Rb. Zeeland-West-Brabant, 07-05-2026, nr. 02-223285-25
ECLI:NL:RBZWB:2026:3810
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
02-223285-25
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2026:3810, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 07‑05‑2026; (Op tegenspraak)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Bewezenverklaring artikel 6 WVW. Oplegging taakstraf en voorwaardelijke OBM.
Partij(en)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-223285-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 mei 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1959,
wonende [adres] ,
raadsvrouw mr. S. Karakaya-Pilavci, advocaat te Leusden.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 april 2026, waarbij de officier van justitie mr. P.W.P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
op 9 maart 2025 een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is overleden, subsidiair ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg en meer subsidiair ten laste gelegd als het niet verlenen van voorrang waarbij letsel en schade is ontstaan.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Hoewel er geen sprake is van opzet kan er op basis van het dossier wel worden vastgesteld dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld door geen voorrang te verlenen én de kruising op te rijden zonder zich voortdurend en voldoende te vergewissen of de weg daartoe vrij was. Ten gevolge van dit verwijtbare handelen van verdachte is er een aanrijding ontstaan waardoor een ander is overleden.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het primair en subsidiair tenlastegelegde kan komen. Verdachte is voor de haaientanden gestopt en heeft naar links en rechts gekeken voordat zij de kruising opreed. Verdachte heeft de wielrenners echter niet gezien, waardoor zij hen geen voorrang heeft verleend en er dus sprake is van één enkele verkeersfout. Hooguit was sprake van een kort moment van onoplettendheid. Dit is onvoldoende voor het aannemen van schuld in de zin van artikel
6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Om die reden is evenmin sprake van gevaarzettend gedrag als bedoeld in artikel 5 WVW. Met het ontbreken van een verkeersongevallenanalyse in het dossier mist er ook een essentiële onderbouwing van de beweerde aanmerkelijke onoplettendheid of onvoorzichtigheid door verdachte. Indien gevaarzettend gedrag wel wordt aangenomen dan heeft verdachte daaraan geen schuld, zodat zij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor het meer subsidiaire feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt vast dat verdachte op 9 maart 2025 in [woonplaats] met haar personenauto over de [straat 1] in de richting van de [straat 2] reed en daarbij de kruising met de voorrangsweg de [straat 3] naderde. De voorrangssituatie blijkt uit het aan de rechterkant van de [straat 1] geplaatste B6 bord en de haaientanden op het wegdek voor de [straat 3] . Voor verdachte van rechts naderden op de [straat 3] een vijftal wielrenners de kruising. De wielrenners reden in een stoet / treintje van vijf waarbij het slachtoffer de heer [slachtoffer] de tweede wielrenner was. Gebleken is dat verdachte de voornoemde kruising met haar personen auto is opgereden, dat de voorste wielrenner de auto kon ontwijken en de heer [slachtoffer] met zijn fiets ter hoogte van het achterportier tegen de rechterflank van de personenauto is aangekomen. De heer [slachtoffer] is daardoor ten val gekomen waarbij direct ernstig hersenletsel is ontstaan. Enkele dagen later is de heer [slachtoffer] als gevolg van het ongeval overleden. De overige wielrenners zijn niet met de auto in aanraking gekomen.
Primair - schuld in de zin van artikel 6 WVW
De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of verdachte door haar gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW en zo ja, in welke mate. Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van de verkeersovertreding(en) en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van schuld is sprake wanneer de verdachte zich roekeloos, dan wel in hoge of aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Het rijgedrag van verdachte moet daarvoor worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht.
De rechtbank stelt vast dat niet duidelijk is geworden of verdachte, zoals zij zegt, voor de kruising is gestopt, of dat zij, zoals getuigen verklaren, met een gematigde snelheid zonder stoppen de kruising is opgereden. Wat hiervan ook zij, de rechtbank stelt vast dat verdachte de kruising is opgereden zonder zich voldoende en voortdurend te vergewissen of de weg vrij was om over te steken. Gelet op het feit dat de vijf wielrenners achter elkaar in een zogenoemd treintje fietsten en verder gezien de door hen gereden relatief lage snelheid van rond de 26 kilometer per uur, de goede weersomstandigheden én het vrije zicht voor verdachte naar rechts, is de rechtbank van oordeel dat er bij het naderen en oversteken van de kruising, al dan niet na met de auto gestopt te zijn, meerdere en langere momenten zijn geweest waarop verdachte de wielrenners had kunnen en moeten zien. Bij het naderen van de kruising had verdachte immers langere tijd naar rechts vrij zicht. Het treintje van wielrenners is dermate lang en in beweging dat dit niet verscholen kan zijn geweest achter een stijl van de voorruit, zoals verdachte als mogelijkheid heeft geopperd. Gelet op al deze omstandigheden heeft verdachte bij het naderen van de kruising en het oprijden van de kruising niet voldoende en niet voortdurend opgelet of zij die kruising vrij kon oversteken. Dit is geen situatie van een moment kijken en niet zien. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onder deze omstandigheden niet gesproken kan worden van een enkele verkeersfout of een kort moment van onoplettendheid.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld en daarmee schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, waardoor een ander is komen te overlijden. Het primair ten laste gelegde feit is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 9 maart 2025 te [woonplaats] , gemeente Zundert, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend - gekomen bij de kruising van de [straat 1] met de [straat 3] geen gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod inhouden, immers heeft zij, verdachte, geen voorrang verleend ondanks een voor haar, verdachtes, rijrichting bestemd bord welk aangeeft dat je voorrang dient te verlenen (bord B6) in combinatie met haaientanden voor haar, verdachte, op de weg en - zonder zich er voortdurend en voldoende van te vergewissen dat de weg welke verdachte wilde afleggen vrij was om bovengenoemde kruising over te steken,
bij het oversteken geen voorrang te verlenen aan een voor haar, verdachte, van rechts komende wielrenner waardoor zij, verdachte, in aanrijding is gekomen met voornoemde wielrenner en diens fiets, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) is gedood.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt er acht op te slaan dat er geen sprake is van opzet of roekeloosheid en dat verdachte deze gevolgen ook nooit heeft gewild. Verder wordt gevraagd rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verzocht wordt te volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen, dan wel de eis van de officier van justitie fors te matigen. Ook is verzocht om geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen, omdat verdachte haar rijbewijs nodig heeft.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt waardoor een wielrenner, de heer [slachtoffer] , is komen te overlijden. Uit de op de zitting namens de echtgenote van de heer [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring is het voor haar en alle nabestaanden grote en ingrijpende verlies invoelbaar duidelijk geworden.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat er sprake is van schuld in de vorm van aanmerkelijke onoplettendheid. Dit is, in de zin van artikel 6 WVW, de laagste schuldgradatie. De rechtbank weegt dit mee in de strafmaat.
Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte geen strafblad heeft. In de ongeveer 47 jaar dat verdachte haar rijbewijs heeft, is zij niet met justitie in aanraking geweest.
Ook slaat de rechtbank acht op het reclasseringsrapport van 9 april 2026 dat over verdachte is opgemaakt. Hieruit blijkt dat er geen criminogene of risicoverhogende factoren op de leefgebieden zijn. Verdachte is een open, sociale en stabiele vrouw die een conventioneel leven leidt. Zij probeert haar leven kleur te geven, ondanks de vele traumatische ervaringen die zij heeft moeten doorstaan en haar verschillende lichamelijke klachten. Haar sociale omgeving en psychosociaal functioneren zijn beschermende factoren. Er wordt geen enkele reden gezien voor het opleggen van reclasseringsinterventies. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Verdachte heeft ter zitting haar verantwoordelijkheid genomen en medeleven getoond aan de nabestaanden. Ook heeft zij aangegeven open te staan voor contact als zij daaraan toe zijn. Dit komt op de rechtbank oprecht over.
De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) gaan voor een verkeersongeval met de dood tot gevolg, waarbij geen alcoholgebruik aan de orde is en waarbij de categorie “aanmerkelijke schuld” bewezen wordt verklaard, uit van een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van een jaar. De rechtbank ziet echter aanleiding om in matigende zin van de oriëntatiepunten af te wijken. Dit vanwege de omstandigheid dat de mate van schuld de ondergrens raakt van deze categorie en gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals hierboven geschetst.
Alle omstandigheden in ogenschouw genomen legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf voor de duur van 150 uren, bij niet goed verrichten te vervangen door 75 dagen hechtenis. De rechtbank ziet geen aanleiding om een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen, aangezien sinds het feit inmiddels ruim een jaar is verstreken en ook in die tussenliggende tijd niet is gebleken van enig contact met politie en justitie. De rechtbank legt daarom de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen geheel voorwaardelijk op voor de duur van een jaar met een proeftijd van een jaar.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren;
- beveelt dat, indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;
Bijkomende straf
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar;
- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.F. Vliegenberg, voorzitter,
en mr. M.E.I. Beudeker en mr. P.K.J. van der Wal, rechters,
in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 mei 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
zij op of omstreeks 9 maart 2025 te [woonplaats] , gemeente Zundert, alsverkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmederijdende over de weg, [straat 4] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijnschuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk gevalzeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- gekomen bij de kruising van de [straat 1] met de [straat 3] -geen gevolg te geven aan een verkeersteken(s) die/dat een gebod of verbodinhoud(t)(en), immers heeft zij, verdachte, geen voorrang verleend ondanks eenvoor haar, verdachtes, rijrichting bestemd bord welk aangeeft dat je voorrang dientte verlenen (bord B6) in combinatie met haaientanden voor haar, verdachte, op deweg, en/ofzonder zich er voortdurend/voldoende van te vergewissen dat de weg welkeverdachte wilde afleggen vrij was om bovengenoemde kruising over te steken,bij het oversteken geen voorrang te verlenen aan een voor haar, verdachte, vanrechts komende wielrenner waardoor zij, verdachte, in botsing/aanrijding isgekomen met voornoemde wielrenner en/of diens fiets,waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) is gedood;( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:zij op of omstreeks 9 maart 2025 te [woonplaats] , gemeente Zundert, als bestuurdervan een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [straat 1] ,- gekomen bij de kruising van de [straat 1] met de [straat 3] -geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken(s) die/dat een gebod of verbodinhoud(t)(en), immers heeft zij, verdachte, geen voorrang verleend ondanks eenvoor haar, verdachtes, rijrichting bestemd bord welk aangeeft dat je voorrang dientte verlenen (bord B6) in combinatie met voor haar, verdachte, haaientanden op deweg, en/ofzonder zich er voortdurend/voldoende van heeft vergewist dat de weg welkeverdachte wilde afleggen vrij was om bovengenoemde kruising over te steken,bij het oversteken van de kruising geen voorrang heeft verleend aan een voor haar,verdachte, van rechts komende wielrenner waardoor zij, verdachte, inbotsing/aanrijding is gekomen met voornoemde wielrenner en/of diens fiets,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,althans kon worden gehinderd;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:zij op of omstreeks 9 maart 2025 te [woonplaats] , gemeente Zundert, alsbestuurder/bestuurster van een personenauto op de voor het openbaar verkeeropenstaande weg, de [straat 1] , ter plaatse waar voor een kruisende weg, te wetende voor het verkeer openstaande weg, de [straat 3] , een bord B 6 vanbijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst -aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - geen gevolgheeft gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod of een verbod inhoudt, immersheeft zij, verdachte, de bestuurder van een op die kruisende weg rijdendewielrenfiets niet in staat gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen, waarbij letselaan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.( art 62 jo bord B6 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 )