, § 81, 24 July 2012, and Chorniy, cited above, § 38).
- 83.
As regards the right to a lawyer, the Court reiterates that the right of everyone charged with a criminal offence to be effectively defended by a lawyer, assigned officially if need be, as guaranteed by Article 6 § 3 (c), is one of the fundamental features of a fair trial (see Salduz v. Turkey [GC], no. 36391/02, § 51, ECHR 2008; Dvorski v. Croatia [GC], no. 25703/11, § 76, ECHR 2015; and Simeonovi v. Bulgaria [GC], no. 21980/04, § 112, 12 May 2017 (extracts)). However, assigning counsel does not in itself ensure the effectiveness of the assistance counsel may provide to his client. Nevertheless, a State cannot be held responsible for every shortcoming on the part of a lawyer appointed for legal-aid purposes. It follows from the independence of the legal profession from the State that the conduct of the defence is essentially a matter between a defendant and his counsel, whether appointed under a legal-aid scheme or privately financed. The competent national authorities are required under Article 6 § 3 (c) to intervene only if a failure by legal-aid counsel to provide effective legal assistance is manifest or sufficiently brought to their attention in another way (see Czekalla v. Portugal, no. 38830/97, § 60, ECHR 2002-VIII, and Orlov v. Russia, no. 29652/04, § 108, 21 June 2011).’
(onderstrepingen JK en DS)
45.
Uit andere rechtspraak van het EHRM volgt dat het recht op rechtsbijstand (zoals het hof stelt) weliswaar niet absoluut is, maar dat sprake dient te zijn van ‘compelling reasons’ wil dat recht kunnen worden beperkt. Zie Beuze t. België, 09 november 2018, (Application no. 71409/10):
‘(iv) Relationship between the justification for a restriction on the right of access to a lawyer and the overall fairness of the proceedings
- 137.
The principle that, as a rule, any suspect has a right of access to a lawyer from the time of his or her first police interview was set out in the Salduz judgment (cited above, § 55) as follows:
‘… in order for the right to a fair trial to remain sufficiently ‘practical and effective’ …, Article 6 § 1 requires that, as a rule, access to a lawyer should be provided as from the first interrogation of a suspect by the police, unless it is demonstrated in the light of the particular circumstances of each case that there are compelling reasons to restrict this right. Even where compelling reasons may exceptionally justify denial of access to a lawyer, such restriction — whatever its justification — must not unduly prejudice the rights of the accused under Article 6 … The rights of the defence will in principle be irretrievably prejudiced when incriminating statements made during police interrogation without access to a lawyer are used for a conviction.’
- 138.
The Salduz judgment also demonstrated that the application on a ‘systematic basis’, in other words on a statutory basis, of a restriction on the right to be assisted by a lawyer during the pre-trial phase could not constitute a compelling reason (ibid., § 56). In spite of the lack of compelling reasons in that case, the Court nevertheless analysed the consequences, in terms of overall fairness, of the admission in evidence of statements made by the accused in the absence of a lawyer. It took the view that this defect could not have been cured by the other procedural safeguards provided under domestic law (ibid., §§ 52 and 57–58).
- 139.
The stages of the analysis as set out in the Salduz judgment — first looking at whether or not there were compelling reasons to justify the restriction on the right of access to a lawyer, then examining the overall fairness of the proceedings — have been followed by Chambers of the Court in cases concerning either statutory restrictions of a general and mandatory nature, or restrictions stemming from case-specific decisions taken by the competent authorities.
- 140.
In a number of cases, which all concerned Turkey, the Court did not, however, address the question of compelling reasons, and neither did it examine the fairness of the proceedings, but found that systematic restrictions on the right of access to a lawyer had led, ab initio, to a violation of the Convention (see, in particular, Dayanan, cited above, § 33, and Boz v. Turkey, no. 2039/04, § 35, 9 February 2010). Nevertheless, in the majority of cases, the Court has opted for a less absolute approach and has conducted an examination of the overall fairness of the proceedings, sometimes in summary form (see, among other authorities, Çarkçiv. Turkey (no. 2), no. 28451/08, §§ 43–46, 14 October 2014), and sometimes in greater detail (see, among other authorities, A.T.v. Luxembourg,cited above, §§ 72–75).
- 141.
Being confronted with a certain divergence in the approach to be followed, in Ibrahim and Others the Court consolidated the principle established by the Salduz judgment, thus confirming that the applicable test consisted of two stages and providing some clarification as to each of those stages and the relationship between them (see Ibrahim and Others, cited above, §§ 257 and 258-62).
(α) Concept of compelling reasons
- 142.
The criterion of ‘compelling reasons’ is a stringent one: having regard to the fundamental nature and importance of early access to legal advice, in particular at the suspect's first police interview, restrictions on access to a lawyer are permitted only in exceptional circumstances, must be of a temporary nature and must be based on an individual assessment of the particular circumstances of the case (see Salduz, cited above, §§ 54 in fine and 55, and Ibrahim and Others, cited above, § 258). A finding of compelling reasons cannot stem from the mere existence of legislation precluding the presence of a lawyer. The fact that there is a general and mandatory restriction on the right of access to a lawyer, having a statutory basis, does not remove the need for the national authorities to ascertain, through an individual and case-specific assessment, whether there are any compelling reasons.
- 143.
The Court has also explained that where a respondent Government have convincingly demonstrated the existence of an urgent need to avert serious adverse consequences for life, liberty or physical integrity in a given case, this can amount to a compelling reason to restrict access to legal advice for the purposes of Article 6 of the Convention (see Ibrahim and Others, cited above, § 259, and Simeonovi, cited above, § 117).’
(onderstrepingen JK en DS)
46.
Hoewel deze en vergelijkbare rechtspraak vaak betrekking heeft op het ontbreken van rechtsbijstand in een vroeg stadium van de procedure (bv. politieverhoor), ziet verzoeker niet in waarom de ‘compelling reasons’-rechtspraak niet ook zou gelden voor een geval als het onderhavige, waarin aan een verdachte rechtsbijstand gedurende de van tenminste even groot belang zijnde inhoudelijke behandeling ter zitting (pleidooi) is onthouden.
Toegepast op de onderhavige zaak:
Schending art. 6 lid 3 sub b en c jo. lid 1 EVRM
47.
Art. 6 lid 3 sub b EVRM luidt:
‘Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
- (…) b.
te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;’
48.
Artikel 6 lid 3 onder c EVRM luidt:
‘Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
- (…) c.
zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;’
49.
De tekst van laatstgenoemd artikellid spreekt voor zich. Ook is helder dat verzoeker het gerechtshof nadrukkelijk heeft verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld de bijstand van een raadsman te krijgen en het gerechtshof hem die mogelijkheid niet heeft geboden. Op de hiervoor reeds genoemde gronden is dat oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Vastgesteld kan voorts worden dat het gerechtshof niet eigener beweging voor de bijstand van een raadsman heeft gezorgd.
50.
De vraag die in dit verband nog relevant is, is of een verdachte zijn recht op rechtsbijstand kan ‘verspelen’.
51.
Röttgering wijdde daaraan enige tijd geleden beschouwingen.2. Zij wijst op twee arresten van uw Raad uit 1998 en 2005:
‘In 1998 deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak waarin de verdachte niet ter terechtzitting van het hof was verschenen en zijn raadsman het hof had laten weten dat hij zich terugtrok. Onzeker was of de verdachte op de hoogte was van het terugtreden van zijn advocaat. In cassatie werd geklaagd over het feit dat het hof de zaak niet had aangehouden om verdachte in de gelegenheid te stellen zich opnieuw van rechtsbijstand te voorzien. De advocaat-generaal Keijzer meende dat het hof het belang van het recht op verdediging ten onrechte ondergeschikt had gemaakt aan andere belangen die voortzetting van de zaak wenselijk maakten. De Hoge Raad oordeelde echter dat voor het hof geen aanleiding bestond aan te nemen dat verdachte zich door een raadsman had willen doen bijstaan. Dat zijn raadsman hem niet had kunnen bereiken, was aan de verdachte zelf te wijten. Van hem had mogen worden verwacht dat hij met zijn raadsman contact zou hebben gehouden of op zijn minst voor hem bereikbaar zou zijn. Slechts in bijzondere gevallen zou daarover anders kunnen worden geoordeeld, zoals wanneer de raadsman bij het neerleggen van zijn opdracht jegens zijn cliënt onzorgvuldig zou hebben gehandeld.’
En:
‘In 2005 oordeelde de Hoge Raad in een geval waarin een verdachte zijn advocaat tijdens de vierde terechtzitting in hoger beroep ontsloeg en aanhouding verzocht om zich opnieuw van rechtsbijstand te voorzien, dat het belang van berechting binnen een redelijke termijn in dat geval diende te prevaleren boven het belang van de verdachte bij de rechtsbijstand tijdens de verdere behandeling in hoger beroep. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat:
‘Reeds drie behandelingen in hoger beroep hadden plaatsgevonden, dat de verdachte daarbij telkens door een raadsman werd verdedigd, dat de verdachte ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om met zijn raadsman te overleggen over het horen van nadere getuigen en dat die nadere getuigen weliswaar in afwezigheid van de verdachte die — om hem moverende redenen — niet was verschenen, maar in aanwezigheid van de op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman door het Hof zijn gehoord, terwijl het Hof, gelet op hetgeen aan het verzoek is voorafgegaan, kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het aan de verdachte zelf te wijten is dat het ter terechtzitting tot een vertrouwensbreuk met zijn raadsman is gekomen als gevolg waarvan hij niet langer van rechtsbijstand was voorzien.’’
52.
De eerste uitspraak lijkt een interpretatiekwestie (en vertoont ook overigens weinig gelijkenissen met de onderhavige zaak). Het is vooral de tweede uitspraak die bij Röttgering enige verbazing wekt:
‘Opmerkelijk is de afweging van het recht op rechtsbijstand tegen het belang op berechting binnen een redelijke termijn. Ten eerste lijkt op grond van de in het arrest genoemde data geen sprake te zijn geweest van (dreigende) schending daarvan, maar daarnaast valt ook niet in te zien waarom de terechtzitting niet voor korte tijd had kunnen worden aangehouden. Een vertraging van enkele weken zou immers geen wezenlijk verschil uitmaken voor de beoordeling van de termijn. De uitspraak bevredigt daarom niet. In wezen lijkt de Hoge Raad in de beide hier besproken zaken te hebben geoordeeld dat de verdachte geacht moest worden van zijn recht op rechtsbijstand te hebben afgezien, dan wel dit recht had verspeeld. Wij vragen ons af of de uitspraak in met name de laatste zaak in Straatsburg stand zou houden. Het betrof een zedenzaak, waarin het hof een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden oplegde en waarin de verdachte tijdens een cruciaal gedeelte van de procedure, het pleidooi, niet meer van rechtsbijstand was voorzien.’
(onderstreping JK en DS)
Verzoeker onderschrijft deze visie in ieder geval in zoverre, dat de Straatsburgse rechtspraak (zoals weergegeven) geen ruimte laat voor het op dergelijke wijze ‘verspelen’ van je recht op rechtsbijstand.
Onjuiste rechtsopvatting oordeel hof
53.
Röttgering bespreekt in dit verband de waiver:
‘Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het EHRM consequenties van keuzes die ‘de verdediging’ maakt voor rekening van de verdachte laat, ook als die leiden tot een inbreuk op de rechten van de verdachte, bijvoorbeeld in de zaak-Stanford. Niet uitgesloten mag worden dat de keuze van de verdachte in de hier besproken zaak als zo'n keuze zou worden aangemerkt. Anderzijds was in de hier besproken zaak nu juist geen sprake van een keuze van de verdachte tot het voeren van zijn eigen verdediging. Hij had van het recht op rechtsbijstand geen afstand willen doen. De vraag is of het gedrag van een verdachte met zich kan brengen dat hij geacht mag worden van een recht afstand te hebben gedaan, terwijl uit zijn verklaringen het tegendeel blijkt. Deze vraag is door het EHRM nog niet beantwoord. De standaardoverweging van het EHRM wanneer het gaat om een ‘waiver’, is dat deze ‘must not run counter to any important public interest, must be established in an unequivocal manner and requires minimum guarantees commensurate to the waiver's importance’. In de zaak-Zana tegen Turkije werd verzoeker niet toegelaten tot zijn proces, omdat het feit dat hij bij eerdere gelegenheden procedurele belemmeringen had opgeworpen en de rechters in het Koerdisch in plaats van in het Turks had willen toespreken als een ‘waiver’ van zijn aanwezigheidsrecht werd opgevat. Dit vond geen genade in de ogen van het EHRM.’
(onderstreping JK en DS)
54.
Ook thans biedt de rechtspraak van het EHRM geen aanknopingspunten voor de idee dat het gedrag van een verdachte met zich kan brengen dat hij geacht mag worden van een recht afstand te hebben gedaan, terwijl uit zijn verklaringen het tegendeel blijkt.
55.
Integendeel; de rechtspraak van het Hof ter zake van de waiver lijkt in afgelopen jaren stringenter te zijn geworden, waarbij meer nadruk ligt op de ‘vrijwilligheid’ van de waiver.
56.
Verzoeker wijst op EHRM Türk t. Turkije 5 September 2017, Application no. 22744/07. Hierin oordeelde het Hof:
- ‘53.
The Court reiterates that it was in the first place the trial court's duty to establish in a convincing manner whether or not the applicant's confessions and waivers of legal assistance had been voluntary (see Ogorodnik v. Ukraine, no. 29644/10, § 108, 5 February 2015). It must therefore be further examined whether that flaw was rectified during the subsequent trial and whether the proceedings as a whole can be considered as fair within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention (see Zachar and Čierny, cited above, § 75).
- 54.
For the Court, the Izmir Assize Court's failure to examine the circumstances surrounding the applicant's waiver, despite the procedural safeguards provided for by the Code of Criminal Procedure, was tantamount to depriving the applicant of a possibility of remedying a situation contrary to the requirements of the Convention (see Yunus Aktaş and Others v. Turkey, no. 24744/03, § 51, 20 October 2009).’
57.
Het behoeft geen betoog dat in de onderhavige zaak van vrijwillige afstand bepaald geen sprake is.
58.
Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat het gedrag van een verdachte met zich mee brengt dat hij geacht mag worden van een recht afstand te hebben gedaan en/of dat recht te hebben verspeelt, terwijl uit zijn verklaringen het uitdrukkelijke tegendeel blijkt, getuigt dit oordeel derhalve van een onjuiste rechtsopvatting.
Oordeel hof onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd
59.
Wat daarvan evenwel ook moge zijn, materieel van meer gewicht is dat in de onderhavige zaak niet kan blijken dat de breuk van verzoeker met zijn raadslieden aan zijn schuld te wijten is.
60.
Daarmee onderscheidt de onderhavige zaak zich in belangrijke zin van de uitspraak van uw Raad uit 2005. Daar had het hof volgens uw Raad kennelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat het aan de verdachte zélf te wijten was dat hij niet langer van rechtsbijstand was voorzien. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt:
‘U houdt mij voor dat dit reeds de vierde behandeling in hoger beroep is en dat ik blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2003 de gelegenheid heb gehad om met mijn raadsman te overleggen over het horen van getuigen op de nadere terechtzitting, naar aanleiding waarvan het hof de getuigen [getuige 1 en 2] heeft gehoord.
Ik ben in januari 2002 door de rechtbank veroordeeld. Ik heb toen tegen mijn raadsman gezegd dat ik nog drie getuigen op de zitting wilde. Ik ontsla dan nu mijn raadsman omdat hij mij geen gelegenheid heeft geboden deze getuigen vragen te stellen.
Het hof onderbreekt het onderzoek zodat de verdachte met zijn raadsman hierover kan overleggen.
Na hervatting deelt de raadsman mede, zakelijk weergegeven:
Ik ben genoodzaakt de verdediging neer te leggen, nu cliënt het vertrouwen in mij heeft opgezegd.
Ik kan niet méér mededelen dan dat het een meningsverschil over de in hoger beroep op te roepen getuigen betreft.
De voorzitter deelt de verdachte daarop mede dat er in deze strafzaak geen ambtshalve toevoeging is vereist omdat er geen voorlopige hechtenis is toegepast. De voorzitter wijst er voorts op dat de verdachte, als hij besluit om zijn raadsman te ontslaan, bij voortzetting van de behandeling, zijn eigen verdediging zal moeten voeren.
De verdachte verklaart hierop, zakelijk weergegeven:
Ik heb meermalen aangeven dat bepaalde personen als getuige gehoord moeten worden. Ik vind niet dat ik daartoe de kans heb gehad. Ik ontsla nu mijn advocaat.’
(onderstrepingen JK en DS)
61.
De verdachte had zijn raadsman kortom (mede) ‘ontslagen’ omdat hij hem geen gelegenheid heeft geboden deze getuigen vragen te stellen, zulks terwijl de verdachte zelf niet bij de ondervragingsgelegenheid aanwezig was. Vellinga merkt in zijn conclusie (onder 6) op dat de verdachte zich ten tijde van de terechtzitting van 26 juni 2003 — naar eigen zeggen — had verslapen, terwijl hij op 18 september 2003 — gelet op de ter terechtzitting gemaakte opmerkingen van zijn raadsman — niet van plan was te komen.
62.
Bovendien heeft het hof de verdachte in die zaak van tevoren gewaarschuwd. Ook dat staat in schril contrast met de onderhavige zaak, waarin verzoeker nauwelijks de tijd heeft gekregen om zijn eigen verdediging in te richten.
63.
Ten slotte is de onderhavige zaak op het oog (juridisch) omvangrijker en complexer dan de zaak uit 2005. Verzoeker heeft zijn raadslieden immers niet ‘ontslagen’, er blijkt van een vertrouwensbreuk sprake te zijn geweest. Nu de basis van de relatie tussen een advocaat en zijn of haar client wederzijds vertrouwen is, kan van een dergelijke relatie geen sprake meer zijn als dat vertrouwen er niet meer is. Dat verzoeker oorzaak is van de vertrouwensbreuk kan niet blijken
64.
Tegen die achtergrond is het door Röttgering samengevatte oordeel van uw Raad in 2005 formeel opvallend doch op de inhoud minder bevreemdend. Ook de beslissing van uw Raad in HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625 zou in die lijn kunnen worden beoordeeld. De verdachte was vergeten een afspraak met zijn raadsman te maken. Uw Raad billijkte 's hof's afwijzing van het aanhoudingsverzoek, en nam in aanmerking dat het een naar zijn aard en omvang eenvoudige zaak betreft, dat ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep sinds de datum van het tenlastegelegde feit bijna drie jaren waren verstreken en dat het, gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, klaarblijkelijk aan verdachtes eigen onzorgvuldigheid te wijten was dat hij op die terechtzitting — anders dan bij de terechtzitting in eerste aanleg — niet van rechtsbijstand was voorzien (r.o. 3.3). Hier is de ‘eigen schuld’ evident.
65.
Het oordeel van het hof in de onderhavige zaak bevreemdt des te meer.
66.
Uit de van 23 juni 2022 van mr. Van Gessel volgt dat ‘de vorige advocaat van mijn cliënt, mw. mr. R.E. van Zijl, op 14 juni jl., de dag voor het requisitoir de verdediging heeft neergelegd’. Een rol van verzoeker kan daaruit niet blijken; de woordkeuze impliceert iets anders. Verzoeker heeft gesteld dat hij niet kan zeggen waardoor de breuk met zijn raadslieden is ontstaan, en heeft vervolgens gesproken over een ‘vertrouwensbreuk’.
67.
Het ‘verspelen’ van het recht op rechtsbijstand door verzoeker is hier dus niet gelegen in de breuk van verzoeker met zijn raadslieden, maar in het beweerdelijk vertragen van de procedure. Daarover zijn reeds opmerkingen gemaakt. Ook in deze deelklacht wordt echter goed duidelijk dat zowel de Nederlandse als Straatsburgse rechtspraak geen aanknopingspunten biedt voor de opvatting dat het recht op rechtsbijstand kan worden verspeeld met omstandigheden die — zelfs indien juist/begrijpelijk, hetgeen hiervoor is bestreden — niets met dit wezenlijke recht te maken hebben. In de uitspraken van uw Raad uit 2002 en 2005 had het verwijt aan het adres van de verdachte wél met dit recht op rechtsbijstand te maken. In de onderhavige zaak heeft het verwijt veeleer te maken hebben met (de persoon van) verzoeker zelf, die in de optiek van het hof zijn krediet had verspeeld. Dit oordeel kan niet in stand blijven.
68.
De stand van de Straatsburgse rechtspraak noopt met andere woorden tot terughoudendheid. Waar het in de zaak van uw Raad uit 2005 betwijfeld kan worden of de verdachte naar Straatsburgse maatstaven geacht kan worden zijn recht op rechtsbijstand vanwege ‘eigen schuld’ te hebben verspeeld, is dat in de onderhavige zaak evident niet het geval.
69.
Redenen waarom het kennelijke oordeel van het hof dat verzoeker zijn recht op rechtsbijstand heeft ‘verspeeld’ en/of dat hij hiervan vrijwillig afstand heeft gedaan (‘waiver’) onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
70.
Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte voldoende tijd heeft gehad voor de voorbereiding van zijn verdediging, moet acht worden geslagen op a) the nature of the proceedings, b) the complexity of the case en c) the stage of the proceedings (zie bv. Gregačević t. Croatia, 10 juli 2012, Application no. 58331/09, § 51).
71.
In de onderhavige zaak staat de vraag centraal wanneer de tijd (in de zin van ‘voldoende tijd’) is begonnen te lopen. Volgens verzoeker kan dat niet anders zijn dan vanaf het moment dat zijn advocaten mrs. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging neerlegden; toen stond verzoeker er immers als niet-juridisch onderlegde verdachte alleen voor.
72.
Dit is bovendien in lijn met (de geest van de) rechtspraak van het EHRM. In Miminoshvili v. Russia, 28 Juni 2011, Application no. 20197/03 oordeelde het Hof:
- ‘141.
The Court notes that the investigation of the case continued for over one year, so, generally speaking, the applicant had sufficient time, after being served with the decision to charge him, for the preparation of his defence and for developing his counter-arguments (Padin Gestoso v. Spain (dec.), no. 39519/98, 8 December 1998). However, the Court should not lose sight of the dynamics of trial proceedings. The Court does not exclude that even where the defence is familiar with the case they must be given additional time after certain occurrences in the proceedings in order to adjust their position, prepare a request, lodge an appeal, and so on. Such ‘occurrences’ may include, for instance, changes in the indictment (as in Pélissier and Sassi v. France [GC], no. 25444/94, §§ 60 et seq., ECHR 1999-II), adoption of a judgment by the trial court (Hadjianastassiou v. Greece (16 December 1992, § 34, Series A no. 252), introduction of new evidence by the prosecution (G.B. v. France, no. 44069/98, §§ 60 et seq., ECHR 2001-X), or a sudden and drastic change in the opinion of an expert during the trial (ibid, §§ 64 et seq.).’
(onderstrepingen JK en DS)
Het wegvallen van het verdedigingsteam kan een 'occurence in the proceeding’ worden genoemd zoals hiervoor bedoeld.
73.
De overweging van het hof die inhoudt:
‘in het bijzonder vanaf de planning voor de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in juni 2022, die in overleg met zijn raadsman tot stand is gekomen, ruim voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden.’
is dan ook onbegrijpelijk en/of onjuist. Niemand heeft betwist dat verzoeker deze tijd vanaf de planning tot de inhoudelijke zitting heeft gehad. Het probleem ontstond echter daarna, toen verzoeker op die zitting geen rechtsbijstand (meer) had doordat op 14 juni 2022, een dag voor de inhoudelijke behandeling van tussen de raadslieden en verzoeker de advocaat-cliëntrelatie is geëindigd. Op de zitting één dag later en nadien zat verzoeker zonder advocaat, terwijl hij die wel wilde. Eerst vanaf dat moment stond de vraag centraal of en hoeveel tijd aan verzoeker moest worden geschonken om zijn verdediging voor te bereiden. Het oordeel van het hof — in het kader van de gemaakte belangenafweging — dat verzoeker ‘ruim voldoende tijd en gelegenheid (heeft) gehad om zich samen met zijn raadslieden op zijn verdediging voor te bereiden’ is dan ook onbegrijpelijk.
74.
Sinds het moment dat mrs. Van Zijl en Zeegers de verdediging hebben neergelegd, is verzoeker nauwelijks tijd geboden. Verzoeker wees hier vanaf het begin op, op de zitting van 15 juni 2022, met de woorden dat het onmogelijk is om in enkele dagen / één week weken een verdediging op papier te krijgen in deze zaak. En dat het voorstel van de voorzitter om verzoeker (ruim) één week de tijd te geven om zijn zaak voor te bereiden ‘natuurlijk in de praktijk onhaalbaar’ is. Om te vervolgen:
‘U weet net zo goed als ik dat als je dat redelijk goed wil voorbereiden, met advocaat of dat je dat zelf doet, daar heb je gewoon een langere tijd voor nodig. Dat is onhaalbaar, dat is niet realistisch en dat weet u ook. Het is niet anders. Mijn recht op een eerlijk proces wordt mij ontnomen.’
75.
Het hof heeft desalniettemin aan verzoeker (zoals weergegeven) op woensdag 15 juni tot vrijdag 24 juni — 9 dagen later — gegeven om zijn verdediging in te richten. Dat is in het licht van de omvang van de zaak te weinig om aan de eisen van art. 6 EVRM te voldoen.
76.
Ook overigens is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd en/of onbegrijpelijk.
77.
Het hof heeft niet onderkend dat bij de beoordeling of de verdachte ‘adequate time for the preparation of his defence’ heeft gehad, betekenis toekomt aan a) the nature of the proceedings, b) the complexity of the case en c) the stage of the proceedings (zie ook hiervoor). Het hof heeft, ondanks dat dit door de verdediging en verzoeker uitvoerig is belicht, verzuimd mee te wegen dat dit een grote en complexe strafzaak is, waarin de belangen groot zijn (zie de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren en drie maanden die aan verzoeker is opgelegd).
78.
Daarmee miskent het hof ook de rechtspraak van uw Raad, dat het gelet op de juridische merites van de zaak en hetgeen er voor de verzoeker op het spel stond, geen twijfel lijdt dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang was gemoeid (HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2868, r.o. 2.7, vgl. HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315, HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6406en BV0907).
79.
Het oordeel van het hof van 15 juni 2022 dat verzoeker zich ‘de afgelopen jaren, we hebben het over bijna zes (in ieder geval ruim vijfenhalf) jaar in hoger beroep, uitvoerig heeft kunnen voorbereiden’ en dat verzoeker ‘zelf uitstekend in staat is om zijn zegje te doen’ wijst erop dat het hof vond dat verzoeker deze strafzaak ‘zelf wel aankon’ en (kennelijk) hij geen rechtsbijstand nodig had. Dat oordeel is (volstrekt) onbegrijpelijk.
80.
Met betrekking tot de ‘stage of the proceedings’ wordt hier vermeld dat het pleidooi — waarin de strafrechtadvocaat zijn belangrijkste (driedubbele) functie vervult als pleitbezorger van het verdedigingsstandpunt, bewaker van de rechtsgang en bieder van tegenwicht aan het Openbaar Ministerie — nog gevoerd moest worden.
82.
Vanwege het gewicht van deze verdragsrechtelijke schending(en), het evidente nadeel hiervan voor verzoeker, die in het geheel geen verweer heeft gevoerd c.q. kunnen voeren en daarbij heeft aangegeven dat hij veel te zeggen had maar dit niet doet, simpelweg omdat hij niet weet of dit zijn zaak kan schaden of juist goed zal doen, en het gebrek aan overwegingen van het hof omtrent (bijvoorbeeld) compensatie voor deze schending, is aldus sprake een schending van het recht op een eerlijk proces ex art. 6 lid 1 EVRM. Het arrest lijdt dientengevolge aan nietigheid.
Deelklacht 3: bespreking van in hoger beroep niet gevoerde verweren en/of ingenomen standpunten
83.
Het hof heeft bij zijn beraadslaging acht geslagen op (hoofdzakelijk) de pleitnota in eerste aanleg en (soms) de appelschriftuur en pleitnota's ten behoeve van de onderzoekswensen (zij bijvoorbeeld de passages in het arrest op p. 11, 16, 29, vgl. p. 41).
84.
In aanmerking genomen dat verzoeker door de rechtbank tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden is veroordeeld, terwijl blijkens de pleitnota in eerste aanleg de verdediging ten aanzien van veel feiten vrijspraak / ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit en ten aanzien van de valsheden in het dossier Vercors een uitvoerig strafmaatverweer is gevoerd, kan niet zonder meer verwacht worden dat verzoeker deze zelfde procesopstelling/strategie in hoger beroep zou hanteren.
85.
Eerder ligt voor de hand dat de verweren in het licht van het voortbouwend appel zich in belangrijke mate en gemotiveerd zouden richten tegen het vonnis van de rechtbank en de daarin gegeven motivering en voorts zouden zien op de vele nieuwe stukken die, mede na opdracht daartoe van het gerechtshof, in de procedure in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd. Voor het voeren van die verweren heeft verzoeker in hoger beroep geen gelegenheid gekregen.
86.
Belangrijk in dit verband is voorts dat het hof bij de inhoudelijke behandeling niet aan verzoeker heeft gevraagd of hij zich achter deze standpunten/argumenten schaart. Ook op de zitting van 18 november 2022 heeft het hof dit niet aan verzoeker gevraagd. Dat verrast niet; het ligt voor de hand dat het hof vreesde dat verzoeker deze vraag ontkennend zou beantwoorden, vanwege zijn uitdrukkelijke verzoek om (nieuwe) rechtsbijstand. Dan had het hof met lege handen gestaan; het kon dan bezwaarlijk doen wat het nu gedaan heeft, terwijl het bij uw Raad mogelijk evenmin in goede aarde zou zijn gevallen wanneer het hof verzoeker had veroordeeld zonder acht te slaan op zijn visie op het tenlastegelegde. Dat is echter geen valide reden om zomaar een procesopstelling aan verzoeker toe te schrijven. Deze handelswijze laat zien dat de verweren uit eerste aanleg die het hof in ogenschouw neemt, veeleer strekken ten behoeve van de beoogde ‘zuiverheid’ (quod non) van het arrest van het hof zelf dan — zoals men op het eerste gezicht zou vermoeden — ter bescherming van (wat over is van) de fundamentele rechten van verzoeker.
87.
Hiermee is de mogelijkheid opengebleven dat het oordeel van het hof dat inhoudt, bijvoorbeeld ten aanzien van feit 3, de beweerde onttrekkingen van vermogen aan de privéboedel van verzoeker (p. 11):
‘Standpunt van de verdediging
Het verweer, zoals verwoord in de pleitnota van 16 november 2016, komt — kort samengevat — op het volgende neer:’
helemaal niet het standpunt van de verdediging (in hoger beroep) was.
88.
Er is aldus sprake van een door het gerechtshof zelf opgevoerde, verzonnen verdediging waarin aan verzoeker verweren en standpunten zijn toegeschreven waarvan aannemelijk is dat de verdediging die in hoger beroep, mede ingegeven door de nieuwe stukken, niet op die wijze zou hebben ingenomen. Het maakt dat de overwegingen waarmee het gerechtshof die zogenaamde verweren en standpunten weerspreekt onbegrijpelijk zijn, en waardoor, nu die overwegingen deel uitmaken van de bewijsvoering, ook de bewezenverklaring onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
89.
Dit verzuim, meermalen begaan, heeft nietigheid van het bestreden arrest tot gevolg.
Middel II:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR en 288, 322, 358, 350, 358, 359, 410 en 415 Sv, doordat:
- 1)
het oordeel van het hof van 27 mei 2022 tot afwijzing van het verzoek van de verdediging om het noodzakelijkheidscriterium in te vullen op een wijze die niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang, onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, en/of;
- 2)
het oordeel van het hof dat:
- a)
niet aannemelijk is dat de (bij tussenarrest van 27 mei 2020 toegewezen) getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd, en/of;
- b)
de verzoeken tot het horen van getuigen [getuige 5] en [getuige 6] (op 8 juni 2022: getuigen nummers 13 en 14 (eerder: nummers 8 en 9)) worden afgewezen, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, en/of;
- 3)
het oordeel van het hof d.d. 27 mei 2020 en/of d.d. 8 juni 2022 dat het verzoek om dhr. [getuige 8] als getuige te horen wordt afgewezen, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, en/of;
- 4)
het oordeel van het hof tot afwijzing van de verzoeken om de heren [getuige 33] en [getuige 32] als getuigen te horen onbegrijpelijk is, meer in het bijzonder dat het van deze getuigen niet relevant is voor enige in de strafzaak te nemen beslissing;
- 5)
het oordeel van het hof dat ‘de liquiditeitsprognose geen aanleiding is nader onderzoek te verrichten’, en/of de (daarmee verband houdende) afwijzingen d.d. 8 juni 2022 van het verzoek tot horen van getuigen [getuige 20] en/of anderen binnen [bedrijf 5] die waren betrokken bij het opstellen van de liquiditeitsprognose en/of [getuige 19] (genummerd 4 t/m 6), en/of de afwijzing van verzoek i. strekkende tot toevoeging van administratie die ten grondslag lag aan de liquiditeitsprognose, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, en/of;
Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
Procesverloop getuigenverzoeken
1.
Bij appelschriftuur van 5 januari 2017 heeft de voormalig raadsman van verzoeker mr. Sijbers (tijdig) verzocht om de volgende getuigen te horen:
- — 1.
de heer [getuige 17]
- — 2.
de heer [getuige 18]
- — 3.
de heer [getuige 21]
- — 4.
de heer [getuige 22]
- — 5.
de heer [getuige 23]
- — 6.
de heer [getuige 5]
- — 7.
de heer [betrokkene 1]
- — 8.
de heer [getuige 24]
- — 9.
de heer [getuige 7]
- — 10.
de heer [getuige 32]
- — 11.
de heer [getuige 25]
- — 12.
de heer [paardenhandelaar 1]
- — 13.
de heer [paardenhandelaar 2]
- — 14.
de heer [getuige 26]
- — 15.
de heer [getuige 27]
- — 16.
de heer [getuige 28]
2.
Nadat mr. Van Zijl en mr. Zeegers — na een tussengelegen periode waarin mr. Vlaar verzoeker bijstond — de verdediging hebben overgenomen, hebben zij na in oktober 2019 te hebben verzocht een regiezitting in te plannen, op 7 april 2020,kenbaar gemaakt de volgende onderzoekswensen in te dienen, welke onderzoekswensen op de zitting van 13 mei 2020 mondeling zijn toegelicht (zie ook de pleitnotities d.d. 13 mei 2020):
- —
Met betrekking tot de financiële situatie van [bedrijf 1]:
- °
benoeming van:
- ■ a)
een financieel deskundige met ervaring in het vastgoed;
- ■ b)
een vastgoeddeskundige.
- °
het horen van:
- ■ 1)
[getuige 19] (financieel adviseur van [bedrijf 1]);
- ■ 2)
[getuige 29] (assistent controller en IT-er bij [bedrijf 1]); .
- ■ 3)
[getuige 18] (werkzaam bij Arab Investments Ltd.);
- ■ 4)
dhr. [getuige 21];
- ■ 5)
dhr. [getuige 22];
- ■ 6)
dhr. [getuige 23];
- ■ 7)
[getuige 17].
- —
Met betrekking tot de relatie met de banken en de compensatie die verzoeker zou hebben genoten voor eerdere aandelenkopen
- °
Het horen van:
- ■ 8)
[getuige 5] (voormalig bestuursvoorzitter Fortis);
- ■ 9)
[getuige 6] (voormalig bestuursvoorzitter ING);
- ■ 10)
[getuige 1] (werkzaam bij ING Verenigd Koninkrijk);
- ■ 11)
[getuige 2] (werkzaam bij ING Nederland);
- ■ 12)
[getuige 3] (werkzaam bij ING Nederland);
- ■ 13)
dhr. [getuige 4] (werkzaam bij ING Nederland);
- ■ 14)
[getuige 7] (curator privéfaillissement verdachte).
- —
Met betrekking tot de relatie van verzoeker met de banken — Vercors- documenten:
- °
Het horen van:
- ■ 15)
[getuige 8] (directievoorzitter FGH);
- ■ 16)
[getuige 30] (directiesecretaris en compliance officer FGH);
- ■ 17)
[getuige 31] (directeur Bijzonder Beheer FGH);
- ■ 18)
[getuige 34] (Hoofd compliance Rabobank);
- ■ 19)
[getuige 35] (Senior Relationship Manager Corporate Clients Friesland Bank);
- ■ 20)
C.M. Molhuysen (advocaat DLA Piper);
- ■ 21)
R. Oranje (advocaat DLA Piper);
- ■ 22)
H. Dulack (advocaat Van Benthem & Keulen);
- ■ 23)
E. Poelenije (advocaat Kienhuis Hoving).
- —
Met betrekking tot de ingetrokken faillissementsaanvraag door Wessels:
- °
Het horen van:
- ■ 24)
[getuige 36];
- ■ 25)
dhr. [getuige 37].
- —
Met betrekking tot de afwikkeling van het faillissement en de siloconstructie:
- °
Het horen van:
- ■ 26)
[getuige 38] (opvolgend bestuurder van [bedrijf 1] vanaf 7 juni 2012);
- ■ 27)
[getuige 39] (werkzaam bij de afdeling Bijzonder Beheer van ING);
- ■ 28)
[getuige 40] (tot februari 2012 statutair commercieel directeur van [bedrijf 1]);
- ■ 29)
[curator 1] (curator);
- ■ 30)
[curator 2] (curator);
- ■ 31)
[curator 3] (curator).
- —
Met betrekking tot de waardebepaling van de stal
- °
Het horen van:
- ■ 32)
[getuige 32] (destijds werknemer van de stal);
- ■ 33)
[getuige 33] (destijds werknemer van de stal);
- °
Het benoemen als deskundigen van:
- ■ c)
[paardenhandelaar 1] (paardenhandelaar);
- ■ d)
[paardenhandelaar 2] (paardenhandelaar).
- —
Familieleden van verzoeker:
- °
o Het horen van:
- ■ 34)
[medeverdachte 2];
- ■ 35)
[medeverdachte 1] jr.;
- ■ 36)
[medeverdachte 3].
3.
Deze getuigen- en deskundigenverzoeken zijn steeds van motivering/onderbouwing voorzien. In het navolgende zal deze, waar nodig, worden weergegeven.
4.
Het hof heeft de verzoeken onder a, b, 1 t/m 9 en 15 t/m 33 afgewezen.
5.
Het hof heeft de verzoeken onder 10 t/m 14, 34, 35, 36 en c en d (deels) toegewezen.
6.
Volgens de thans beschikbare stukken volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 10 mei 2021 dat de getuigen waarvan op 27 mei 2020 de oproeping is bevolen door de raadsheer-commissaris zijn gehoord, doch dat de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] onvindbaar zijn gebleken en dat de verdediging van mr. [getuige 7] afstand heeft gedaan.3.
7.
Bij bericht van 10 februari 2022 heeft mr. Van Zijl verzocht om heropening van het onderzoek ter terechtzitting in de zaak tegen verzoeker. Hierbij is gevraagd om noodzakelijk onderzoek te verrichten naar twee cruciale documenten die betrekking hebben op de financiële situatie van de bedrijven van [bedrijf 1]. Dat onderzoek bestaat uit (onder 4–5):
- a.
toevoeging aan het dossier van:
- i.
de liquiditeitsprognose waarnaar in D-229 en D-569 wordt verwezen;
- ii.
de administratie die ten grondslag lag aan deze liquiditeitsprognose;
- iii.
de administratie die ten grondslag lag aan D-175;
- b.
het horen van de volgende getuigen:
- i.
de heer [getuige 20];
- ii.
de heer [adviseur];
- iii.
de opsteller van de liquiditeitsprognose waarnaar in D-229 en D-569 wordt verwezen;
- iv.
de heer [curator 1];
- v.
de heer [curator 2];
- vi.
de heer [curator 3];
- vii.
de opsteller van de ‘conceptjaarcijfers’ van D-175.
8.
Ook is aangegeven dat op die regiezitting zou worden verzocht om noodzakelijk onderzoek te verrichten naar de aankoop in privé door verzoeker van aandelen in Fortis, Aegon en ING. Dat onderzoek bestaat uit het horen van de volgende getuigen (onder 6–7):
- viii.
de heer [getuige 5], voormalig bestuursvoorzitter Fortis;
- ix.
de heer [getuige 6], voormalig bestuursvoorzitter ING.
9.
De verzoeken zijn onderbouwd, in de kern op de grond dat over twee in de bewijsvoering van de rechtbank gebruikte belangrijke stukken veel vragen bestaan.
10.
Op donderdag 31 maart 2023 heeft mr. Van Zijl dit verzoek om heropening voor spoedeisende maatregelen (art. 324 jo. 328 jo. 415 Sv) uitdrukkelijk herhaald, aangezien de verdediging over nieuwe informatie beschikte die nieuw licht werpt op de financiële situatie van [bedrijf 1] en op cruciale bewijsmiddelen in het dossier Kirishima (onder 3). Zulks aangezien in een schrijven van 11 maart 2022 een van de curatoren van [bedrijf 1], mr. [curator 2], heeft gesteld dat:
- a.
de curatoren van [bedrijf 1] zelf de balans- en winst en verliesrekening over 2011 hebben opgesteld, en niet de Jong & Laan, en;
- b.
bij deze waardering van activa en vermogen eind 2011 rekening is gehouden met het faillissement in 2012.
11.
Dit leidt volgens de verdediging tot de conclusies dat (onder 6 en 7):
- —
de curatoren onjuiste informatie hebben verstrekt, onder meer nu onjuist vermeld staat dat de conceptjaarrekening is opgesteld door een externe accountant, en;
- —
de bewijsconstructie van de rechtbank geen stand houdt, nu het bewijs van de voorzienbaarheid van het faillissement hiermee wordt gebaseerd op het faillissement zelf.
Deze standpunten zijn onder randnummers 10 t/m 30 van het verzoek nader onderbouwd.
12.
Op 17 mei 2022 heeft mr. Van Zijl kenbaar gemaakt de onderzoekswensen die ter (regie)zitting van 13 mei 2020 zijn gedaan, op de zitting 8 juni 2022 te zullen herhalen. Op 18 mei 2022 heeft het hof mr. Van Zijl medegedeeld akkoord te zijn met haar voorstel om de eerder ingenomen standpunten als voorgedragen te beschouwen mits deze, zoals door mr. Van Zijl aangegeven, in de pleitnota zijn opgenomen.
13.
Op 20 mei 2022 heeft mr. Van Zijl per email aangegeven dat zij op 8 juni 2022 de onderzoekswensen van de verdediging van [verdachte] sr zou aanvullen op het volgende punt:
‘Nu uit de liquiditeitsprognose zelf is gebleken dat de heer [getuige 19] bij de totstandkoming ervan was betrokken, wenst de verdediging hem hierover te bevragen. Zijn verhoor is reeds verzocht op 13 mei 2020, maar zal nu aanvullend worden toegelicht.’,
aldus mr. Van Zijl.
14.
Uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof van 8 juni 2022 volgt dat het hof alle verzoeken heeft afgewezen.
15.
Op de zitting van 8 juni 2022 is sprake van een gewijzigde samenstelling van het gerechtshof ten opzichte van de regie-zitting van 13 mei 2020, met instemming van partijen wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich op laatstgenoemde zitting bevond. Dientengevolge kan in cassatie ook over de beslissingen van het hof in zijn tussenarrest van 27 mei 2020 worden geklaagd.
Deelklacht 1) oordeel hof d.d. 27 mei 2022 omtrent het verzoek van de verdediging om het noodzakelijkheidscriterium in te vullen op een wijze die niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd
16.
Door de verdediging is bij pleidooi van 13 mei 2020 het volgende aangevoerd:
‘Toetsingscriterium
- 50.
Voordat ik toekom aan de nadere toelichting van de onderzoekswensen zelf, maak ik een aantal opmerkingen over het criterium dat bij de beoordeling daarvan dient te worden gehanteerd.
- 51.
Verschillende getuigenverzoeken zijn niet reeds bij appelschriftuur gedaan, zodat op deze verzoeken op basis van artikel 418 lid 3 Sv het noodzaakcriterium van toepassing is. Deze appelschriftuur is echter ingediend door cliënts vorige advocaten. Sinds december 2018 staan mr. Zeegers en ik cliënt bij. Wij hebben, samen met cliënt, een eigen — gewijzigde — verdedigingsstrategie ontwikkeld. Aan de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn verschillende argumenten te ontlenen om in dit geval het noodzaakcriterium op minder strikte wijze toe te passen op de getuigenverzoeken die niet reeds bij appelschriftuur zijn gedaan. Ik licht dit toe.
- 52.
De mogelijkheid van een dergelijke relativering van het noodzaakcriterium stamt uit een arrest uit 2007, waarin de Hoge Raad meerdere voorbeelden noemt van gevallen waarin het noodzaakcriterium voor niet bij appelschriftuur opgegeven getuigen zou moeten worden gerelativeerd (of minder strikt zou moeten worden toegepast). In algemene zin stelt de Hoge Raad in dit arrest dat ‘onder omstandigheden van de verdachte bezwaarlijk [zal] kunnen worden gevergd dat hij een of meer getuigen of deskundigen reeds bij de appelschriftuur opgeeft.’5
- 53.
De voorbeelden van dergelijke omstandigheden die de Hoge Raad vervolgens noemt zijn, kort gezegd:
- a.
wanneer in eerste aanleg een verkort vonnis is gewezen en de aanvulling nog niet beschikbaar is bij het verlopen van de termijn voor indiening van de appelschriftuur;
- b.
wanneer de verdachte op het moment van indienen van de appelschriftuur nog geen rechtsbijstand had; en
- c.
wanneer zich, ná het verstrijken van de termijn voor het indienen van de appelschriftuur, onvoorziene ontwikkelingen voordoen waarbij het belang opkomt van het horen van bepaalde getuigen of deskundigen.6
- 54.
In dergelijke gevallen brengt, volgens de Hoge Raad ‘tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist — de eis van een eerlijke procesvoering mee dat de advocaat-generaal onderscheidenlijk het gerechtshof bij gebruikmaking van de in vorengenoemde bepalingen voorgeschreven toepassing van het ‘noodzakelijkheidscriterium’ de desbetreffende omstandigheden in hun afweging betrekken. Dat kan dan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het ‘verdedigingsbelang’ zou worden bereikt.’7 Met andere woorden: in bepaalde gevallen dient een ‘soepelere’ versie van het noodzaakcriterium te worden toegepast, dat niet (wezenlijk) verschilt van dat van het verdedigingsbelang. De Hoge Raad heeft dit standpunt in zijn overzichtsarrest over getuigenverzoeken uit 2014 herhaald.8
- 55.
In zijn noot bij het besproken arrest uit 2007 concludeert Mevis dat de gevallen die de Hoge Raad noemt voorbeelden zijn: ‘Er laten zich ook buiten de door de Hoge Raad in O.3.4.1. uitdrukkelijk genoemde gevallen wel omstandigheden denken die kunnen meebrengen ‘dat een verantwoorde opgave van getuigen en deskundigen niet al bij de appelschriftuur is te verwezenlijken.’9 Dit standpunt is door de Hoge Raad in 2008 omarmd.10
- 56.
In de visie van de verdediging kwalificeert het wisselen van advocaat en een daarmee gepaard gaande fundamentele wijziging van de verdedigingsstrategie als een ‘onvoorziene ontwikkeling’, in de zin van het arrest uit 2007. Wij verzoeken uw hof dan ook onze niet bij appelschriftuur gedane getuigenverzoeken te beoordelen aan de hand van het ‘soepeler’ geïnterpreteerde noodzaakcriterium, als beschreven. Het belang van het horen van deze getuigen is immers pas kenbaar geworden met de gewijzigde verdedigingsstrategie. Ook was deze wijziging ten tijde van het indienen van de appelschriftuur niet te voorzien — noch voor cliënt, noch voor zijn toenmalige advocaten.
- 57.
Deze opvatting wordt verder ondersteund wanneer deze in samenhang wordt bezien met het eerste genoemde voorbeeld uit het arrest uit 2007. Het niet hebben van rechtsbijstand is weliswaar niet hetzelfde als het later wisselen van rechtsbijstand, maar feit is dat cliënt bij indiening van de appelschriftuur andere rechtsbijstand had met een andere verdedigingsstrategie dan hij nu heeft. Het kan bezwaarlijk aan cliënt of zijn toenmalige advocaten worden tegengeworpen dat zij de getuigen in kwestie niet bij appelschriftuur hebben opgegeven, nu zij niet bekend waren met de latere strategiewijziging waardoor het belang van het (nader) horen van deze getuigen is ontstaan.
- 58.
Daarnaast is het moment waarop een getuigenverzoek wordt gedaan mede van belang voor de beoordeling daarvan. In 2018 bevestigde de Hoge Raad de afwijzing van een getuigenverzoek omdat het verzoek pas bij de inhoudelijke behandeling werd gedaan, terwijl het ruim daarvoor gedaan had kunnen worden.11 In Melai schrijft mr. N. Gonzalez [betrokkene 1] hierover:
‘Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium inderdaad zodanig dient te zijn dat van een wezenlijk verschil met de maatstaf van het verdedigingsbelang geen sprake is. In dat verband kan betekenis toekomen aan het moment waarop de verdachte het getuigenverzoek (alsnog) heeft gedaan.’12
- 59.
In een arrest uit 2010 stelde de Hoge Raad dat, om in aanmerking te komen voor toepassing van het ‘soepeler’ noodzaakcriterium, het getuigenverzoek ‘uiterlijk op de eerste terechtzitting van het Hof dient te worden gedaan.’13 Dit kan echter logischerwijs niet gelden voor onvoorziene omstandigheden die zich ná de eerste terechtzitting van het hof hebben voortgedaan. In dat kader wijs ik ook op een conclusie van AG Knigge uit 2010 waarin hij stelt dat het antwoord op de vraag of sprake is van ‘onvoorziene omstandigheden’ in de zin van het arrest uit 2007, afhangt van de omstandigheden van het geval.14 De zaak waar het genoemde arrest van 2010 op zag, betrof een overval niet geweld/poging moord. Hoewel ik uiteraard niet over het betreffende dossier beschik, ligt voor de hand dat de zaak tegen cliënt complexer is. Dit is een complexe fraudezaak met een zeer omvangrijk dossier, zodat het de verdediging bezwaarlijk kan worden tegengeworpen dat niet alle ‘nieuwe’ getuigenverzoeken reeds in februari 2019, bij de eerste zitting van het gerechtshof, zijn gedaan. Wij staan cliënt immers pas bij sinds december 2018 en de verdedigingsstrategie is pas nadien volledig tot stand gekomen.
- 60.
Ook is een regiezitting bij uitstek het moment om getuigenverzoeken te doen. Vooraf zijn afspraken gemaakt over de momenten van indiening van onderzoekswensen, en die zijn door de verdediging nageleefd. Over het karakter van de zitting in februari 2019 is op voorhand overeenstemming bereikt tussen procespartijen. Zodoende bestaat in deze zaak grond om ten aanzien van de niet reeds bij appelschriftuur opgegeven getuigen het noodzaakcriterium toe te passen op een wijze die niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang.
- 61.
Ditzelfde bepleiten wij ten aanzien van getuigen die reeds zijn gehoord in eerste aanleg. De gewijzigde verdedigingsstrategie brengt met zich dat wij andere vragen wensen te stellen aan de reeds gehoorde getuigen dan de vragen die reeds aan hen zijn gesteld — anders zouden wij een dergelijk verhoor niet verzoeken. Ook in deze gevallen verzoeken wij u dan ook het noodzaakcriterium minder streng in te vullen.
- 62.
In dat kader wijs ik op jurisprudentie van het EHRM, waaruit volgt dat de kern van het ondervragingsrecht betekent dat de verdediging, onder dezelfde voorwaarden als het openbaar ministerie, de gelegenheid moet krijgen haar zaak te presenteren en daarbij de getuigen te (doen) ondervragen die noodzakelijk zijn ter onderbouwing daarvan. Over het recht om zogeheten defence witnesses, of getuigen à décharge, op te roepen overweegt het EHRM in het bijzonder het volgende: "Its essential aim, as is indicated by the words ‘under the same conditions’, is a full "equality of arms' in the matter.'15
- 63.
In de zaak Topić t. Kroatië oordeelde het hof dat de door de verdediging verzochte getuigen à decharge een belangrijke rol hadden kunnen spelen bij het versterken van de zaak en positie van de verdediging. Het EHRM benadrukte eerst geen feitenrechter te zijn. Vervolgens overwoog het hof als volgt:
‘It therefore confines itself to noting that the applicant's request for the eyewitnesses to the event to be heard was not vexatious that it was relevant to the subject matter of the accusation, and that it could arguably have strengthened the position of the defence or even led to the applicant's acquittal.’ 16
- 64.
Ook in andere zaken heeft het EHRM een schending aangenomen van artikel 6 — en het ondervragingsrecht in het bijzonder — bij afwijzingen van deugdelijk gemotiveerde verzoeken om getuigen à décharge te doen horen, of wanneer dergelijke weigeringen onvoldoende waren gemotiveerd.17
- 65.
De kern van de jurisprudentie van het EHRM in dit opzicht, kan als volgt worden samengevat:
‘The Court's task in this regard is to examine whether the accused had an adequate and sufficient opportunity to contest the accusations against him and whether the proceedings, considered as a whole, satisfied the requirements of Article 6 § 1 of the Convention’18
(onderstreping, RZ).
- 66.
Met andere woorden: het ondervragingsrecht uit artikel 6 EVRM, inclusief het recht van de verdediging getuigen à décharge op te roepen, dient te worden getoetst aan de hand van de vraag of de verdediging een adequate gelegenheid heeft gehad haar zaak te presenteren en te onderbouwen, mede aan de hand van de getuigen die daarvoor noodzakelijk zijn.
- 67.
Dit brengt met zich dat ook in het licht van het ondervragingsrecht en het recht op een eerlijk proces uit artikel 6 EVRM, cliënt en diens advocaten de gelegenheid moeten krijgen de getuigen te ondervragen die voor de verdedigingsstrategie van belang zijn. Het moment waarop een verzoek gedaan wordt, zou daarbij geen centrale rol moeten spelen, zeker als het cliënt (en zijn toenmalige of huidige advocaten) niet kan worden verweten dat deze getuigenverzoeken niet eerder zijn gedaan en wanneer gemaakte processuele afspraken dienaangaande zijn nageleefd. Ook om deze redenen verzoek ik u bij alle verzoeken het noodzaakcriterium toe te passen op een wijze die niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.'
17.
Het hof heeft hierover bij tussenarrest van 27 mei 2020 beslist:
‘Criterium voor beoordeling van de onderzoekswensen
Voor het vaststellen van het toepasselijke criterium voor de beoordeling van de verzoeken tot het horen van getuigen en deskundigen zijn de volgende feiten van belang. Op 23 december 2016 is door verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Op 5 januari 2017 is door verdachtes toenmalige raadsman mr. Sijbers een appelschriftuur ingediend waarin werd verzocht om 16 getuigen te horen. Kort voor de geplande regiezitting van 17 oktober 2018 (die uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden) heeft mr. Vlaar zich gesteld in plaats van mr. Sijbers. Per brief heeft mr. Vlaar verzocht 75 getuigen te horen. Eind december 2018 hebben mr. Van Zijl en mr. Zeegers de verdediging overgenomen van mr. Vlaar. Op 6 februari 2019 heeft een eerste regiezitting plaatsgevonden. Daarbij is niet gesproken over concrete onderzoekswensen, doch is besproken welke gevolgen een nieuw onderzoek (Maruoka genaamd) tegen verdachte had voor deze zaak.
Omstreeks oktober 2019 heeft de verdediging verzocht om een regiebehandeling in deze zaak. Die regiebehandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei 2020. In de aanloop naar deze zitting heeft de verdediging op 7 april 2020 opgave gedaan van onderzoekswensen. Daarbij is verzocht 40 personen te horen als getuige dan wel als deskundige. Van die personen waren er tien ook al opgenomen in de appelschriftuur van mr. Sijbers.
Ten aanzien van de verzoeken tot horen van de tien personen die ook al waren vermeld in de appelschriftuur van 5 januari 2017 is — in principe — het verdedigingsbelangcriterium van toepassing. Ten aanzien van de overige verzoeken het noodzakelijkheidscriterium. Dat er sprake is van opeenvolgende raadslieden en een gewijzigde verdedigingsstrategie levert geen reden op om het noodzakelijkheidscriterium zo in te vullen dat het niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelangcriterium. Evenmin is er sprake van andere omstandigheden die maken dat het noodzakelijkheidscriterium in dit geval anders zou moeten worden ingevuld. Ook indien na het verstrijken van de termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep zich omstandigheden voordoen die maken dat strikte toepassing van het noodzakelijkheidscriterium onredelijk is, mag van de verdediging worden verlangd dat zij spoedig na het zich voordoen van die omstandigheden haar verzoeken doet.’
(onderstreping JK en DS)
18.
Dit oordeel is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
19.
Zulks ten eerste omdat het hof niet stilstaat bij de door de verdediging opgeworpen rechtsvraag, te weten of in een omvangrijke procedure een wisseling van verdediging onder omstandigheden een ‘onvoorziene ontwikkeling’ kan zijn zoals in rechtspraak van uw Raad bedoeld. De enkele zin van het hof die luidt:
‘Dat er sprake is van opeenvolgende raadslieden en een gewijzigde verdedigingsstrategie levert geen reden op om het noodzakelijkheidscriterium zo in te vullen dat het niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelangcriterium.’
is daartoe ontoereikend en/of onbegrijpelijk, gelet op a) de (niet bij het oordeel van het hof betrokken) omvang van het onderhavige dossier alsmede b) de door de raadsvrouwe aangedragen, aan rechtspraak en literatuur ontleende argumenten voor het tegendeel.
20.
Het hof lijkt het verzoek van de verdediging in de kern te hebben afgewezen op de grond dat ook indien na het verstrijken van de termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep zich omstandigheden voordoen die maken dat strikte toepassing van het noodzakelijkheidscriterium onredelijk is, van de verdediging mag worden verlangd dat zij spoedig na het zich voordoen van die omstandigheden haar verzoeken doet. Dit heeft de verdediging in de onderhavige zaak niet gedaan, zo begrijpt verzoeker het hof. Dat oordeel is evenwel onbegrijpelijk.
21.
Zoals de verdediging (onweersproken) heeft gesteld was voorafgaand aan de zitting van 6 februari 2019 duidelijk dat geen onderzoekswensen zouden worden besproken. In oktober 2019 heeft de verdediging verzocht een regiezitting in te plannen. Die regiebehandeling is gepland op 13 mei 2020. In de aanloop naar deze zitting heeft de verdediging op 7 april 2020 haar onderzoekswensen ingediend. In aanmerking genomen dat 1) de verdediging reeds in oktober 2019 — dus nauwelijks een half jaar na de zitting in februari 2019 — kenbaar heeft gemaakt gereed te zijn voor een regiezitting, terwijl zij voorafgaand aan die regiezitting haar onderzoekswensen heeft ingediend, kan een enkele referentie aan de termijn voor het indienen van een appelschriftuur de afwijzing van het door de verdediging gedane verzoek niet dragen.
22.
Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het tussen oktober 2019 en april 2020 feitelijk niet relevant was wanneer de onderzoekswensen precies werden, ingediend, nu hierop hoe dan ook eerst bij de regiezitting van 13 mei 2020, althans bij het naar aanleiding hiervan gewezen (tussen)arrest kon worden beslist.
23.
Ook dient in aanmerking te worden genomen dat mr. Vlaar zijn praktijk medio 2018 heeft neergelegd, zodat (in zoverre) de overname ‘noodzakelijk’ was.
24.
Het oordeel van het hof is mitsdien onbegrijpelijk.
25.
Ten gevolge hiervan heeft het hof veel getuigenverzoeken beoordeeld op grond van het noodzakelijkheidscriterium, terwijl (ten aanzien van enkele getuigen) aanleiding zou (kunnen) zijn geweest het verdedigingsbelang te hanteren. Daarmee is het belang van verzoeker ex art. 80a RO gegeven. Voor zover uw Raad dit belang acht te ontbreken, wordt opgemerkt dat deze deelklacht onderdeel uitmaakt van een breder middel omtrent beslissingen op getuigen- (en deskundigen)verzoeken, zodat indien (een) andere deelklacht(en) slaagt/slagen, deze klacht — gelet op de opgeworpen rechtsvraag — kan worden ‘meegenomen’.
Deelklacht 2)
- a)
‘niet aannemelijk dat de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord’ onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, en;
- b)
afwijzing getuigenverzoeken [getuige 5] en [getuige 6] onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd
26.
Bij pleidooi van 13 mei 2020 is met betrekking tot de getuigen 8 t/m 14 het volgende aangevoerd (duidelijkheidshalve: op de zitting van 8 juni 2022 zijn deze getuigen genummerd 13 t/m 18 (één getuige minder, bij het verzoek tot het horen van [getuige 7] is niet gepersisteerd)):
‘Verstandhouding met de banken
Aandelenaankoop in privé en compensatie
- 151.
Cliënt heeft verklaard dat hij in 2007 door graaf [getuige 5] van de Fortis bank is gevraagd of hij aandelen wilde kopen, vanwege liquiditeitsproblemen bij de bank (Kirishima Voi-oi, p.16). Hetzelfde gebeurde met ING. De heer [getuige 6], toenmalig bestuursvoorzitter van ING, benaderde hem met het verzoek in privé aandelen aan te schaffen in ING en Aegon.
- 152.
Deze aandelenpakketten moesten worden in privé worden gekocht, omdat [bedrijf 1] anders enerzijds geld leende van de banken en anderzijds aandeelhouder was van diezelfde banken. Dat werd als ongewenst gezien. Gezien het belang van een goede relatie met de banken is [verdachte] sr. op deze verzoeken ingegaan. Hij leende daarvoor geld van [bedrijf 1]. Cliënt heeft in totaal voor circa € 70 mio aan aandelen aangekocht van Fortis, ING, ABN AMRO en Aegon, waarvan de waarde ten gevolge van de bankencrisis met € 50 mio is verminderd.
- 153.
Cliënt was echter steeds ervan uitgegaan dat de banken hem zouden compenseren voor dit verlies, of dat deze banken ten minste een morele plicht zouden voelen [bedrijf 1] door eventueel zwaar weer heen te helpen. Dat droeg in sterke mate bij aan zijn vertrouwen dat [bedrijf 1] overeind zou blijven.
- 154.
Cliënt had al in 2009 contacten met [getuige 6] over compensatie voor de geleden verliezen. [getuige 6] had cliënt namelijk verzekerd dat er geen risico's verbonden waren aan de aandelenkoop. In 2011 hebben daarover twee gesprekken plaatsgevonden, en in februari 2012 is daarover nog een gesprek geweest, en is cliënt tot afspraken met ING gekomen.
- 155.
De vaststellingsovereenkomst en bijbehorende geheimhoudingsverklaring zouden in de eerste week van maart 2012 worden getekend. Ondanks herhaald verzoek heeft [verdachte] echter hierover nooit meer iets gehoord van ING.
- 156.
Cliënt ging er dus ten minste tot begin maart 2012 van uit dat ING hem zou compenseren voor de geleden verliezen. Ook vertrouwde cliënt er volledig op dat de banken [bedrijf 1] op hun beurt door moeilijker tijden zouden helpen.
- 157.
De houding van ING veranderde echter rigoureus in het voorjaar van 2012. Cliënt gaat ervan uit dat dit het gevolg was van negatieve beïnvloeding door de medewerkers van FGH en Rabobank, en door [naam 1].
- 158.
Ik verzoek ik de volgende getuigen te (doen) horen over deze aandelentransactie en de onderhandelingen over de compensatie:
- 8)
De heer [getuige 5], voormalig bestuursvoorzitter Fortis;
- 9)
de heer [getuige 6], voormalig bestuursvoorzitter ING;
- 10)
de heer [getuige 1], werkzaam ING Verenigd Koninkrijk;
- 11)
de heer [getuige 2], ING Nederland;
- 12)
de heer [getuige 3], ING Nederland;
- 13)
de heer [getuige 4], ING Nederland;
- 14)
de heer [getuige 7], geboren [geboortedatum]-1961, curator privéfaillissement cliënt, gegevens bekend.
- 159.
[getuige 6] was destijds bestuursvoorzitter van ING en [getuige 5] was bestuursvoorzitter van Fortis. Zij hebben [verdachte] sr benaderd met het verzoek om aandelen te kopen en hem verzocht dit via privévermogen te financieren.
- 160.
De heren [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] waren destijds allemaal werkzaam bij ING en hebben één of meer gesprekken bijgewoond over de compensatie aan cliënt.
- 161.
De heer [getuige 7] is benoemd tot curator in het privéfaillissement van cliënt. Vanuit die hoedanigheid kan ook hij verklaren over de aandelentransactie en over de gevoerde gesprekken over compensatie van het verlies. Cliënt heeft [getuige 7] vanaf zijn benoeming direct ingelicht over zijn claim op ING.
- 162.
Inzake Maruoka is [getuige 7] bevraagd over een brief van [curator 1] aan [getuige 7] van 23 januari 2013 met daarin de bevestiging van het feit dat ING [verdachte] zou compenseren voor het geleden aandelenverlies.
- 163.
[getuige 7] stelt echter (Maruoka, p. 1174); ‘G. [verdachte] heeft in de periode nooit met mij besproken dat hij een claim zou hebben op de ING Bank. Sterker nog [verdachte] heeft tegen mij verklaard dat hij niets bezat.’
- 164.
Ook kan [getuige 7] worden bevraagd over de volgende passage uit diezelfde brief (DOC-042): ‘Jij hebt gelijk metjouw constatering dat hetfaillissement van [verdachte] niet had mogen plaatsvinden ’ Hem kunnen vragen worden gesteld over het privéfaillissement van cliënt, en over in hoeverre dat had kunnen worden voorkomen.
- 165.
De verdediging wenst deze getuigen te horen over de wijze waarop de aandelenaankoop door cliënt in de banken tot stand is gekomen, onder welke voorwaarden dit is geschied en waarom, en wat er nadien is gecommuniceerd over een compensatie voor het geleden verlies.
- 166.
Dat is in het belang van de verdediging (waarbij ik opmerk dat [getuige 7] en [getuige 5] bij appelschriftuur zijn opgegeven) en noodzakelijk voor een zorgvuldige beoordeling van de bewijsvraag voor feiten 1. en 3. inzake Kirishima.
- 167.
De rechtbank heeft de onderzoekswensen van de verdediging op dit punt afgewezen, maar deze lezing van cliënt vervolgens als ongeloofwaardig terzijde geschoven (vonnis p. 20): ‘Tot slot heeft de verdediging gesteld dat [verdachte] sr geen rekening heeft gehouden metzijn privéfaillissement, omdat de schuld aan [bedrijf 1] het gevolg was van waardedaling van aandelen in onder meer Fortis die hij met in rekening-courant opgenomen geld had gekocht.
De rechtbank stelt deze lezing als ongeloofwaardig terzijde. Het privé faillissement van [verdachte] sr was niet meer dan het logische gevolg van het faillissement van de [bedrijf 1]-groep omdat ook voor [verdachte] sr duidelijk moet zijn geweest dat de curatoren in het faillissement van de [bedrijf 1]-groep hem zouden aanspreken op aflossing van de rekening-courant schuld van meer dan € 48.000.000,- (per 27 november 2012) en [verdachte] sr was daar bij lange na niet toe in staat. De rol van de banken was op dat moment immers overgenomen door de curatoren.’
- 168.
Daarmee worden de stellingen van cliënt — en zijn argumentatie — echter onvoldoende onderkend.
- 169.
Het gegeven dat de rc-schuld was ontstaan uit de aankoop van aandelen op verzoek van de banken, is om twee redenen relevant.
- 170.
Ten eerste vertrouwde cliënt er daardoor volledig op dat de banken [bedrijf 1] op hun beurt door zwaar weer zouden helpen. Dat is relevant voor zijn gebrek aan aanvaarding van een aanmerkelijke kans dat [bedrijf 1] zou failleren, maar (dus) ook voor zijn gebrek aan aanvaarding van een aanmerkelijke kans dat hij zelf zou failleren.
- 171.
Ten tweede vertrouwde cliënt erop dat hij door de banken — in ieder geval door ING — zou worden gecompenseerd voor het verlies dat hij op de aandelen had geleden. Dat vertrouwen bestond bij cliënt ook in 2012 nog.
- 172.
De Advocaat-Generaal stelt dat deze verzoeken zouden moeten worden afgewezen omdat de stellingen van cliënt niet kunnen worden bewezen. Die benadering is niet juist. Dat de aandelen door cliënt zijn aangekocht staat niet ter discussie. Dat deze gigantisch in waarde zijn gedaald staat niet ter discussie. Dat dit heeft geleid tot de rekeningcourant-schuld aan [bedrijf 1] staat niet ter discussie. Onderzoek behoeft alleen te worden gedaan of cliënt terecht verwachtte dat hij daarvoor zou worden gecompenseerd en/ofop steun van de banken kon rekenen.
- 173.
Dat hiervan (nog) geen bewijs voorhanden is, is juist reden waarom wordt verzocht hiernaar onderzoek te doen.
- 174.
Dat komt overigens voort uit de wijze waarop dergelijke besprekingen weden gevoerd. De aandelen waren door cliënt in privé gekocht, omdat de aankoop niet bekend diende te worden. Van de opvolgende onderhandelingen over de compensatie .werden geen notulen gemaakt noch werd er correspondentie over gevoerd. Als gezegd zou er naast de vaststellingsovereenkomst ook een geheimhoudingsovereenkomst worden getekend.
- 175.
Bovendien is het verhaal van cliënt dermate gedetailleerd en consistent dat het niet als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven.
- 176.
In juli 2011 heeft een eerste gesprek van ongeveer een uur plaatsgevonden op initiatiefvan ING in het Sheraton Hotel te Schiphol. Bij dit gesprek waren aanwezig de heren [getuige 1] (ING UK) en D. Jones (van een Engels advocatenkantoor) en [getuige 2] (ING Nederland). Cliënt zette in op een compensatie van € 50 mio door ING alsmede een compensatie voor de geleden renteverliezen. ING wilde maximaal € 25 mio betalen en geen rentevergoeding. Afgesproken werd dat beide partijen zich zouden beraden en dat een vervolggesprek zou plaatsvinden na de zomer.
- 177.
ING heeft telefonisch in september 2011 het initiatief genomen voor een tweede gesprek. Dit werd gepland voor begin oktober 2011, maar op verzoek van ING is dit verplaatst naar begin november 2011. Dit gesprek heeft plaatsgevonden bij [bedrijf 1] op kantoor te Deventer. Bij dit gesprek waren aanwezig de heren [getuige 1] (ING UK), [getuige 2] (ING Nederland) en [getuige 3] (of Serk) (ING Nederland).
- 178.
Afgesproken werd dat het gesprek strikt vertrouwelijk was en ING deelde mee dat de overeen te komen compensatie zou worden betaald vanuit ING UK. ING bood een compensatie van € 37,5 mio (zonder rentccompensatie). Cliënt heeft aangegeven dat € 50 mio het uitgangspunt bleef. Na ruim 1,5 uur is een pauze ingelast en hebben de vertegenwoordigers van ING ruggenspraak gehouden. Na de pauze is overeenstemming bereikt voor een compensatie van € 45 mio. Vanwege balanstechnische redenen van ING werd besloten om afspraken over de rentecompensatie en definitieve afwikkeling te verplaatsen naar begin 2012.
- 179.
Er werd een afspraak gemaakt voor begin februari 2012 op kantoor bij [bedrijf 1]. Aanwezig waren de heer [getuige 1] (ING UK) en de heer [getuige 4] (ING Nederland) (en nog een persoon van wie cliënt de naam niet meer weet). Er werd overeenstemming bereikt over de rentecompensatie en de totale compensatie werd vastgesteld op € 47 mio. Afgesproken werd om de vaststellingsovereenkomst en de geheimhoudingsverklaring gelijktijdig te tekenen in de eerste week van maart 2012 ten kantore van ING te Amsterdam. Daarna heeft cliënt ondanks herhaaldelijk aandringen niets meer van ING gehoord.
- 180.
Dat dergelijke compensatie geen illusie is, wordt bevestigd door het gegeven dat Fortis € 1.3 miljard als compensatie betaald aan aandeelhouders die in 2007 vals zijn voorgelicht (bijlage 6).
- 181.
Deze getuigenverhoren dienen ter onderbouwing van de stellingen van cliënt over de relatie die cliënt had met de banken, en de mondelinge toezeggingen die aan hem waren gedaan over compensatie. Cliënt was ervan overtuigd dat deze bankmedewerkers [bedrijf 1] door zware tijden heen zouden loodsen. De plotselinge ommezwaai in de houding van ING bevestigt zijn vermoeden dat sprake was van een ongeoorloofde samenwerking tussen partijen die bij het faillissement waren betrokken.
- 182.
Deze verhoren zijn daarom relevant voor de beoordeling van de bewijsvraag.' (onderstreping JK en DS)
27.
Het hof heeft de getuigenverzoeken onder 8 en 9 bij tussenarrest van 27 mei 2020 afgewezen en die onder 10 t/m 14 toegewezen, en heeft daartoe het volgende overwogen (P. 4–5):
‘Op de verzoeken 8 en 14 is het verdedigingsbelang van toepassing. De verzoeken 9 tot en met 13 zijn niet bij tijdig ingekomen appelschriftuur gedaan en worden daarom getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium.
Het horen van getuige 8 is naar het oordeel van het hof niet van belang voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing, mede omdat [getuige 5] al in september 2008 bij Fortis is vertrokken. [getuige 6] (getuige 9) is sinds januari 2009 weg bij ING. Aan de orde is de vraag in hoeverre het faillissement van [bedrijf 1] en als gevolg daarvan de faillissement van verdachte in privé te voorzien was. Indien al juist is de stelling van verdachte dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, dan blijft nog de vraag op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak. Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen. Het hof zal de verzoeken 8 en 9 dan ook afwijzen, de verdediging is daardoor niet in haar belang geschaad.
Vanwege de schuld van verdachte in privé aan [bedrijf 1] acht het hof de waardedaling van de aandelen relevant voor de beoordeling van de vraag of het faillissement van [bedrijf 1] voorzienbaar was. Ten aanzien van de eventuele compensatie daarvan acht het hof het daarom noodzakelijk getuigen 10 tot en met 13 over de gesprekken in 2011 en 2012 te horen. Daarnaast acht het hof het horen van curator [getuige 7] van belang, temeer omdat verdachte heeft verklaard dat hij [getuige 7] van de onderhandeling op de hoogte had gesteld. Het hof zal de verzoeken 10 tot en met 14 daarom toewijzen.’
28.
In het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 10 mei 2021 is het dienaangaande het volgende gerelateerd:
‘Bij tussenarrest van 27 mei 2020 heeft het hof onder meer bepaald dat [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] als getuigen dienen te horen.
Deze personen zouden werkzaam zijn geweest bij respectievelijk Internationale Nederlanden Groep (hierna te noemen ING) Verenigd Koninkrijk en ING Nederland.
Het hof heeft daarbij de raadslieden van de beide verdachten [verdachte] opdracht gegeven om zo spoedig mogelijk de nadere contactgegevens van de desbetreffende getuigen aan te leveren. Bij e-mail van 2 september 2020 heeft de raadsman van [verdachte] (sr), mr. K.J. Zeegers, desgevraagd het kabinet van de raadsheer-commissaris laten weten dat het hem niet is gelukt om de adresgegevens van de getuigen te achterhalen.
Het kabinet van de raadsheer-commissaris heeft op 13 november 2020 navraag gedaan naar de adresgegevens van de betreffende getuigen bij de afdeling People Services van de ING.
De ING heeft op 16 november 2020 als reactie daarop te kennen gegeven dat deze gegevens helaas niet meer te achterhalen zijn.
Op 23 november 2020 heeft ook de raadsman van [medeverdachte 1] (jr), mr. T. Felix, desgevraagd aangegeven dat het hem niet is gelukt om de adresgegevens van de getuigen te achterhalen.
Naar aanleiding van het bovenstaande heeft het kabinet van de raadsheer-commissaris op 14 januari 2021 per e-mail contact opgenomen met advocaat-generaal mr. Hemelaar met de vraag of het Openbaar Ministerie nog mogelijkheden ziet om de adresgegevens van de getuigen te achterhalen. De advocaat-generaal heeft daarop laten weten dat hij, bij gebreke van nadere persoonsgegevens, geen nadere mogelijkheden ziet om de gegevens van de getuigen te achterhalen, temeer nu er al navraag is gedaan bij de ING.
Naar aanleiding van het niet kunnen achterhalen van nadere persoonsgegevens en het dus niet kunnen traceren van betreffende getuigen en de planning van de verhoren, heeft er op verzoek van mr. Van Zijl, raadsvrouw verdachte [verdachte] sr., op 26 maart 2021 een regiebijeenkomst plaatsgevonden. .
Van deze bijeenkomst is apart een proces-verbaal opgemaakt die aan dit proces-verbaal van bevindingen zal worden gehecht. Op aandringen van de verdediging heeft de raadsheer-commissaris nog een zoekslag gemaakt teneinde meer gegevens van de getuigen te achterhalen en heeft de raadsheer-commissaris op 1 april 2021 persoonlijk contact gezocht met de ING.
Naar aanleiding van het verzoek van I april 2021 van de raadsheer-commissaris aan de juridische afdeling van de ING, heeft M.J. Bas, advocaat, werkzaam bij ING Nederland op de afdeling HR/Legal laten weten dat de naam [getuige 1] eenmaal in het personeelsarchief voorkomt en de naam [getuige 4] meermalen, met verschillende voorletters, derhalve betrekking hebbende op verschillende personen. De informatie betreft echter uitsluitend hun naam, verder zijn er geen andere persoons- of adresgegevens bekend. Van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] zijn helemaal geen gegevens bekend.
Desgevraagd heeft mr. Bas op 7 april 2021 laten weten dat de ING geen enkele contactgegevens meer heeft van getuige [getuige 1] en dat navraag bij haar collega in Groot-Brittannië geen resultaat heeft opgeleverd. De ING Verenigd Koninkrijk heeft laten weten in 2012 geen medewerker te hebben gehad met de naam [getuige 1].
Nu de verdediging niet in staat is gebleken om nadere persoonsgegevens van de te horen getuigen aan te leveren en naspeuringen van het openbaar ministerie en de raadsheer-commissaris bij herhaling geen resultaat hebben opgeleverd acht de raadsheer-commissaris het niet aannemelijk dat de getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en gehoord. Om die reden wordt afgezien van het oproepen van deze getuigen en sluit de raadsheer-commissaris het onderzoek met betrekking tot deze getuigen.’
29.
In haar op de zitting van 8 juni 2022 overgelegde pleitnota heeft de verdediging verzocht om, kort gezegd, meer inspanningen te verrichten om deze getuigen te traceren, teneinde ze te horen:
‘3.4. Verstandhouding met de banken
3.4.1. Aandelenaankoop in privé en compensatie
- 214.
Tevens wordt het verzoek herhaald om de volgende getuigen te (doen) horen over de aandelentransactie in privé en de compensatie voor het daarop geleden verlies:
- 13)
de heer [getuige 5], voormalig bestuursvoorzitter Fortis;
- 14)
de heer [getuige 6], voormalig bestuursvoorzitter ING;
- 15)
de heer [getuige 1], ING Verenigd Koninkrijk;
- 16)
de heer [getuige 2], ING Nederland;
- 17)
de heer [getuige 3], ING Nederland;
- 18)
de heer [getuige 4], ING Nederland.
- 215.
Cliënt heeft verklaard dat hij in 2007 door de heer [getuige 5] van de Fortis bank is gevraagd of hij aandelen wilde kopen, vanwege liquiditeitsproblemen bij de bank (Kirishima Voi-01, p.16). Hetzelfde gebeurde met ING. De heer [getuige 6], toenmalig bestuursvoorzitter van ING, benaderde hem met het verzoek in privé aandelen aan te schaffen in ING en Aegon.
- 216.
Deze aandelenpakketten moesten worden in privé worden gekocht, omdat [bedrijf 1] anders enerzijds geld leende van de banken en anderzijds aandeelhouder was van diezelfde banken. Dat werd als ongewenst gezien. Gezien het belang van een goede relatie met de banken is cliënt op deze verzoeken ingegaan. Hij leende daarvoor geld van [bedrijf 1]. Cliënt heeft in totaal voor circa € 70 mio aan aandelen aangekocht van Fortis, ING, ABN AMRO en Aegon, waarvan de waarde ten gevolge van de bankencrisis met € 50 mio is verminderd.
- 217.
Cliënt was echter steeds ervan uitgegaan dat de banken hem zouden compenseren voor dit verlies, of dat deze banken ten minste een morele plicht zouden voelen [bedrijf 1] door eventueel zwaar weer heen te helpen. Dat droeg in sterke mate bij aan zijn vertrouwen dat [bedrijf 1] overeind zou blijven.
- 218.
Cliënt had al in 2009 contacten met [getuige 6] over compensatie voor de geleden verliezen. [getuige 6] had cliënt namelijk verzekerd dat er geen risico's verbonden waren aan de aandelenkoop. In 2011 hebben daarover twee gesprekken plaatsgevonden, en in februari 2012 is daarover nog een gesprek geweest, en is cliënt tot afspraken met ING gekomen.
- 219.
De vaststellingsovereenkomst en bijbehorende geheimhoudingsverklaring zouden in de eerste week van maart 2012 worden getekend. Ondanks herhaald verzoek heeft cliënt echter hierover nooit meer iets gehoord van ING.
- 220.
Cliënt ging er dus ten minste tot begin maart 2012 van uit dat ING hem zou compenseren voor de geleden verliezen. Ook vertrouwde cliënt er volledig op dat de banken [bedrijf 1] op hun beurt door moeilijker tijden zouden helpen.
- 221.
De houding van ING veranderde echter rigoureus in het voorjaar van 2012. Cliënt gaat ervan uit dat dit hot gevolg was van negatieve beïnvloeding door de medewerkers van FGH.
- 222.
[getuige 6] was destijds bestuursvoorzitter van ING en [getuige 5] was bestuursvoorzitter van Fortis. Zij hebben cliënt benaderd met het verzoek om aandelen te kopen en hem verzocht dit via privévermogen te financieren.
- 223.
De heren [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] waren destijds allemaal werkzaam bij ING en hebben één of meer gesprekken bijgewoond over de compensatie aan cliënt,
- 224.
De verdediging wenst deze getuigen te horen over de wijze waarop de aandelenaankoop door cliënt in de banken tot stand is gekomen, onder welke, voorwaarden dit is geschied en waarom, en wat er nadien is gecommuniceerd over een compensatie voor het geleden verlies.
- 225.
Dat is in het belang van de verdediging en noodzakelijk voor een zorgvuldige beoordeling van de bewijsvraag voor feiten 1. en 3. inzake Kirishima.
(….) [JK en DS: hier volgt een herhaling van pleidooi uit 2020, om die reden door de raadsvrouwe klein en gecursiveerd weergegeven en hier niet weergegeven]
- 240.
Bij tussenarrest van 27 mei 2020 wees uw Hof de verzoeken om [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] toe.
- 241.
Inmiddels is echter gebleken dat de raadsheer-commissaris het niet aannemelijk acht dat getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] binnen aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en dat daarom wordt afgezien van het oproepen van deze getuigen (proces-verbaal bevindingen raadsheer-commissaris 10 mei 2021).
- 242.
Primair verzoek ik u onderzoek naar de contactgegevens te (laten) doen via de Belastingdienst, via de pensioenverzekeraar van ING of andere instanties waarbij gegevens van oud-werknemers van ING (kunnen) zijn opgeslagen. Ook verzoek ik u de mogelijkheden te (laten) onderzoeken om Linkedln-pagina's uit 2012 in te zien. (onderstreping JK en DS)
- 243.
Nu cliënt immers niet beschikt over verdere contactgegevens, moet worden voldaan aan de inspanningsplicht voor de autoriteiten om de getuigen op te sporen. De autoriteiten hebben daartoe immers ook meer mogelijkheden dan de verdediging.
- 244.
Die inspanningsplicht is door het EHRM ook uitdrukkelijk erkend voor getuigen a decharge.
- 245.
Op 19 januari 2021 is het arrest Keskin vs. Nederland gewezen, waarin opnieuw werd bevestigd dat art. 6 lid 3 sub d EVRM ook van toepassing is op getuigen a décharge. ‘Paragraph 3 (cl) also contains a right to obtain the attendance and examination of witnesses on behalfofthe accused, or ‘defence witnesses’, that is to say witnesses whose statements are in favour of the defendant (see, for instance, Pello v. Estonia, no. 1142,3/03, § 31,12 April 2007).’
- 246.
In 2018 bepaalde het EHRM meer specifiek dat ook bij getuigen a décharge sprake moet zijn van een volledige ‘equality of arms’ en dat dit leidt tot een inspanningsverplichting voor de autoriteiten om ondervraging van de getuige mogelijk te maken:
‘The Court has noted that a decision to call a defence witness at a certain point during the investigation or trial and the subsequent absence of that witnessfrom trial is significant, but not in itself conclusive (compare Popov v. Russia, no. 26833/04, § 188, 13 July 2006, where the absence of the witness led to a violation of Article 6 of the Convention, and Andrey Zakharov v. Ukraine, no. 26581/06, §§ 61–62, 7 January 2016, where it did not). However, once the domestic, courts have accepted, at least in principle, that the examination of a witness for the defence was relevant, they have an obligation to take ‘effective’ measures to ensure the witness’ presence at the hearing by way of, at the very least, issuing a summons (see Polufakin and Chernyshev v. Russia, no. 3oggy/()2, § 207, 25 September 2008) or by ordering the police to compel a wit ness to appear in court (see Pello, cited above, § 34).'
- 247.
In de zaak Keskin werd bevestigd dat een gebrek aan ‘good reason for the absence, of a witness’ een belangrijke factor is bij de beoordeling van de ‘overall fairness of a trial’:
‘While the absence of a good reason for the non-attendance of the witness could not of itself be conclusive of the unfairness ofthe applicant's trial, it was a very important factor to be weighed in the balance when assessing the overall fairness of a trial, and one which might tip the balance in favour of finding a breach ofArticle 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention (ibid., § 113).’
- 248.
Het begrip ‘good reason’ was in 2015 al nader toegelicht in de zaak Schatschaschwili vs. Duitsland, waarin de inspanningsverplichting om een getuige te traceren is neergelegd. Deze inspanningsverplichting behelst ‘all reasonable efforts’, en vereist ‘positive steps’ van de autoriteiten om de ondervraging mogelijk te maken. Om te voldoen aan de vereisten van art. 6 EVRM moet op zijn minst actief naar de getuige zijn gezocht:
‘In cases concerning a witness's absence owing to unreachability, the Court requires the trial court to have made all reasonable efforts to secure the witness's attendance (see Gabrielyan v. Armenia, no. 8088/03, § 78,10 April 2012; Tseber v. the Czech Republic, no. 46203/08, § 48, 22 November 2012; and Kostecki v. Roland, no. 14032/00, §§ 65–66. 4 June 2013/ The fact that the domestic courts were unable to locate the witness concerned or the fact that a witness was absent from the country in which the proceedings were conducted was found not to be sufficient in itself to satisfy the requirements of Article 6 § 3 (d), which requires the Contracting States to take positive steps to enable the accused to examine or have examined witnesses against him (see Gabrielyan, cited above, § 81; Tseber, cited above, § 48; and Lucie v. Croatia, no. 5699/11, § 79, 27 February 2014). Such measures form part of the diligence which the Contracting States have to exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Article 6 are enjoyed in an effective manner’ (see Gabrielyan, cited above, § 81, with further references). Otherwise, the witness's absence is imputable to the domestic authorities (see Tseber, cited above, § 48, and Lucie, cited above, § 7g).
- 121.
It is not for the Court to compile a list of specific measures which the domestic courts must have taken in order to have made all reasonable efforts to secure the attendance of a witness whom they finally considered to be unreachable (see Tseber, cited above, § 49). However, it is clear that they must have actively searched for the witness with the help of the domestic authorities, including the police (see Salikhov, cited above, §§ 116-17; Pra/ina v. Romania, no. 3392/03, § 47, 7 January 2014; and Lucie, cited above, § 79) and must, as a ride, have resorted to international legal assistance where a witness resided abroad and such mechanisms were available (see Gabrielyan, § 83; Fafrowicz, §56; Lucie, § 80; and Nikolitsas, § 35, all cited above).
- 122.
The need for all reasonable efforts on the part of the authorities to secure the witness's attendance at the trial further implies careful scrutiny by the domestic courts of the reasons given for the witness's inability to attend trial, having regard to the specific situation of each witness (see Nechto, § 127; Damir Sibgatullin, § 56; and Yevgeniy Ivanov, § 47, all cited above).’
- 249.
In de Nederlandse jurisprudentie is bevestigd dat op zijn minst de basisregistratie personen (BRP) dienen te worden geraadpleegd.
- 250.
Van belang is dat de verplichting om de getuige op te sporen rust op de autoriteiten (OM en/of politie) en dat ‘zolang nog aanknopingspunten bestaan om de getuige te vinden, […] deze [zullen] moeten worden benut. Pas wanneer alle mogelijkheden zijn uitgeput, mag worden geconcludeerd dat een nieuw bevel tot oproeping of medebrenging geen resultaat zal hebben’
- 251.
Zodoende verzoek ik uw Hof primair al het mogelijke te doen de contactgegevens van deze getuigen te achterhalen.
- 252.
Gedacht kan worden aan iedere registratie van werknemers in Nederland en in hel Verenigd Koninkrijk. Dat is niet alleen de werkgever zelf, maar ook de Belastingdienst, het UWV en/of de pensioenverzekeraar. Ook kan worden gedacht aan aan [sic] gewijzigde Linkedln-pagina's die via reguliere zoekmachines niet meer beschikbaar zijn.
- 253.
Subsidiair verzoek ik u ter compensatie van de onmogelijkheid om getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] te horen, het verhoor van [getuige 5] en [getuige 6] alsnog toe te wijzen. (onderstreping JK en DS)
- 254.
Het belang om [getuige 5] en [getuige 6] te horen wordt immers des te groter als niet aannemelijk is dat de toegewezen getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en dat daarom wordt afgezien van het oproepen van deze getuigen (proces-verbaal bevindingen raadsheer-commissaris 10 mei 2021).
- 255.
Gebleken is dan immers dat het verhoor van [getuige 5] en [getuige 6] mogelijk de enige wijze is waarop informatie over de compensatieafspraken kan worden verkregen.
- 256.
Hen kan worden gewaagd wie deze gesprekken met cliënt hebben gevoerd, zodat een hernieuwde poging kan worden gedaan de reeds toegewezen getuigen op te sporen.
- 257.
Bovendien kunnen zij zelf verklaren wat zij weten over de compensatieafspraken.
- 258.
Bij tussenarrest van 27 mei 2020 wees uw Hof de verzoeken om [getuige 5] en [getuige 6] af (tussenarrest 27 mei 2020, p. 5):
‘Indien al juist is de stelling van verdachte dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, dan blijft nog de vraag op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak. Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen.’
- 259.
Ten eerste stelt cliënt dat hij al in 2009 contacten had met [getuige 6] over compensatie voor de geleden verliezen. Ook met [getuige 5] is dat ter sprake gekomen, aldus cliënt.
- 260.
Bovendien heelt de zoon van cliënt in de door de FIOD geretourneerde administratie een document teruggevonden waarin wordt bevestigd dat cliënt reeds in 2007 schriftelijk de afspraken met de banken vastlegde.
- 261.
In deze notulen van 16 maart 2007 wordt de aandelenaankoop gedocumenteerd. Dit document bevestigt de stelling van cliënt dat hij beide bestuursvoorzitters een gunst verleende, en vormt extra aanleiding de bestuursvoorzitters te bevragen over de totstandkoming van deze afspraken en over eventuele toezeggingen die daarbij zijn gedaan. Dit document bevestigt dat de bestuursvoorzitters — eventueel op hoofdlijnen — kunnen verklaren over een compensatie voor de geleden verliezen.
- 262.
Vanwege de aard van de strafrechtelijke verwijten die cliënt in verschillende procedures worden gemaakt, heeft de verdediging dit document in eigen beheer laten onderzoeken. De documenten die namens cliënt in procedures worden ingébracht worden immers met de nodige scepsis benaderd. Om deze op voorhand weg te nemen is onderzoeksbureau Forensicon verzocht onderzoek te doen naar de authenticiteit van de notulen van 16 maart 2007.
- 263.
De resultaten (p. 9) houden in dat op basis van de gebruikte printtechnieken slechts is vast te stellen dat het document is ‘geprint in de periode tussen ‘halverwege jaren 80 tot heden’.
- 264.
Ook bevat het rapport de passage (p. 8):
‘Naar aanleiding van de vraagstelling zijn de volgende elkaar uitsluitende hypothesen beschouwd:
H1: Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
H2: Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
De deskundigen hebben gerapporteerd dat de onderzoeksresultaten extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer H1 juist is dan wanneer H2 juist is. ’
- 265.
Dit is de hoogste waarschijnlijkheidsterm die in het rapport is betrokken. Anders dan het OM stelt, komt deze conclusie niet uit de lucht vallen, maar is dit de conclusie die het onderzoeksbureau trekt.
- 266.
Vervolgens is de opdracht gegeven om op basis van koolstofdatering aan te geven in welke periode dit document is opgemaakt.
- 267.
Daarop werd van Forensicon het volgende antwoord ontvangen: ‘Ik ben vanuit het laboratorium geïnformeerd over de resultaten van d el extractie uit het papier. Helaas zijn daarbij, tegen de verwachting van de deskundigen, onvoldoende hoeveelheden zetmeel verkregen om een betrouwbare datering van het papier mogelijk te kunnen maken. Ik heb ze verzocht of met nadere extracties wel verwacht mag worden dat er voldoende zetmeel verkregen kon worden, maar ook hierop hebben ze mij aangegeven geen mogelijkheden te zien om meer (niet gecontamineerd) zetmeel uit verdere extracties te verkrijgen.’
- 268.
Nader onderzoek naar de datering van het document is dus volgens Forensicon niet mogelijk.
- 269.
Ik verzoek uw Hof daarom van de inhoud van dit document uit gaan.
- 270.
De notulen bevestigen dat de verzochte getuigen mogelijk kunnen verklaren over de gemaakte afspraken. Dit geeft reden temeer om [getuige 6] en [getuige 5] als getuigen te horen.
- 271.
Deze getuigenverhoren dienen ter onderbouwing van de stellingen van cliënt over de relatie die cliënt had met de banken, en de mondelinge toezeggingen die aan hem waren gedaan over compensatie. Cliënt was ervan overtuigd dat deze bankmedewerkers [bedrijf 1] door zware tijden heen zouden loodsen.
- 272.
Hun verhoren zijn daarom in het belang van de verdediging en noodzakelijk voor de beoordeling van de bewijsvraag.’
(onderstrepingen JK en DS)
30.
Het hof heeft de verzoeken van de verdediging afgewezen (proces-verbaal zitting hof 8 juni 2022, p. 5 en 7):
- ‘13)
de heer [getuige 5], voormalig bestuursvoorzitter Fotlis;
- 14)
de heer [getuige 6], voormalig bestuursvoorzitter ING;
- 15)
de heer [getuige 1], ING Verenigd Koninkrijk;
- 16)
de heer [getuige 2], ING Nederland;
- 17)
de heer [getuige 3], ING Nederland;
- 18)
de heer [getuige 4], ING Nederland;
(…)
Relatie met de banken compensatie aandelentransacties
Op verzoek 13 is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing nu het een herhaald verzoek betreft. De verzoeken 14 tot en met 18 zijn niet bij tijdig ingekomen appelschriftuur gedaan en worden daarom getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium.
Het horen van getuige 13 is naar het oordeel van het hof niet van belang voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing, mede omdat [getuige 5] al in september 2008 bij Fortis is vertrokken. [getuige 6] (getuige 14) is sinds januari 2009 weg bij ING. Aan de orde is de vraag in hoeverre sprake is van (voorwaardelijk) opzet op bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers. Daarvoor zijn de financiële situatie en in het bijzonder de liquiditeitspositie van [bedrijf 4] en de met haar verbonden vennootschappen en de financiële situatie en de liquiditeitspositie van verdachte van belang. Indien al juist is de stelling van verdachte dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, dan blijft nog de vraag op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak. Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen. Het na 13 mei 2020 overgelegde verslag van een aandeelhoudersvergadering gehouden in 2007 leidt niet tot een andere conclusie. Ook hier voor geldt dat zelfs indien de aankoop op verzoek van [getuige 6] en [getuige 5] is verricht, niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd, indachtig het vertrek van beide heren bij de betreffende financiële instellingen en het feit dat enige schriftelijke vastlegging bij de banken ontbrak. Het hof zal de verzoeken 13 en 14 dan ook afwijzen, de verdediging is daardoor niet in haar belang geschaad en de noodzaak tot horen is niet gebleken.
Het hof heeft het horen van de getuigen 15 tot en met 18 noodzakelijk geacht. Dat brengt met zich dat ten aanzien van die getuigen het criterium van het verdedigingsbelang geldt. De getuigen zijn niet gehoord. Het verzoek is herhaald en wordt opnieuw afgewezen. Het is niet aannemelijk dat de getuigen 15 tot en met 18 binnen redelijke termijn gehoord kunnen worden. De raadsheer-commissaris heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2021 met bijlagen aangegeven welke pogingen zijn ondernomen om aan nadere persoonsgegevens te komen. Ook de verdediging was destijds niet in staat de raadsheer-commissaris van nadere gegevens te voorzien. Ook nu heeft de verdediging geen nadere gegevens overgelegd. Zo is van alle getuigen de geboortedatum niet bekend. Onder deze omstandigheden is niet aannemelijk dat deze getuigen binnen aanvaarbare termijn kunnen worden opgespoord en verhoord. Van het horen van getuige mr. [getuige 7] is door de verdediging afstand gedaan, de verdediging heeft niet verzocht deze getuige alsnog te horen.’
(onderstreping JK en DS)
31.
De verscheidene beslissingen van het hof zijn onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, (zeker) gelet op hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.
Ad a) Beslissing d.d. 8 juni 2022 m.b.t. getuigen 15 t/m 18 ([getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4])
32.
Allereerst is onjuist en/of onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de verzoeken herhaald zijn en opnieuw worden afgewezen. De onderhavige getuigenverzoeken waren eerst namelijk toegewezen.
33.
Voorts heeft de verdediging bij pleidooi de vraag besproken (inclusief het daarop naar de mening van de verdediging te geven antwoord) hoe ver de inspanningsplicht van de overheid om de getuigen te traceren rijkt.
34.
In dat verband is erop gewezen dat:
- a)
in de Nederlandse jurisprudentie is bevestigd dat op zijn minst de basisregistratie personen (BRP) dienen te worden geraadpleegd;4.
- b)
de verplichting om de getuige op te sporen rust op de autoriteiten (OM en/of politie) en dat ‘zolang nog aanknopingspunten bestaan om de getuige te vinden, […] deze [zullen] moeten worden benut. Pas wanneer alle mogelijkheden zijn uitgeput, mag worden geconcludeerd dat een nieuw bevel tot oproeping of medebrenging geen resultaat zal hebben’;5.
- c)
uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat ‘it is clear that they [JK en DS: the authorities] must have actively searched for the witness with the help of the domestic authorities, including the police (see Salikhov, cited above, §§ 116-17; Pra/ina v. Romania, no. 3392/03, § 47, 7 January 2014; and Lucie, cited above, § 79) and must, as a ride, have resorted to international legal assistance where a witness resided abroad and such mechanisms were available (see Gabrielyan, § 83; Fafrowicz, J 36; Lucie, § 80; and Nikolitsas, § 35, all cited above).’, en;
- d)
dat bij het verrichten van inspanningen, gedacht kan worden aan iedere registratie van werknemers in Nederland en in hel Verenigd Koninkrijk. Dat is niet alleen de werkgever zelf, maar ook de Belastingdienst, het UWV en/of de pensioenverzekeraar. Ook kan worden gedacht aan gewijzigde Linkedln-pagina's die via reguliere zoekmachines niet meer beschikbaar zijn.
35.
Het hof rept enkel over de verantwoordelijkheid van verzoeker om gegevens aan te leveren, en laat de door de verdediging aangedragen inspanningsplicht van de overheid onbesproken. Het oordeel van het hof is in zoverre ontoereikend gemotiveerd.
36.
Het oordeel van het hof dat ‘de raadsheer-commissaris in een proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2021 met bijlagen heeft aangegeven welke pogingen zijn ondernomen om aan nadere persoonsgegevens te komen’ is ook ontoereikend gemotiveerd, nu thans niet duidelijk en controleerbaar is welke pogingen dit zijn.
37.
Op grond van het voorgaande is het oordeel van het hof dat ‘niet aannemelijk is dat de getuigen 15 tot en met 18 binnen redelijke termijn gehoord kunnen worden’ onbegrijpelijk.
38.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
39.
Daarnaast heeft het hof bij de (impliciete) beslissing dat niet andermaal gepoogd hoefde te worden de betreffende getuige op te roepen gelet op de onaannemelijkheid van verschijning ter zitting binnen aanvaardbare termijn, verzuimd de in dit verband vereiste belangenafweging te maken.
40.
Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de woorden ‘binnen een aanvaardbare termijn’ veronderstellen dat de rechter daarbij dient te betrekken de periode waarbinnen de getuige eventueel ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, de aard van de zaak en het belang van de getuigenverklaring voor de door de rechter te nemen beslissing (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1988/89, 21 241, nr. 3, p. 25). Uw Raad denkt daar deels anders over, zie HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466:
‘2.4.3
Anders dan mogelijk uit deze wetsgeschiedenis zou kunnen worden afgeleid, houdt artikel 288 lid 1 Sv niet de verplichting voor de rechter in, als hij afziet van het oproepen van een getuige op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, ervan blijk te geven in die beslissing de aard van de zaak en — in het bijzonder — het belang van de getuigenverklaring te hebben betrokken. Bij de toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv staat de vraag voorop of het mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. Op het moment dat zo'n beslissing moet worden genomen, zal ook niet steeds vaststaan wat de betekenis en het gewicht van de verklaring van de getuige zijn of kunnen zijn voor onder meer de beantwoording van de bewijsvraag en daarmee wat het concrete belang van de verdachte is om die getuige te (doen) ondervragen.’
41.
Een en ander neemt evenwel niet weg dat wel enige belangenafweging zal moeten plaatsvinden, waarbij — in de visie van verzoeker — de termijn waarin de getuige wél gehoord zou kunnen worden dient te worden betrokken, alsook de tijd die is verstreken sedert het standpunt van (bijvoorbeeld) de raadsheer-commissaris dat de getuige (op dat moment) onvindbaar was (vgl. HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9173, NJ 2011/92). De overwegingen van het gerechtshof in casu behelzen geen enkele belangenafweging, waardoor het gerechtshof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn beweegredenen om de getuige, waarvan het gerechtshof eerder had geoordeeld dat zij dienden te worden opgeroepen teneinde te worden gehoord, niet andermaal (te proberen) op te roepen.6.
42.
In dat verband wordt erop bovendien op gewezen dat het proces-verbaal van de Raadsheer-commissaris dateert van 10 mei 2021, meer dan een jaar voor de zitting bij het hof van 8 juni 2022.
43.
Verzoeker meent verder dat ondanks dat de rechter niet ‘verplicht’ is om het (mogelijke) belang van de getuigenverklaring bij zijn oordeelsvorming te dezen te betrekken, het ontbreken van een overweging hieromtrent wel kan bijdragen aan de onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof wanneer het bestaan van dit belang eerder door het hof zelf is vastgesteld. Met andere woorden: in het licht van het (door het hof zelf in mei 2020 onderkende) belang van de verklaringen van de getuigen, te weten dat vanwege de schuld van verzoeker in privé aan [bedrijf 1] de waardedaling van de aandelen — waarover de getuigen mogelijk zouden kunnen verklaren — relevant is voor de beoordeling van de vraag of het faillissement van [bedrijf 1] voorzienbaar was, is het oordeel van het hof op dit punt (des te) onbegrijpelijker.
44.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Ad b) afwijzingen getuigenverzoeken [getuige 5] en [getuige 6]
45.
Ook de beslissingen van het hof omtrent deze getuigenverzoeken zijn onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. De beslissing van het hof van 27 mei 2020 en het (ten dele gelijkluidende) oordeel van 8 juni 2022 worden beide aangevochten.
46.
Het hof besliste in zijn weergegeven oordeel van 8 juni 2022 op de keper beschouwd dat (p. 7):
- ‘—
‘Indien al juist is de stelling van verdachte dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, dan blijft nog de vraag op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak.’
- —
‘Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen.’
- —
‘Het na 13 mei 2020 overgelegde verslag van een aandeelhoudersvergadering gehouden in 2007 leidt niet tot een andere conclusie. Ook hier voor geldt dat zelfs indien de aankoop op verzoek van [getuige 6] en [getuige 5] is verricht, niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd, indachtig het vertrek van beide heren bij de betreffende financiële instellingen en het feit dat enige schriftelijke vastlegging bij de banken ontbrak.’’
(onderstrepingen JK en DS)
47.
De twee onderstreepte zinnen zijn de belangrijkste gronden van het hof voor de afwijzing van de getuigenverzoeken. Deze daarin genoemde redenen zijn echter onbegrijpelijk.
48.
Aan de getuigenverzoeken is van meet af aan ten grondslag gelegd dat [getuige 6] en [getuige 5] bestuursvoorzitter waren van resp. ING en Fortis, en dat zij verzoeker hebben benaderd met het verzoek om aandelen te kopen en hem hebben verzocht dit via privévermogen te financieren. In het bijzonder is aangevoerd dat verzoeker reeds in 2009 contacten had met [getuige 6] over compensatie voor de geleden verliezen, nu hij verzoeker had verzekerd dat er geen risico's verbonden waren aan de aandelenkoop. In 2011 hebben daarover twee gesprekken plaatsgevonden, en in februari 2012 is daarover nog een gesprek geweest, en is cliënt tot afspraken met ING gekomen, aldus verzoeker. Ook in gesprekken met [getuige 5] is de compensatie ter sprake gekomen (pleitnota 8 juni 2022 onder 259).
49.
Het hof heeft deze getuigenverzoeken in mei 2020 afgewezen in verband met het feit nu [getuige 5] ‘al in september 2008 bij Fortis is vertrokken’ en [getuige 6] sinds januari 2009 weg is bij ING. Het hof stelde toen dat indien al juist is de stelling van verzoeker dat hij op mondeling verzoek en zonder enige schriftelijke vastlegging van de betreffende bestuurders geld van de vennootschap heeft geleend voor de aanschaf van aandelen, de vraag nog blijft op grond waarvan verdachte erop zou mogen vertrouwen dat de betreffende banken hem zouden compenseren nu enige schriftelijke vastlegging ontbrak. ‘Niet aannemelijk is geworden dat de betreffende voormalige bestuurders daar iets over zouden kunnen zeggen’, aldus het hof.
Op onaanvaardbare wijze vooruitlopen op de inhoud van de verklaringen van de getuigen
50.
Met dit laatste oordeel, maar ook met de zin ervoor, wordt op onaanvaardbare wijze vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren. Het hof weet niet en kan niet weten wat de bestuurders hierover kunnen verklaren, terwijl verzoeker van meet af aan heeft aangegeven dat hij met hen beiden wel degelijk contact heeft gehad over compensatie. (Alleen) [getuige 6] en/of [getuige 5] kan/kunnen hierover meer helderheid verschaffen. In zoverre is het oordeel van het hof onjuist en/of onbegrijpelijk (vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3297).
51.
Verzoeker heeft bij deze klacht op zichzelf reeds voldoende belang ex art. 80a RO, nu na vernietiging en terug- of verwijzing deze getuigenverzoeken mogelijk (dienen te) worden toegewezen, en nu het horen van de getuigen — zoals door de verdediging is gesteld — van belang is voor de vragen ex art. 350 Sv.
Onjuiste rechtsopvatting
52.
Een volgende klacht is dat, anders dan het hof stelt, niet vereist is dat ‘aannemelijk is’ of de betreffende voormalige bestuurders iets kunnen verklaren (over mogelijke compensatie aan verzoeker); het gaat erom of (door de verdediging wordt aangegeven waarom) het horen van deze getuige van belang is/kan zijn voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissing. In zoverre getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting. Ook bij deze klacht heeft verzoeker voldoende belang; het criterium van het hof is strenger dan het toepasselijke criterium.
Overige onbegrijpelijkheid
53.
Ook overigens is dit oordeel van het hof onbegrijpelijk. Geheel onduidelijk is waarop het oordeel van het hof dat ‘niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd’ berust. Bovendien wordt met dit oordeel miskend dat door de verdediging (onder 155–157) is aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst en bijbehorende geheimhoudingsverklaring (omtrent compensatie) in de eerste week van maart 2012 zouden worden getekend. Betoogd is dat ondanks herhaald verzoek, verzoeker hierover nooit meer iets gehoord van ING, dat verzoeker er ten minste tot begin maart 2012 van uitging dat ING hem zou compenseren voor de geleden verliezen, maar dat de houding van ING rigoureus veranderde in het voorjaar van 2012, naar verzoeker stelt door negatieve beïnvloeding van derden. Daarmee heeft verzoeker zijn standpunt handen en voeten gegeven, welke handen en voeten eenvoudig bij het getuigenverhoor kunnen worden geverifieerd.
Oordeel hof dat ‘zelfs indien de aankoop op verzoek van [getuige 6] en [getuige 5] is verricht, niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd’
54.
Van belang is voorts dat de verdediging in het tweede getuigenverzoek d.d. 8 juni 2022 de aandacht heeft gevestigd op het door de zoon van verzoeker in de door de FIOD geretourneerde administratie teruggevonden document, waarin wordt bevestigd dat cliënt reeds in 2007 schriftelijk de afspraken met de banken vastlegde (pleitnota onder 260 e.v.). De verdediging stelt (onder 261):
‘In deze notulen van 16 maart 2007 wordt de aandelenaankoop gedocumenteerd. Dit document bevestigt de stelling van cliënt dat hij beide bestuursvoorzitters een gunst verleende, en vormt extra aanleiding de bestuursvoorzitters te bevragen over de totstandkoming van deze afspraken en over eventuele toezeggingen die daarbij zijn gedaan. Dit document bevestigt dat de bestuursvoorzitters — eventueel op hoofdlijnen — kunnen verklaren over een compensatie voor de geleden verliezen.’
55.
Dit rapport is door de verdediging laten onderzoeken door Forensicon, uit welk onderzoek volgt dat op basis van de gebruikte printtechnieken slechts is vast te stellen dat het document is geprint in de periode tussen halverwege jaren 80 en heden (onder 263). Verder stelt de verdediging:
- ‘264.
Ook bevat het rapport de passage (p. 8):
‘Naar aanleiding van de vraagstelling zijn de volgende elkaar uitsluitende hypothesen beschouwd:
H1: Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
H2: Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
De deskundigen hebben gerapporteerd dat de onderzoeksresultaten extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer H1 juist is dan wanneer H2 juist is.’
- 265.
Dit is de hoogste waarschijnlijkheidsterm die in het rapport is betrokken. Anders dan het OM stelt, komt deze conclusie niet uit de lucht vallen, maar is dit de conclusie die het onderzoeksbureau trekt.’
56.
Het oordeel van het hof, dat inhoudt:
‘Het na 13 mei 2020 overgelegde verslag van een aandeelhoudersvergadering gehouden in 2007 leidt niet tot een andere conclusie. Ook hier voor geldt dat zelfs indien de aankoop op verzoek van [getuige 6] en [getuige 5] is verricht, niet blijkt op grond waarvan de verdachte erop zou mogen vertrouwen dat eventuele verliezen zouden worden gecompenseerd, indachtig het vertrek van beide heren bij de betreffende financiële instellingen en het feit dat enige schriftelijke vastlegging bij de banken ontbrak’
(onderstreping JK en DS)
is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
57.
Zulks in vrij letterlijke zin. Het hof gaat hier (8 juni 2022) kennelijk uit van de juistheid van het standpunt van de verdediging omtrent de opgenomen datum van de notulen. Gegeven (ook door het hof aangenomen) dat verzoeker aan de beide bestuursvoorzitters een gunst verleende, ligt de juistheid van de stelling van verzoeker dat is gesproken over een compensatie, in de rede. Onduidelijk is waarom het hof meent van niet. Hoe ‘het vertrek van beide heren bij de betreffende instanties’ hieraan afdoet, is onduidelijk, terwijl het feit dat schriftelijke vastlegging bij de banken ontbrak de mogelijkheid onverlet laat dat hierover mondeling wel gesproken is.
58.
In dat verband verdient opmerking dat wanneer hierover (enkel) mondeling gesproken zou zijn, dit ook relevant kan zijn voor beslissing van het hof omtrent de voorzienbaarheid c.q. aanmerkelijke kans op een faillissement van [bedrijf 1] (en daarmee van verzoeker) en de willens en wetens aanvaarding daarvan. Daarmee is ook het belang van verzoeker ex art. 80a RO bij klachten omtrent de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] gegeven.
59.
Bovendien is niet uitgesloten dat de twee bestuurders zelf (ook) aantekeningen hebben van de met verzoeker gevoerde gesprekken.
60.
Dat het hof bij zijn (eind)arrest van 2 december 2022 niet langer van de juistheid van de dagtekening van het document uitgaat (arrest p. 21), staat — gelet op hetgeen daarover in middel V wordt aangevoerd — aan (het belang ex art. 80a RO van verzoeker bij) het hiervoor gestelde niet in de weg.
Verdedigingsbelang
61.
Opmerking verdient verder dat getuige [getuige 5] tijdig bij appelschriftuur is opgegeven, zodat bij de eerste beslissing van het hof hieromtrent (27 mei 2020) het verdedigingsbelang het toepasselijke criterium was. Op de hiervoor vermelde gronden, is het oordeel van het hof van 27 mei 2020 in dat licht bezien des te onbegrijpelijker.
Onjuiste lezing van het getuigenverzoek
62.
Verder heeft het hof, door op 8 juni 2022 eerst te beslissen op deze getuigenverzoek en daarná pas op de getuigenverzoeken 15 t/m 18, miskend althans niet onderkend dat de verdediging heeft betoogd dat het horen van getuigen [getuige 5] en [getuige 6] des te belangrijker is wanneer de andere getuigen vanwege hun onvindbaarheid niet konden worden gehoord. Zie de pleitnota van 8 juni 2022:
- ‘253.
Subsidiair verzoek ik u ter compensatie van de onmogelijkheid om getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] te horen, het verhoor van [getuige 5] en [getuige 6] alsnog toe te wijzen.
- 254.
Het belang om [getuige 5] en [getuige 6] te horen wordt immers des te groter als niet aannemelijk is dat de toegewezen getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden opgespoord en dat daarom wordt afgezien van het oproepen van deze getuigen (proces-verbaal bevindingen raadsheer-commissaris 10 mei 2021).
- 255.
Gebleken is dan immers dat het verhoor van [getuige 5] en [getuige 6] mogelijk de enige wijze is waarop informatie over de compensatieafspraken kan worden verkregen.
- 256.
Hen kan worden gewaagd wie deze gesprekken met cliënt hebben gevoerd, zodat een hernieuwde poging kan worden gedaan de reeds toegewezen getuigen op te sporen.
- 257.
Bovendien kunnen zij zelf verklaren wat zij weten over de compensatieafspraken.’
(onderstreping JK en DS)
63.
Dit standpunt van de verdediging kan in zijn begrijpelijkheid voor juist worden gehouden. Het hof heeft zich hierover evenwel niet uitgelaten. In aanmerking genomen dat het hof de mogelijkheid van compensatiegesprekken op 27 mei 2020 — gezien de (motivering van de) toewijzing van de vier genoemde getuigenverzoeken — voor juist heeft aangenomen, terwijl bovendien het bestaan van getuige [getuige 5] en [getuige 6] (kennelijk doch evident) vaststaat, is het oordeel van het hof in zoverre ontoereikend gemotiveerd en bovendien onbegrijpelijk.
64.
Al het voorgaande klemt te meer gelet op het oordeel van het hof op p. 21 van zijn (eind)arrest, inhoudende dat het hof ‘in het dossier ook geen aanwijzingen ziet (behalve de bewering van verdachte) dat de beweerdelijke verzoeken, dan wel toezeggingen tot coulance aan de orde zijn geweest in de gesprekken met de banken nadat het concern in zwaar weer kwam te verkeren’. De verdediging is elke mogelijkheid ontnomen om die aanwijzingen aan te tonen.
65.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Deelklacht 3: afwijzing getuigenverzoek dhr. [getuige 8]
66.
De verdediging heeft op 13 mei 2020 verzocht [getuige 8] als getuige te horen:
‘Rol bankmedewerkers bij totstandkoming documenten Vercors
- 183.
De nauwe relatie met de banken had nog een andere component.
- 184.
Volgens cliënt waren medewerkers van FGH — onder wie in elk geval [getuige 8] — reeds voorafgaand aan het overleggen van de valse geschriften in Vercors volledig op de hoogte waren; [getuige 8] heeft juist om de documenten verzocht.29
- 185.
Nadat de valsheden in deze documenten in breder verband bekend werden heeft cliënt op 15 november 2011 een gesprek met de FGH en de Rabobank gevoerd, waarbij [getuige 8] hem van tevoren had gesouffleerd wat te zeggen.
- 186.
De Advocaat-Generaal lijkt te suggereren dat cliënts uitspraken tijdens dit gesprek, erop zouden duiden dat zijn verklaring onjuist is (p. 3), maar dat miskent dat cliënt ook heeft uitgelegd dat deze uitspraken tijdens dat gesprek hem zijn aangedragen door [getuige 8].
- 187.
Over de documenten die betrekking hebben op financieringen van SNS verklaart cliënt ook dat deze zijn opgemaakt op verzoek van de commerciële mensen van SNS.3o
- 188.
Deze documenten hebben uiteindelijk geleid tot aangiftes tegen cliënt door de banken (zoals die van FGH op 15 december 2011), tot de bevriezing van bankrekeningen en (dus) tot een verslechtering van de positie van [bedrijf 1]. Omdat cliënt stelt dat deze bankmedewerkers zelf betrokken waren bij de valse documenten, bevestigt dit zijn vermoeden dat aan die aangiftes en die rekeningblokkades oneigenlijke motieven ten grondslag lagen. Met andere woorden: de bankmedewerkers wilden hun eigen posities veiligstellen ten koste van [verdachte] en het [bedrijf 1]-concern.
- 189.
Over cliënts verklaring is in het vonnis slechts het volgende te lezen (vonnis p. 7):
‘De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden voor de bewering dat [verdachte]’ sr de geschriften op verzoek van [getuige 8] heeft opgemaakt en dat [betrokkene 1] wist van de onjuistheden in de geschriften. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de lezing van [verdachte] sr op dit punt niet aannemelijk is geworden.’
- 190.
Een nadere motivering ontbreekt.
- 191.
Het vervolg luidt (vonnis p. 7):
‘De rechtbank voegt hier nog aan toe dat ook in het geval de FGH bank, in de personen van genoemde [getuige 8] en [betrokkene 1], na het overleggen van de valse geschriften op de hoogte zou zijn gekomen van de valsheid, dit niet afdoet aan het feit dat [verdachte] sr de geschriften valselijk heeft opgemaakt.’
- 192.
Cliënt heeft echter juist gesteld dat de medewerkers van FGH — onder wie in elk geval [getuige 8] — reeds voorafgaand aan het overleggen van de geschriften volledig op de hoogte waren; [getuige 8] heeft juist om de documenten verzocht. Die kennis vooraf is wel degelijk relevant voor de beoordeling van de bewijsvraag van art. 225 Sr inzake Vercors en voor de bewijsvraag van feiten 1. en 3. inzake Kirishima.
- 193.
Voor vervalsing of valselijk opmaken in de zin van het eerste lid van art. 225 Sr is immers vereist dat een geschrift is vervalst ‘met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken’. Dit oogmerk is in de Memorie van toelichting bij artikel 225 Sr en in de jurisprudentie uitgelegd als ‘misleiding van derden’.
- 194.
Zie bijvoorbeeld Tweede Kamer, 1988–1989, 21 186, nr. 3, blz. 11:
‘Naast het opzet, gericht op het valselijk opmaken of vervalsen, is het bijkomend oogmerk vereist om het stuk als echt en onvervalst te gebruiken. Oogmerk houdt opzet met een bedoeling in. In het licht van de hierna nog aan de orde komende jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de betekenis van het woord «gebruik maakt» in het tweede lid van artikel 225 Sr moet aan dit oogmerk de eis worden gesteld dat het betrekking heeft op gebruik ter misleiding van derden’
(onderstreping RZ)
- 195.
De FIOD verwijst ook meermaals naar dit vereiste oogmerk tot misleiding (p. 110, 148, 177, 244) (onderstreping RZ):
‘Blijkens de Memorie van Toelichting is gekozen voor ‘oogmerk tot misleiding’, omdat dit beterpast bij de essentie van een valsheidsdelict (Smidt II, p. 254). Dit oogmerk behelst doelbewustheid met betrekking tot het (doen) gebruiken van het valse geschrift als echt en onvervalst. Oogmerk van misleiding betekent dat er derden in het spel moeten zijn, die niet van de valsheid op de hoogte zijn.’
- 196.
Cliënt heeft verklaard dat de aannemingsovereenkomst en de afbouwgarantie inzake Vercors niet alleen met voorafgaand medeweten, maar zelfs op verzoek van de FGH en de SNS bank zijn opgemaakt. Vanuit de banken werd benadrukt dat de documenten feitelijk geen waarde hadden, en dat deze niet verder zouden worden verspreid. Daarop is door de rechtbank niet gereageerd.
- 197.
De Advocaat-Generaal stelt in haar reactie slechts (p. 3):
‘De valsheid in geschrifte, zo blijkt uit het dossier, is niet gepleegd op verzoek van welke bank waar [verdachte] leningen had lopen dan ook.’
Daarmee gaat het openbaar ministerie nog een stap verder dan de rechtbank (door te stellen dat er bewijs zou zijn dat dit niet is gebeurd).
- 198.
Uit het dossier blijkt echter niet dat de onjuiste documenten niet op verzoek van de banken zijn opgemaakt. Integendeel. Het dossier geeft aanleiding te denken dat dat de banken wel degelijk belang hadden bij de documenten en van de onjuistheden op de hoogte waren.
- 199.
Vast staat immers dat [getuige 8] en [betrokkene 1] al maanden vóór 15 november 2011 wisten dat de huurovereenkomst met Lease Plan Corporation niet correct was, maar besloten personen binnen FGH en Rabobank daarvan onwetend te houden. Dit lijkt te zijn ingegeven door hun drang om financieringen af te sluiten en omdat het afketsen van Carlton ook de herfinanciering van Diana en Vesta in gevaar zou brengen…
- 200.
[betrokkene 1] heeft in eerste aanleg meermaals verklaard dat hij al in april of mei 2011 twijfels had over de rechtsgeldigheid van de ondertekening van het huurcontract.
- 201.
In zijn eerste verhoor stelt hij:
‘Ik kende iemand die bij Lease Plan Nederland werkte en heb in april/mei aan die persoon gevraagd wanneer Lease Plan Corporation de 20e tot en met de 29e verdieping zou betrekken. (…) Die persoon heeft dit nagevraagd, maar bij Lease Plan Nederland bleek niemand op de hoogte te zijn van hetfeit dat Lease Plan Corporation ook een aantal verdiepingen in het gebouw Carlton zou gaan huren. Ik heb ook uitgezocht bij de Kamer van Koophandel of de ondertekenaar van het huurcontract namens Lease Plan Corporation, ene [procuratiehouder], daarin voorkwam als procuratiehouder. De naam [procuratiehouder] kwam echter niet voor in de registers van de Kamer van Koophandel als procuratiehouder voor Lease Plan Corporation. De persoon die ik kende bij Lease Plan Nederland, heeft op mijn verzoek nagekeken of de naam [procuratiehouder] voorkwam in de interne telefoonlijst van Lease Plan en heeft gezien dat dit niet het geval was. Later heb ik zelfook nog gebeld met Lease Plan Corporation, en de telefoniste vertelde mij dat Lease Plan Corporation niet zou verhuizen naar het gebouw Carlton.’
- 202.
[betrokkene 1] heeft hieromtrent in zijn tweede verhoor aangegeven:
‘Pas in 2011, in april of in mei 2011 ontstond er bij mij twijfel aan het huurcontract. Er was mij verteld dat de huurder in maart 2011 in hetpand Carlton mocht en dat de huurderpas per 1 oktober 2011 huurzou gaan betalen. Er moest nog een inbouwpakket voor de huurder gemaakt worden, dat op 1 maart 2011 dus klaarzou zijn. FGH Bank hield de liquiditeiten van [bedrijf 1] nauwlettende in de gaten en heeft dus ook gevraagd wanneer het geld voor het inbouwpakket voor LeasePlan Corporation beschikbaar moest zijn. Omdat dat steeds maar werd uitgesteld, ontstond er bij mij argwaan.
- 203.
Ook bij de rechter-commissaris heeft [betrokkene 1] aangegeven dat de twijfels omtrent de echtheid er al lang waren.33
- 204.
Toch meldt [betrokkene 1] pas op 12 augustus 2011 aan [getuige 8] dat er twijfels bestonden over het huurcontract.34 Dat is nog drie maanden voor het gesprek op 15 november 2011.
- 205.
[getuige 8] en [betrokkene 1] hebben vanwege het (persoonlijk) belang van FGH ervoor gekozen dit gegeven niet te openbaren. Dit blijkt uit een verslag van een bespreking tussen [getuige 8] en [betrokkene 1] voorafgaand aan een lunch met cliënt.35 [getuige 8] en [betrokkene 1] hebben kennelijk gesproken over de onduidelijkheid omtrent de ondertekening van voornoemde huurovereenkomst en over de vraag of zij dit tijdens de aansluitende lunch zouden aankaarten. Zij hebben vervolgens besloten dit niet te doen, doch hier pas op terug te komen als zij de zekerheidspositie van de banken hadden geoptimaliseerd:
‘‘Heikel’ punt op dit moment blijft de onduidelijkheid inzake de ondertekening van het huurcontract door Lease Plan Corporation NV voor de aanhuur van de 20e tot en met 29e verdieping (7.220 m2 v.v.o., huursom i.6g6k perjaar) van het gebouw Carlton te Almere. In huurcontract staat dat huur ingaat op 1-10-2011 en is getekend door [procuratiehouder]. Deze naam komt niet voor in de KvK. (…) Voorstel van HB is om dit niet te doen en hier pas op terug te komen nadat wij onze (lees Rabo groep) zekerheidspositie hebben geoptimaliseerd door notariële borgtocht van [verdachte] ad 15 mln en hypotheek op Diana & Vesta ad 50 mln (op moment van hypotheekvestiging zal er ca 35/40 mln reeds door relatie geïnvesteerd zijn in dit pand en wij keren bij hypotheekvestiging niets uit).
Concrete afspraken
- —
PCK is het eens met advies HB en zo gaan we het doen.’
- 206.
[betrokkene 1] bevestigt dit tijdens zijn verhoor op 22 mei 2013 en bij de rechter-commissaris.
- 207.
[betrokkene 1] verklaart tijdens zijn verhoor op 22 mei 2013:
‘Als we het huurcontract zouden aankaarten en op dat moment zou blijken dat het huurcontract was vervalst, zou de deal rond Diana en Vesta niet door kunnen gaan. Ik wilde de deal voor Diana en Vesta eerst zeker stellen, omdat daardoor de positie van Rabo voor de account [bedrijf 1] zou verbeteren. Nadat de deal voor Diana en Vesta rond zou zijn, zou dan het huurcontract voor Carlton besproken kunnen worden.’3
- 208.
Hij stelt bij de rechtercommissaris:
‘Ik wilde de deal met Diana en Vesta doorlaten gaan. Ik had hier persoonlijk overigens geen enkel belang bij. Het was het belang van de bank en de relatie. Als relatiebeheerder hoor je een soort smeerolie te zijn tussen klant en bank. Het zou een win-win situatie zijn. Het wilde er bij mij ook niet in dat het contract vals zou zijn. Als zou blijken dat het contract vals was, zou de relatie met dhr. [verdachte] direct zijn beëindigd. Diana en Vesta vertegenwoordigde toen een waarde van €35 miljoen. Wij zouden aan [bedrijf 1] €17 miljoen uitkeren aan lening. Die zouden zij gelet op hun liquiditeitspositie goed kunnen gebruiken. En wij als bank zouden zekerheden hebben van het verschil tussen die 17 en 35 miljoen. Wij zouden dus een extra buffer hebben van €18 miljoen. (…) Wij gingen voor het realiseren van de zekerheden rond Diana en Vesta. Daarna zouden we gaan spreken met dhr. [verdachte].’
- 209.
[getuige 8] bevestigt dit bij de FIOD:
‘FGH Bank is toen bezig geweest met het veilig stellen van de zekerheden en om die reden zullen we besloten hebben dat er op dat moment niet met [verdachte] gesproken zou worden over het huurcontract van [bedrijf 1] met LeasePlan.’
- 210.
Bij de rechter-commissaris verklaart hij in gelijke zin.
- 211.
De verklaringen van [betrokkene 1] en [getuige 8] bevestigen (nog) niet dat [getuige 8] cliënt heeft verzocht om de huurovereenkomst op te stellen, maar wel dat [betrokkene 1] en [getuige 8] op een eerder moment op de hoogte waren van de onjuistheid van de huurovereenkomst. [betrokkene 1] en [getuige 8] vreesden echter dat de deal rond Diana & Vesta geen doorgang zou vinden als zij het vermoede onjuiste huurcontract zouden aankaarten. FGH heeft er toen bewust voor gekozen om geen onderzoek te doen. Evenmin werd de afdeling Compliance ingeschakeld. Door de vermoede onjuistheid niet aan te kaarten en geen nader onderzoek te verrichten heeft de FHG de onjuistheid op de koop toegenomen, dit vanwege het belang dat FGH bij de financieringen had.
- 212.
Dat vormt aanleiding de stelling van cliënt — dat de overeenkomsten zelfs op verzoek van de medewerkers van FGH tot stand zijn gekomen -te onderzoeken.
- 213.
Daar komt bij dat men binnen FGH Bank heel goed wist dat er bij Diana en Vesta bij oplevering betaald zou worden, maar dat dit verborgen is gehouden voor de moederbank Rabobank, die het krediet gezien de omvang ook goed moest keuren.
- 214.
Dit blijkt uit de side-letter bij het taxatierapport van de FGH bank, dat bij het kredietrapport hoorde. Dit taxatierapport bestaat uit 23 pagina's, maar daaraan is een pagina/bijlage d.d. 9 maart 2011 toegevoegd: ‘pagina 24 van 23’, zijnde een ‘side-letter’.41
- 215.
Uit deze side-letter blijkt dat onder meer de zin ‘Conform de concept aannemingsovereenkomst zal algehele betaling van de aanneemsom na oplevering plaats vinden;’ uit het taxatierapport is verwijderd. Op gelijke wijze werd de zin:
‘Relatie verzoekt om betaling van €35 mio in 3 termijnen van respectievelijk 15 (op 1 maart 2011), 10 (op Ijuli 2011) en 10 mio (op 1 december 2011)’
naar de side-letter verplaatst.
- 216.
De opstellers van het taxatierapport hebben op verzoek van relatiemanagement en de directie van FGH de (inhoudelijk juiste) passages verwijderd uit het taxatierapport, en deze in de side-letter geplaatst:
‘Relatiemanagement en directie FGH Bank heeft om hun moverende redenen verzocht enkele passages uit het taxatierapport aan te passen. Aangezien deze constateringen conform de ontvangen objectinformatie juist zijn, zijn deze als losse bijlage bij het taxatierapport gevoegd. ’42
- 217.
Er is niet ervoor gekozen om over deze passages navraag te doen bij de betreffende aannemer. Het taxatierapport is zonder de sideletter verzonden naar de Rabobank. Dat blijkt uit de verklaringen van [betrokkene 1].
- 218.
In zijn verklaring op 22 mei 2013 gaf hij aan:
‘De taxatieafdeling van FGH Bank, die dit rapport hebben opgesteld, wilde niet uitzoeken wie er gelijk had. Omdat zij het niet met mij eens waren, heeft de taxatieafdeling de opmerkingen in een sideletter geplaatst. Het aangepaste taxatierapport is volgens mij zonder de sideletter, pagina 24 van 23 naar de Kredietcommissie gegaan. (…) FGHBank heeft nooit naar de betaalbewijzen gevraagd.‘ Bij de rechter-commissaris bevestigt hij dit.’
- 219.
Daarnaast maakt het taxatierapport geen melding van de twijfel over de LeasePlan huurovereenkomst. Integendeel. [bedrijf 1] wordt omschreven als: ‘De projectorganisatie bestaat onder andere uit ontwikkelaar [bedrijf 1] B.V. te Deventer (…). Ontwikkelaar en aannemerzijn beide grote spelers op het gebied van commercieel onroerend goed en hebben een bewezen track record?’
- 220.
Deze gang van zaken past bij het gestelde belang bij de financiering van Diana en Vesta. Twijfels over de juistheid van het huurcontract in Carlton en de betalingsafspraken over de bouwsom werden stilgehouden, omdat die informatie zou kunnen leiden tot het verstrekken van minder krediet.
- 221.
Bij SNS zijn ook aanknopingspunten te vinden voor de verklaring van cliënt over het grote belang van de bank bij het verstrekken van financiering.
- 222.
In een memo Loohuis, goedgekeurd door Menkveld, over Martinez van 6 mei 2008 is te lezen (D-134):
‘Dit is een substantiële afwijking van het gefiatteerde stuk. Ik acht deze afwijkingen echter verantwoord omdat we te maken hebben met een uitstekende debiteur. Voorts betreft het een zeer goedproject, met een LTV van 47%, dat geheel is voor verhuurd aan WTCAlmere. Belangrijker echter vind ik het feit dat we het risico lopen een zeer goede klant te verliezen. [bedrijf 1] is een grote klant van SNSPF en zeker voor de regio noordoost Nederland zeer belangrijk. Mijn intuïtie zegt me dat als we onderhavige financiering niet kunnen verstrekken we ‘out of business’ zijn bij [bedrijf 1].’
- 223.
De banken hadden er aantoonbaar belang bij dat financieringen aan [bedrijf 1] doorgang vonden. Minstgenomen staat vast dat van eventuele onjuistheden bij financieringsaanvragen geen werk werd gemaakt, om te voorkomen dat [bedrijf 1] haar heil elders zou zoeken.
- 224.
De stelling van de Advocaat-Generaal dat uit het dossier zou blijken dat ‘de valsheid in geschrifte (…) niet fis] gepleegd op verzoek van welke bank waar [verdachte] leningen had lopen dan ook’ is daarom niet houdbaar. Dat geldt ook voor de stelling van de rechtbank dat (vonnis p. 7) ‘de rechtbank (…) in het dossier geen aanknopingspunten heeft gevonden voor de bewering dat [verdachte] sr de geschriften op verzoek van [getuige 8] heeft opgemaakt en dat [betrokkene 1] wist van de onjuistheden in de geschriften’. Die aanknopingspunten zijn er wel degelijk, in ieder geval in voldoende mate om hiernaar nader onderzoek te doen.
- 225.
Van belang voor de bewijsvraag en de vraag naar strafwaardigheid van de feiten inzake Vercors en inzake Kirishima is onderzoek in te stellen naar de totstandkoming van die stukken en naar de afwikkeling van het bekend worden van de onjuistheden erin. Daartoe dienen de volgende personen te worden gehoord.’
15) De heer [getuige 8], geboren [geboortedatum]-1953, gegevens bekend.
- 226.
[getuige 8] was van 1998 tot 2015 voorzitter van de statutaire directie van FGH, met als aandachtsgebied vastgoedfinanciering. Cliënt stelt dat hij binnen FGH de persoon was die hem om valse documenten verzocht, en dat hij een belangrijke rol speelde in de samenzwering tegen hem.
- 227.
Inzake Maruoka is [getuige 8] opnieuw bevraagd. Hem wordt een brief van Wessels aan Schat en hemzelf getoond (DOC-100).
- 228.
Daargelaten de vraag of Wessels deze brief aan Schat en [getuige 8] heeft geschreven, stelt [getuige 8] dat de inhoud verzonnen is (Maruoka, p. 1108), ook op punten die volgens cliënt wel degelijk juist zijn:
‘Ik zie bijvoorbeeld staan dat de fictieve afbouwgarantie (FGH) die [getuige 8] heeft opgesteld en Ger op verzoek van [getuige 8] heeft getekend, moet wel onderdeel blijven uitmaken van de aangifte. Dat is compleet onjuist, omdat ik nog nooit een contract heb opgesteld.’
- 229.
Als gezegd stelt cliënt dat [getuige 8] hem wel degelijk de afbouwgarantie heeft laten tekenen.
- 230.
Eveneens wenst de verdediging hem te bevragen over de relatie met Wessels. [getuige 8] stelt dat hij Wessels met enige regelmaat zag, maar dat hij niet klantinhoudelijk met Wessels over [bedrijf 1] sprak, en dat Wessels niet met hem heeft gesproken over een overname van [bedrijf 1] (Maruoka, p. 1105). Cliënt stelt echter dat juist Wessels en [getuige 8] twee spilfiguren waren binnen de samenzwering om [bedrijf 1] naar het faillissement te brengen.
(…)’
67.
Het hof heeft dit verzoek in zijn tussenarrest van 27 mei 2020 als volgt afgewezen:
‘De verzoeken 15 tot en met 23 zijn niet bij tijdig ingekomen appelschriftuur gedaan en dienen daarom aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium te worden beoordeeld.
Het hof stelt in dezen het volgende voorop. Voor de vraag of het faillissement van [bedrijf 1] voorzienbaar was en in hoeverre daar rekening mee moest worden gehouden, is in de eerste plaats de financiële situatie (iiquiditeitspositie) van het bedrijf doorslaggevend en niet de (veronderstelde) houding van de banken ten opzichte van verdachte en [bedrijf 1] of de reden van het doen van aangifte tegen [bedrijf 1].
Daarbij komt dat [getuige 9] (Rabobank), [getuige 10] (NIBC), [getuige 11] (NIBC), [getuige 12] (SNS), [getuige 13](SNS), [getuige 14] (SNS), [getuige 15] (ABN Amro/Fortis) en [getuige 16] (ABN Amro/Fortis) door of in opdracht van de rechter-commissaris al over dit onderwerp zijn gehoord.
Gelet op het voorgaande zijn de verzoeken naar het oordeel van het hof te algemeen — en daarom onvoldoende — onderbouwd. De noodzakelijkheid van het horen van de getuigen is niet gebleken. Om die reden zal het hof de verzoeken 15 tot en met 23 afwijzen.’
68.
Het getuigenverzoek is op 8 juni 2022 door de verdediging op dezelfde gronden herhaald, en door het hof op dezelfde gronden afgewezen — het bevond zich nu onder de afgewezen getuigenverzoeken onder 19 t/m 27.
69.
Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Aannemelijkheid standpunt verzoeker
70.
Verzoeker stelt voorop dat het hof het door de verdediging naar voren gebrachte standpunt omtrent de betrokkenheid c.q. het handelen van [getuige 8] bij zijn beslissing van 8 juni 2022 niet op voorhand onaannemelijk heeft bevonden.
71.
Het hof heeft in zijn arrest van 2 december 2022 wel het volgende geoordeeld (p. 14):
‘Verdachte heeft aangevoerd dat de banken op de hoogte waren van de vervalsingen en dat hem zelfs is gevraagd om bepaalde stukken aan te leveren zodat de financieringsaanvragen door de controle- of compliance-afdelingen van de banken zouden worden geaccepteerd. Naar het oordeel van het hof is echter niet aannemelijk geworden dat bankmedewerkers mee hebben gewerkt aan het vervalsen van deze documenten om krediet te kunnen verstrekken. Uit het dossier-Vercors blijkt wel dat alle banken vaste procedures en protocollen hebben om kredietaanvragen te beoordelen. Er zijn bijvoorbeeld verschillende medewerkers van de FGH Bank gehoord. Aan de hand van hun verklaringen is duidelijk dat bij het uitbrengen van een offerte aan [bedrijf 1] ten minste een relatiemanager, een kredietanalist, een closing manager, een compliance officer, directieleden en procuratiehouders waren betrokken.51 Her is ondenkbaar dat een bankmedewerker (en dan ook nog medewerkers bij verschillende banken) telkens weer in staal zou zijn al deze procedures te omzeilen. Mogelijk is er niet direct ingegrepen, nadat de eerste twijfel over de echtheid van (alle onderdelen van) de overgelegde stukken was gerezen. Maar dat wijst niet, zoals verdachte veronderstelt, op een instemming. Eén van de bankmedewerkers verklaarde dat hij aanvankelijk niet kon geloven dat er iets mis zou zijn met de overeenkomsten. Een andere medewerker verklaarde dat er eerst meer onderzoek moest plaatsvinden vóór je zo’n grote klant als verdachte en zijn [bedrijf 1]-groep kon beschuldigen van het indienen van valse stukken. Ook is verklaard dat er niet direct werd gereageerd om eerst de belangen van de bank door het verkrijgen van meer zekerheden veilig te stellen Wat de redenen van de bankmedewerkers ook zijn geweest om verdachte niet direct te confronteren, hij is zelf verantwoordelijk voor hei indienen van de valse of vervalste overeenkomsten zodat hij de kredieten zou verkrijgen die zo broodnodig waren om het bedrijf (langer) overeind te houden. Het hof verwerpt het verweer.
Ten overvloede merkt het hof het volgende op. Bankmedewerkers zijn bij het verlenen van krediet gebonden aan interne richtlijnen van de bank die strenger zijn naarmate het te verlenen krediet groter is. Dat geldt zelfs voor bestuurders van een bank. Dat brengt met zich dat met name bij grotere kredieten meerdere personen/instanties/afdelingen hun goedkeuring of advies dienen te geven. Dat betekent dat de bank als rechtspersoon wel degelijk kan worden misleid indien aan de kredietverlening valse bescheiden ten grondslag liggen, zelfs als een enkele medewerker van de bank op de hoogte zou zijn van die misleiding. In de bewezen verklaarde gevallen kan op grond van de aangiftes worden vastgesteld dat de overgelegde valse bescheiden van wezenlijk belang waren voor de kredietaanvragen.’
(onderstreping JK en DS)
72.
Dit oordeel slaat de plank, in ieder geval met betrekking tot [getuige 8], in de optiek van verzoeker evenwel mis. De stelling dat ‘niet aannemelijk geworden is dat bankmedewerkers mee hebben gewerkt aan het vervalsen van deze documenten om krediet te kunnen verstrekken’, terwijl het hof het verzoek om een getuige waarvan is gesteld dat deze rechtstreeks bij de totstandkoming van de valse stukken betrokken is geweest afwijst, is immers onbegrijpelijk.
73.
Het hof staat in deze overweging verder niet specifiek stil bij getuige [getuige 8]. De overwegingen van het hof blijven steken in algemeenheden. Daartegenover staat een concreet, indringend en stevig onderbouwd getuigenverzoek.
74.
Kortom; op voorhand wordt geconstateerd dat gelet op de uitvoerige onderbouwing van dit getuigenverzoek, dit algemene, latere oordeel van het hof niet aan (het belang bij) het slagen van deze klacht in de weg kan staan.
75.
Met een andere opvatting zou bovendien op onaanvaardbare wijze vooruitgelopen worden op hetgeen [getuige 8] als getuige zou kunnen verklaren.
Afwijzing getuigenverzoek
76.
De afwijzing van het getuigenverzoek berust in de kern op de gronden dat:
- a)
voor de vraag of het faillissement van [bedrijf 1] voorzienbaar was en in hoeverre daar rekening mee moest worden gehouden, in de eerste plaats de financiële situatie (liquiditeitspositie) van het bedrijf doorslaggevend is en niet de (veronderstelde) houding van de banken ten opzichte van verdachte en [bedrijf 1] of de reden van het doen van aangifte tegen [bedrijf 1], en;
- b)
(nu er al een aantal mensen over dit thema gehoord is) de verzoeken naar het oordeel van het hof te algemeen — en daarom onvoldoende — onderbouwd zijn.
Getuigenverzoek gericht op dossier vercors
77.
Het verzoek om [getuige 8] als getuige te horen heeft ten eerste betrekking op de in de zaak Vercors tenlastegelegde vier valsheden. Dat stelt de verdediging met zoveel woorden onder randnummer 192, waarna bovendien het juridisch kader van art. 225 Sr uiteengezet wordt en wordt uitgelegd waarom het horen van [getuige 8] van belang is/kan zijn voor de bewijsvraag. Daarover hierna meer.
78.
Argument a) van het hof ter afwijzing van het getuigenverzoek heeft hierop geen betrekking, doch heeft veeleer betrekking op het (ontbreken van) de noodzaak om [getuige 8] met betrekking tot de voorzienbaarheid van het faillissement te horen (Kirishima). Het oordeel van het hof daaromtrent wordt in cassatie niet bestreden; wel wordt geconstateerd dat het oordeel van het hof in zoverre geen begrijpelijke reden voor de afwijzing van het getuigenverzoek behelst.
79.
Het oordeel van het hof onder b) is evenmin van toepassing op het verzoek [getuige 8] als getuige te horen; waar verzoeker in cassatie niet opkomt tegen het oordeel van het hof voor zover dit betrekking heeft op de overige verzochte getuigen — [getuige 30], [getuige 31], [getuige 35], [getuige 44], Oranje, Dulack en Poelenij — kan ten aanzien van [getuige 8] niet gesteld worden dat dit verzoek ‘te algemeen’ of ‘onvoldoende’ onderbouwd is. Een blik op het pleidooi van de verdediging leert dat de betrokkenheid van [getuige 8] juist uitvoerig is onderbouwd. Die onderbouwing komt er in de kern op neer dat [getuige 8] bevraagd dient te worden over de standpunten van verzoeker dat a) [getuige 8] binnen FGH de persoon was die verzoeker om valse documenten verzocht, b) [getuige 8] een belangrijke rol speelde in de samenzwering tegen verzoeker, c) [getuige 8] verzoeker op 15 november 2011 in een gesprek met de FGH en de Rabobank van tevoren heeft gesouffleerd wat te zeggen, terwijl d) de banken c.q. [getuige 8] er belang bij had(den) dat financieringen aan [bedrijf 1] doorgang vonden (er was bij FGH Bank wetenschap dat er bij Diana en Vesta bij oplevering betaald zou worden, hetgeen verborgen is gehouden voor de moederbank Rabobank, die het krediet gezien de omvang ook goed moest keuren, en terwijl ten slotte e) [getuige 8] naar verzoeker meent ten onrechte stelt dat hij Wessels ‘met enige regelmaat zag’ en niet klantinhoudelijk met Wessels over [bedrijf 1] sprak en niet met hem heeft gesproken over een overname van [bedrijf 1]; verzoeker stelt dat Wessels en [getuige 8] twee spilfiguren waren binnen de samenzwering om [bedrijf 1] naar het faillissement te brengen.
80.
Reeds om deze redenen heeft het hof het verzoek van de verdediging om [getuige 8] als getuige te (doen) horen afgewezen op onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden. Na vernietiging en terug- of verwijzing dient het hof te onderzoeken of het horen van [getuige 8] met betrekking tot het dossier Vercors noodzakelijk is / kan zijn voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing.
81.
Volledigheidshalve wordt stilgestaan bij hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht over het belang van de verklaring van [getuige 8] over de art. (348 en) 350 Sv-vragen.
81.1.
Zij heeft aangevoerd dat voor vervalsing of valselijk opmaken in de zin van het eerste lid van art. 225 Sr, vereist is dat een geschrift is vervalst ‘met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken’. Dit oogmerk is in de Memorie van toelichting bij artikel 225 Sr en in de jurisprudentie uitgelegd als ‘misleiding van derden’, aldus de verdediging. Een citaat:
- ‘194.
Zie bijvoorbeeld Tweede Kamer, 1988–1989, 21 186, nr. 3, blz. 11:
‘Naast het opzet, gericht op het valselijk opmaken of vervalsen, is het bijkomend oogmerk vereist om het stuk als echt en onvervalst te gebruiken. Oogmerk houdt opzet met een bedoeling in. In het licht van de hierna nog aan de orde komende jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de betekenis van het woord «gebruik maakt» in het tweede lid van artikel 225 Sr moet aan dit oogmerk de eis worden gesteld dat het betrekking heeft op gebruik ter misleiding van derden’’
(onderstreping mr. Van Zijl)
Verzoeker heeft verklaard dat de aannemingsovereenkomst en de afbouwgarantie inzake Vercors ‘niet alleen met voorafgaand medeweten, maar zelfs op verzoek van de FGH en de SNS bank zijn opgemaakt’, zo is gesteld.
81.2.
In dat verband is benadrukt dat uit het dossier niet blijkt dat de onjuiste documenten niet op verzoek van de banken zijn opgemaakt:
‘Integendeel. Het dossier geeft aanleiding te denken dat dat de banken wel degelijk belang hadden bij de documenten en van de onjuistheden op de hoogte waren. 199. Vast staat immers dat [getuige 8] en [betrokkene 1] al maanden vóór 15 november 2011 wisten dat de huurovereenkomst met Lease Plan Corporation niet correct was, maar besloten personen binnen FGH en Rabobank daarvan onwetend te houden. Dit lijkt te zijn ingegeven door hun drang om financieringen af te sluiten en omdat het afketsen van Carlton ook de herfinanciering van Diana en Vesta in gevaar zou brengen… 200. [betrokkene 1] heeft in eerste aanleg meermaals verklaard dat hij al in april of mei 2011 twijfels had over de rechtsgeldigheid van de ondertekening van het huurcontract. (…) [JK en DS: nader onderbouwd met citaten]’
81.3.
Ook is benadrukt (onder 211 e.v.) dat de verklaringen van [betrokkene 1] en [getuige 8] (nog) niet bevestigen dat [getuige 8] verzoeker heeft verzocht om de huurovereenkomst op te stellen, maar wel dat [betrokkene 1] en [getuige 8] op een eerder moment op de hoogte waren van de onjuistheid van de huurovereenkomst. De verdediging stelt dat [betrokkene 1] en [getuige 8] vreesden dat de deal rond Diana en Vesta geen doorgang zou vinden als zij het vermoede onjuiste huurcontract zouden aankaarten. Hierop is geen onderzoek verricht, en is evenmin de compliance-afdeling ingeschakeld. Dit en meer (zie het volledige citaat aan het begin van deze deelklacht), zou volgens de verdediging aanleiding moeten zijn om de stelling van verzoeker — dat de overeenkomsten zelfs op verzoek van de medewerkers van FGH tot stand zijn gekomen — te onderzoeken.
82.
Een opmerking tot besluit; bij de beoordeling van dit getuigenverzoek stond de vraag centraal of er voldoende aanknopingspunten waren c.q. of voor het hof de noodzaak was gebleken om [getuige 8] — die naar verzoeker stelt een directe en grote rol heeft gehad met betrekking tot de valsheid — als getuige te horen. In het oordeel van het hof blijft in het midden waarom het horen van [getuige 8] anders dan de verdediging stelt niet relevant zou zijn voor de beoordeling van de aan verzoeker tenlastegelegde valsheid. Daarmee blijft de facto in het midden waarom dit getuigenverzoek is afgewezen.
83.
Mitsdien lijdt het arrest aan nietigheid.
Deelklacht 4: afwijzing getuigenverzoeken van de heren [getuige 32 en getuige 33]
84.
Door de verdediging is op de zitting van 13 mei 2020 verzocht om de heren [getuige 32] en [getuige 33] als getuigen te horen (getuigen 32 en 33). Hiertoe is het volgende aangevoerd:
- 312.
In de opgave van de onderzoekswensen van 9 april 2020 zijn de heren [paardenhandelaar 1] en [paardenhandelaar 2] opgegeven als getuigen, maar gelet op hetgeen waarover de verdediging hen wenst te bevragen, moet een benoeming als deskundige ex art. 51i Sv juridisch zuiverder worden geacht. Zij waren weliswaar bekend met de Stal, maar worden verzocht te verklaren vanuit hun algemene expertise over de taxatie van paarden, de paardensport etc.
- 313.
Cliënt is inzake Kirishima door de rechtbank veroordeeld voor het onder feit 1 onder A primair tenlastegelegde: bedrieglijke bankbreuk met betrekking tot de rechtshandelingen die zagen op de overdracht van de stal van [befrijf 1] naar [bedrijf 3] BV, het bedrijf van de zoon van cliënt. Daarnaast is hij inzake Kirishima veroordeeld voor feit 3 onder b: bedrieglijke bankbreuk binnen zijn privéfaillissement met betrekking tot de aankoop van het paard [paard 1], en voor feit 3 onder c: bedrieglijke bankbreuk binnen zijn privéfaillissement met betrekking tot de sponsoring van [bedrijf 3].
- 314.
Voor de beoordeling van feit 1A. wenst de verdediging nader te (doen) onderzoeken of de stal een serieuze en levensvatbare onderneming vormde, en of de waardebepaling van de paarden juist is geweest.
- 315.
Over de stal heeft de rechtbank geoordeeld dat (vonnis p. 25) ‘de Stal niet een serieus te nemen onderneming vormde, maar slechts diende als rechtspersoonlijk vehikel waarin een grootschalige liefhebberij van de familie [verdachte] was ondergebracht en waarbij het zakelijk belang ruimschoots ondergeschikt was aan de hobby. Voor een badwill verrekening is in zo'n constructie geen plaats. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen redelijke grondslag voor een waardering van de aandelen going concern.’
- 316.
De rechtbank motiveert dit als volgt (p. 25):
‘De Stal maakte als branchevreemd element tot 1 december 2011 deel uit van de [bedrijf 1]-groep. In deze periode heeft de Stal een schuld opgebouwd bij [bedrijf 1] BV voor het zeer aanzienlijke bedrag van E 38.250.000,--. De Stal leed structureel miljoenen verlies per jaar. Niet is gebleken dat ten tijde van de overdracht een gedegen, of ten minste onderbouwd, plan bestond waarmee de Stal zou kunnen worden omgevormd tot een winstgevende onderneming.’
- 317.
De verdediging wenst beide getuigen [getuige 32 en getuige 33] te bevragen over deze omstandigheden. Dat de stal structureel verlieslatend was, staat niet ter discussie. Wel staat ter discussie of [medeverdachte 1] jr. een gedegen plan had om de stal om te vormen tot een winstgevende onderneming. Cliënt stelt dat zijn zoon serieuze zakelijke plannen had met de stal, en dat de stal wel degelijk een serieuze onderneming was die — met de juiste bedrijfsvoering — zelfstandig levensvatbaar was.
- 318.
De stal en met name de internationale wedstrijduitstraling daarvan werd namelijk ingezet voor de promotionele activiteiten van het vastgoedbedrijf. Zo werden klanten en relaties meegenomen naar wedstrijden en vonden er op de stal bijeenkomsten met relaties plaats in aanwezigheid van beroemde paarden en ruiters.
- 319.
Dat in combinatie met het feit dat [medeverdachte 1] jr. de bedrijfsvoering wilde veranderen maakte de stal een serieus te nemen onderneming, die going concern kon worden overgedragen, waarbij voor de waarde van de aandelen niet alleen de waarde van de activa, maar ook de bedrijfsresultaten een rol speelden. De jaarlijks terugkerende verliezen moesten worden meegewogen bij de overdracht omdat [medeverdachte 1] jr. niet slechts eigenaar werd van de stal en de paarden, maar ook verantwoordelijk voor de lopende kosten en verplichtingen.
- 320.
Beide getuigen [getuige 32 en getuige 33] hebben jarenlang in de stal gewerkt. Zij kunnen worden bevraagd over de bedrijfsvoering binnen de stal, de levensvatbaarheid van de onderneming en over de plannen van [medeverdachte 1] jr. Ook kunnen zij verklaren over wijzigingen in de bedrijfsvoering na de overname door de zoon van cliënt. Dat is direct van belang voor de vraag of de waarderingsgrondslag van de stal juist was — of er een lopend bedrijf werd overgedragen of een aantal losse activa. Dat is immers relevant voor de beoordeling van het (zakelijk) karakter van de rechtshandelingen op 1 december 2011.
- 321.
Vervolgens oordeelde de rechtbank dat de paarden van de stal te laag zijn gelaxeerd. In dat kader wordt waarde gehecht aan het verschil tussen de latere opbrengst van de paarden en de taxatie. In eerste aanleg is echter betoogd dat de prijzen van paarden buitengewoon snel kunnen stijgen, en in feite afhankelijk zijn van de waan van de dag.
- 322.
De rechtbank gaat hieraan voorbij (vonnis p. 26):
‘De rechtbank acht het grote verschil tussen opbrengst en taxatiewaarde evenwel niet louter verklaarbaar uit waardevermeerdering na peildatum.’
- 323.
Bij de beoordeling van feit 3(b). inzake Kirishima stelt de rechtbank dat de betaling van € 600.000,- door cliënt aan [bedrijf 3] niet is gebaseerd op een koopovereenkomst van het paard [paard 1]. Dit mede omdat (vonnis p. 39) ‘[h]et aankoopbedrag ad € 600.000,- voor [paard 1] dat vader en zoon [verdachte en zoon van verdachte] zijn overeengekomen (…) significant af[wijkt] van de door taxateur [betrokkene 4] per 1 november 2011 vastgestelde waarde.’
- 324.
De rechtbank oordeelt zelfs (vonnis p. 26) ‘dat de taxaties (deels) op basis van onvolledige en/of onjuiste informatie, verstrekt door of namens de opdrachtgever, tot stand zijn gekomen.’
- 325.
Vonnis p. 27:
‘Anders dan de verdediging acht de rechtbank daarbij ook informatie van na de peildatum van belang, zeker in die gevallen waarin de paarden in een tijdsbestek van enkele maanden na de peildatum voor aanzienlijk hogere bedragen zijn verkocht.’
- 326.
Die benadering is echter onjuist.
- 327.
Omdat de waarde van paarden zo sterk kan fluctueren, zou het onzuiver zijn om informatie te verstrekken die betrekking heeft op de periode na de peildatum. Die taxateur wordt daardoor immers onmiskenbaar beïnvloed, terwijl die informatie feitelijk irrelevant is.
- 328.
Ook daarover — de uitgangspunten bij deze taxatie van paarden — kunnen de gebroeders [getuige 32 en getuige 33] vragen worden gesteld.
85.
Het hof heeft deze getuigenverzoeken afgewezen en hiertoe op 27 mei 2020 het volgende overwogen (p. 8):
‘Verzoek 32 is bij tijdige appelschriftuur gedaan en zal daarom aan de hand van het verdedigingsbelang worden beoordeeld. Verzoek 33 is niet bij tijdige appelschriftuur gedaan, zodat daarop het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. Voor de verzoeken c en d geldt eveneens het noodzakelijkheidscriterium.
Ten aanzien van de verzoeken 32 en 33 merkt het hof op dat de waarde van een bedrijf zo hoog is als de hoogste van de directe en de indirecte opbrengstwaarde. Daarbij is de indirecte opbrengstwaarde de ‘going concern’-waarde en de directe opbrengstwaarde de liquidatiewaarde. Uit punt 319 van de pleitnota blijkt dat de verzoeken zijn gebaseerd op de (onjuiste) aanname dat de waarde van de stal (uitsluitend) wordt bepaald door de ‘going concern’-waarde. Daarmee is het horen van getuige 32 niet relevant voor enige in de strafzaak rechtens te nemen beslissing en ontvalt de noodzaak tot het horen van getuige 33. Het hof zal daarom deze verzoeken afwijzen.’
86.
Op de zitting van 8 juni 2022 zijn deze getuigenverzoeken herhaald. Hierbij zijn geen nieuwe argumenten aangedragen. Ook het oordeel van het hof is onveranderd gebleven, met dien verstande dat nu ook ten aanzien van getuigenverzoek 32 — in het oordeel van het hof van 8 juni 2022 zijn dit overigens getuigenverzoeken 33 en 34 — het noodzakelijkheidscriterium gold. Over beide beslissingen van het hof wordt geklaagd.
87.
Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk.
88.
Voor zover uit punt 319 van de pleitnota inderdaad volgt dat de verdediging ten onrechte de waarde van een bedrijf enkel heeft gestoeld op de ‘going concern-waarde’, is onduidelijk waarom dit de getuigenverzoeken voor de 348–350 Sv-vragen zinledig maakt. Integendeel, zou verzoeker willen zeggen.
89.
In de getuigenverzoeken van de verdediging komt tot uitdrukking dat:
- —
de stal een serieuze onderneming was die met de juiste bedrijfsvoering levensvatbaar was;
- —
de stal en met name de internationale wedstrijduitstraling ervan werden ingezet voor promotionele activiteiten;
- —
[medeverdachte 1] jr. de bedrijfsvoering wilde veranderen;
- —
hetgeen bij elkaar de stal een serieus te nemen onderneming maakte, die going concern kon worden overgedragen, waarbij voor de waarde van de aandelen niet alleen de waarde van de activa, maar ook de bedrijfsresultaten een rol speelden.
90.
Het hof heeft zelf geoordeeld dat de waarde van een bedrijf zo hoog is als de hoogste van de directe en de indirecte opbrengstwaarde, waarbij de indirecte opbrengstwaarde de ‘going concern’-waarde en de directe opbrengstwaarde de liquidatiewaarde is. Wanneer de ‘going concern-waarde’ hoger zou zijn dan de liquidatiewaarde — hetgeen de verdediging welbeschouwd heeft betoogd, en hetgeen ook voorshands niet onaannemelijk is — snijdt het pleidooi van de verdediging dus ‘gewoon’ hout.
91.
Redenen waarom het andersluidende oordeel van het hof onbegrijpelijk is.
Deelklacht 5: afwijzing nader onderzoek liquiditeitsprognose, en/of afwijzing verzoek tot horen van getuige 4) [getuige 20], 5) anderen binnen [bedrijf 5] die waren betrokken bij het opstellen van de liquiditeitsprognose, en 6) [getuige 19], en/of afwijzing verzoek tot i. toevoeging van administratie die ten grondslag lag aan de liquiditeitsprognose.
92.
Bij bericht van 10 februari 2022 heeft mr. Van Zijl verzocht tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting in de zaak tegen verzoeker. Verzocht is om noodzakelijk onderzoek te verrichten naar twee cruciale documenten die betrekking hebben op de financiële situatie van de bedrijven van [bedrijf 1]. Dat onderzoek bestaat uit (onder 4–5 en onder 104–105):
- a.
toevoeging aan het dossier van:
- i.
de liquiditeitsprognose waarnaar in D-229 en D-569 wordt verwezen;
- ii.
de administratie die ten grondslag lag aan deze liquiditeitsprognose;
- iii.
de administratie die ten grondslag lag aan D-175;
- b.
het horen van de volgende getuigen:
- i.
de heer [getuige 20];
- ii.
de heer [adviseur];
- iii.
de opsteller van de liquiditeitsprognose waarnaar in D-229 en D-569 wordt verwezen;
- iv.
de heer [curator 1];
- v.
de heer [curator 2];
- vi.
de heer [curator 3];
- vii.
de opsteller van de ‘conceptjaarcijfers’ van D-175.
93.
Uit het bericht volgt voorts, samengevat, het volgende:
- —
Uit de bewijsoverwegingen en de bewijsmiddelen blijkt dat de conclusies van de rechtbank over de gevolgen van de vastgoedcrisis voor de [bedrijf 1]-groep in beslissende mate steunen op twee documenten die niet zijn getoetst (onder 12);
- —
Dit betreft ten eerste een ‘conceptjaarrekening’ over 2011, gemaakt door De Jong & Laan, waarnaar in failissementsverslagen wordt verwezen. Er lijkt volgens de verdediging te worden verwezen naar document D-175: ‘een document van twee pagina's waaruit blijkt dat het vastgoed voor een enorm bedrag is afgewaardeerd, van € 769,7 mio ultimo 2010 naar € 539 mio ultimo 2011.’ (onder 21). Deze conceptjaarrekening blijft in deze klacht verder onbesproken, nu het hof hierop, alsmede op hierop gebaseerde stukken (bv. het faillissementsverslag van 6 juni 2013, niet tot het bewijs gebruikt.
- —
Verder betreft dit een liquiditeitsprognose van accountantskantoor [bedrijf 5] van 8 september 2011, terwijl die liquiditeitsprognose van de accountant niet als zodanig als bewijsmiddel is opgenomen, en voor zover bekend (destijds) ook niet aan het dossier was toegevoegd, terwijl bovendien [getuige 20] noch [adviseur] — medewerkers van [bedrijf 5] — hierover zijn bevraagd (onder 17–18);
- —
De verdediging stelt dat er veel onbeantwoorde vragen zijn, bijvoorbeeld wie het document heeft opgesteld, en op basis van welke gegevens? (onder 32–33) De stelling dat de accountant van [bedrijf 1] een liquiditeitsprognose heeft gemaakt, leidt naar de heren [adviseur] en [getuige 20]. Aldus kunnen die worden bevraagd over het document of over wie het heeft opgesteld, en naar de administratie van [bedrijf 5] die inmiddels bij de curator van [bedrijf 5] ligt. ‘als duidelijk is wie het document heeft opgesteld dan kunnen de onbeantwoorde vragen aan die persoon worden gesteld’, aldus de verdediging (steeds onder 34).
- —
Er is op gewezen dat andere stukken de vragen over deze twee ‘cruciale financiële stukken’ onverlet laten, aangezien zowel in het vonnis van de rechtbank als in die andere stukken zelf op deze twee stukken wordt teruggegrepen (nader gespecificeerd, zie onder 36–41, mede onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland en het Hof Arnhem-Leeuwarden);
- —
Separaat is uitgelicht dat het ‘Independent Business Review’ van E&Y — project Honda — geen antwoord biedt op de vragen over D-175 en de liquiditeitsprognose (onder 67).
94.
Bij emailbericht van 31 maart 2022 is een nieuw verzoek tot heropening gedaan. Aanleiding voor deze aanvulling is dat in een schrijven van 11 maart 2022 een van de curatoren van [bedrijf 1], mr. [curator 2], heeft gesteld dat a) de curatoren van [bedrijf 1] zelf de balans- en winst en verliesrekening over 2011 hebben opgesteld, en niet de Jong & Laan en b) bij deze waardering van activa en vermogen eind 2011 rekening is gehouden met het faillissement in 2012.
95.
Dit leidt volgens de verdediging tot twee conclusies, namelijk (onder 6 en 7):
- —
de curatoren hebben onjuiste informatie verstrekt. Onder meer in de faillissementsverslagen van [bedrijf 1] (door de rechtbank gebruikt als bewijsmiddel 5.) staat onjuist vermeld dat de conceptjaarrekening is opgesteld door een externe accountant. Ook heeft de heer [curator 3] in het onderzoek Kirishima hierover onjuist verklaard bij de rechter-commissaris, en;
- —
de bewijsconstructie van de rechtbank houdt geen stand. Het bewijs van de voorzienbaarheid van het faillissement wordt hiermee immers gebaseerd op het faillissement zelf. De cijfers waarop de rechtbank die voorzienbaarheid baseert, waren geen going concern cijfers, maai cijfers waarin het faillissement en de siloconstructie waren betrokken.
De nieuwe standpunten van de verdediging d.d. 31 maart 2022 hebben vooral betrekking op de conceptjaarrekening en worden hier verder niet toegelicht.
96.
Op 31 maart 2022 heeft de verdediging concluderend het volgende gesteld:
Conclusie
45.
Geconcludeerd moet worden dat er veel onduidelijk is over een in de strafprocedure cruciaal document. Die onduidelijkheid kan niet worden gerijmd met de grote betekenis die aan het document is toegekend in de bewijsvoering van de rechtbank en in het FIOD-dossier.
46.
Dat klemt temeer nu het tweede document waar de rechtbank zich op baseert – de liquiditeitsprognose van 8 september 2011 – niet aan het dossier is toegevoegd. Voor een toelichting daarop zij verwezen naar het verzoek van 10 februari 2022, § 9 t/m 18.
47.
Voor die liquiditeitsprognose gelden vergelijkbare vragen. Wie heeft het document opgesteld, en op basis van welke gegevens?
48.
Het enige aanknopingspunt voor de beantwoording van deze vragen is de stelling dat de accountant van EC een liquiditeitsprognose heeft gemaakt. Die informatie leidt naar de heren [adviseur] en [getuige 20], die kunnen worden bevraagd over het document of over wie het heeft opgesteld, en naar de administratie van [bedrijf 5] die inmiddels bij de curator van [bedrijf 5] ligt. Als duidelijk is wie de liquiditeitsprognose heeft opgesteld dan kunnen de onbeantwoorde vragen aan die personen worden gesteld.
49.
Het is noodzakelijk duidelijkheid te verkrijgen over de basis van beide stukken, omdat deze in de bewijsvoering van de rechtbank, maar ook in het dossier een cruciale rol spelen. De door de rechtbank en door de curatoren genoemde afwaardering is immers gebaseerd op de conceptjaarrekening 2011.
50.
Voor een zorgvuldige beoordeling van de bewijsvraag is daarom toevoeging aan het dossier noodzakelijk van:
- i.
de liquiditeitsprognose waarnaar in D-229 en D-569 wordt verwezen;
- ii.
de administratie die ten grondslag lag aan deze liquiditeitsprognose;
- iii.
de administratie die ten grondslag lag aan D-175.
51.
Daarnaast is noodzakelijk de getuigen te horen die bij deze stukken betrokken waren:
- i.
de heer [getuige 20];
- ii.
de heer [adviseur];
- iii.
de opsteller van de liquiditeitsprognose waarnaar in D-229 en D-569 wordt verwezen;
- iv.
de heer [curator 1];
- v.
de heer [curator 2];
- vi.
de heer [curator 3];
- vii.
de opsteller van de conceptjaarrekening over 2011 (al dan niet zijnde D-175).
52.
Tevens zal op die regiezitting worden verzocht om op voet van art. 315 jo. 415 Sv (nader) noodzakelijk onderzoek te verrichten naar de aankoop in privé door cliënt van aandelen in Fortis, Aegon en ING. Dat onderzoek bestaat uit het horen van de volgende getuigen:
- viii.
de heer [getuige 5]; voormalig bestuursvoorzitter Fortis;
- ix.
de heer [getuige 6]; voormalig bestuursvoorzitter ING.
53.
Voor een toelichting op deze verzoeken wordt verwezen naar het verzoek van 10 februari 2022 § 106 t/m 127.
Besluit
54.
Dit onderzoek is noodzakelijk voor een zorgvuldige beoordeling van de bewijsvraag van de feiten op de Kirishima-tenlastelegging. Verzocht wordt dan ook zo spoedig mogelijk een regiezitting te plannen.
55.
Ik denk u bij voorbaat voor de aan dit bericht te besteden tijd en aandacht en wacht uw reactie graag af.
97.
Bij pleidooi van 8 juni 2022 is in het verlengde hiervan c.q. in aanvulling hierop onder meer het volgende aangevoerd:
Ad liquiditeitsprognose (onder 2.2)
- —
(onder 19) Verzoeker geeft aan dat dit liquiditeitsoverzicht is gemaakt om Steensma ervan te weerhouden om beslag te leggen en daarom een zeer sombere interpretatie geeft van de werkelijkheid. Eventuele verkopen zijn in het geheel niet meegenomen in de prognose. Dat blijkt ook uit het document zelf, aldus de verdediging;
- —
(onder 20–22) Verzoeker stelt dat er in de betreffende periode een aantal verkopen in de afrondende fase waren, te weten:
- a.
Arnhem kantoor Carmel. Koopsom C 13,5 mio. Inkoop €9 mio. Winst € 4,5 mio.
- b.
Arnhem kantoor Eusebiusveste. Koopsom € 14 mio. Inkoop € 9 mio. Winst € 5 mio.
- c.
Deventer kantoor Hercules. Koopsom € 13,75 mio. Inkoop € 9 mio. Winst €4,75 mio.
- d.
Arnhem GelreDome. Koopsom C 48 mio. Inkoop € 18,5 mio. Winst €29,5 mio.
- e.
Onderhandelingen Arab Investment Fund. Verschillende panden.
Het niet betrekken van de verwachte verkopen zorgde dus voor een zeer negatief beeld van de liquiditeit, aldus de verdediging;
- —
(onder 23) Noch [getuige 20] noch andere medewerkers van [bedrijf 5] zijn over deze liquiditeitsprognose bevraagd. Ook [getuige 19] is hierover niet bevraagd.
- —
(onder 24) Over deze liquiditeitsprognose dient duidelijkheid te komen voordat deze als bewijsmiddel zou kunnen worden gebruikt. ‘Wie van [bedrijf 5] heeft het document opgesteld? Op basis van welke gegevens is het opgesteld? Met welk doel is het opgesteld? Is de verklaring van cliënt op dit punt juist?’, aldus de verdediging;
- —
(onder 25) Als de verklaring van verzoeker over deze prognose niet zonder meer wordt aangenomen, dient er onderzoek naar te worden gedaan. [getuige 20] en [getuige 19] kunnen hierover worden bevraagd;
- —
Naar blijkt uit p. 70 van dit pleidooi is verzocht om het horen van 4) de heer [getuige 20], geboren [geboortedatum] 1956, gegevens bekend; 5) anderen binnen [bedrijf 5] die waren betrokken bij het opstellen van de liquiditeitsprognose; 6) de heer [getuige 19], geboren [geboortedatum] 1953, gegevens bekend, en is (kennelijk) afgezien van het verzoek tot het horen van [adviseur].
98.
Het hof heeft de verzoeken afgewezen en hiertoe het volgende overwogen:
‘Aanvullende verzoeken
De aanvullende verzoeken zijn neergelegd en toegelicht in brieven van de verdediging van 10 februari en 31 maart 2022 en heden ter zitting gedaan. De verzoeken strekken er — in hoofdlijnen — toe meer duidelijkheid te krijgen over de totstandkoming van de conceptjaarrekening 2011 (al dan niet D-175) en de in de stukken genoemde liquiditeitsprognose van 8 september 2011. Naar dit laatste stuk wordt in de documenten D-229 en D569 verwezen, doch de liquiditeitsprognose is pas onlangs aan de stukken toegevoegd.
Nader onderzoek naar de totstandkoming en de onderliggende administratie van de conceptjaarrekening 2011 acht het hof niet van belang. Het dossier bevat voldoende informatie om een goed beeld te krijgen van de financiële situatie van [bedrijf 4] en de met haar verbonden bedrijven.
Weliswaar is de liquiditeitsprognose recent aan het dossier toegevoegd, maar de herkomst en een deel van de inhoud blijkt al uit het dossier. Zo blijkt uit D-229 (een memo van de curator van [befrijf 1]) dat het stuk afkomstig is van [bedrijf 5] (het accountantskantoor van [bedrijf 1]) en zou daar in staan dar de liquide middelen die op dat moment nog 25 min bedragen eind april 2012 verdwenen zullen zijn en er per juli 2012 een tekort van 9.3 miljoen wordt voorzien. Ook maakt de curator een aantal opmerkingen over zaken die nog niet in die prognose meegenomen zijn, dan wel uiteindelijk geen doorgang hebben gevonden Soortgelijke opmerkingen slaan in D-569 (faillissementsverslag nr 9).
Uit de nu aan het dossier toegevoegde informatie blijkt dat de liquiditeitsprognose op 8 september 2011 door [bedrijf 5] accountants (dhr. [getuige 20]) is toegezonden aan de directie van [befrijf 1] met de volgende opmerking: ‘De liquiditeitsplanning is door ons in samenspraak met [getuige 19] vervaardigd op basis van de dooi u aangeleverde gegevens en uitgangspunten’.
De liquiditeitsprognose is geen aanleiding nader onderzoek te verrichten. De verdediging is daardoor met in haar belangen geschaad. De strekking van de prognose was bekend, de herkomst was bekend (de eigen accountant van [befrijf 1]) en blijkt samengesteld op basis van door [befrijf 1] verstrekte gegevens. Ook dat laatste is geen verrassing, evenmin als de betrokkenheid van getuige [getuige 19], die in die tijd [befrijf 1] adviseerde. Gevoegd bij het feit dat juist de liquiditeitspositie van belang is bij de beoordeling van een faillissementsaanvraag kan de conclusie niet anders zijn dat de liquiditeitsprognose geen aanleiding is de verzoeken toe te wijzen. Daarbij komt nog dat de verdediging de mogelijkheid om getuigen te bevragen over de liquiditeitspositie en de door [bedrijf 5] accountants opgestelde prognose heeft gehad. De onder 4 en 6 genoemde getuigen zijn in eerste aanleg bij de rechtercommissaris zijn gehoord, [sic] De stelling van de verdediging dat de prognose bewust te negatief is opgesteld om Steensma te weerhouden van beslaglegging acht het hof zonder nadere onderbouwing niet op voorhand plausibel en vormt geen reden de onderzoekswensen anders te beoordelen. Verdachte kan ter zitting zelf toelichten op welke onderdelen de prognose niet klopt.
Alle verzoeken worden afgewezen.’
99.
In dit oordeel van het hof ligt besloten de afwijzing van de getuigenverzoeken van 4) de heer [getuige 20], 5) anderen binnen [bedrijf 5] die waren betrokken bij het opstellen van de liquiditeitsprognose, en 6) de heer [getuige 19], alsook van het verzoek strekkende tot i. toevoeging van administratie die ten grondslag lag aan de liquiditeitsprognose.
100.
Het oordeel van het hof dat de liquiditeitsprognose geen aanleiding is nader onderzoek te verrichten is onbegrijpelijk.
101.
Het hof legt hieraan ten eerste ten grondslag dat de strekking van de prognose en de herkomst (de eigen accountant van [befrijf 1]) bekend waren. Dat is door de verdediging echter niet ontkend, en laat onverlet dat zij een gemotiveerd verzoek kan om de betrokkenen hierover te horen.
102.
Dat de prognose is samengesteld op basis van door [befrijf 1] verstrekte gegevens is onbegrijpelijk en kan bovendien niet uit de bewijsvoering volgen. De verdediging heeft gesteld (pleitnota 8 juni 2022) dat onder meer onduidelijk is op basis van welke gegevens de prognose is opgesteld (onder 24). De bewijsmiddelen verschaffen hierin geen helderheid. Zie bewijsmiddel 20:
- ‘20.
Een schriftelijk bescheid, te weten de in hoger beroep gevoegde liquiditeitsprognose, opgemaakt door de [bedrijf 5]-groep en op 8 september 2011 bij brief aangeboden aan de directie van [bedrijf 1], voor zover van belang inhoudende:’
103.
Het oordeel van het hof dat de verdediging de mogelijkheid om getuigen te bevragen over de liquiditeitspositie en de door [bedrijf 5] accountants opgestelde prognose heeft gehad, nu de 4 en 6 genoemde getuigen zijn in eerste aanleg bij de rechter-commissaris zijn gehoord, kan de afwijzing van dit verzoek evenmin dragen, aangezien verzoeker toen door andere raadslieden werd bijgestaan die — zoals (in een ander verband) is betoogd — een andere verdedigingsstrategie hanteerden dan de raadslieden in hoger beroep, terwijl bovendien ten tijde van dit verhoor nog niet bekend was / vaststond dat de rechtbank (en naar nu is gebleken: het hof) haar bewijsvoering op deze prognose stoelt.
104.
Wat daarvan ook zij; de verdediging heeft een belangrijk ander, nieuw argument ten grondslag gelegd aan de getuigenverzoeken / het verzoek tot nader onderzoek naar de liquiditeitsprognose, namelijk dat een aantal verkopen in de afrondende fase waren, die niet zijn meegenomen in de liquiditeitsprognose, te weten:
- a.
Arnhem kantoor Carmel. Koopsom C 13,5 mio. Inkoop €9 mio. Winst € 4,5 mio.
- b.
Arnhem kantoor Eusebiusveste. Koopsom € 14 mio. Inkoop € 9 mio. Winst € 5 mio.
- c.
Deventer kantoor Hercules. Koopsom € 13,75 mio. Inkoop € 9 mio. Winst €4,75 mio.
- d.
Arnhem GelreDome. Koopsom C 48 mio. Inkoop € 18,5 mio. Winst €29,5 mio.
- e.
Onderhandelingen Arab Investment Fund. Verschillende panden.
105.
In dat verband is aangevoerd dat het niet betrekken van de verwachte verkopen zorgde voor zeer negatief beeld van de liquiditeit. Ook is gesteld dat als de verklaring van verzoeker over deze prognose niet zonder meer wordt aangenomen, er onderzoek naar dient te worden gedaan (onder 22 resp. 25).
106.
Verder is erop gewezen dat [getuige 20] en [getuige 19] — die laatste is in ieder geval bij de totstandkoming van de prognose betrokken geweest (onder 18) — die beiden in hoger beroep niet als getuigen zijn gehoord, hierover kunnen worden bevraagd (vgl. onder 23 en 25).
107.
Het hof noemt de eerste vier panden / gebouwen niet in zijn afwijzende beslissing d.d. 8 juni 2022, en even min in zijn (eind)arrest d.d. 2 december 2022.
108.
Daarmee is het standpunt van de verdediging omtrent de onjuistheid van de liquiditeitsprognose in het midden gebleven. Daaraan doet overigens niet af het oordeel van het hof dat het de stelling van de verdediging dat de prognose bewust te negatief is opgesteld om Steensma te weerhouden van beslaglegging niet op voorhand plausibel acht, nu dit een argument van ondergeschikt belang is geweest, terwijl de mogelijkheid openblijft dat de verkopen van de genoemde panden/gebouwen — met naam genoemd — in de afrondende fase waren.
109.
Het voorgaande klemt te meer nu het hof in zijn arrest oordeelt:
‘(p. 19):
‘Uit de liquiditeitsprognose van 8 september 2011, in opdracht van verdachte opgemaakt door zijn accountant, [bedrijf 5], blijkt dat er voor de maand mei 2012 al een tekort van ruim € 2 miljoen werd voorzien, waarbij overigens de betaling van de aanneemsom voor Diana en Vesta geheel buiten beschouwing is gelaten en huurinkomsten zijn meegerekend van niet daadwerkelijk verhuurde kantoorruimte.65’’
110.
Met deze overweging van het hof, alsook met het opnemen van bewijsmiddel 20 (hiervoor weergegeven), is voorts het belang van verzoeker ex art. 80a RO gegeven.
111.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Middel III:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR, 47, 51 en 341 (oud) Sr, 348, 349, 350, 358, 359 en 415 Sv doordat de bewijsvoering niet redengevend is voor het in de zaak ‘Kirishima’ (parketnummer 08-996128-13) bewezenverklaarde onder feit 1 primair (feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk) en feit 3 (medeplegen van bedrieglijke bankbreuk) en/of die bewezenverklaring (telkens) onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed. Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
De bewezenverklaring onder 1. primair
1.
Volgens de bewezenverklaring onder 1. primair heeft verzoeker als feitelijk leidinggever van [bedrijf 1] B.V. ([bedrijf 1]), die bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 12 juli 2012 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 1 januari 2010 toe en met 5 maart 2014 de rechten van schuldeisers bedrieglijk verkort door de volgende handelingen:
- a.
onttrekken van goederen aan de boedel
- c.
vervreemden van enig goed, klaarblijkelijk beneden de waarde
en wel van de volgende goederen:
- A)
*** het — bij overeenkomst van 1 december 2011 — de facto kwijtschelden van een vordering van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] B.V., later [bedrijf 6], door daarin te bepalen dat de vordering van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] per 30 november 2011 ten bedrage van EUR 38.250.000 — die [bedrijf 1] had verpand aan de Rabobank — middels een (agio)storting door [bedrijf 1] van EUR 38.250.000 op door haar gehouden aandelen [bedrijf 2], later [bedrijf 6] wordt omgezet en waarbij [bedrijf 1] verklaart niets meer van [bedrijf 2], later [bedrijf 6], te vorderen te hebben uit hoofde van de vordering en kwijting verleent aan [bedrijf 2], later [bedrijf 6], voor betaling van de vordering, als gevolg waarvan het bedrag van de deelneming van [bedrijf 1] in het risicodragend kapitaal van [bedrijf 2], later [bedrijf 6], is verhoogd en [bedrijf 1] per saldo heeft afgezien van het vermogensrecht bestaande in die vordering en het pandrecht van de Rabobank is miskend;
*** het op 1 december 2011 middels notariële akte (ver) beneden de waarde verkopen/overdragen van de aandelen van [bedrijf 2], later [bedrijf 6], te weten EUR 7.000.000, aan [bedrijf 3] BV, waarbij is overeengekomen dat betaling van de koopsom van de aandleen is voldaan middels de hierna te noemen geldleningsovereenkomst;
*** het op 1 december 2011 sluiten van een geldleningsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] waarbij [bedrijf 1] een geldbedrag van EUR 7.000.000 leent aan [bedrijf 3] onder meer onder voorwaarde van 7 jaarlijkse aflossingen van elk EUR 1.000.000 door [bedrijf 3] te beginnen op 1 december 2012
*** het op 1 december 2011 sluiten van een sponsorovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2], later [bedrijf 6], inhoudende dat [bedrijf 1] gedurende zeven jaren jaarlijks EUR 1.000.000 betaalt voor door [bedrijf 2], later [bedrijf 6] te leveren sponsoractiviteiten,
welke feiten tezamen en in onderling verband bezien ertoe hebben geleid dat aanzienlijke vermogensbestanddelen het vermogen van [bedrijf 1] hebben verlaten, en
- C)
*** het op een tijdstip in de bewezenverklaarde periode opmaken van een geldleningsovereenkomst, gedateerd 4 januari 2011, waarin [bedrijf 1] — zonder zakelijk belang en zonder zekerheden — een lening verstrekt aan [bedrijf 7] BV ter hoogte van EUR 2.050.000 en
*** het op een tijdstip in de bewezenverklaarde periode opstellen van een pandrechtsovereenkomst, waarin onder meer staat vermeld dat [bedrijf 1] aan [bedrijf 7] BV een geldlening verstrekt van EUR 2.050.000 en waarin door verdachte wordt erkend een schuld aan [medeverdachte 2] te hebben van EUR 2.050.000 gebaseerd op een ogenschijnlijk op 28 september 2009 gedateerde overeenkomst VVHV (Verrekening Verleden Huwelijkse Voorwaarden) en erkent de in die VVHV afgesproken bedragen niet tijdig conform afspraak heeft betaald aan [verdachte]-[medeverdachte 2] en dat [bedrijf 1] onzakelijk/onverplicht een pandrecht/zakelijke borgtocht voor de gestelde schuld van verdachte aan [medeverdachte 2] verleent voor een bedrag van EUR 2.050.000 aan [medeverdachte 2], in houdende dat indien verdachte zijn verplichtingen aan [medeverdachte 2] niet voor 1 december 2013 nakomt automatisch per 31 december 2013 het pandrecht/zakelijk borgtocht zal worden ingeroepen waardoor na uitoefening van het pandrecht/zakelijke borgtocht [bedrijf 1] een vordering ad EUR 2.050.000 heeft op verdachte en/
*** het (veel eerder dan verplicht) overmaken op 4 januari 2011 van de (bank)rekening van [bedrijf 1] van een bedrag van EUR 2.050.000 op de bankrekening van [bedrijf 7] BV met de omschrijving ‘overboeking’
welke feiten tezamen en in onderling verband bezien ertoe hebben geleid dat een bedrag van EUR 2.050.000 aan het vermogen van [bedrijf 1] is onttrokken.
De bewezenverklaring onder 3.:
2.
Volgens de bewezenverklaring onder 3. heeft verzoeker, die bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 27 november 2012 in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met [verdachte]-[medeverdachte 2] of met [medeverdachte 1] jr. of alleen in de periode van 1 december 2010 toe en met 5 maart 2014 de rechten van schuldeisers bedrieglijk verkort door de volgende handelingen:
- a.
onttrekken van goederen aan de boedel
- c.
vervreemden van enig goed, klaarblijkelijk beneden de waarde
door ten aanzien van de volgende goederen:
‘tezamen met [medeverdachte 2]:
*** op 1 december 2010 voor EUR 1 verkopen van de woning aan de [a-straat 01] te [a-plaats] aan de Stichting [stichting]
tezamen met [medeverdachte 1] jr:
*** op 23 december 2011 storten van een bedrag van EUR 600.000 — onverplicht en zonder (geldige) titel — op een bankrekening van [bedrijf 3] BV
tezamen met [medeverdachte 2]:
*** op of omstreeks 26 januari 2012 betalen van een geldbedrag van EUR 1.000.000 aan [bedrijf 3] BV — zonder redelijke en/of duidelijke tegenprestatie en zonder zakelijk belang — met de omschrijving jaarsponsoring [bedrijf 1]
*** op of omstreeks 23 december 2011 — onverplicht en zonder (geldige) titel — overmaken van een geldbedrag van EUR 2.500.000 en op 26 januari 2012 een geldbedrag van EUR 2.000.000 vanaf verdachtes privérekening op een bankrekening van de Stichting [stichting]
*** op één of meer tijdstippen in genoemde periode — onverplicht en zonder (geldige) titel — overmaken van geldbedragen tot een totaal van EUR 1.080.000 naar een bankrekening van [medeverdachte 2]
alleen:
*** op of omstreeks 29 december 2011 opnemen van een geldbedrag van EUR 250.000 contant van zijn bankrekening.’
Juridisch kader
3.
Voor bewezenverklaring van het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ in de bewezenverklaring van feiten 1. en 3. is vereist dat uit de bewijsvoering kan blijken dat is gehandeld met het opzet op die verkorting, waaronder ook voorwaardelijk opzet is begrepen. Dat wil zeggen dat ten minste het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers is vereist.7.
4.
De Hoge Raad bevestigde in 2017 dat ten tijde van de handelingen een aanmerkelijke kans op een faillissement moet hebben bestaan of ten gevolge daarvan ontstond:
‘Het Hof heeft in zijn hiervoor onder 5.3 weergegeven motivering van de vrijspraak overwogen dat ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen, 20 augustus 2004, ‘geen aanmerkelijke kans op het faillissement bestond’ en dat die aanmerkelijke kans ‘ook niet is ontstaan als gevolg van de ten laste gelegde handelingen’, op welke grond het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat het handelen van de verdachte niet de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan. Dat oordeel getuigt, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen en hetgeen het Hof met betrekking tot de omstandigheden ten tijde van de aan de verdachte verweten gedragingen heeft vastgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.’8.
5.
In zijn conclusie voor dit arrest maakt Advocaat-generaal Hofstee duidelijk dat wetgeving, rechtspraak en literatuur het oordeel van het hof rechtvaardigen.9.
6.
Volgens Hofstee komt ‘de opvatting van het hof overeen met de redenering van Hilverda ten aanzien van de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers.’10.
7.
In de visie van Hilverda ‘gaat het vereiste dat de gedraging moet zijn verricht met het opzet op de benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden uit (voor zover het gaat om gedragingen vóór faillissement) van het opzet dat een faillietverklaring met een tekort daarin zal volgen’.11.
8.
Ook stelt zij dat ‘de objectieve ondergrens van de woorden ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ het volgende in[houdt] (…): voor zover het gaat om gedragingen vóór faillissement: dat ten tijde van de gedraging ten minste een aanmerkelijke kans moet hebben bestaan dat (al dan niet door de betreffende gedraging) een faillietverklaring met een tekort daarin zou volgen en dat de schuldeisers in het latere faillissement door de gedraging zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden’.12.
9.
Hofstee concludeert:
‘Het voorgaande brengt mee dat ten tijde van de handeling een aanmerkelijke kans op een faillissement moet hebben bestaan of dientengevolge zijn ontstaan, zoals het hof heeft overwogen.’13.
10.
Hofstee wijst eveneens — in navolging van Hilverda — op rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van art. 42 Fw (de Actio Pauliana) en de invulling van de zinsnede ‘wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn’. Daarvan is sprake indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien.14.
11.
In dat verband wijst Hofstee ook op de wetsgeschiedenis van de nieuwe strafbaarstellingen van faillissementsfraude,15. zoals op 1 juli 2016 in werking getreden.16. Uit die wetsgeschiedenis blijkt dat een belangrijk uitgangspunt is dat de strafrechtelijke norm overeenkomt met de normen neergelegd in de Faillissementswet.17. Dat is reden temeer om aansluiting te zoeken bij de invulling die in het faillissementsrecht aan de norm wordt gegeven.
12.
Daarnaast blijkt uit de wetsgeschiedenis zelf dat de term ‘ter bedrieglijke verkorting’ een aanvullend opzet van de dader vereist, gericht op (het intreden van) het faillissement en de daaruit voortvloeiende benadeling van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden:
‘Het verband tussen de strafbaar gestelde handeling vóór het faillissement en dat faillissement wordt gelegd door het vereiste opzet van de dader («weten dat door de handeling die hij verricht schuldeisers worden benadeeld»). In dat (voorwaardelijk) opzet ligt ook een op enig moment intredend faillissement besloten.’18.
13.
Ook annotator Keulen bevestigt dat de wetgeschiedenis van de nieuwe strafbaarstellingen de beslissing van het Hof rechtvaardigt, nu uit die wetsgeschiedenis blijkt dat geen sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever, maar van het afstemmen van de wettekst op de invulling die aan de oude wettekst is gegeven. Daaruit blijkt dat ook onder de oude wetgeving het voorwaardelijk opzet vereist dat het faillissement en het tekort daarin was te voorzien:
‘Zou de Hoge Raad de vrijspraken ter zake van bedrieglijke bankbreuk hebben gecasseerd, dan zouden de wijzigingen van de onderhavige bepalingen bij de nieuwe berechting een rol hebben gespeeld op grond van art. 1 lid 2 Sr. Aannemelijk is dat het gewijzigd inzicht van de wetgever in dat geval had meegebracht dat voor de ten laste gelegde feiten geen veroordeling was gevolgd. Het standpunt van de wetgever dat de in deze artikelen omschreven gedragingen slechts bij opzet op het intreden van faillissement strafwaardig zijn, verdraagt zich moeilijk met bestraffing van eerdere gedragingen waarbij dat opzet niet kan worden vastgesteld.’19.
14.
Dat de nieuwe strafbaarstellingen geen gewijzigd inzicht van de wetgever behelzen is in recente rechtspraak meermaals bevestigd.20.
15.
In 2022 heeft de Hoge Raad bevestigd dat (ook onder de oude wetgeving) het voorwaardelijk opzet vereist dat het faillissement en het tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien.21.
Het oordeel van het hof:
16.
Het gerechtshof heeft dat toetsingskader niet miskent waar het als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht (p. 17 van het arrest)
dat verdachte vanaf oktober 2010, de datum waarop ABN Amro de kredietfaciliteiten van [bedrijf 1] opzegde, zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op een faillissement en daarmee, bij het onttrekken van goederen aan de boedel, het bevoordelen van een schuldeiser, of het vervreemden van goederen beneden de waarde, op benadeling van de schuldeisers en dat hij die kans ook bewust heeft aanvaard
en dat
De gevolgen van de kredietcrisis en in her verlengde daarvan — de vastgoedcrisis (…) voor [bedrijf 1] evident (waren). De banken stelden hogere eisen aan de kredietverlening en eisten meer zekerheid. De waarde van het vastgoed van [bedrijf 1] en van de gebouwen in aanbouw daalde. Maar de bedrijfskosten, de gebouw gebonden kosten, de rente- en aflossingsverplichtingen verminderden niet en liepen gewoon door. Verdachte heeft overigens niet betwist dat de waarde van het vastgoed was gedaald, maar heeft betwist met welk bedrag het vastgoed van [bedrijf 1] moest worden afgewaardeerd.
De verhuur en verkoop van de gebouwen stagneerden, terwijl het bedrijf wel aan zijn verplichtingen moest blijven voldoen.
17.
Verder dan deze algemene beschouwingen over de kredietcrisis en — in het verlengde daarvan — de vastgoedcrisis en wat dat voor [bedrijf 1] kan hebben betekend, komt het gerechtshof echter feitelijk niet. Uit de overwegingen kan niet volgen dat concreet — en ten tijde van de bewezenverklaarde handelingen — sprake was van een aanmerkelijke kans op een faillissement22. van [bedrijf 1] en/of in privé en/of dat verzoeker, die zulks betwist heeft, zich daarvan bewust was/willens en wetens die kans en/of die op de aanmerkelijke kans dat de rechten van de schuldeisers bedrieglijk zouden worden verkort, heeft aanvaard. Een en ander zal in het navolgende uiteengezet worden.
18.
De aan de algemeenheden gekoppelde veronderstellingen van het gerechtshof, te weten dat de crises ook gevolgen hadden voor [bedrijf 1] en wel in die mate dat de kans dat op een faillissement (daardoor) aanmerkelijk was, worden door de bewijsvoering niet gedekt. Weliswaar wijst het gerechtshof op de valse documenten waarvoor verzoeker in de hiermee samenhangede zaak ‘Vercors’ bij hetzelfde arrest is veroordeeld, waarbij het motief om die documenten te vervalsen mede zou zijn gelegen in het verkrijgen van kredieten die nodig waren om de zware tijden het hoofd te bieden en waaruit zou volgen dat dus voor een faillissement gevreesd moest worden, maar dat motief en in ieder geval die gevolgtrekking kunnen uit de bewijsvoering niet blijken. Meer in het bijzonder geldt dit voor de in de overwegingen vermelde feiten en omstandigheden met betrekking tot de daling van waarde van het vastgoed van [bedrijf 1] en van de gebouwen en/of (impliciet) het (daardoor) niet meer kunnen voldoen aan de doorlopende bedrijfskosten, de gebouw gebonden kosten, de rente- en aflossingsverplichtingen.
19.
Onbegrijpelijk zijn voorts de overwegingen van het gerechtshof dat verzoeker een faillissement temeer moest hebben zien aankomen, omdat (p. 18 arrest)
‘als de kredietverstrekkers de malversaties zouden ontdekken, zij alle contacten met [bedrijf 1] zouden verbreken en zijn kredietmogelijkheden volledig zouden opdrogen. De enige vraag was hoelang het zou duren voordat aan het licht zou komen dat hij de banken had misleid en het bedrijf als een kaartenhuis ineen zou storten.’
20.
Verondersteld mag worden dat een verdachte die valsheid in geschrifte pleegt er niet vanuit gaat dat zijn kwalijke handelen wordt ontdekt. Aannemelijk is dat als hij daarvan wel uit zou gaan, hij het handelen anders achterwege zou hebben gelaten. Hij weet wel dat er een risico bestaat dat het wordt ontdekt, maar gaat ervanuit dat zich dit niet zal realiseren. Een vergelijking kan in dit verband worden getrokken met de redenering in het zgn ‘Porsche-arrest’ van uw Raad die er vertaald naar de onderhavige casus — kort gezegd — op neerkomt dat kan worden verondersteld dat de verdachte in die zaak het mogelijke gevolg van zijn handelen (de dood van zijn eigen bedrijf (lees: faillissement) niet ook op de koop zou hebben toegenomen. Uitgaande van de redenering van het gerechtshof was het immers juist dát doel, het overleven, dat de reden voor de malversaties vormde.
21.
Bovendien betekent het feit dat die valsheid in geschrifte zou worden ontdekt, ook al heeft die valsheid betrekking op de kredietverlening, niet zonder meer dat een faillissement daarvan het gevolg is en/of de kans daarop aanmerkelijk. Met de link die het gerechtshof ook later in de overwegingen (p. 20 van het arrest) legt tussen de valsheid in geschrifte en een mogelijk faillissement miskent het dat die valsheid weliswaar mogelijk is ingegeven door de liquiditeitspositie van de [bedrijf 1] te vergroten, maar kan daaruit niet worden afgeleid dat die zodanig was dat er een aanmerkelijke kans op een faillissement was.
22.
Uit de overwegingen van het gerechtshof volgt dat de malversaties waarover hier wordt gesproken, op 15 november 2011 door een bekennende verklaring van verzoeker tegenover de Rabobank en FGH bank aan het licht kwamen. Niet kan echter blijken dat voornoemde banken aan een en ander consequenties verbonden, zodanig dat die tot een faillissement zouden kunnen leiden. De overweging in dat verband van het gerechtshof:
‘op 15 november 2011 was het faillissement — tenzij er een wonder zou gebeuren — onvermijdelijk’
is dan ook onbegrijpelijk.
23.
Aan een en ander doet niet af dat het gerechtshof concludeert dat ‘het concern’
‘al moeite (had) om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. De jaarrekening 2009 van [bedrijf 4] Holding vermeldde al dat de beleggingsmarkt nagenoeg tot stilstand was gekomen. In 2009 is maar één gebouw verkocht. Die omzet was nauwelijks voldoende om de jaarlijkse bedrijfskosten te dekken. Rente en aflossingen over de kredieten zijn dan nog niet betaald, terwijl die kredieten een bedrag van bijna € 700 miljoen beliepen. De negatieve kasstroom dat jaar was ruim € 160 miljoen.’
24.
Uit de verwijzing die het gerechtshof in dat verband doet naar bewijsmiddel 12 (wij begrijpen: van de bewijsmiddelen ‘Kirishima’, bijlage C bij het arrest) kan zulks ten eerste bezwaarlijk worden afgeleid, omdat dit bewijsmiddel ziet op (de jaarrekening van) [bedrijf 4] Holding en de bewezenverklaring en het faillissement in 2012 betrekking hebben op [bedrijf 1]. Bovendien blijkt uit het in dat bewijsmiddel opgenomen stuk niet meer dan dat
- a)
de kasstroom in 2009 negatiever was dan in 2008 (€ 163.482.000 tegenover € 1.352.000)
zonder dat uit de bewijsvoering kan blijken tot welke gevolgen dat zou kunnen leiden;
- b)
de kredietcrisis voor [bedrijf 1] tot gevolg heeft gehad, dat de top-beleggingsprodukten geen eindbelegger konden vinden, waardoor het balanstotaal opgelopen is,
eveneens zonder dat uit de bewijsvoering kan blijken tot welke gevolgen dat kon leiden en meer in het bijzonder of dit de (totale) financiële positie. [bedrijf 1] had meer producten, waaronder verhuur, terwijl niet kan blijken dat ook in dat segment van ontwikkelingen die een negatieve invloed hadden sprake was. Dat op basis van die jaarstukken voor een faillissement gevreesd moest worden en/of dat daarop, zoals het gerechtshof heeft geoordeeld, een aanmerkelijke kans bestond is dan ook zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk;
- c)
terwijl ook uit de daarin opgenomen winst- en verliesrekening
niet zonder meer kan volgen dat daarvan sprake was
25.
En wat zich daarnaast opdringt: kennelijk heeft het gerechtshof zich in dezen voor het bewijs geheel verlaten op de situatie in 2009. Zulks ten onrechte nu volgens de bewezenverklaring van 1. primair alle bedrieglijke handelingen hebben plaatsgevonden in 2011 en begin 2012 en het bij het bewezenverklaarde onder 3. gaat om bedrieglijke handelingen van 30 december 2010 (datum koopcontract, datum leveringsovereenkomst is 30 december 2012), 23 december 2011 (2x), 29 december 2011, 26 januari 2012 en ‘een of meer tijdstippen in de periode 1 december 2010 tot en met 17 juli 2014’. Uit de bewijsvoering ((jaar)stukken of anderszins) kan niet volgen dat over de jaren 2010 en/of 2011 sprake is van een beeld waarin van een zodanig penibel wordende financiële situatie van [bedrijf 1] sprake was, waarvan verzoeker als bestuurder geacht moet zijn op de hoogte te zijn geweest, dat de kans op een faillissement aanmerkelijk was. Integendeel, het gerechtshof maakt zelf melding van het feit dat in 2010 meer omzet werd gegenereerd (p. 18 arrest).
26.
Het enkele feit dat na opzegging in 2010 door ABN Amro van de kredietfaciliteiten verzoeker er tijdens onderhandelingen met deze partij op heeft gewezen (p. 18 arrest)
‘dat het uitblijven van overeenstemming over de condities en voorwaarden van een nieuwe kredietovereenkomst mogelijk consequenties kon hebben voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van de [bedrijf 1]-groep’
brengt, anders dan het gerechtshof van oordeel is, nog niet mee dat daaraan de conclusie moet/kan worden verbonden dat verzoeker toen zelf van mening was dat van een aanmerkelijke kans op een faillissement sprake was. Meer in het bijzonder niet nu de hiervoor vermelde uitlatingen kennelijk argumenten vormden in onderhandelingen met als doel ABN Amro ertoe te bewegen de kredietfaciliteit op een door verzoeker gewenste manier voort te zetten. Dat hij ABN Amro hiermee feitelijk meedeelde, zoals het gerechtshof kennelijk voor ogen heeft, dat alsdan een faillissement aanstaande is reeds daarom niet waarschijnlijk nu ABN Amro de betrekkingen met het bedrijf acuut zou hebben verbroken, terwijl het — integendeel — de relatie met verzoeker toen heeft voorgezet (onder andere voorwaarden, zie ook hierna).
27.
Een en ander wordt niet anders wanneer daarbij bewijsmiddel 13 wordt betrokken, waarnaar het gerechtshof in noot 59 verwijst, nu daarin (door kennelijk de Fortis bank, later ABN Amro bank) niet meer wordt opgemerkt dan dat zij, wanneer de daarin genoemde financieringen zouden komen te vervallen, hebben gewezen
‘op de mogelijke risico's van bovenstaande ontwikkelingen voor de continuïteit van de bedrijfsvoering indien er geen overeenstemming is over de condities en voorwaarden zoals verwoord in de Nieuwe Kredietovereenkomst. (onderstreping JK en DS)’
Dat de bank, vanuit de eigen positie bekeken, risico's ziet wil nog niet zeggen dat die vanuit [bedrijf 1] of schuldeisers op dezelfde manier bekeken zouden moeten worden, nog daargelaten dat in de brief wordt opgemerkt dat het gaat om ‘mogelijke’ risico's en dat ‘risico's voor de continuïteit’ niet per definitie betekent dat de kans op een faillissement aanmerkelijk is.
28.
Dat de bank ‘geen vertrouwen meer in verdachte (had) en het dossier was 1 juni 2010 (had) overgedragen aan de afdeling Bijzonder Beheer’ (p. 18 arrest) is feitelijk onjuist: het bewijsmiddel is eerder een bevestiging van het feit dat toen van een situatie waarin van een faillissement in zicht kwam geen sprake is. De overdracht aan ‘Bijzonder beheer’ vond immers niet plaats omdat daarvoor werd gevreesd, maar had tot doel óf het opstellen van een behandelplan waarbij er na afloop nog zaken wordt gedaan met de client, óf een behandelplan met als doel afscheid te nemen. Bij [bedrijf 1] was het in eerste instantie de bedoeling om na afloop van het behandelplan zaken te blijven doen.
29.
Dat later (wanneer dat was blijkt niet uit het bewijsmiddel) is gekozen voor de ‘exit strategie’, betekent niet dat daarmee het faillissement van [bedrijf 1] bezegeld was, maar enkel dat ABN Amro geen zaken meer met [bedrijf 1] wilde doen. Eerder rijst het beeld dat ABN Amro, ondanks de bewoordingen in de brieven, onderhandelingen met [bedrijf 1]/verzoeker bleef voeren (bewijsmiddel 16, 17).
30.
Uit de daarop volgende in de overwegingen opgenomen bewijsmiddelen dan wel andere bewijsmiddelen kan evenmin, anders dan het gerechtshof het doet voorkomen, blijken van een situatie waarbij de kans aanmerkelijk is dat er een faillissement aanstaande is, net zomin als dit uit de jaarrekening 2010 kan blijken (zie de door het gerechtshof in de voetnoten 58 t/m 63 genoemde bewijsmiddelen 12, 13, 15, 17).
31.
De overweging van het gerechtshof, in dit verband, dat verzoeker zou hebben verklaard niet meer aan de aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen is bovendien niet juist: uit bewijsmiddel 90 waarnaar het gerechtshof daarvoor verwijst, kan dit niet blijken nu daarin staat vermeld:
- ‘90.
Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van [verdachte] sr. aan ABN Amro van 27 juni 2011, voor zover van belang inhoudende (D-489, pag. 3436):
‘Dit betekent concreet, dat wij naar de ABN AMRO de afgesproken (reguliere) aflossingen kunnen blijven voldoen, behoudens het terugbrengen van de multi-purpose kredietfaciliteit ad € 25 miljoen. Deze kan per 1 juli 2011 worden teruggebracht tot € 22 miljoen, waarna maandelijks € 1 miljoen aflossing zal plaatsvinden, voor het eerst per 1 augustus 2011.
Ten aanzien van de volledige beëindiging van alle faciliteiten bij ABN AMRO per 1 oktober 2011 merken wij bij deze al op, dat dit enkel en alleen mogelijk is indien structurele verkopen plaatsvinden, hetgeen op dit moment nauwelijks mogelijk zal zijn, maar wij willen niet vooruitlopen op hetgeen de komende maanden wellicht toch nog zal gebeuren, echter, wij vinden het van belang u reeds nu hierover te informeren.
(onderstrepingen JK en DS)’
32.
Dat [bedrijf 1] op de voor de bewezenverklaring van belang zijnde data niet meer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen en dit een aanmerkelijke kans op een faillissement zou opleveren, zoals het gerechtshof overweegt (p. 19 arrest), kan evenmin volgen uit de bewijsvoering. De notitie van de curatoren waarnaar daarvoor wordt verwezen (bewijsmiddel 10) dateert van 13 januari 2014 en geeft een overzicht van de jaren 2000 — 2012 van het bedrijf. Behoudens dat er uit kan blijken dat door het bedrijf vanaf 2008 veel wordt gedaan om (de gevolgen van) de kredietcrisis het hoofd te bieden, is het stuk niet toereikend om de conclusie dat toentertijd een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond en betrokkenen, meer in het bijzonder verzoeker, zich daarvan bewust waren, te dragen.
33.
Het is een stuk, overigens net als bewijsmiddel 21, waarin achteraf en met ‘de wetenschap van nu’ de aan het faillissement voorafgaande periode wordt beschouwd. Daarbij kan het feit dat bij beschouwing van de financiële stukken wordt gezien dat ‘in de loop van het jaar 2011 de liquiditeitsproblemen steeds nijpender werden en [bedrijf 1] de financiering van een paar nieuwe panden niet meer rond (kon) krijgen’ (onderstreping JK en DS) destijds mogelijk wel een reden tot zorg zijn geweest,23. maar dit betekent niet dit automatisch meebracht dat ook de kans op een faillissement aanmerkelijk werd én verzoeker zich daarvan op dat moment bewust was.
34.
Ook het feit dat in de liquidatieprognose (overigens een tot de bewijsmiddelen behorend onleesbaar stuk, bewijsmiddel 20) ten aanzien waarvan door het gerechtshof wordt overwogen dat voor de maand mei 2012 een tekort van ruim 2 miljoen werd voorzien en waarbij volgens het gerechtshof bovendien de betaling van de aanneemsom voor Diana en Vesta geheel buiten beschouwing is gelaten en huurinkomsten zijn meegerekend van niet daadwerkelijk verhuurde kantoorruimte, kan het bewijs van de (bewustheid van de) aanmerkelijke kans op een faillissement reeds vanwege het feit dat de liquiditeitsplanning waaraan het gerechtshof voor de bewijsvoering refereert, betrekking heeft op een periode van ná de beweerdelijke gedragingen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers (te weten 2010, 2011 en begin 2012) niet dragen, net als de daarna opgenomen overwegingen op p. 19 van het arrest omtrent het rapport Honda van Ernst & Young (met betrekking tot Arab Investments), bewijsmiddel 91, dat eveneens dateert uit het jaar 2012 (2 april) en waarin onder meer is opgemerkt:
‘In de bovenstaande tabel en grafiek is de liquiditeitsprognose weergegeven die door het management is opgesteld voor de periode februari 2012 tot en met juli 2013.’
en
‘• Rekening houdend met de bestaande rente-, aflossing- en afnameverplichtingen bevindt [bedrijf 1] zich momenteel [opm JK en DS: op de datum van het rapport, te weten 2 april 2012] in acute liquiditeitsproblemen (onderstreping JK en DS)’
35.
Van de beslagleggingen waaraan het gerechtshof voorts refereert kan, gezien de omvang van het bedrijf, evenmin worden gezegd dat zij geëigend zijn om een aanmerkelijke kans op een faillissement te bewerkstelligen dan wel leiden tot de conclusie dat verzoeker die kans bewust heeft aanvaard, terwijl ook ten aanzien daarvan moet worden vastgesteld dat zij grotendeels uit 2012 zijn en aldus dateren van na de beweerdelijk gepleegde handelingen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers.
36.
Uit de overwegingen van het gerechtshof blijkt verder dat verzoeker kennelijk ten tijde van c.q. voorafgaand aan de beweerdelijke gedragingen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers, gelijk zijn eigen stelling, op 27 september 2011 een kredietvoorstel van NIBC had gekregen (bewijsmiddel 92) en dat uitbetaling toen kennelijk ook heeft plaatsgevonden (bewijsmiddel 94). Dit vormt een belangrijke tegenindicatie voor de aanmerkelijke kans op een faillissement. Deze door het door het gerechtshof óók tot bewijs gebezigde feiten, die feitelijk de bewezenverklaring tegenspreken, maken dat de bewezenverklaring en/of de daartoe gebezigde motivering onbegrijpelijk zijn. Dat namens NIBC later in dat verband is verklaard dat als zij wisten van de verdenking van fraude bij [bedrijf 1] zij niet tot uitbetaling waren overgegaan, doet daaraan niet af.
37.
Een en ander geldt mutatis mutandis voor het verlenen van een ‘beredderingskrediet’ (bewijsmiddel 95) waarover de getuige [getuige 8] heeft verklaard en waaraan het gerechtshof (p. 20 arrest) bewijsoverwegingen wijdt: ook die omstandigheid is feitelijk in tegenspraak met het oordeel van het gerechtshof dat er een aanmerkelijke kans op een faillissement bestond. Voornoemd bewijsmiddel houdt immers in:
‘Voor FGH bank was dhr. [verdachte] een grote klant.
We vonden ook dat we hier heel zorgvuldig in moesten handelen. Het ging om een belangrijk en groot bedrijf dat wij al lang als klant kenden. Wij wilden ons dus goed voorbereiden. Het was voor ons niet niks.
U vraagt mij weer naar de krapper wordende liquiditeitspositie van [bedrijf 1]. Wij dachten toen dat er wel een einde zou komen aan de crisis en wij wilden deze klant [bedrijf 1], ondersteunen. Je kunt het een beredderingskrediet noemen’
(onderstreping JK en DS).
38.
Het feit dat en de reden waarom, te weten een verwacht einde van de crisis en vertrouwen in deze ‘grote klant’ voor FGH bank, maakten kennelijk dat de bank c.q. [getuige 8] ondanks de krapper wordende liquiditeitspositie van [bedrijf 1] toen niet aan faillissement dachten. In zijn motivering van de bewezenverklaring legt het gerechtshof mede in het licht hiervan niet genoegzaam uit waarom verzoeker daar toen dan wel beducht voor had moeten zijn en/of niet, net als de FGH bank en [getuige 8], van een kortere duur en beperkter effect van de kredietcrisis en de eigen kracht van het bedrijf uit mocht gaan.
39.
Integendeel: onbegrijpelijkerwijze overweegt het op p. 20/21 van het arrest het volgende:
‘De schuld aan [bedrijf 4] was mede ontstaan door de aankoop in privé van aandelen Fortis, ING ABN Amro en Aegon. Deze aankoop was gefinancierd door [bedrijf 1]. Verdachte heeft verklaard dat hij in 2007 is benaderd door de bestuursvoorzitters van Fortis en ING met het verzoek aandelen te kopen om de liquiditeitsproblemen bij die banken op te lossen. Verdachte heeft voor € 70 miljoen aandelen gekocht. De waarde van de aandelen is door de kredietcrisis met € 50 miljoen gedaald. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte er steeds van is uitgegaan dat de banken hem zouden compenseren voor dit verlies of dat zij ten minste een morele plicht zouden voelen [bedrijf 1] door eventueel zwaar weer heen te helpen. Hij mocht erop vertrouwen dat de banken [bedrijf 1] en in het verlengde daarvan hemzelf overeind zouden houden.
Deze verklaring, die op geen enkele wijze is onderbouwd met verklaringen van getuigen of brieven dan wel andere stukken of informatie, is niet aannemelijk geworden. De vier medewerkers van de ING, die volgens verdachte bij de gesprekken aanwezig waren geweest, zouden op zijn verzoek bij de raadsheer-commissaris worden gehoord. Zij waren alle vier onvindbaar.
Het hof acht het hoogst onaannemelijk dat de bestuursvoorzitters een dergelijk verzoek aan verdachte zouden hebben gedaan. Niet valt in te zien hoe dergelijke aandelentransacties liguiditeitsproblemen van de banken hadden kunnen oplossen, maar het is bovendien niet geloofwaardig dat verdachte een derqelijk risico zou zijn aangegaan zonder enige garantie van de betrokken banken voor een eventueel verlies. En ais verdachte dat wel zou hebben gedaan zonder enige schriftelijke bevestiging is niet duidelijk op grond waarvan verdachte erop mocht vertrouwen dat de betreffende banken na het vertrek van de betreffende bestuursvoorzitters op basis van een nergens vastgelegd, beweerdelijk verzoek jegens verdachte en de aan hem gelieerde vennootschappen extra coulant zouden zijn. Het hof ziet in het dossier ook geen aanwijzingen (behalve de bewering van verdachte) dat de beweerdelijke verzoeken, dan we toezeggingen tot coulance aan de orde zijn geweest in de gesprekken met de banken nadat het concern in zwaar weer kwam te verkeren.’
(onderstrepingen JK en DS)
40.
De inhoud van de in de bewijsmiddelen opgenomen verklaring van [getuige 8] kan bezwaarlijk anders worden gelezen dan dat daaruit volgt dat bij — in ieder geval — de FGH bank zorgvuldig handelen de insteek was en dat zij nadat [bedrijf 1] in zwaar weer kwam, het bedrijf wilden ondersteunen. Bovendien dachten zij dat er wel een einde zou komen aan de crisis. Anders dan het gerechtshof overweegt — waarmee bovendien wederom sprake is van een tegenstrijdigheid in de bewijsvoering — waren er aldus wel degelijk aanwijzingen dat er sprake was van door de bank(en) gevoelde morele plichten, een wens om het bedrijf overeind te houden en mocht coulance worden verwacht.
41.
Het oordeel van het gerechtshof dat dit niet zo was en/of de verklaring van verzoeker in dat opzicht niet aannemelijk is geworden, is dan ook onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.
42.
Het gerechtshof betrekt de redenering die hiervoor is betwist ook door naar het privé-faillissement van verzoeker (p. 22 e.v.):
‘De borgstelling jegens ABN Amro en de torenhoge schuld aan [bedrijf 4] leidden ertoe dat een faillissement van [bedrijf 1] onvermijdelijk ook zou leiden tot een privéfaillissement, omdat verdachte geen mogelijkheden had om zijn verplichtingen jegens [bedrijf 4], de schuld in rekening-courant, en de ABN Amro na te komen. Zijn aangifte inkomstenbelasting 2009 vermeldt al een negatief privévermogen van zo'n € 19 miljoen.’
43.
In dat verband wordt door het gerechtshof verwezen naar bewijsmiddel 46, waarin evenwel niet meer staat opgenomen dan dat:
‘Het totaal van de bezittingen van verdachte per 31 december 2009 € 81.345.437,-- bedraagt en het totaal van de schulden € 100.315.641.’
44.
Kennelijk beoordeelt het gerechtshof dit als problematisch en/of ongebruikelijk en/of ziet het dit als aanwijzing dat verzoeker (op korte termijn) niet meer aan zijn financiële verplichtingen (jegens de banken?) zou kunnen voldoen. Op grond van deze ene zin uit een aangifte Inkomstenbelasting is die conclusie zonder wetenschap over de aard van de schulden en de daaraan verbonden verplichtingen tot terugbetaling daarvan en/of de overige in de aangifte opgenomen feiten en omstandigheden echter bezwaarlijk te trekken.
45.
De vraag is dan of er feiten en omstandigheden zijn die een dergelijke conclusie wél zou kunnen rechtvaardigen.
46.
In dat verband zijn de volgende door het gerechtshof genoemde bewijsmiddelen en daaraan gekoppelde bewijsoverwegingen, met telkens daarop door ondergetekenden gegeven commentaar, van belang:
46.1
de verklaring van [adviseur], belastingadviseur bij de [bedrijf 5], ‘dat hij in het najaar van 2010 is benaderd door verdachte met de vraag hoe hij zijn pensioen en de woning uit de borgstelling van de bank kon houden’ (bewijsmiddel 26, overweging p. 22 arrest).
Commentaar: uit het feit dat verzoeker aan zijn adviseur [adviseur] heeft gevraagd/verzocht, zoals in het bewijsmiddel zelf staat, het pensioen en de woning naar zijn vrouw dan wel zijn kinderen over kon doen zodat dit buiten de privé borgstelling die de banken eisen bleef, kan niet worden afgeleid dat er een aanmerkelijke kans bestond dat verzoeker in privé binnen een afzienbare termijn niet meer aan zijn (betalings)verplichtingen kon voldoen en/of (daardoor) er een aanmerkelijke kans bestond dat [bedrijf 1] failliet zou gaan.
46.2
het overhevelen van vermogen uit de [bedrijf 1]-groep en uit zijn privébezittingen naar zijn gezinsleden zoals de overdracht van de [stal] aan de vennootschap van zijn zoon en hotel-restaurant [hotel-restaurant] aan zijn dochter,24. alsook de leningsovereenkomsten die hij sloot en waarbij [bedrijf 1] aanzienlijke bedragen aan zijn gezinsleden of hun vennootschappen leende en vervolgens de schulden ‘verrekende’ waarbij, aldus het gerechtshof, geen van deze transacties enig zakelijk belang van [bedrijf 1] diende.
Commentaar: het feit dat deze handelingen — volgens het gerechtshof — geen zakelijk belang van [bedrijf 1] dienden, brengt nog niet mee dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de handelingen plaatsvonden terwijl er een aanmerkelijke kans op een faillissement van [bedrijf 1] was.
46.3
uitholling van het privévermogen van verzoeker door de verkoop van zijn woning aan de Stichting [stichting] voor een bedrag van € 1,- en overboeking aan diezelfde Stichting van in totaal € 4,5 miljoen, de ontvangst van in totaal € 1.080.000.- op haar bankrekening door de echtgenote, van € 600.000 resp. € 1 miljoen in januari 2012 door en [bedrijf 3] en de contante opname van de bankrekening van de verdachte op 29 december 2011 van een bedrag van € 250.000,- Achteraf heeft verdachte getracht een zakelijke verklaring voor deze onttrekkingen te construeren, maar ook deze zijn, aldus het gerechtshof, allemaal gebaseerd op valse brieven, overeenkomsten en verklaringen.
Commentaar: van belang met betrekking tot deze (en overigens ook de andere) gedragingen, is om vast te stellen of zij plaatsvonden na de feiten en omstandigheden waaruit door het gerechtshof waaruit wordt afgeleid dat verzoeker zich bewust was van de aanmerkelijke kans op een faillissement. Alleen dan zou dit de conclusie dat zij hebben plaatsgevonden ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers kunnen dragen.
Uitgaande van de bewezenverklaring onder 3. hebben de bedrieglijke handelingen die verzoeker daarin worden verweten, ervoor plaatsgevonden.
- —
Afgaande op de overwegingen van het gerechtshof en de leesbare bewijsmiddelen (de bewijsmiddelen waarnaar in de overwegingen wordt verwezen zijn onleesbaar, om een leesbare versie daarvan is aanvullend verzocht en zal wellicht nog aanleiding zijn deze cassatieschriftuur aan te vullen en/of te wijzigen) gaat het bij de overeenkomst met betrekking tot de woning (kennelijk, het koopcontract bevindt zich niet onder de bewijsmiddelen) om een koopcontract van 30 december 2010 en een leveringscontract van 30 december 2012. Dit brengt mee dat op het moment van de vermeend bedrieglijke handelingen van een levering aan de Stichting nog geen sprake was en het goed nog niet uit het vermogen van verzoeker naar de Stichting was overgeheveld.
- —
Bij de overboekingen aan de Stichting [stichting] gaat het volgens de overwegingen om tijdstippen ‘in december 2011’ en januari 2012 terwijl de vermeende handelingen ter bedrieglijke verkorting volgens de bewezenverklaring op 3 januari 2011, 4 januari 2011 en 1 december 2011 zouden hebben plaatsgevonden.
- —
De data van overboeking/ontvangst van gelden met betrekking tot de echtgenote en [bedrijf 3] lijken, gelet op de aanhef van de betreffende bewijsmiddelen (de inhoud van het bewijsmiddel is onleesbaar, zie hiervoor), te zijn geweest op 29 februari 2012 (bewijsmiddel 59–61), 31 augustus 2012 (bewijsmiddel 62) en 9 mei 2012 (bewijsmiddel 63), resp. 29 december 2011 (bewijsmiddel 58) en januari 2012 (overweging gerechtshof en bewijsmiddel 55).
- —
De contante opname door verzoeker van zijn eigen rekening is op 29 november 2011 geweest.
47.
Reeds daarom rechtvaardigt de bewijsvoering in dat opzicht niet de conclusie van het gerechtshof dat (p. 23 arrest)
‘deze handelingen van verdachte in onderling verband en samenhang gezien, geen ander doel hebben gehad dan het onttrekken van vermogen aan [bedrijf 1] en het privébezit van verdachte, waarbij verdachte ten minste bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard op verkorting van de rechten van de schuldeisers’
48.
Op grond van al het vorenstaande is het oordeel van het gerechtshof dat sprake was van een aanmerkelijke kans op een faillissement van [bedrijf 1] en/of verzoeker zelf en/of dat verzoeker zich daarvan bewust moet zijn geweest en die kans ook heeft aanvaard ‘op het moment dat verdachte de eerste vervalste huurovereenkomst indiende’ en/of ‘ten minste (…) vanaf 1 oktober 2010, toen de ABN Amro de kredietfaciliteit opzegde’ en/of op enig ander moment voorafgaand aan de beweerdelijke handelingen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed als gevolg waarvan ook het oordeel dat de handelingen als bewezenverklaard onder 1. primair en 3. zijn verricht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
49.
Het arrest lijdt daardoor aan nietigheid.
Middel IV:25.
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR, 47, 51 en 341 (oud) Sr, 348, 349, 350, 358, 359 en 415 Sv doordat de bewijsvoering niet redengevend is voor het in de zaak Kirishima (parketnummer 08-996128-13) bewezenverklaarde onder feit 1 primair met betrekking tot de stal [stal] en het vastgoed en/of die bewezenverklaring (telkens) onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed. Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Onder feit 1 wordt verzoeker verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk, onder meer doordat [bedrijf 1] 1 december 2011 de aandelen in [bedrijf 2] heeft overgedragen aan [bedrijf 3] voor een bedrag van € 7 miljoen, waarbij is bepaald dat de koopsom bij wijze van lening verschuldigd blijft aan [bedrijf 1].
2.
In het arrest heeft het hof het ten laste gelegde bewezen verklaard en daartoe onder meer overwogen:
‘Oordeel van het hof
[bedrijf 1] had jarenlang de verliezen van Stal [bedrijf 1] gefinancierd. Inmiddels was de schuld van [bedrijf 2], de eigenaar van de stal, aan het moederbedrijf opgelopen tot € 38.250.000.--. Deze vordering was verpand aan de Rabobank.91. waardoor de bank de schuld die [bedrijf 1] aan haar had — destijds zo'n € 70 miljoen — zo nodig ook zou kunnen verhalen door de activa van de stal uit te winnen. De activa van de stal, met name de paarden, vertegenwoordigden een aanzienlijke waarde.
Zoals eerder opgemerkt is de waarde van een bedrijf zo boog is als de hoogste van de directe of de indirecte opbrengstwaarde. Daarbij is de indirecte opbrengstwaarde de waarde going concern en de directe opbrengstwaarde de liquidatiewaarde. Over de waarde going concern kan het hof kort zijn. [stal] was al jaren verlieslatend en kon in feite alleen door financiële steun van [bedrijf 1] op de been blijven. Het hof zal om die reden de directe opbrengstwaarde van [bedrijf 2]/[bedrijf 6] beoordelen.
De waarde van de stal, de paarden
De taxateurs [betrokkene 4] en [betrokkene 5] hebben de volgende taxatierapporten uitgebracht:
- —
Op 25 september 2012 hebben zij 65 paarden getaxeerd voor een gezamenlijke waarde van € 4.247.500,--,92.
- —
Op 22 november 2012 hebben zij nog eens vijftien paarden getaxeerd op een gezamenlijke waarde van € 320.750,--,93.
- —
Voor [paard 1] is bij brief een aparte waardebepaling afgegeven op 14 januari 2013. De waarde van [paard 1] op 1 december 2011 bedroeg € 100.000,--94. en
- —
Op 20 februari 2013 is een taxatie van 26 paarden afgegeven met een gezamenlijke waarde van € 115.450,--.
De totale waarde, van 107 paarden, bedroeg volgens de taxatierapporten van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] per 1 december 2011 € 4.783.700,--.
Op 31 december 2011 stonden in totaal 125 paarden op de balans van [bedrijf 6] met een totale boekwaarde van € 12.654.342. Van de in de boekhouding van [bedrijf 6] opgenomen 125 paarden kwamen 26 paarden niet voor in de taxatierapporten. Deze 26 paarden stonden op de grootboekrekeningen met een totale waarde van € 204.748.58. Acht paarden die in de taxatierapporten waren vermeld kwamen niet voor in de boekhouding van [bedrijf 6]. Deze acht paarden stonden in de taxatierapporten met een totale waarde van € 43.250,--
De verdediging heeft omtrent het grote verschil tussen de taxatiewaarden en de latere verkoopwaarden in eerste aanleg naar voren gebracht dat de waardevermeerderingen verklaarbaar zijn uit ontwikkelingen na de peildatum 1 december 2011 en dat informatie van na de peildatum in principe niet relevant is voor de beoordeling van de waarde op dat moment.
Het hof neemt wel aan dat een paard in relatief korte tijd aanzienlijk meer waard kan worden. Een goed voorbeeld daarvan is [paard 2] dat door zijn prestaties op de Olympische Spelen in 2012 € 8,6 miljoen heeft opgebracht. Maar er zijn ook onverklaarbare verschillen tussen de taxatiewaarden en de verkoopwaarden, die heel kort na de taxatie zijn gerealiseerd. Zo is [paard 3] in het rapport van 25 september 2012 getaxeerd op € 100.000,--95. (met als peildatum 1 december 2011). [paard 3] was echter al op 1 april 2012 verkocht voor € 2.200.000,--96. en had het seizoen vóór de verkoop goed gepresteerd. Het paard [paard 4] kent ook een vreemde geschiedenis. Het is in 2011 gekocht voor € 230.000,-- van [bedrijf 12],97. is getaxeerd op € 35.000,--98. en is op 23 januari 2012 — dat is althans de factuurdatum — weer verkocht aan [bedrijf 12] voor € 110.000,--.99. [bedrijf 12] zou het paard volgens de factuur (van 13 januari 2012) vóór die tijd al weer hebben doorverkocht voor € 190.000,--.100. Het paard [paard 5] is getaxeerd op € 150.000,--101. en op 24 juli 2012 verkocht voor € 1 450.000,--.102.
Daarnaast zijn er taxaties van paarden die dekgelden opbrachten. Zo is [paard 6] getaxeerd op € 75.000,--,103. terwijl in 2011 in totaal ruim € 275.000,-- (netto ruim € 191.000,--) aan dekgeld is ontvangen.104. Hetzelfde geldt voor het paard [paard 7], dat is getaxeerd op € 75.000,--.105. Op een in beslaggenomen lijst van dekkingen in 2012 komt naar voren dat voor [paard 7] in 2012 voor een totaalbedrag van ongeveer € 120.000,-- dekgeld is ontvangen106. en in 2011 voor een totaalbedrag van ruim € 136.000,-- netto.107.
Taxateur [betrokkene 5] is door de FIOD gehoord. Over de waarde van [paard 3], die hij heeft getaxeerd nadat het paard was verkocht, verklaarde hij:
‘Daar blijkt wel uit dat we dat niet hebben geweten. Of wij deze gegevens hadden moeten weten is een ethisch vraagstuk, ik ben van mening dat wij dit wel hadden moeten weten. Voor [paard 5] geldt hetzelfde. Dit is ons door [verdachte] junior niet meegedeeld’.108.
Het hof is van oordeel dat de taxatierapporten niet als uitgangspunt kunnen dienen voor de waarde van de paarden op 1 december 2011.
Alles overziende oordeelt het hof dat de gehanteerde waarde van de paarden van € 4,5 miljoen veel te laag is en dat verdachte en zijn medeverdachte zich van het aanzienlijke verschil met een reële waarde bewust moeten zijn geweest.
Waarde van de stal, het vastgoed
De waarde van het vastgoed is door [bedrijf 13] Makelaardij & Hypotheken per 1 december 2011 getaxeerd op € 3.095.000,--109. De bij de stal behorende roerende zaken zijn per 1 december 2011 getaxeerd op € 302.600.--.110. De totale waarde van de onroerende en roerende zaken bedroeg € 3.397.600,--. Dit bedrag wijkt bijna € 900.000,-- af van de waarde die [medeverdachte 1] jr. en [verdachte] sr., volgens een bij [verdachte] sr. aangetroffen briefje (D-066, waarvan de authenticiteit overigens in twijfel kan worden getrokken) zouden zijn overeengekomen. Dat de opbrengst bij verkoop in het kader van de executie aanzienlijk lager was, doet daaraan niet af.
Het hof stelt vast, zonder een exacte waarde van de [stal] te kunnen bepalen, dat de verkoopprijs van € 7.000.000,-- voor de aandelen klaarblijkelijk te laag is geweest, nog daargelaten de vraag of aan de samenhangende sponsorovereenkomst een prijs van € 7.000.000 kan worden toegekend. Het hof is van oordeel dat [bedrijf 1] geen enkel zakelijk belang bij de transactie heeft gehad. Tegenover het wegvallen van de verliezen stond allereerst een jaarlijkse sponsoring van € 1.000.000,-- en haar vordering op [bedrijf 6] verminderde met niet minder dan ruim € 30 miljoen. De voordelen die voor [bedrijf 1] uit de sponsorovereenkomst voortvloeiden (onder meer ontvangst van bestuur en gasten van [bedrijf 1]) en de eventuele naamsbekendheid van [bedrijf 1] rechtvaardigden geenszins een jaarlijkse sponsorbijdrage van € 1 miljoen Gezien de liquiditeitspositie van [bedrijf 1] was de sponsorovereenkomst volstrekt onzakelijk en onverantwoord.
Met betrekking tot de rechtshandelingen kan het volgende worden vastgesteld:
- •
De waarde van de aandelen (€ 7.000.000,--) is (veel) te laag en
- •
De waardering van de door [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] te leveren tegenprestatie (van € 1.000.000,-- per jaar) is veel te hoog en vanuit [bedrijf 1] bezien volstrekt onzakelijk.
Elk van deze omstandigheden rechtvaardigt de conclusie dat daardoor sprake is van benadeling van schuldeisers.
Het opzet is naar het oordeel van het hof ook gericht op de benadeling van de schuldeisers. [bedrijf 1] had geen zakelijk belang bij deze transacties. Verdachte heeft verklaard dat zijn zoon al lang de wens had uitgesproken om de stal over te nemen. In het dossier is een aantal briefjes opgenomen die moeten suggereren dat vader en zoon eerder over de overname van de stal en de waarde van de aandelen hadden gesproken. Het hof is ervan overtuigd dat deze briefjes naderhand zijn opgemaakt. Het is ongeloofwaardig dat vader en zoon, die ook nog eens naast elkaar wonen, op deze manier met elkaar communiceerden. Ook is het vreemd dat er kennelijk geen advies is ingewonnen over de waarde van de aandelen of een gedegen businessplan is opgemaakt waaruit zou blijken dat de stal ook zonder verlies geëxploiteerd kon worden. Later zijn de beheerders van de stal gehoord. Zij hebben verklaard dat zij niets hebben gemerkt van de overdracht van de stal. Feitelijk zijn de gevolgen van deze (onverbrekelijk met elkaar samenhangende) transacties dat de [stal], inclusief de paarden, zonder reële tegenprestatie is overgedragen aan [bedrijf 3] en daarmee aan het verhaalsrecht van schuldeisers van [bedrijf 1] is onttrokken.’
3.
Het hof heeft aldus geoordeeld dat de waarde van de aandelen van € 7 miljoen (veel) te laag is en de tegenprestatie (sponsordeal van € 1 miljoen per jaar) veel te hoog en volstrekt onzakelijk. Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de totale waarde van 107 paarden volgens de taxatierapporten per 1 december 2011 € 4.783.700,- bedroeg en op 31 december 2011 125 paarden op de balans van [bedrijf 6] stonden met een boekwaarde van ruim € 12,5 miljoen. Daarnaast heeft het hof overwogen wel aan te nemen dat de waarde van een paard in korte tijd kan fluctueren, maar er volgens het hof ook onverklaarbare verschillen zijn tussen de taxatiewaarden en de verkoopwaarden, die heel kort na de taxatie zijn gerealiseerd. Het hof noemt vervolgens een aantal voorbeelden, waarbij overigens maanden zitten tussen de taxaties en de verkopen.
4.
Omtrent de waarde van de stal en de paarden heeft het hof overwogen dat de taxatierapporten niet als uitgangspunt kunnen dienen voor de waarde van de paarden op 1 december 2011 en komt vervolgens tot de conclusie dat alles overziend € 4,5 miljoen euro veel te laag is en verzoeker zich van het aanzienlijke verschil met de reële waarde bewust moeten zijn geweest.
5.
Het gerechtshof heeft in dit verband echter, ten onrechte, verzuimd (nader) te overwegen waarom de taxatierapporten niet als uitgangspunt kunnen dienen terwijl bewijsmiddelen die tot die conclusie zouden moeten leiden ontbreken. Als gevolg daarvan is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
6.
Ten aanzien van het vastgoed heeft het hof overwogen dat het bedrag bijna € 900.000,- afwijkt van de waarde die verzoeker en [medeverdachte 1] jr. overeen zijn gekomen en dat daaraan niet afdoet dat de opbrengst in het kader van de executieverkoop aanzienlijk lager was. Het hof stelt vervolgens vast dat, zonder de exacte waarde van de stal te kunnen bepalen, de verkoopprijs van € 7 miljoen klaarblijkelijk te laag is geweest.
7.
Het oordeel van het gerechtshof dat sprake is van een aanzienlijk verschil met de reële waarde is onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Indien de reële waarde namelijk niet vastgesteld is door het hof, kan ook niet worden gesteld dat sprake is van een verschil met de door verzoeker en medeverdachte [medeverdachte 1] jr. overeengekomen waarde.
8.
Bovendien kan uit de bewijsvoering niet volgen dat verzoeker zich bewust is geweest van het aanzienlijke verschil met de reële waarde, zo van dit laatste moet worden uitgegaan, en hij met zijn handelingen feitelijk de rechten van de schuldeisers verkortte.
9.
Ook overigens kan het opzet op benadeling van de schuldeisers door deze transacties niet uit de bewijsvoering volgen, althans is dat oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed. Het enkele feit dat [bedrijf 1] ‘bij deze transacties geen belang had’, zoals het gerechtshof overweegt, kan dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet dragen.
10.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Middel V:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 341 (oud) Sr en 350, 358, 359 en 415 Sv, doordat het oordeel van het hof dat het document bevattende notulen van een buitengewone aandeelhoudersvergadering van 16 maart 2007 ‘niet in 2007 is opgemaakt’ onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is. In het bijzonder heeft het hof, ondanks dat dit door de verdediging bij pleidooi van 8 juni 2022 is aangevoerd, niet onderkend dat uit het onderzoek van Forensicon niet enkel volgt dat de notulen zijn geprint in de periode halverwege jaren 80 tot heden, maar ook dat de onderzoeksresultaten extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer hypothese H1 (‘Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend’) juist is dan wanneer hypothese H2 (‘Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend’) juist is.
Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Het hof heeft in zijn arrest geoordeeld (p. 21 -22):
‘De verdediging heeft recent aangevoerd dat verdachte zich wel degelijk had ingedekt tegen verliezen. In hoger beroep (op 10 februari 2022) is een document overgelegd dat teruggevonden zou zijn in door de FIOD aan verdachte geretourneerde stukken. Het betreft de notulen van een buitengewone aandeelhoudersvergadering (BVA) van [bedrijf 4] op 16 maart 2007. De BVA — in de persoon van verdachte — heeft volgens de notulen besloten dat verdachte € 75 miljoen van de vennootschap zal lenen om, op verzoek van de bestuursvoorzitters van Fortis en ING, aandelen Fortis, ING en Aegon te kopen. [bedrijf 4] vrijwaart verdachte voor verliezen die geleden kunnen worden en zal verdachte volledig compenseren voor die verliezen en de mogelijke uit de aankoop voortvloeiende belastingclaims. Verder is vastgelegd dat verdachte al begin 2007, vooruitlopend op de vergadering, is gestart met de aankoop van aandelen. [betrokkene 6], die in 2011 is overleden, zou namens de Rabobank op de hoogte zijn gesteld van bet verzoek van de bestuursvoorzitters en hebben meegedeeld dat de Rabobank geen voorwaarden zou stellen aan de lening. De verdediging heeft met de notulen een onderzoek van Forensicon overgelegd, waaruit naar voren komt dat de notulen zijn geprint in de periode halverwege jaren 80 tot heden’.
Het hof gaat ervan uit dat het document niet in 2007 is opgemaakt. Gesuggereerd wordt dat het document tot voor kort in het bezit van de FIOD zou zijn geweest. In het dossier is echter geen enkele vermelding, verklaring of document terug te vinden die/dat het bestaan van de notulen ondersteunt. Ook in de jaarrekeningen van [bedrijf 4] is niet opgenomen dat zij mogelijke verliezen op aandelentransacties zou moeten compenseren. Pas in het 19e faillissementsverslag van 17 juni 2021 wordt voor het eerst melding gemaakt van het bestaan van de notulen. De curator merkt in dat verslag op:
In de afgelopen verslagperiode zond de heer [betrokkene 3] de curator een BVA-besluit van [bedrijf 4] d.d. 16 maart 2007 dat voorheen hij de curator niet bekend was. Zakelijk weergegeven voorzag dit besluit in een volledige vrijwaring van de heer [verdachte] voor koersverliezen, verband houdende met de aandelentransacties, waarvoor de heer [verdachte] de rekening-courantverplichting aanging. Die koersverliezen werden werkelijkheid, voor vrijwel hef hele pro realo bedrag. Het faillissement van de heer [verdachte] is door de curatoren van [bedrijf 4] aangevraagd op (onder meer) deze rekeningcourant vordering ad € 48.217.221,-- De curator vraagt zich af waarom het allereerste verweer van de heer [verdachte] niet heeft geluid, dat hij zijn vordering op [bedrijf 4] op grond van de vrijwaring in verrekening wenste te brengen met zijn rekening-courant verplichtingen jegens [bedrijf 4]. Te meer omdat de heer [verdachte] in eerste aanleg al tot twee keer toe strafrechtelijk is veroordeeld wegens valsheid in geschrifte is de curator terughoudend.
De aanschaf van aandelen in 2007 past ook niet in de volgende tijdlijn: Volgens de jaarrekeningen van [bedrijf 4] over 2007, 2008 en 2009 had verdachte eind 2007 een schuld van € 0,8 miljoen aan [bedrijf 4], eind 2008 een schuld van € 21 miljoen en eind 2009 bedroeg de schuld € 70 miljoen. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte op z'n vroegst in de loop van 2008 is overgegaan tot de aankoop van de aandelen, maar het grootste deel van de aandelen in 2009 heeft aangeschaft. Fortis was toen al overgenomen en ING werd met staatssteun overeind gehouden. Het hof concludeert dat de aandelen om louter speculatieve redenen door verdachte zijn gekocht en dat hij de voor die aankoop benodigde middelen van [bedrijf 4] heeft geleend.’
(onderstreping JK en DS)
2.
Dit oordeel is onbegrijpelijk, gelet op hetgeen door de verdediging bij pleidooi van 8 juni 2022 (onderzoekswensen) naar voren is gebracht:
- ‘260.
Bovendien heelt de zoon van cliënt in de door de FIOD geretourneerde administratie een document teruggevonden waarin wordt bevestigd dat cliënt reeds in 2007 schriftelijk de afspraken met de banken vastlegde.
- 261.
In deze notulen van 16 maart 2007 wordt de aandelenaankoop gedocumenteerd. Dit document bevestigt de stelling van cliënt dat hij beide bestuursvoorzitters een gunst verleende, en vormt extra aanleiding de bestuursvoorzitters te bevragen over de totstandkoming van deze afspraken en over eventuele toezeggingen die daarbij zijn gedaan. Dit document bevestigt dat de bestuursvoorzitters — eventueel op hoofdlijnen — kunnen verklaren over een compensatie voor de geleden verliezen.
- 262.
Vanwege de aard van de strafrechtelijke verwijten die cliënt in verschillende procedures worden gemaakt, heeft de verdediging dit document in eigen beheer laten onderzoeken. De documenten die namens cliënt in procedures worden ingébracht worden immers met de nodige scepsis benaderd. Om deze op voorhand weg te nemen is onderzoeksbureau Forensicon verzocht onderzoek te doen naar de authenticiteit van de notulen van 16 maart 2007.
- 263.
De resultaten (p. 9) houden in dat op basis van de gebruikte printtechnieken slechts is vast te stellen dat het document is ‘geprint in de periode tussen ‘halverwege jaren 80 tot heden’.
- 264.
Ook bevat het rapport de passage (p. 8):
‘Naar aanleiding van de vraagstelling zijn de volgende elkaar uitsluitende hypothesen beschouwd:
H1: Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
H2: Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend.
De deskundigen hebben gerapporteerd dat de onderzoeksresultaten extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer H1 juist is dan wanneer H2 juist is.’
- 265.
Dit is de hoogste waarschijnlijkheidsterm die in het rapport is betrokken. Anders dan het OM stelt, komt deze conclusie niet uit de lucht vallen, maar is dit de conclusie die het onderzoeksbureau trekt.
- 266.
Vervolgens is de opdracht gegeven om op basis van koolstofdatering aan te geven in welke periode dit document is opgemaakt.
- 267.
Daarop werd van Forensicon het volgende antwoord ontvangen: ‘Ik ben vanuit het laboratorium geïnformeerd over de resultaten van d el extractie uit het papier. Helaas zijn daarbij, tegen de verwachting van de deskundigen, onvoldoende hoeveelheden zetmeel verkregen om een betrouwbare datering van het papier mogelijk te kunnen maken. Ik heb ze verzocht of met nadere extracties wel verwacht mag worden dat er voldoende zetmeel verkregen kon worden, maar ook hierop hebben ze mij aangegeven geen mogelijkheden te zien om meer (niet gecontamineerd) zetmeel uit verdere extracties te verkrijgen.’
- 268.
Nader onderzoek naar de datering van het document is dus volgens Forensicon niet mogelijk.
- 269.
Ik verzoek uw Hof daarom van de inhoud van dit document uit gaan. ’
(onderstrepingen JK en DS)
3.
De hier aan de orde zijnde notulen van 16 maart 2007, alsmede het onderzoek hiernaar door Forensicon, zijn door ondergetekenden op 12 juni 2023 bij uw Raad opgevraagd en diezelfde dag in het digitaal portaal geplaatst.
4.
Het hof noemt in zijn beslissing enkel de conclusie van Forensicon noemt dat ‘de notulen zijn geprint in de periode halverwege jaren 80 tot heden’, maar niet de conclusie dat de onderzoeksresultaten extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer H1 (‘Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend’) juist is dan wanneer H2 (‘Het document kan op basis van de gebruikte printtechnieken niet zijn vervaardigd op de datum waarop het document is gedagtekend’) juist is.
5.
Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het hof ten onrechte niet bij deze bevindingen van Forensicon, die mogelijkerwijs kunnen pleiten voor het standpunt dat het document stamt uit 2007,26. heeft stilgestaan.
6.
Het oordeel van het hof dat de aanschaf van aandelen in 2007 niet in de tijdlijn past van de jaarrekeningen van [bedrijf 4] over 2007, 2008 en 2009, aangezien hieruit volgt dat verzoeker eind 2007 maar een ‘geringe’ schuld had en dat die schuld pas in 2008 en (vooral) 2009 hoog is opgelopen, kan dit verzuim niet herstellen, althans kan het andersluidende oordeel van het hof (dat het document stamt van ná 2007) niet dragen. Dit aangezien a) de (in bewijsmiddel 24 en 25) opgenomen jaarrekeningen slechts summierlijk en niet onderbouwd aangeven welke schulden verzoeker in de betreffende jaren zou hebben, en b) het gegeven dat verzoeker eind 2007 een schuld had van ongeveer €800.000,- niet uitsluit dat verzoeker in 2007 (slechts) voor dit bedrag aandelen heeft gekocht, en pas in 2008–2009 voor een hoger bedrag aandelen heeft aangeschaft. Het oordeel van het hof, waarin tot uitdrukking komt dát verzoeker ‘al begin 2007, vooruitlopend op de vergadering, is gestart met de aankoop van aandelen’, maar waarin niet vermeld staat voor welk bedrag, laat deze mogelijkheid open. Verder c), en van belang, laat deze vaststelling onverlet dat het hof heeft verzuimd in zijn oordeelsvorming te betrekking dat het rapport van Forensicon mogelijk wél wijst op de juistheid van de dagtekening.
7.
Verder wordt vermeld dat de opmerking van de curator in het faillissementsverslag, waarin de juistheid van de dagtekening van het document in twijfel wordt getrokken, dateert van vóór het onderzoek van Forensicon.
8.
Het oordeel van het hof is mitsdien onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
9.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Middel VI:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 14 IVBPR, 6 lid 2 EVRM, 68 Sr en 348, 349, 350, 358, 359 en 415 Sv doordat het oordeel van het hof waarbij het (het overleggen van) (beweerdelijk) valse stukken ter zake waarvan verzoeker (niet onherroepelijk) in de zaak ‘Maruoka’ is veroordeeld bij de afwijzing van het verzoek om aanhouding en/of de strafoplegging betrekt c.q. daarmee in de strafoplegging ‘(maar) beperkt rekening’ houdt, in strijd is met de onschuldpresumptie en/of doordat het oordeel van het gerechtshof waarbij het met deze omstandigheid in de strafoplegging rekening houdt getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is en/of die strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Het hof heeft in het kader van de strafoplegging geoordeeld (p. 41):
‘De valsheid van de door verdachte in deze procedure ingebrachte geschriften, maakt geen deel uit van de tenlastelegging. Omdat de stukken dienen ter onderbouwing van verweren van de verdachte heeft het hof zich wel een oordeel over die stukken moeten vormen. Uit de getuigenverklaringen in het onderzoek-Maruoka leidt het hof af dat door verdachte overgelegde stukken vals zijn. Van een aantal valse geschriften staat vast dat verdachte bij het opstellen daarvan betrokken is. Dat neemt het hof de verdachte kwalijk. Niettemin houdt het hof met deze omstandigheid bij de straftoemeting maar beperkt rekening. Verdachte is immers voor het gebruik van een aantal valse geschriften inmiddels in een aparte procedure veroordeeld. Weliswaar is die veroordeling niet onherroepelijk, maar het hof wil voorkomen dat met betrekking tot deze geschriften in feite een dubbele bestraffing plaatsvindt.’
(onderstrepingen JK en DS)
2.
Zie ook het oordeel van het hof op p. 5 van het arrest, bij de afwijzende beslissing op het verzoek om schorsing van het onderzoek teneinde zich van juridische bijstand te kunnen voorzien en/of voldoende tijd en gelegenheid te hebben de verdediging voor te bereiden opdat een inhoudelijk verweer kan worden voorbereid en gevoerd:
‘Het hof stelt vast dat de procedure allereerst ernstig is vertraagd doordat verdachte valse documenten heeft overgelegd.’
3.
Ondergetekenden is bekend dat de uitspraak van de rechtbank inzake Maruoka thans niet onherroepelijk is en in hoger beroep loopt, terwijl verzoeker het in die zaak aan hem tenlastegelegd is met klem ontkent. Zie in dit verband ook het uittreksel JD waar als eerste de zaak met parketnummer 20-002375-20 (rechtsmiddel van 01-993321-18) staat vermeld.
4.
Het acht slaan op deze veroordeling als ware zij onherroepelijk/vaststaand, c.q. het vaststellen van de schuld van verzoeker zonder dat de veroordeling onherroepelijk is en/of in deze zaak tenlastegelegd en bewezen is verklaard, is in strijd met de onschuldpresumptie.
5.
Dit brengt een schending van de in art. 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie met zich.
6.
Dit artikellid houdt in dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Uit de rechtspraak van het EHRM (Allen v. The United Kingdom, 25424/09, 12 juli 2013) volgt in lijn met deze wettekst dat de onschuldpresumptie — naast de categorie gevallen die zien op een onherroepelijke vrijspraak — wordt geschonden wanneer iemand voorafgaand aan het op wettige wijze vaststellen van zijn of haar schuld als schuldig wordt aangemerkt:
- ‘120.
In the early case of Minelli, cited above, which concerned an order requiring the applicant to pay prosecution costs following discontinuation of the criminal proceedings, the Court set out the applicable principle as follows:
- ‘37.
In the Court's judgment, the presumption of innocence will be violated if, without the accused's having previously been proved guilty according to law and, notably, without his having had the opportunity of exercising his rights of defence, a judicial decision concerning him reflects an opinion that he is guilty. This may be so even in the absence of any formal finding; it suffices that there is some reasoning suggesting that the court regards the accused as guilty.’
- 121.
In the first cases with which it was confronted concerning applications by a former accused for compensation or for defence costs, the Court drew on the principle set out in Minelli, explaining that a decision whereby compensation for detention on remand and reimbursement of an accused's necessary costs and expenses were refused following termination of proceedings might raise an issue under Article 6 § 2 if supporting reasoning which could not be dissociated from the operative provisions amounted in substance to a determination of the accused's guilt without his having previously been proved guilty according to law and, in particular, without his having had an opportunity to exercise the rights of the defence (see Englert, cited above, § 37; Nölkenbockhoff, cited above, § 37; and Lutz, cited above, § 60). All three cases concerned prior criminal proceedings which had ended in discontinuation, rather than acquittal. In finding no violation of Article 6 § 2, the Court explained that the domestic courts had described a ‘state of suspicion’ and that their decisions did not contain any finding of guilt.’ (onderstreping JK en DS)
7.
Verder wordt gewezen op de uitspraak EHRM EI Kaada t. Duitsland, Application no. 2130/10, van 12 november 2015. Hierin oordeelde het Hof:
- ‘54.
A fundamental distinction must be made between a statement that someone is merely suspected of having committed a crime and a clear declaration, in the absence of afinalconviction, that an individual has committed the crime in question (see Peltereau-Villeneuve v. Switzerland, no. 60101/09, § 32, 28 October 2014; for the relevance of the finality of the conviction for the principle of the presumption of innocence see also Konstas v. Greece, no. 53466/07, § 35, 24 May 2011). The latter violates the principle of presumption of innocence while the former has repeatedly been considered as complying with Article 6 (see Marziano v. Italy, no. 45313/99, § 31, 28 November 2002 and the cases cited therein; and Peltereau-Villeneuve, cited above, § 32).
- 55.
The Court has consistently emphasised the importance of the choice of words by public officials in their statements before a person has been tried and found guilty of a particular criminal offence (see Böhmer, cited above, §§ 54 and 56; Ismoilov and Others v. Russia, no. 2947/06, § 166, 24 April 2008; and Müller v. Germany, no. 54963/08, § 46, 27 March 2014). Moreover, whether or not a public official's remarks breach the principle of the presumption of innocence must be examined in the context of the particular circumstances in which the offending remarks were made (see Konstas, cited above, § 33; and Müller, cited above, § 46).’
8.
Deze laatste uitspraak laat zien waar de schoen in de onderhavige zaak wringt. Het hof zegt met zoveel woorden dat verzoeker schuldig is, zonder een onherroepelijke (‘final’) veroordeling. Er is bovendien evident sprake van een ‘finding of guilt’. Het hof stelt — ook met zoveel woorden — vast dat sprake is van valse geschriften, en van betrokkenheid van verzoeker hierbij. Daarmee neemt het hof niet de door Straatsburg verlangde nuance in acht dat verzoeker nog verdachte is. De ‘importance of the choice of words’ is door het hof niet onderkend.
9.
Deze schending is des te groter, nu het hof zich in zijn hiervoor geciteerde oordeel niet (enkel) schaart achter het oordeel van de rechtbank, maar in zijn strafmaatoverweging duidelijk maakt acht te slaan op de ‘getuigenverklaringen in het onderzoek Maruoka’. Daarmee velt het hof zonder deze getuigenverklaringen te wegen — het heeft de getuigen niet gehoord/ondervraagd en ook overigens aan de betrouwbaarheid ervan geen woorden gewijd — een oordeel over de betrouwbaarheid van hun verklaringen, en velt het hof zonder proces waarin verzoeker zich over de (waarde en betrouwbaarheid van) die getuigenverklaringen zijnerzijds ten overstaan van de rechter die over de bewezenverklaring ter zake van die valsheid een oordeel moet geven/geeft, een eigen oordeel over de strafbaarheid van niet in deze zaak aan verzoeker tenlastegelegde handelingen.
10.
Het hof heeft beslist dat het met deze omstandigheid bij de straftoemeting maar beperkt rekening houdt. ‘Beperkt rekening houden’ is echter ook rekening houden, zeker wanneer deze zin volgt op de zin dat het hof het verzoeker ‘kwalijk neemt’ dat hij valse stukken heeft overgelegd. Simpel gezegd: elke dag, elk uur en feitelijk elke minuut gevangenisstraf die aan verzoeker op deze grond door het hof is opgelegd c.q. meer is opgelegd, is er één teveel. Daarmee is ook het belang van verzoeker ex art. 80a RO bij deze klacht gegeven.
11.
De beslissing van het gerechtshof is voorts in strijd met rechtspraak van uw Raad. In HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:566, oordeelde uw Raad:
‘2.4.1
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968). Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in artikel 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.
2.4.2
Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd — al dan niet soortgelijk -feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan — dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.
2.4.3
Indien de rechter in verband met de strafoplegging melding maakt van een niet tenlastegelegd feit mag ervan worden uitgegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. Dit kan anders zijn indien uit de strafmotivering blijkt dat de vermelding van een niet tenlastegelegd feit niet tot strafverzwaring aanleiding heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat die vermelding is opgenomen naar aanleiding van hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd. (Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391.)’ (onderstrepingen JK en DS)
12.
Het hof heeft een ten tijde van het wijzen van het arrest niet onherroepelijk feit betrokken bij zijn straftoemetingsbeslissing. Daarbij moet er, gelet op voormelde rechtspraak van uw Raad, vanuit worden gegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. In dat verband wordt er ten overvloede op gewezen dat uit de straftoemetingsbeslissing volgt dat het hof het verzoeker ‘kwalijk neemt’ dat hij valse stukken heeft overgelegd.
13.
Aldus geeft het oordeel van het hof in zoverre blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dit oordeel onbegrijpelijk.
14.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Kuijper en mr. D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Amstel 326, 1017 AR Amsterdam, die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Amsterdam, 12 juni 2023
J. Kuijper
D.W.E. Sternfeld
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 12‑06‑2023
Zie Hoge Raad d.d. 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:B12315, Hoger Raad d.d. 20 december 2011, ECLI:NR:HR:2011:BT6406 en ECLI:NL:HR:2011:BV907.
Zie Hoge Raad d.d. 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3412.
B.M. Fiori, Disclosure of information in criminal proceedings. A comparative analysis of national and international criminal procedural systems and human rights law, diss. Groningen 2015, p. 161.
Zie pagina 1 p-v terechtzitting d.d. 15 juni 2022
Zie pagina 2 p-v terechtzitting d.d. 15 juni 2022
Zie pagina 3 p-v terechtzitting d.d. 15 juni 2022
Zie hiervoor pagina 3 van het proces-verbaal terechtzitting 24 juni 2022
Vgl. HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3421
dit proces-verbaal is bij uw Raad opgevraagd, doch ten tijde van het indienen van deze cassatieschriftuur nog niet ontvangen.
Onder verwijzing naar B. De Wilde, Stille getuigen: Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen partikel 6 lid 3 sub d EVRM), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 361.
Onder verwijzing naar De Wilde, p. 3 63, op zijn beurt onder verwijzing naar HR 28 januari 1997, NJ 1997, 409, ECLI:NL:HR:1997:ZD0626; en HR 44 15 februari 2005, NS 2005, 85.
Vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:477 en HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:494, in welke zaken onduidelijk was op welke feiten en omstandigheden het oordeel van het gerechtshof dat niet aannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zou worden gehoord was gebaseerd.
HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:BI4691; HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5446; HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1261
Hof Den Haag 30 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1752. Dit is bevestigd in HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen, r.o.v. 5.4.
Conclusie E.J. Hofstee onder 88. voor HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen.
Conclusie E.J. Hofstee onder 84. voor HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen.
Ib. met verwijzing naar C.M. Hilverda, De bestrijding van faillissementsfraude: waar een wil is, 2012, p. 89 en 90.
Hilverda 2012, a.w., p. 97.
Conclusie E.J. Hofstee onder 85. voor HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen.
Hofstee verwijst hier naar HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8493, NJ 2010/273(ABN AMRO Bank/Van Dooren q.q), rov. 3.7. Vgl. ook HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3762, NJ 2014/9 en HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3094, NJ 2016/49 m.nt. Verstijlen.
Conclusie E.J. Hofstee onder 86. voor HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen.
Wet van 8 april 2016, Stb. 2016, 154.
Kamerstukken I, 2015/16, 33 994, C p. 6. Zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 994, nr. 3, p. 4, 6–7.
HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen onder 4.
Hoge Raad 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:128 en Hoge Raad 28-09-2021 ECLI:NL:HR:2021:1398
Hoge Raad 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:339.
HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, m.nt. B.F. Keulen, r.o.v. 5.4.
Vgl. HR 11-04-2017, ECLI:NL:HR:2017:641, NJ 2017/425, r.o. 4.3 en 4.5 m.nt. B.F. Keulen
van deze gedraging ter bedrieglijke verkorting van de schuldeisers heeft het gerechtshof verzoeker nota bene vrijgesproken
opgemerkt wordt dat de tekst van dit middel met toestemming van de opsteller van de namens [medeverdachte 1] jr ingediende cassatieschriftuur grotendeels is ontleed aan de tekst van middel iii van die cassatieschriftuur.
BM 32
BM 65 en 66
BM 65A
BM 66
BM 65
BM 67
BM 68
BM 65A
BM 69
BM 70
BM 65
BM 71
BM 65
BM 72
BM 65A
BM 73
BM 72
BM 74
BM 75
BM 76
Opmerking verdient dat de hypothesen H1 en H2 respectievelijk de woorden ‘kan’ en ‘kan niet’ bevatten. Dit verklaart vermoedelijk de waarschijnlijkheidsuitkomsten van de hypothesen. Dat laat evenwel onverlet dat het op de weg van het hof had gelegen om zich hierover uit te laten, en laat bovendien onverlet de hierna onder 6 weergeven klachten tegen het oordeel van het hof.