Rb. Noord-Holland, 08-10-2024, nr. C/15/351661 / KG ZA 24-199
ECLI:NL:RBNHO:2024:11734
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
08-10-2024
- Zaaknummer
C/15/351661 / KG ZA 24-199
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Huurrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2024:11734, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 14‑11‑2024; (Kort geding)
ECLI:NL:RBNHO:2024:10288, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 08‑10‑2024; (Kort geding)
ECLI:NL:RBNHO:2024:5289, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 30‑05‑2024; (Kort geding)
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Huurrecht 2024/216
Sdu Nieuws Huurrecht 2024/217
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2024/593
TvPP 2024/54, p. 195
JHV 2025/4 met annotatie van Mr. E.P.W. Korevaar
Uitspraak 14‑11‑2024
Inhoudsindicatie
De voorzieningenrechter stelt prejudiciële vragen over de toepassing van art 3 IVRK in zaken waarin ontruiming van een woning wegens overtreding van de Opiumwet aan de orde is. Vervolg op … ECLI:NL:RBNHO:2024:10288 en ECLI:NL:RBNHO:2024:5289. Nadat partijen zich naar aanleiding van het vorige tussenvonnis over de daarin opgenomen concept-vragen hebben uitgelaten worden die vragen in dit vonnis aan de Hoge Raad gesteld.
Partij(en)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/351661 / KG ZA 24-199
Vonnis in kort geding van 14 november 2024
in de zaak van
de stichting
STICHTING YMERE,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Ymere,
advocaat: mr. M.G. Blokziel,
tegen
1. [gedaagde 1], h.o.d.n. [bedrijf],
kantoorhoudende te [plaats 1],
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over [betrokkene],
2. [gedaagde 2],
wonende in de gemeente [plaats 2],
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 1], [betrokkene] en [gedaagde 2]
advocaat: mr. J. de Haan
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de aan dit vonnis gehechte tussenvonnissen van 30 mei 2024 (I)1.en 8 oktober 2024 (II)2.en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Naar aanleiding van de suggestie die door Ymere is gedaan bij gelegenheid van een aktewissel na de eerste zitting om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen heeft de voorzieningenrechter (e-mail)contact gehad met de contactraadsheer bij de Hoge Raad voor deze rechtbank en met de expertgroep huurrecht van het LOVCK.
Mede naar aanleiding daarvan is partijen vervolgens medegedeeld dat de prejudiciële vragen zullen worden gesteld en gelegenheid gegeven om op dat voornemen te reageren. Zij hebben daarvan gebruik gemaakt. De beide akten worden als bijlagen III en IV meegezonden.
2. De verdere beoordeling
Aan de hand van de daarvoor bestemde checklist wordt inzichtelijk gemaakt dat aan de processuele eisen voor het stellen van préjudiciële vragen is voldaan.
Onderwerp van geschil
De vragen betreffen de toepassing van het zgn. zero-tolerance beleid bij overtreding van de de Opiumwet door huurders van woningen.
Vastgestelde feiten
Die zijn opgenomen in r.o. 2.1 t/m 2.17 van tussenvonnis I en 2.1 en 2.2 van tussenvonnis II.
De door partijen ingenomen standpunten
Die zijn als volgt opgenomen
Ymere: tussenvonnis I: 3.2 en 3.2 en tussenvonnis II: 2.3 t/m 2.7
[gedaagde 2] tussenvonnis I: 4.2-4.5 en tussenvonnis II: 2.8
Rechtsvraag
De rechtsvraag betreft de uitleg van art. 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.
Verantwoording nut / noodzaak
Die is te vinden in de r.o. 2.11 t/m 2.13 van tussenvonnis II.
Input partijen
De reacties van partijen geven de voorzieningenrechter geen aanleiding om de formulering van de vragen aan te passen.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
3.1.
verzoekt de Hoge Raad antwoord te geven op de volgende vragen.
Toetsingscriterium
- 1.
Kan het in art. 3 lid 1 IVRK opgenomen criterium zodanig worden ingevuld dat het een handvat geeft voor toetsing in concrete gevallen? Zo ja, hoe luidt die invulling?
- 2.
Welke rol speelt verwijtbaar gedrag van de ouders daarbinnen?
- 3.
Vormt dat criterium voor de rechter een opdracht, althans legitimatie, om ook de kwaliteit van de opvangvoorziening te toetsen?
Onderzoek
4. Hoe actief moet de rechter zijn? Wat dient hij, desnoods ambtshalve, te onderzoeken?3.
5. Wat mag de rechter daarbij qua aanlevering van gegevens van partijen verwachten?
6. Staat het de rechter in de betrokken zaken na daartoe verkregen instemming van partijen vrij om ambtshalve inlichtingen in te winnen bij gemeenten en hulpverlening? Kan gegeven de privacygevoeligheid van een en ander art. 3 lid 1 IVRK daartoe een toereikende grondslag vormen? Zo niet, hoe moet met die privacygevoeligheid worden omgegaan?
7. In hoeverre dient de rechter zelf andere instanties actief bij zijn onderzoek te betrekken? (Te denken valt aan de Raad voor de Kinderbescherming of de gezinsvoogd in geval van een OTS4..)
8. Verdient het aanbeveling om in gevallen waarin ook een bestuursrechtelijk traject wordt gevolgd behandeling van de civiele ontruimingszaak aan te houden totdat de betrokken corporatie als belanghebbende in het bestuursrechtelijk traject de mogelijkheid heeft om het gemeentelijk dossier in te brengen?
Beslissing en Motivering
9. Staat het de rechter, gegeven de antwoorden op voormelde vragen, (onder omstandigheden) vrij om de ontruiming toe te staan onder de voorwaarde dat wordt voorzien in adequate opvang voor de betrokken kinderen? En staat het hem vrij om iets te zeggen over de vraag wie die opvang dan moeten regelen?
Zo ja, welke ruimte mag de rechter op dat vlak aan de verhuurder laten:
o qua instandhouding gezinsverband
o qua aard, tijdelijkheid en duur van de voorziening
o qua tijdvak waarbinnen die moet worden gerealiseerd (vanwege de onzekerheid die aan een dergelijke constructie inherent is)?
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan totdat de Hoge Raad op de voormelde vragen heeft geantwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op
14 november 2024.
1422
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑11‑2024
Deze vraag speelt uiteraard ook buiten de kring van ontruimingszaken waarin overtreding van de Opiumwet aan de orde is.Als de rechter in zaken op tegenspraak ambtshalve bepaalde feitelijkheden moet onderzoeken, moet hij dat a fortiori in verstekzaken. Dat heeft een grote invloed op de verstekpraktijk. In veel gevallen is niet duidelijk of er minderjarige kinderen in het gehuurde wonen. De rechter zou van de verhuurder kunnen verlangen dat hij die informatie aanlevert, maar dat blijkt in de praktijk niet altijd mogelijk. Verder weet een verhuurder meestal niet wat er met de kinderen gaat gebeuren en kan hij dat ook niet weten. De ouders zouden daar iets over moeten zeggen, maar die laten dus verstek gaan.Ook hier geldt bovendien dat de huurder pas een casus bij de gemeente wordt als er een ontruimingsvonnis ligt. Ook dan kan er pas een moratorium in het kader van de WSNP worden gevraagd.
In het bijzonder wordt gedacht aan het aspect dat in tussenvonnis I op p. 11, noot 3, is genoemd. Het lijkt ongewenst en strijdig met het IVRK wanneer er ruimte ontstaat voor een praktijk waarin jonge kinderen van (vooral) de moeder worden gescheiden en uit huis worden geplaatst met als (mede) dragend argument voor de beslissing dat de moeder niet langer in behoorlijke huisvesting kan voorzien. Zou uithuisplaatsing niet moeten worden beperkt tot gevallen waarin in rechte is vastgesteld dat het opvoedingsklimaat thuis risico’s oplevert voor de ontwikkeling van het kind?
Uitspraak 08‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis in een ontruimingskort geding. De voorzieningenrechter deelt met partijen zijn voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad over hoe om te gaan met ontruimingsvorderingen als er minderjarige kinderern bij betrokken zijn. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om zich over het stellen van de vragen uit te laten.
Partij(en)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/351661 / KG ZA 24-199
Vonnis in kort geding van 8 oktober 2024
in de zaak van
de stichting
STICHTING YMERE,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Ymere,
advocaat: mr. M.G. Blokziel,
tegen
1. [gedaagde 1] , h.o.d.n. [bedrijf] ,
kantoorhoudende te [plaats 1] ,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over [betrokkene 1],
2. [gedaagde 2],
wonende in de gemeente [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] , [betrokkene 1] en [gedaagde 2]
advocaat: mr. J. de Haan
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het hier als herhaald en ingelast te beschouwen tussenvonnis van 30 mei 2024 en de daarin genoemde stukken
- de akte na tussenvonnis van Ymere, met de daarbij gevoegde producties E 10 t/m 14
- de antwoordakte van [gedaagde 2] , met de producties G 4 t/m 6
- een afschrift van de uitspraak van de bestuursrechter van de zijde van Ymere
-de brief met de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van de zijde van Ymere (overgelegd ter zitting)
1.2.
De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van 13 augustus 2023. Op die zitting zijn verschenen:
- namens Ymere: [betrokkene 2] (consulent contracthandhaving), bijgestaan door mr. Blokziel voornoemd,
- [gedaagde 2] , bijgestaan door mr. De Haan voornoemd.
1.3.
Naar aanleiding van de suggestie van Ymere om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen heeft de voorzieningenrechter e-mailcontact gehad met de contactraadsheer voor deze rechtbank en met de expertgroep huurrecht van het LOVCK. Partijen is vervolgens medegedeeld dat de prejudiciële vragen zullen worden gesteld. Dit vonnis geeft uitvoering aan dat voornemen door partijen in de gelegenheid te stellen op de hierin opgenomen concept-vragen te reageren.
2. De verdere beoordeling
Aanvullende feitenvaststelling
2.1.
[gedaagde 2] wordt inmiddels als verdachte aangemerkt in de strafzaak.
2.2.
[gedaagde 2] is op 20 juni 2024 voor twee weken naar Suriname afgereisd, waarbij zij alleen haar oudste kind heeft meegenomen en het jongste kind bij familie heeft achtergelaten.
Opmerkingen Ymere naar aanleiding van de vragen in het tussenvonnis
2.3.
Ymere stelt dat uit de tapverslagen kan worden afgeleid, dat [gedaagde 2] , anders dan eerder verklaard, op de hoogte is geweest van de criminele activiteiten van haar partner. Tijdens de mondelinge behandeling in de bestuursrechtelijke procedure te Haarlem op 11 juni 2024 heeft zij zich veelvuldig beroepen op haar zwijgrecht. Ook kan uit de tapverslagen worden afgeleid dat zij verdovende middelen de gevangenis binnen heeft gesmokkeld.
2.4.
Ymere wijst erop dat een woningcorporatie niet altijd over de opvangmogelijkheden zal beschikken waarover gemeenten en hulporganisaties beschikken.
Verder kan een corporatie niet altijd beschikken over relevante onderbouwende bescheiden, daar de privacywetgeving zulks verhindert. Over de aanvullende stukken die zij na het tussenvonnis in het geding heeft gebracht, heeft zij de beschikking gekregen omdat zij in het
kader van de procedure hij de Sector Bestuursrecht als belanghebbende wordt gezien.
2.5.
Ymere stelt dat zij een taakstelling en een zorgplicht in het kader van sociale huisvesting heeft. Deze bestaat enerzijds uit het zorgdragen voor rustig woongenot van haar huurders en anderzijds uit het nemen van maatregelen op het moment dat dit rustig woongenot van haar huurders wordt aangetast. Ymere is in de onderhavige casus van mening dat [betrokkene 1] en [gedaagde 2] zich niet als goede huurders hebben gedragen en gevaarzetting vanuit de woning en de directe omgeving op de loer ligt. Zij acht het van algemene bekendheid dat vanuit het criminele circuit regelmatig afrekeningen plaatsvinden.
Ook waar Ymere een zerotolerancebeleid hanteert met betrekking tot Opiumwet gerichte zaken en het verrichten of faciliteren van criminele activiteiten vanuit een sociale huurwoning, wordt nog steeds gekeken naar alle feiten en omstandigheden, waaronder de aanwezigheid van minderjarige kinderen, en worden de belangen van die kinderen meegewogen. Die afweging wordt ook gemaakt als de dreigende ontruiming het rechtstreekse gevolg is van verwijtbaar handelen van de ouders. Er is echter ook sprake van een algemeen maatschappelijk belang dat verplichtingen uit overeenkomsten worden nagekomen. Feit is dat [betrokkene 1] en [gedaagde 2] op de hoogte waren van de verbodsbepalingen, die contractueel zijn overeengekomen. Bij de beoordeling van een ontruimingsvordering en de toepassing van de tenzij-regel zal dus een afweging moeten worden gemaakt tussen enerzijds (onder meer) het belang van de verhuurder (en omwonenden) bij een ontruiming, waarbij de ernst van de tekortkoming en het al dan niet voortduren van de negatieve gevolgen daarvan belangrijke aspecten zullen zijn, en anderzijds de mate waarin de belangen van de kinderen door een ontruiming zullen worden geschaad, mede gezien de kwaliteit van de beschikbare opvang.
2.6.
Op het moment dat de eerste inval van de politie in de woning plaatsvond is direct een melding gemaakt hij Veilig Thuis, waarna hulpverlening is ingestapt. Ymere heeft in dat kader overleg gehad met hulpverlening en de gemeente, zulks juist in verband met het aspect van de minderjarige kinderen in de woning. Zij heeft daarbij onderzocht of bij ontruiming vervangende woonruimte mogelijk is en heeft vastgesteld dat er volgens de gemeente opvang is voor de minderjarige kinderen en wel in het eigen netwerk, meer specifiek in de familiesfeer. Dat die opvang er ook is moge blijken uit het feit, dat het jongste kind in juni werd opgevangen tijdens de vakantie van mevrouw [gedaagde 2] in Suriname.
2.7.
Ymere is van mening dat zij aldus heeft voldaan aan haar zorgplicht en wijst op de mogelijkheid, dat de ontruimingstermijn langer kan worden gesteld als tijd nodig is voor het vinden van een geschikt alternatief.
Ymere heeft er in dat verband op gewezen dat zij (naar de voorzieningenrechter begrijpt: in aangelegenheden als deze) in gesprek tracht te komen met hulpverleningsinstanties, maar dat deze vaak de deur sluiten in het kader van de privacywetgeving. Informatie die zij tijdens overleggen hoort mag zij niet delen, ook niet met de rechter. Zij acht zichzelf dan ook niet goed in staat om tot afstemming met de gemeente en hulpverlening te komen.
Tenslotte wijst Ymere erop dat er op dit terrein sprake is van uiteenlopende benaderingen in de rechtspraak, en daardoor van weinig rechtszekerheid.
Reactie [gedaagde 2]
2.8.
[gedaagde 2] heeft herhaald dat zij geen weet had van de aangetroffen verdovende middelen en van het wapen. Ook ontkent zij dat zij iets de gevangenis heeft binnengesmokkeld. Zij gaat met haar dochters op bezoek en dat dit haar door de inrichting nog steeds wordt toegestaan.
[gedaagde 2] stelt dat haar kinderen gedurende de sluiting van de woning noodgedwongen zijn opgevangen door haar moeder, die daarvoor echter geen ruimte heeft. Het is haar niet duidelijk hoe het verder moet wanneer het (definitief) tot ontruiming zou komen.
Oordeel voorzieningenrechter over deze argumenten
2.9.
[gedaagde 2] kan in het licht van de inhoud van het als productie E 14 overgelegde proces-verbaal van de politie niet staande houden dat zij er geen weet van had dat haar partner zich met handel in verdovende middelen bezig hield. Daaruit vloeit niet noodzakelijkerwijs voort dat zij ook op de hoogte was van de aanwezigheid van de aangetroffen spullen, maar maakt dat wel waarschijnlijker. Opmerking verdient echter ook dat het proces-verbaal de indruk wekt dat de partner de dader is en dat [gedaagde 2] door de partner stevig onder druk wordt gezet om “door te gaan”, waaronder kennelijk moet worden verstaan: loyaal te blijven. Ook dit aspect moet onder ogen worden genomen bij de vraag welke reactie in concreto passend is.
Ymere kan op haar beurt niet volhouden dat zij heeft vastgesteld dat er sprake is van vervangende woonruimte voor moeder en de kinderen. Haar opmerkingen op dat punt zijn een slag in de lucht en worden door de overgelegde verklaringen van [gedaagde 2] zelf en van haar moeder gemotiveerd weerlegd. Overigens heeft ook de burgemeester in april 2024 vastgesteld dat niet vaststaat dat er geschikte opvang bestaat (tussenvonnis 2.11). Met de afweging in mei dat Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming betrokken zijn (tussenvonnis 2.13) lijkt de burgemeester voor te sorteren op een uithuisplaatsing van de kinderen. De vraag of dit een aanvaardbaar alternatief is, is echter niet onproblematisch.
2.10.
Wat betreft de meer algemene kanten van de problematiek heeft Ymere de voorzieningenrechter tot het inzicht gebracht dat er inderdaad aanleiding is om door het stellen van prejudiciële vragen een poging te ondernemen het kader waarbinnen corporaties inzake de onderhavige problematiek hun afwegingen moeten maken op een aantal punten verduidelijkt te krijgen. Daarvoor is mede van belang dat uit uitvraag binnen de expertgroep huurrecht van het LOVCK duidelijk is geworden dat wat betreft deze problematiek in de eerste lijn in het algemeen behoefte is aan meer duidelijkheid en dat men instemt met de hieronder vermelde vragen.
2.11.
Volgens artikel 392 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de rechter préjudiciële vragen stellen als dat nodig is om op de vordering te beslissen en het antwoord rechtstreeks van belang is:
“a. voor een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen, of
b. voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet.”
Geval b. doet zich hier voor. Het is de voorzieningenrechter bekend dat de toepassing van het zgn. zero tolerance beleid in huurgeschillen, zowel door corporaties als in de (eerstelijns) rechtspraak als problematisch wordt ervaren in gevallen waarin het gezinnen met (jonge) kinderen betreft. Rechters gaan met deze materie sterk verschillend om. De voorzieningenrechter verwijst naar het aangehechte jurisprudentie-overzicht.
Dat houdt onmiskenbaar verband met het gegeven dat de aanwezigheid van kinderen in de woning meebrengt dat de aanvaardbaarheid van de gevorderde ontruiming als reactie op het vergrijp van de huurder moet worden getoetst aan artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), een norm waarvan inhoud en reikwijdte op zichzelf genomen allerminst helder zijn.
2.12.
De betekenis van deze norm voor de ontruiming van (huurders met) kinderen is (in de context van de toeslagenaffaire) voorwerp geweest van een rapportage van de Ombudsman en de Kinderombudsman uit februari 2023.1.Zij concludeerden daarin onder meer dat de overheid tijdens huisuitzettingen van gezinnen niet aan haar mensenrechtelijke en kinderrechtelijke plichten voldoet. Zij doet te weinig om huisuitzettingen te voorkomen en houdt zich niet aan de verplichting dat huisuitzettingen niet tot dakloosheid mogen leiden. Naar aanleiding van dat rapport heeft Minister De Jonge van Volkshuisvesting het standpunt van het kabinet op dit terrein uiteengezet.2.Dat standpunt kan als volgt worden samengevat:
- -
het wordt door het Kabinet anno 2024 maatschappelijk niet meer aanvaardbaar geacht dat huisuitzettingen ertoe leiden dat kinderen dakloos worden of gedwongen in de opvang moeten verblijven;
- -
daarbij is het in beginsel niet relevant wat de grondslag voor de huisuitzetting is;
- -
aan gemeenten wordt in dit verband een belangrijke rol toegekend;
- -
in gevallen als hier aan de orde, waarin de huisuitzetting een gevolg zou zijn van een besluit van de burgemeester, staat rechtsbescherming open. Dat impliceert opschorting van de uitzetting totdat de (bestuurs-)rechter het besluit (bij wege van voorlopige voorziening) heeft getoetst;
- -
in situaties waarin huisuitzetting onvermijdelijk is, heeft de gemeente een regiefunctie die moet worden ingezet om dakloosheid van het betrokken gezin te voorkomen.
Dit een en ander lijkt (uit een oogpunt van slagvaardigheid) te impliceren dat er in gevallen waarin het betrokken gezin in een corporatiewoning woont (minstgenomen) overleg tussen de gemeente en de corporatie plaatsvindt.
2.13.
Beide stukken zijn besproken in een artikel in het tijdschrift Woonrecht3..
In dat artikel wordt met verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak en van de Hoge Raad betoogd dat, óók in gevallen waarin een dreigende ontruiming het rechtstreekse gevolg is van verwijtbaar handelen van de ouders, op de rechter de plicht rust om zich ervan te vergewissen welke voorzieningen er zijn getroffen om te voorkomen dat kinderen als gevolg van een toe te wijzen ontruiming in een noodsituatie komen te verkeren. De rechter hoeft daarbij geen genoegen te nemen met een toezegging dat het wel goed komt maar mag (moet?) concrete informatie verlangen waaruit blijkt dat de nodige opvang en hulp ook daadwerkelijk zal worden geboden. De rechter bepaalt niet welke voorzieningen er moeten worden geboden, maar als er geen voorzieningen worden geboden of slechts voorzieningen die evident het belang van het kind schade berokkenen zal dat een sterke contra-indicatie voor ontruiming moeten vormen. De schrijvers wijzen op het General Comment nr. 14 van het VN Kinderrechtencomité4.onder 97, waarin aan de rechter een vergaande motiveringsplicht wordt opgelegd. Indien men de in het jurisprudentieoverzicht opgenomen beslissingen legt langs de lat van deze instructie moet men concluderen dat er ruimte is voor verbetering.
Resumerend: waarom bestaat er behoefte aan préjudiciële antwoorden?
1. Het door het IVRK aan de rechter voorgeschreven toetsingskader is niet duidelijk.
2. Mede door dat gebrek aan duidelijkheid hebben corporaties onvoldoende mogelijkheden om de rechter adequaat te informeren en heeft de rechter onvoldoende handvat om de juiste en toereikende vragen te stellen, althans beantwoord te krijgen.
3. Uit de hiervoor vermelde mededelingen van Ymere ter zitting volgt dat corporaties moeten ervaren dat, zolang zij niet beschikken over een titel tot ontruiming, de betrokken casus voor de voor opvang en hulpverlening (primair of mede) verantwoordelijke, doorgaans gemeentelijke, instanties geen casus is, met als gevolg dat de corporatie geen positie heeft om gegevens te verlangen die haar behulpzaam kunnen zijn bij het (in een civiele procedure) schetsen van de situatie die zal ontstaan zodra zij zich met een ontruimingstitel bij die instanties meldt. Voor verhuurders die niet een woningcorporatie zijn, is dat nog moeilijker. (Als het gaat om ontbinding en ontruiming wegens het niet betalen van de huur, zijn er regelmatig huurders die de kop in het zand steken en pas om hulp gaan vragen als er een ontruimingsvonnis ligt. Dan is er vaak best wat mogelijk, al was het maar een moratorium in het kader van de WSNP. Veel gemeenten komen ook pas in actie als dat ontruimingsvonnis er ligt. Dat lijkt in de context van gevallen als het onderhavige een stuk lastiger).
4. Voor de rechter is niet duidelijk wat hij moet toetsen en welke informatie hij daarbij moet betrekken. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep loopt die toetsing qua benadering nogal uiteen. In het bijzonder wordt verschillend gewicht toegekend aan de mate waarin het wangedrag van de ouder(s) ten nadele van hun kinderen mag uitwerken. Ook de wijze waarop wordt omgegaan met de eigen verantwoordelijkheid van de ouders voor het vinden van alternatieven verschilt nogal.
3. De te stellen vragen
3.1.
De voorzieningenrechter overweegt de volgende vragen te stellen.
Toetsingscriterium
- 1.
Kan het in art. 3 lid 1 IVRK opgenomen criterium zodanig worden ingevuld dat het een handvat geeft voor toetsing in concrete gevallen? Zo ja, hoe luidt die invulling?
- 2.
Welke rol speelt verwijtbaar gedrag van de ouders daarbinnen?
- 3.
Vormt dat criterium voor de rechter een opdracht, althans legitimatie, om ook de kwaliteit van de opvangvoorziening te toetsen?
Onderzoek
4. Hoe actief moet de rechter zijn? Wat dient hij, desnoods ambtshalve, te onderzoeken?5.
5. Wat mag de rechter daarbij qua aanlevering van gegevens van partijen verwachten?
6. Staat het de rechter in de betrokken zaken na daartoe verkregen instemming van partijen vrij om ambtshalve inlichtingen in te winnen bij gemeenten en hulpverlening? Kan gegeven de privacygevoeligheid van een en ander art. 3 lid 1 IVRK daartoe een toereikende grondslag vormen? Zo niet, hoe moet met die privacygevoeligheid worden omgegaan?
7. In hoeverre dient de rechter zelf andere instanties actief bij zijn onderzoek te betrekken? (Te denken valt aan de Raad voor de Kinderbescherming of de gezinsvoogd in geval van een OTS6..)
8. Verdient het aanbeveling om in gevallen waarin ook een bestuursrechtelijk traject wordt gevolgd behandeling van de civiele ontruimingszaak aan te houden totdat de betrokken corporatie als belanghebbende in het bestuursrechtelijk traject de mogelijkheid heeft om het gemeentelijk dossier in te brengen?
Beslissing en Motivering
9. Staat het de rechter, gegeven de antwoorden op voormelde vragen, (onder omstandigheden)vrij om de ontruiming toe te staan onder de voorwaarde dat wordt voorzien in adequate opvang voor de betrokken kinderen? En staat het hem vrij om iets te zeggen over de vraag wie die opvang dan moeten regelen?
Zo ja, welke ruimte mag de rechter op dat vlak aan de verhuurder laten:
o qua instandhouding gezinsverband
o qua aard, tijdelijkheid en duur van de voorziening
o qua tijdvak waarbinnen die moet worden gerealiseerd (vanwege de onzekerheid die aan een dergelijke constructie inherent is)?
4. De beslissing
De voorzieningenrechter:
4.1.
bepaalt dat partijen gedurende vier weken na heden, dus uiterlijk op 5 november 2024, beide een akte kunnen nemen waarin zij reageren op het voornemen om de hiervoor vermelde prejudiciële vragen te stellen,
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2024.
1422
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑10‑2024
Committee on the Rights of the Children, General comment No. 14 (2013) on the right of the child to have his or her best interests taken as a primary consideration (art. 3, par. 1).
Deze vraag speelt uiteraard ook buiten de kring van ontruimingszaken waarin overtreding van de Opiumwet aan de orde is.Als de rechter in zaken op tegenspraak ambtshalve bepaalde feitelijkheden moet onderzoeken, moet hij dat a fortiori in verstekzaken. Dat heeft een grote invloed op de verstekpraktijk. In veel gevallen is niet duidelijk of er minderjarige kinderen in het gehuurde wonen. De rechter zou van de verhuurder kunnen verlangen dat hij die informatie aanlevert, maar dat blijkt in de praktijk niet altijd mogelijk. Verder weet een verhuurder meestal niet wat er met de kinderen gaat gebeuren en kan hij dat ook niet weten. De ouders zouden daar iets over moeten zeggen, maar die laten dus verstek gaan.Ook hier geldt bovendien dat de huurder pas een casus bij de gemeente wordt als er een ontruimingsvonnis ligt. Ook dan kan er pas een moratorium in het kader van de WSNP worden gevraagd.
Ik denk in het bijzonder aan het aspect dat in het tussenvonnis op p. 11, noot 3, is genoemd. Het lijkt mij ongewenst en strijdig met het IVRK wanneer er ruimte ontstaat voor een praktijk waarin jonge kinderen van (vooral) de moeder worden gescheiden en uit huis worden geplaatst met als (mede) dragend argument voor de beslissing dat de moeder niet langer in behoorlijke huisvesting kan voorzien. UHP is m.i. pas aangewezen wanneer de in rechte is vastgesteld dat het opvoedingsklimaat risico’s oplevert voor de ontwikkeling van het kind daarvoor.
Uitspraak 30‑05‑2024
Inhoudsindicatie
ontruiming woning na overlast
Partij(en)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/351661 / KG ZA 24-199
Vonnis in kort geding van 30 mei 2024
in de zaak van
de stichting
STICHTING YMERE,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Ymere,
advocaat: mr. M.G. Blokziel,
tegen
1. [bewindvoerder] , h.o.d.n. [bedrijf] ,
kantoorhoudende te [plaats 1],
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over [betrokkene 1],
2. [gedaagde 2],
wonende in de gemeente [gemeente],
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [bewindvoerder] , [betrokkene 1] en [gedaagde 2]
advocaat: mr. J. de Haan
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 30 april 2024,
- het emailbericht van 14 mei 2024 met productie 10 van de zijde van Ymere,- het emailbericht van 15 mei 2024 met de producties 1 tot en met 3 van de zijde van [bewindvoerder] namens [betrokkene 1] en [gedaagde 2],- de mondelinge behandeling van 16 mei 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [bewindvoerder] namens [betrokkene 1] en [gedaagde 2],
- het emailbericht met bijlage van 16 mei 2024 van de zijde van [bewindvoerder] namens [betrokkene 1] en [gedaagde 2],
- het emailbericht van 20 mei 2024 van de zijde van Ymere.
1.2.
Ter zitting van 16 mei 2024 zijn verschenen:
- namens Ymere: [betrokkene 2] (consulent contracthandhaving), bijgestaan door mr. Blokziel voornoemd,
- [bewindvoerder] en [gedaagde 2], bijgestaan door mr. De Haan voornoemd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[betrokkene 1] en [gedaagde 2] hebben via een zogenaamd driehoekscontract met
Stichting [naam stichting] van 13 augustus 2021 tot en met 30 september 2023 de woning aan de [adres] ([postcode]) te [plaats 2] bewoond. Na deze periode is het contract omgezet naar zelfstandige bewoning. Per 1 oktober 2023 is de huurovereenkomst tussen [betrokkene 1] en [gedaagde 2] en Ymere in werking getreden.
2.2.
Op 21 januari 2021 is [betrokkene 1] onder bewind gesteld met benoeming van [bewindvoerder] tot bewindvoerder. De onderbewindstelling loopt vanaf 22 januari 2021 tot 21 januari 2026.
2.3.
Tijdens de looptijd van het driehoekscontract heeft Ymere van meerdere buren klachten ontvangen over geluidsoverlast (huilende kinderen, klusgeluiden, geschreeuw en gestamp, een aanhoudend blaffende hond en luide muziek), een wietlucht (blowen op het balkon), het op straat leeggooien van asbakken en de vele aanloop van mensen op de woning. [betrokkene 1] en [gedaagde 2] zijn door Ymere aangesproken op deze klachten, maar gaven aan zich hierin niet te herkennen. Omdat de klachten aanhielden (Ymere ontving in juli en augustus 2022 nieuwe meldingen), heeft Ymere op 10 oktober 2022 een gesprek gearrangeerd tussen [betrokkene 1] en [gedaagde 2] en de buren. Tijdens dat gesprek zijn afspraken zijn gemaakt. Ymere heeft het overlastdossier vervolgens afgerond.
2.4.
Op de tarievenlijst (dit is een bijlage bij de huurovereenkomst) zijn diverse boetebepalingen opgenomen:
“Algemene huurvoorwaarden woningen | |
Artikel 5.6 Drempelbedrag wel of niet verrekening servicekosten | € 2,00 |
Artikel 5.12 Boete bij onderhuur | € 5000,00 |
Artikel 6.15 Boete wegens activiteiten die bij of krachtens de Opiumwet strafbaar zijn gesteld | € 5000,00 |
Artikel 11.3 Minimumbedrag bij buitengerechtelijke incassokosten | € 40,00” |
2.5.
In de algemene huurvoorwaarden van Ymere zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
“(…) 6.8 De huurder mag geen overlast of hinder aan buren of omwonenden veroorzaken. De huurder vrijwaart Ymere voor alle aanspraken van derden als huurder deze verplichtingen schendt. Er moet een voldoende geluiddempende vloerbedekking in de woning worden aangebracht.
(…)
6.15
Het is de huurder niet toegestaan in het gehuurde hennep te (doen) kweken of andere
activiteiten verrichten die bij of krachtens de Opiumwet strafbaar zijn gesteld. Als de huurder dit verbod overtreedt, is hij van rechtswege een boete verschuldigd zoals staat vermeld in de Tarievenlijst (bijlage bij de huurovereenkomst). Ook heeft Ymere het recht om de geleden schade te verhalen op de huurder.
(…)6.18 De huurder is aansprakelijk voor gedragingen in strijd met de voorgaande leden van dit artikel, zowel van zijn huisgenoten als van degenen die door de huurder en bedoelde huisgenoten in de woning zijn toegelaten. Huurder zal de schade die Ymere hierdoor lijdt vergoeden.”
2.6.
De politie heeft op 16 februari 2023 informatie ontvangen van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) dat vanuit de woning van [betrokkene 1] en [gedaagde 2] via SnapChat vuurwapens en munitie te koop werden aangeboden.
2.7.
Op 17 januari 2024 is door de politie bij een doorzoeking van de woning hard drugs aangetroffen (in totaal circa 69,3 gram: 2,9 gram 6-Broom-MDMA (5 oranje XTC-pillen met logo Star Wars), 30,8 gram MDMA, 26,4 gram MDMA (88 roze XTC-pillen zonder logo) en 9,5 gram MDMA). Tevens werd in de voor de woning geparkeerde personenauto in de middenconsole een doorgeladen vuurwapen aangetroffen. Er lag ook een lege patroonhouder in de auto. In de woning zelf werd een patroonhouder met scherpe munitie aangetroffen. Ook trof de politie een laptop aan met daarop software om door middel van een 3D-printer een onderdeel voor een vuurwapen te maken. Met dit onderdeel is het mogelijk om van een semi-automatisch vuurwapen een automatisch vuurwapen te maken. Van het geheel ontving de burgemeester op 30 januari 2024 een bestuurlijke rapportage van de politie.
2.8.
[betrokkene 1] is in verband met het voorgaande aangehouden en verblijft momenteel in detentie.
2.9.
De burgemeester van de gemeente [gemeente] heeft [betrokkene 1] en [gedaagde 2] op 27 februari 2024 op de hoogte gesteld van haar voornemen de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten voor de duur van drie maanden. Diezelfde dag heeft de gemeente [gemeente] ook Ymere op de hoogte gebracht van haar voornemen een last onder bestuursdwang op te leggen.
2.10.
Ymere heeft [betrokkene 1] en [gedaagde 2] bij brief van 7 maart 2024 aangezegd de huur op te zeggen. Ymere heeft tevens de bewindvoerder hiervan op de hoogte gesteld. [betrokkene 1] en [gedaagde 2] zijn niet tot opzegging van de huur overgegaan.
2.11.
Naar aanleiding van de namens [betrokkene 1] en [gedaagde 2] op 4 maart 2024 ingediende zienswijze tegen het voornemen de woning te sluiten, heeft de burgemeester van de gemeente [gemeente] op 25 maart 2024 besloten om aan [betrokkene 1] een last onder dwangsom (ter voorkoming van herhaling) op te leggen, en de woning dus niet tijdelijk te sluiten. De burgemeester heeft deze koerswijziging als volgt toegelicht:
“In dit geval ben ik van oordeel dat het belang van de twee minderjarige kinderen zwaarder
weegt dan het algemeen belang dat met de sluiting is gediend. In dat kader is onder meer van belang dat hun vader in (voorlopige) hechtenis zit en voldoende aannemelijk is gemaakt dat hun moeder recent een zware medische ingreep heeft ondergaan, wat ongetwijfeld effect heeft op het welzijn van de kinderen. Ook speelt mee dat niet vaststaat dat er geschikte opvang voor de kinderen beschikbaar is, omdat niet kan worden gegarandeerd dat [gedaagde 2] en de kinderen in de maatschappelijke opvang terecht kunnen. Voorts weeg ik mee dat er weinig aanwijzingen zijn dat de drugs in of vanuit de woning werden verhandeld, er geen sprake is van recidive en de woning niet is gelegen in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk, zodat ook verondersteld moet worden dat sluiting van de woning minder noodzakelijk is.
Ik ben, gelet op het hiervoor gestelde, van oordeel dat sluiting van de woning in dit concrete
geval niet evenwichtig is. Daarom wijk ik af van het Damoclesbeleid en leg ik u een last onder dwangsom (ter voorkoming van herhaling) op. De dwangsom is — overeenkomstig artikel 3, derde lid, van het Damoclesbeleid — vastgesteld op € 5.000 ineens.”
2.12.
Op 17 april 2024 heeft de politie de woning opnieuw doorzocht waarbij hasj, hennep en illegale munitie in de woning is aangetroffen.
2.13.
Bij brief van 8 mei 2024 heeft de burgemeester van de gemeente [gemeente] [betrokkene 1] en [gedaagde 2] op de hoogte gesteld van het voornemen om naar aanleiding van de tweede doorzoeking een last onder bestuursdwang op te leggen, inhoudende een sluiting van de woning gedurende één maand:
“Naar aanleiding van nieuwe onderzoeksresultaten heeft de politie op 17 april 2024 een tweede onderzoek in de woning ingesteld. De andere hoofdbewoner is toen ook aangehouden. Tijdens doorzoeking van de woning trof de politie onder meer aan:
- een plastic zakje met circa 6 tot 10 patronen (munitie);
- 1 losse patroon (munitie); en
- zakjes met vermoedelijk verdovende middelen.
De politie heeft de verdovende middelen gewogen en nader onderzocht. Uit dat onderzoek
bleek dat het ging om:
- 27,15 gram hasj; en
- 0,88 gram hennep.
De verdovende middelen lagen in de keukenlade en in de bovenste la van een ledikant op de
ouderslaapkamer op de eerste verdieping. De scherpe munitie lag in een kledingkast. Achter de kledingkast was een ruimte gesitueerd die via de ouderslaapkamer vrij te betreden is. Daar lag een doorzichtige plastic zak met zes tot tien stuks scherpe munitie.
(…)
Zoals in mijn besluit van 25 maart 2024 is overwogen, volgde uit het Damoclesbeleid dat de
woning toen al voor drie maanden gesloten moest worden. Toen heb ik, bij hoge uitzondering in
het belang van de minderjarige kinderen, besloten om van sluiting af te zien en een last onder
dwangsom ter voorkoming van herhaling op te leggen. U hebt deze ‘waarschuwing’ terzijde
gelegd en u hebt uw illegale praktijken voortgezet. Nog geen maand later trof de politie weer
drugs en illegale munitie aan in de woning en hun beide ouders zijn aangehouden. Dat reken ik
u zwaar aan. Veilig Thuis en de Raad van de Kinderbescherming zijn nu betrokken en zullen zich
ontfermen over de kinderen. Van een stabiele woonomgeving voor de kinderen is al lang geen
sprake meer.
Ik begrijp dat u schade lijdt door de sluiting, omdat u de woning voor één maand niet kan
gebruiken. Het algemeen belang vind ik echter zwaarder wegen. Met algemeen belang bedoel
ik de bescherming van de openbare orde en de veiligheid. Ook vind ik het belangrijk dat voor
iedereen duidelijk is dat tegen dit soort overtredingen wordt opgetreden. Met het sluiten van
de woning wil ik voorkomen dat de woning weer voor drugshandel wordt gebruikt. Het is
belangrijk om te proberen om de risico’s van drugshandel te beheersen.
Ik ben, gelet op het hiervoor gestelde, ook van oordeel dat sluiting evenwichtig is.”
2.14.
Naar aanleiding van de aangetroffen softdrugs en munitie tijdens de tweede doorzoeking van de woning is tevens [gedaagde 2] aangehouden en als verdachte verhoord. Zij heeft twee dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht.
2.15.
Bij e-mailbericht van 14 mei 2024 heeft [betrokkene 3], zorgcoördinator bij Stichting [naam stichting] en betrokken bij de ondersteuning van het gezin van [betrokkene 1] en [gedaagde 2], de advocaat van [betrokkene 1] en [gedaagde 2] het volgende bericht:
“Sinds augustus 2021 ben ik als zorgcoördinator vanuit [naam stichting] betrokken bij de
ondersteuning van het gezin, bestaande uit de heer [betrokkene 1], zijn partner
mevrouw [gedaagde 2] en hun dochters [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het doel van onze
interventie was het gezin te stabiliseren en zelfredzaamheid te bevorderen zodat zij zelfstandig
konden voorzien in een eigen woonruimte.
Aan de start van het traject kampte het gezin met diverse uitdagingen, waaronder financiële
schulden en werkloosheid van de heer [betrokkene 1]. Ondanks deze moeilijkheden hadden
beide ouders aanzienlijke vooruitgang geboekt tijdens het traject, mede door hun inzet en
doorzettingsvermogen: (…)
Het laatste multidisciplinaire overleg vond plaats op 11 november 2023, waarbij door alle
betrokken partijen werd geconcludeerd dat het gezin aanzienlijke vooruitgang had geboekt.
Echter, de recente terugval van de heer [betrokkene 1] in februari 2024 brengt het risico met
zich mee dat het gezin hun woning kan verliezen, met potentieel verstrekkende gevolgen voor
met name de kinderen.
Naast het trauma dat vader tijdelijke grotendeels uit beeld is, kan dakloosheid [minderjarige 1] in een overlevingsstand plaatsen, met diepgaande gevolgen van stress en gevoel in de steek gelaten te worden. Tijdens mijn langdurige werkervaring heb ik kunnen ervaren dat dakloosheid bij kinderen niet alleen het vertrouwen in anderen, maar ook in zichzelf kunnen verliezen. Met traumatische gevolgen voor hun verdere ontwikkeling. Stabiele huisvesting is de basis om deze traumatische gebeurtenis zo goed als mogelijk te beperken, ook omdat het gezin niet kan terugvallen op een eigen netwerk, en er geen sprake meer is van regiobinding waardoor terugkeer in [plaats 1] niet haalbaar is.”
2.16.
Op 15 mei 2024 is namens [betrokkene 1] en [gedaagde 2] wederom een zienswijze ingediend tegen de voorgenomen sluiting van de woning. Het besluit naar aanleiding van de ingediende zienswijze was ten tijde van de zitting in deze zaak nog niet bekend.
2.17.
Bij e-mailbericht van 16 mei 2024 heeft [betrokkene 4] (ambulante jeugd- en gezinsprofessional bij Levvel) het volgende aan [gedaagde 2] bericht:
“Spoedhulp is onlangs ingezet door Veilig Thuis (momenteel is Jeugdbescherming betrokken) om met de volgende doelen aan de slag te gaan met het gezin:
- Het de-escaleren van de acute crisis en herstellen van de veiligheid.
- Ontwikkelingsbehoeften kind, gezins- en omgevingsfactoren en de opvoedingscapaciteit in kaart brengen en hierin bijpassende ondersteuning bieden.
- Het netwerk in kaart brengen en onderzoeken hoe zij het gezin kunnen ondersteunen en hen activeren.
- Welke hulpverlening is er nodig voor het gezin.
Er wordt op dit moment vol op hulp ingezet voor dit gezin en een uithuiszetting zou hierbij niet helpend zijn.”
3. Het geschil
3.1.
Ymere vordert – samengevat – en indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagden te veroordelen om de woning, staande en gelegen te [plaats 2] aan [adres] ([postcode]), binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, geheel leeg en ontruimd ter beschikking van eiseres te stellen en met alle daarin aanwezige personen en goederen te verlaten en te ontruimen, met machtiging aan eiseres om, indien gedaagden na verloop van die termijn na de betekening van het in deze te wijzen vonnis met die ontruiming in gebreke blijven, deze te doen uitvoeren, desnoods met behulp van de sterke arm van justitie en politie.
II. gedaagden te veroordelen, indien zij niet vrijwillig aan de onder I gevraagde veroordeling tot ontruiming voldoen en eiseres de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder dient te bewerkstelligen, aan eiseres de kosten van ontruiming te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming.
III. gedaagden te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 5.000,00, uit hoofde van de contractuele boete krachtens artikel 6.15 van de mede-overeengekomen algemene voorwaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening.
IV. gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de advocaat daaronder begrepen, vermeerderd met een voorwaardelijke veroordeling tot voldoening van het nasalaris, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen veertien (14) dagen na dagtekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden.
3.2.
Ymere legt – samengevat – het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Zij hanteert een zero-tolerancebeleid als het gaat om overtredingen van de Opiumwet. Dit blijkt uit de door haar gehanteerde algemene voorwaarden (artikel 6.15) en de bijbehorende boetebepaling. Volgens de door het Openbaar Ministerie toegepaste criteria (zoals neergelegd in de Aanwijzing Opiumwet) dient de tijdens de eerste doorzoeking aangetroffen hoeveelheid harddrugs (ten minste 69,3 gram) te worden aangemerkt als handelsvoorraad.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in drugs, in de omgeving waar dat
gebeurt, gevoelens van onrust en onveiligheid kan veroorzaken. Dit heeft tot gevolg dat de leefbaarheid en kwaliteit van de woonomgeving worden aangetast. Ymere heeft als toegelaten instelling als taak toe te zien op de leefbaarheid in de buurt. Het in strijd handelen met de Opiumwet (in combinatie met de in en nabij het gehuurde gevonden munitie/ vuurwapen) levert op zichzelf reeds een tekortkoming op van gedaagden in de nakoming van hun verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst als bedoeld in artikel 6:265 BW. Tevens hebben gedaagden in strijd met het gestelde in de mede-overeengekomen algemene voorwaarden gehandeld èn hebben gedaagden zich niet jegens Ymere gedragen zoals van een goed huurder mag worden verwacht. Uit de jurisprudentie volgt dat het niet noodzakelijk is, dat sprake is geweest van (direct) gevaar of overlast voor de omwonenden van het gehuurde, dan wel dat er een strafrechtelijke veroordeling moet zijn gevolgd.
Ymere stelt zich op het standpunt dat haar belangen bij een ontruiming van de woning zwaarder wegen dan het belang van gedaagden bij behoud van de woning. Van haar kan niet langer gevergd worden dat ze de huurovereenkomst met gedaagden voortzet. Volgens Ymere zijn er geen bijzondere omstandigheden op basis waarvan de ontruiming van het gehuurde moet worden afgewezen. De tekortkoming in de nakoming van hun verplichtingen is aan [betrokkene 1] en [gedaagde 2] toe te rekenen en zij zullen de consequenties daarom moeten aanvaarden.
3.3.
Met betrekking tot de haar gevorderde boete stelt Ymere zich op het standpunt dat
het boetebeding op zichzelf niet onredelijk kan worden geacht. De boete is gelimiteerd en van een onevenredig hoge schadevergoeding is geen sprake.
3.4.
[bewindvoerder] namens [betrokkene 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Toetsingskader
4.1.
Voorop staat dat de gevorderde voorlopige voorziening tot ontruiming van de woning slechts toewijsbaar is als aan de hand van de feiten en omstandigheden in dit geding hoogst waarschijnlijk is dat in een tussen partijen nog te voeren bodemprocedure een vordering tot ontruiming zal worden toegewezen. Een lichtere maatstaf is niet aanvaardbaar, omdat toewijzing van een ontruiming in een constellatie als de onderhavige de facto onomkeerbare gevolgen heeft.
Belangenafweging
4.2.
[gedaagde 2] stelt zich op het standpunt dat de tekortkoming gelet op de omstandigheden de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. Zij ontkent niet dat er drugs en munitie in de woning en een wapen in de auto zijn aangetroffen, maar wel dat zij daar enige weet van heeft gehad. [betrokkene 1] bevestigt in een overgelegde schriftelijke verklaring dat [gedaagde 2] niets wist van de drugs, de aangetroffen munitie en het aangetroffen wapen. Hij neemt alle verantwoordelijkheid op zich. Volgens [gedaagde 2] kan de tekortkoming haar daarom niet worden verweten. Hoewel de auto op haar naam stond, werd de auto enkel door [betrokkene 1] gebruikt. [gedaagde 2] maakte gebruik van een andere auto. Ter zitting heeft [gedaagde 2] aangegeven dat zij de keuze heeft gemaakt om zich op haarzelf en de opvoeding van haar dochters te richten. De relatie met [betrokkene 1] is inmiddels stuk en zij wil niet meer met hem in één woning wonen, aldus [gedaagde 2].
4.3.
[gedaagde 2] wijst erop dat zij momenteel alleen verantwoordelijk is voor de zorg van haar twee dochters van 1 en 4 jaar oud. De oudste dochter gaat naar een basisschool in de buurt. [gedaagde 2] heeft een baan met onregelmatige werktijden en volgt daarnaast een opleiding tot zorgprofessional. Het gezin heeft veel meegemaakt en wordt daarom begeleid door [naam stichting]. De begeleider vanuit deze organisatie heeft aangegeven dat het verlies van de woning een ontwrichtend en destabiliserend effect op het gezin zal hebben. De inval van de politie heeft met name op het oudste kind veel impact gehad: zij is daardoor angstig geworden. Ook heeft [gedaagde 2] onlangs een ingrijpende operatie ondergaan: een cyste, haar milt en een deel van haar alvleesklier zijn verwijderd. Momenteel is zij nog herstellende van deze operatie.
4.4.
Gelet op de verstrekkende gevolgen die een ontbinding voor haar en haar dochters zou hebben, meent [gedaagde 2] dat er harerzijds geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst die door de bodemrechter zo ernstig zal worden geacht dat deze tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal overgaan.
4.5.
Met betrekking tot de door Ymere gevorderde boete, voeren ( [bewindvoerder] namens) [betrokkene 1] en [gedaagde 2] aan dat het spoedeisend belang van Ymere bij deze vordering ontbreekt, dan wel dat sprake is van een onredelijk beding in de zin van de Richtlijn 93/131/EEG, dan wel dat matiging van de boete onder toepassing van artikel 6:94 BW op zijn plaats is omdat [gedaagde 2] er financieel alleen voor staat, nu [betrokkene 1] gedetineerd is.
4.6.
De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van de hiervoor weergegeven standpunten, mede ambtshalve, het volgende voorop.
4.7.
De Nationale ombudsman en de Kinderombudsman hebben in februari 2023 gerapporteerd over de gevolgen van huisuitzettingen voor gezinnen en in het bijzonder kinderen.1.Zij concludeerden in dat rapport onder meer dat de overheid tijdens huisuitzettingen van gezinnen niet aan haar mensenrechtelijke en kinderrechtelijke plichten voldoet. Zij doet te weinig om huisuitzettingen te voorkomen en houdt zich niet aan de verplichting dat huisuitzettingen niet tot dakloosheid mogen leiden.
Minister de Jonge heeft naar aanleiding van deze problematiek het Kabinetsstandpunt in een brief aan de Tweede Kamer uiteengezet.2.Aan die brief wordt het volgende ontleend:
(…)
Nederland heeft het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK) geratificeerd. In artikel 27, derde lid van het IVRK wordt het bieden van ondersteuning op het gebied van huisvesting expliciet genoemd als onderdeel van het recht op een toereikende levenstandaard. Ieder kind heeft recht op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind. Het hebben van een veilige plek om te wonen is, naast het beschikken over voldoende voedsel en kleding, een fundamenteel element van de menselijke waardigheid en de fysieke en geestelijke gezondheid. Daarom dient Nederland volgens het IVRK, indien de behoefte daaraan bestaat, te voorzien in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting. Hoewel ouders primair verantwoordelijk zijn om te zorgen voor huisvesting van henzelf en hun kinderen, moet de overheid hen daarbij helpen als zij daar zelf niet in slagen.
(…)
Andere situaties waarin mogelijk sprake kan zijn van het al dan niet tijdelijk niet kunnen bewonen van een woning, kunnen zich voordoen als een woning gesloten wordt, of er gehandhaafd wordt bij strijdig gebruik op grond van het bestemmingplan. Gronden voor sluiting van woningen zijn te vinden in de Woningwet (gevaar voor bewoners of omwonenden) en de Opiumwet (sluiting door de burgemeester). De (zorg)plicht uit artikel 27, derde lid van het IVRK richt zich in die gevallen ook tot de gemeente om bij de handhaving de belangen van kinderen voldoende mee te wegen, en eventueel voorzieningen te treffen. De ervaring leert dat gemeenten deze zorgplicht ook uiterst serieus nemen en niet snel overgaan tot het ultimum remedium, het sluiten van een woning dan wel daarbij ondersteuning bieden in het vinden van een noodoplossing voor het huishouden. Aangezien het in die uiterste gevallen waarin de woning niet meer gebruikt kan worden, een besluit van een bestuursorgaan betreft, staat ook in deze gevallen rechtsbescherming open en zal ook de bestuursrechter de belangen van eventueel betrokken kinderen betrekken en beoordelen of het besluit noodzakelijk en evenredig is.
(…)
Afgelopen december is het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis gelanceerd door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen en mijzelf. Daarin is onder andere tot doel gesteld dat huisuitzettingen zo veel mogelijk moeten worden voorkomen en indien dit toch gebeurt, dit niet mag leiden tot dakloosheid. Gemeenten hebben de taak om inwoners die zorg en ondersteuning nodig hebben te helpen. Het is dan ook logisch dat gemeenten inwoners ondersteunen om een dreigende huisuitzetting te voorkomen en een regiefunctie vervullen wanneer huisuitzetting onvermijdelijk blijkt. Vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), Participatiewet en de Jeugdwet kunnen gemeenten maatwerk leveren. Per huishouden kan bekeken worden wat nodig en mogelijk is voor het (…) betreffende huishouden. Dat kan in de vorm van preventieve hulp voor een eventuele huisuitzetting. Een van de doelen uit het Nationaal Actieplan Dakloosheid is dat huisuitzetting niet tot dakloosheid mag leiden en dat niemand wordt uitgezet zonder hulp voor een passende duurzame huisvestingsoplossing.
Na een huisuitzetting dient een gemeente in samenwerking met partners een alternatieve vorm van onderdak aan te bieden als de betreffende persoon hier zelf niet toe in staat is. Het uitgangspunt is dat de Maatschappelijke Opvang geen antwoord op het probleem is. Ik zal, samen met de VNG, gemeenten wijzen op de rol die zij moeten vervullen bij huishoudens die uit huis zijn gezet. Voor huishoudens met kinderen heeft het zo spoedig mogelijk permanent herhuisvesten altijd de voorkeur. Het belang van het organiseren van regie is hierbij onontbeerlijk.
Overigens is (…) men niet tegengekomen dat er in de maatschappelijke opvang kinderen tussen de dak- en thuislozen verblijven. Daar worden op maat oplossingen voor gezinnen getroffen, vaak in de vorm van aparte tijdelijke woonruimte. Uit navraag bij brancheorganisatie Valente blijkt dat dit in 2023 nog steeds staande praktijk is.
4.8.
Uit deze passages moet voorshands het volgende worden geconcludeerd:
- -
het wordt door het Kabinet anno 2024 maatschappelijk niet meer aanvaardbaar geacht dat huisuitzettingen ertoe leiden dat kinderen dakloos worden of gedwongen in de opvang moeten verblijven;
- -
daarbij is het in beginsel niet relevant wat de grondslag voor de huisuitzetting is;
- -
aan gemeenten wordt in dit verband een belangrijke rol toegekend;
- -
in gevallen als hier aan de orde, waarin de huisuitzetting een gevolg zou zijn van een besluit van de burgemeester, staat rechtsbescherming open. Dat impliceert opschorting van de uitzetting totdat de (bestuurs-)rechter het besluit (bij wege van voorlopige voorziening) heeft getoetst;
- -
in situaties waarin huisuitzetting onvermijdelijk is, heeft de gemeente een regiefunctie die moet worden ingezet om dakloosheid van het betrokken gezin te voorkomen. Dat lijkt te impliceren dat er in gevallen waarin het betrokken gezin in een corporatiewoning woont overleg tussen de gemeente en de corporatie plaatsvindt;
- -
dat geldt eens te meer in het onderhavige geval, waarin de woonsituatie in het kader van een maatschappelijk ondersteuningstraject tot stand is gekomen en hulpverlening reeds bij het gezin is betrokken.
4.9.
Het voorgaande is tijdens de mondelinge behandeling niet aan de orde gesteld, zodat Ymere zich over de inhoud van het Kabinetsstandpunt en de implicaties daarvan voor haar beleid en haar opstelling in de onderhavige zaak niet heeft kunnen uitlaten. Die gelegenheid zal haar alsnog worden geboden. Om de verdere gedachtenvorming over de aanpak van deze zaak richting te geven, zouden de navolgende overwegingen dienstbaar kunnen zijn.
4.10.
Het komt de voorzieningenrechter voor dat in een casus als de onderhavige een scherp onderscheid moet worden gemaakt tussen het woonrecht van de persoon die zich aan de hier aan de orde zijnde – ernstige – feiten schuldig heeft gemaakt en het woonrecht van diens gezinsleden, in het bijzonder minderjarige kinderen en de hen verzorgende ouder. De enkele omstandigheid dat die rechten van kinderen verdragsrechtelijk een bijzonder gewicht hebben en dat een ontruiming, in het algemeen gesproken, geacht moet worden juist op het welzijn van kinderen bijzondere impact te hebben dwingt daar al toe. Waar in het door Ymere gevoerde zero-tolerancebeleid bij overtredingen van de Opiumwet dat onderscheid niet wordt gemaakt, lijkt dat beleid in het licht van de actuele opvattingen van de overheid als hiervoor weergegeven aan enige nuancering toe te zijn.
4.11.
[gedaagde 2] heeft tijdens de zitting aangegeven dat ze na de gebeurtenissen van de afgelopen maanden heeft besloten dat de bescherming van haar gezin prioriteit moet krijgen en dat ze om die reden niet opnieuw met [betrokkene 1] onder hetzelfde dak wil wonen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze opstelling de mogelijkheid biedt voor maatwerk. Het belang van de leefbaarheid van de woonomgeving en de bescherming van omwonenden van [betrokkene 1] en [gedaagde 2] moet worden afgewogen tegen de belangen die zouden worden geschaad als de ontruiming wordt doorgezet, in die zin dat de variant waar alleen [betrokkene 1] een verbod van terugkeer in de woning krijgt als afzonderlijk scenario op toereikendheid kan en moet worden beoordeeld.
4.12.
Over de mate waarin het belang van de omwonenden in concreto is geschaad, is weinig bekend. Er is een vuurwapen aangetroffen in een auto en er is een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen in de woning. Dit lijkt op zichzelf reden genoeg voor het oordeel dat het in het belang van de omwonenden is dat [betrokkene 1] de woning niet opnieuw betrekt, maar dat betekent niet dat [gedaagde 2] en haar kinderen ook moeten wijken. Beantwoording van de vraag of dat het geval is noopt tot een separate belangenafweging, waarbij het belang van de kinderen, gegeven hetgeen hiervoor is overwogen, bijzonder gewicht in de schaal legt.
4.13.
Uit de brief van [betrokkene 3] van 14 mei 2024 (zie 2.15) blijkt dat een ontruiming een vergaande impact zal hebben op in het bijzonder het oudste kind van [betrokkene 1] en [gedaagde 2]. Bovendien wordt – blijkens de brief van [betrokkene 4] – op dit moment hard gewerkt aan het de-escaleren van de acute crisis en het herstel van de veiligheid binnen het gezin (zie 2.17). Een ontruiming zal volgens haar een averechts effect hebben. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat uit beide verklaringen moet worden afgeleid dat sprake is van een kwetsbaar gezin en dat een ontruiming ertoe zal leiden dat een reeds (met de nodige kosten) ingezet traject dat is gericht op herstel en stabilisering wordt afgebroken en, vooral, dat er mogelijk zeer schadelijke gevolgen voor de kinderen zullen zijn die niet of moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt.
4.14.
Uit de laatstgenoemde brief moet ook worden afgeleid dat de bij het gezin betrokken jeugdhulpverlening het tot haar taak heeft gerekend om de veiligheidssituatie van het gezin – en dan uiteraard met name van de kinderen – in het licht van de actuele stand van zaken in kaart te brengen. Voor zover daarin de vraag aan de orde komt of uithuisplaatsing van de kinderen nodig is, moet voorkomen worden dat een uit de opstelling van Ymere volgende dreiging van ontruiming als drijfveer voor de uithuisplaatsing van de kinderen gaat fungeren3.. Een zuivere beoordeling van de situatie in de geest van het gestelde in het Kabinetsstandpunt lijkt ermee gediend dat bij de beantwoording van de vraag wat er voor de veiligheid van de kinderen nodig is wordt uitgegaan van continuering van de onderhavige huisvesting voor moeder en kinderen, indien dat naar de opvatting van de instantie die met die taak is belast – de Raad voor de Kinderbescherming – met het oog op het welzijn van de kinderen de meest wenselijke oplossing is.
4.15.
Verder komt het de voorzieningenrechter voor dat het niet aanvaardbaar is dat omtrent de wetenschap en betrokkenheid bij de strafbare handelingen die [gedaagde 2] worden toegedicht in rechte oordelen ten nadele van haar woonpositie worden gevormd zonder dat kennis kan worden genomen van de relevante stukken in de strafzaak.
4.16.
Dit een en ander overziende verzoekt de voorzieningenrechter Ymere om uiterlijk 21 juni 2024 antwoord te geven op de volgende vragen.
- 1.
Wat is naar de opvatting van Ymere de relevantie van het hiervoor weergegeven Kabinetsstandpunt voor de toepassing van haar zero tolerance beleid in het algemeen en haar opstelling in de onderhavige zaak in het bijzonder?
- 2.
Op welke wijze wordt in de onderhavige zaak recht gedaan aan de in art. 27 IVRK geborgde rechten van het kind?
- 3.
Op welke wijze wordt in de onderhavige zaak gestalte gegeven aan de regie-functie van de gemeente waarover in de Kabinetsbrief wordt gesproken? Welke rol ziet Ymere voor zichzelf weggelegd om te bevorderen dat die regie ook daadwerkelijk plaatsvindt?
- 4.
In hoeverre laat Ymere zich in haar besluitvorming over de aanpak van de onderhavige zaak beïnvloeden door opvattingen van de bij het gezin betrokken hulpverlening? Vindt er afstemming tussen Ymere, de gemeente en de hulpverlening plaats?
- 5.
Ziet Ymere mogelijkheden om te bevorderen dat in zaken als de onderhavige de relevante stukken uit het strafdossier –gegeven een daartoe gevraagde en verkregen instemming van de betrokken verdachten – (standaard) onderdeel van het kort geding dossier gaan vormen?
4.17.
De wederpartij krijgt na dagtekening van de reactie van Ymere twee weken de gelegenheid om daarop te reageren, waarna de voorzieningenechter op basis van beide reacties zal beoordelen of voortzetting van de mondelinge behandeling wenselijk is.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
bepaalt dat Ymere uiterlijk op 21 juni 2024 een akte zal indienen waarin zij de bij randnummer 4.16 opgenomen vragen beantwoordt,
5.2.
bepaalt dat ( [bewindvoerder] namens) [betrokkene 1] en [gedaagde 2] uiterlijk twee weken na dagtekening van de akte van Ymere hun reactie daarop indienen,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2024.
1422
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑05‑2024
“Als de overheid niet thuis geeft…”, onderzoeksrapport van de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman van 24 januari 2023: https://www.nationaleombudsman.nl/publicaties/rapporten/2023001
Afschrift brief Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 4 juli 2023 met reactie op het rapport “Als de overheid niet thuis geeft…” https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2023/07/04/afschrift-brief-nationale-ombudsman-en-de-kinderombudsman-over-het-rapport-als-de-overheid-niet-thuis-geeft
We hebben een variant van dit mechanisme eerder gezien bij de toeslagenaffaire. Zie het Inspectierapport “Het kind van de rekening” https://www.inspectie-jenv.nl/Publicaties/rapporten/2023/09/13/inspectierapport-het-kind-van-de-rekening