Een faxcopie is ontvangen op 13 januari, het originele ondertekende verzoekschrift op 16 januari 2015. De omstandigheid dat de geldigheidsduur van de machtiging inmiddels is verstreken doet aan de ontvankelijkheid van het beroep niet af: vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390 m.nt. S.F.M. Wortmann, JVggz 2011/28 m.nt. W. Dijkers; HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151, NJ 2011/596 m.nt. S.F.M. Wortmann.
HR, 17-04-2015, nr. 15/00187
ECLI:NL:HR:2015:1073
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-04-2015
- Zaaknummer
15/00187
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Gezondheidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1073, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 17‑04‑2015; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:347, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:347, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑02‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1073, Gevolgd
- Wetingang
- Vindplaatsen
JVggz 2015/19
Uitspraak 17‑04‑2015
Partij(en)
17 april 2015
Eerste Kamer
15/00187
LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
de OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARRONDISSEMENTSPARKET LIMBURG,zetelende te Maastricht,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/197122/BZ RK 14/1331 van de rechtbank Limburg, van 13 oktober 2014.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De advocaat van betrokkene heeft bij brief van 13 maart 2015 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4 en 6).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, C.E. Drion en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 17 april 2015.
Conclusie 27‑02‑2015
27 februari 2015
Mr. F.F. Langemeijer
15/00187 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Limburg
1. Op 13 oktober 2014 heeft de rechtbank Limburg een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis verleend ten aanzien van verzoekster tot cassatie (geb. 1950), met een geldigheidsduur van vier maanden. Tot dat moment verbleef betrokkene daar op basis van een voorlopige machtiging.
2. Namens betrokkene is – tijdig1.– beroep in cassatie ingesteld. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de officier van justitie geen verweerschrift ingediend.
3. Onderdeel I heeft betrekking op het gevaarscriterium in art. 15 lid 2 Wet Bopz. Voor het aannemen van ‘gevaar’ is niet voldoende dat sprake is van ‘matige zelfzorg, waaronder slechte voedingsintake’, noch de weigering van betrokkene om hulp te aanvaarden t.a.v. het organiseren van haar financiën en huisvesting. Gelet op het verweer, had de rechtbank niet mogen volstaan met een standaardoverweging, aldus de klacht.
4. Uit de geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, blijkt uitdrukkelijk dat de aangeboden hulp noodzakelijk is om zich buiten een psychiatrisch ziekenhuis staande te kunnen houden. Betrokkene lijdt aan schizofrenie en de weigering van de hulp komt mede voort uit pathologische achterdocht. Ook met de voorgeschreven medicatie is betrokkene buiten het ziekenhuis niet in staat zichzelf te voorzien van de dagelijkse persoonlijke hygiëne en is er slechte inname van voeding. Met de verwijzing naar de geneeskundige verklaring heeft de rechtbank voldoende duidelijk gemaakt welk gevaar voor betrokkene zij voor ogen heeft gehad en waarom een voortzetting van het verblijf in het ziekenhuis medisch noodzakelijk is geacht ter voorkoming van dat gevaar. Het argument dat dit oordeel slechts beperkt steun vindt in de overgelegde ‘wettelijke aantekeningen’ maakt dit niet anders; bovendien hebben die aantekeningen (ex art. 37a Wet Bopz) betrekking op de behandeling in het ziekenhuis, terwijl de rechtbank doelt op de mogelijkheden voor betrokkene om zich buiten het kader van een opname in een psychiatrisch ziekenhuis staande te houden. De rechtbank vermeldt een bereidverklaring van betrokkene om medewerking te verlenen bij het samen zoeken naar woonruimte en het aanvragen van een uitkering. Anders dan de toelichting op het middel veronderstelt, heeft de rechtbank dit niet als een (zelfstandige) grond tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis gebruikt, maar als een argument om de toewijzing te beperken tot vier maanden. De klacht mist feitelijke grondslag.
5. Onderdeel II klaagt dat het oordeel dat betrokkene niet de nodige bereidheid heeft om als vrijwillig opgenomen patiënt in het psychiatrisch ziekenhuis te blijven, onbegrijpelijk is. Ter toelichting is aangevoerd dat betrokkene vanuit het ziekenhuis al dikwijls weg is overdag en haar medewerking heeft toegezegd bij het zoeken naar woonruimte elders.
6. De rechtbank heeft – feitelijk en op zich niet onbegrijpelijk – vastgesteld dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank vermeldt de in het middelonderdeel bedoelde toezegging. Kennelijk heeft de rechtbank de verklaring opgevat in die zin dat betrokkene niet bereid is vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis te verblijven, maar zolang zij onvrijwillig opgenomen is, zich wel aan de huisregels wil houden en wanneer zij verlof heeft gekregen om overdag het ziekenhuis te verlaten, zich ’s avonds weer in het ziekenhuis meldt. De bedoelde toezegging is logisch niet onverenigbaar met de constatering dat de nodige bereidheid tot een vrijwillig verblijf in het ziekenhuis ontbreekt. Ik acht het middel van cassatie kennelijk ongegrond.
7. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. – g.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑02‑2015