Vgl. onder meer A.J.P. Schild, ‘De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht’, 2012, p. 42-47 met uitvoerige verwijzingen naar rechtspraak en literatuur.
HR, 11-09-2015, nr. 15/01852
ECLI:NL:HR:2015:2532
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-09-2015
- Zaaknummer
15/01852
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:2532, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑09‑2015; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1024, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:1024, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑06‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:2532, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 11‑09‑2015
Partij(en)
11 september 2015
Eerste Kamer
15/01852
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/02/11/1031 R van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 februari 2015;
b. het arrest in de zaak HR 200.165.841/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 april 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J. Wortel op 11 september 2015.
Conclusie 12‑06‑2015
15/01852 | Mr. L. Timmerman |
Zitting 12 juni 2015 | |
Conclusie inzake: | |
[verzoeker], | |
verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]). | |
1. Procesverloop
1.1 De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis van 24 februari 2015 de toepassing van de schuldsaneringsregeling, die op 8 december 2011 ten aanzien van [verzoeker] was uitgesproken, beëindigd zonder toekenning van de zogenoemde schone lei, omdat [verzoeker] toerekenbaar zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van zijn informatieverplichting, de verplichting om geen bovenmatige schulden te laten ontstaan, en de afdrachtplicht (rov. 3.5 t/m 3.7).
1.2 In het hiertegen door [verzoeker] ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 9 april 2015 het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof kort gezegd overwogen dat [verzoeker] zich structureel niet heeft gehouden aan de aan hem in het kader van de schuldsaneringsregeling opgelegde informatieplicht (rov. 3.7.2) en vanaf maart 2014 geen boedelafdrachten meer heeft gedaan en evenmin een concreet plan van aanpak heeft overgelegd om de boedelachterstand in te lopen, indien de termijn van de schuldsaneringsregeling zou worden verlengd (rov. 3.7.3). Hierin zag het hof duidelijke aanwijzingen dat het bij [verzoeker] aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken, en zag het hof geen aanleiding om op de voet van art. 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft (rov. 3.7.4).
1.3 [verzoeker] heeft met een op 17 april 2015 ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden en derhalve tijdig ingekomen verzoekschrift beroep in cassatie tegen het arrest van 9 april 2015 ingesteld.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel omvat één onderdeel. Daarin ontwaar ik twee klachten. Volgens [verzoeker] heeft het hof (i) ten onrechte niet ambtshalve getoetst of zijn tekortkomingen toerekenbaar zijn, en (ii) ten onrechte nagelaten art. 1 Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden en art. 17 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie ambtshalve toe te passen.
2.2 Klacht (i) stuit af op een gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.7.4 wel degelijk zich over de toerekenbaarheid van de vastgestelde tekortkomingen gebogen. Klacht (ii) berust op een onjuiste rechtsopvatting. Ten aanzien van art. 1 EP EVRM geldt er geen verplichting tot ambtshalve toepassing buiten het partijdebat1.. Datzelfde dient m.i. te worden aangenomen ten aanzien van art. 17 Handvest2.. Voor zover klacht (ii) moet worden begrepen als een klacht over ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, faalt het eveneens aangezien in cassatie gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] in feitelijke instanties een beroep op het EVRM of het Handvest heeft gedaan.
2.3 Gelet op het voorgaande is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑06‑2015
Zie in deze zin T. Barkhuysen, A.W. Bos, ‘De betekenis van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie voor het bestuursrecht: een actualisatie anno 2012’, JBplus 2014, p. 90 e.v. Het onderdeel haalt overigens de rechtstreekse (horizontale) werking van Unierecht enerzijds en de ambtshalve toepassing van het EVRM en het Handvest buiten de grenzen van de rechtsstrijd ten onrechte door elkaar.