HR, 12-01-2021, nr. 19/01856
ECLI:NL:HR:2021:2
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-01-2021
- Zaaknummer
19/01856
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:2, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑01‑2021; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2019:598
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1040
ECLI:NL:PHR:2020:1040, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑11‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:2
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑06‑2020
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0002
Uitspraak 12‑01‑2021
Inhoudsindicatie
Chaletmoord Ermelo. Medeplichtigheid aan medeplegen van brandstichting (art. 157 Sr) en medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot verbranding lijk (art. 151 Sr). Ondervragingsrecht getuigen, art. 6.3.d EVRM. Kan steunbewijs voor niet ondervraagde getuige worden gevonden in verklaring van andere niet ondervraagde getuige? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1017 en ECLI:NL:HR:2017:1016 m.b.t. vraag wanneer bewezenverklaring in beslissende mate steunt op verklaring van een niet door verdediging ondervraagde getuige. De vraag of steunbewijs voor verklaring van door verdediging niet-ondervraagde getuige (mede) kan worden gevonden in verklaring van andere door verdediging niet-ondervraagde getuige moet ontkennend worden beantwoord. Indien bewezenverklaring (mede) berust op verklaringen van meerdere getuigen die door verdediging niet konden worden ondervraagd, dient steunbewijs te worden gevonden in andere b.m. dan die verklaringen (vgl. EHRM Schatschaschwili /Duitsland). Hof heeft vastgesteld dat verdediging t.a.v. getuigen A en B geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om hen te ondervragen. Hof heeft verklaringen van deze getuigen echter wel gebruikt voor bewijs en in dat verband geoordeeld dat bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op verklaring van een door verdediging niet-ondervraagde getuige. Daartoe heeft hof m.b.t. verklaringen van A en B o.m. overwogen dat het “niet één, maar twee zelfstandige, belastende verklaringen [betreft], die elkaar over en weer ondersteunen”. Die overweging geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting, nu daarin besloten ligt ‘s hofs oordeel dat hiervoor bedoelde steunbewijs voor verklaring van door verdediging niet-ondervraagde getuige, (mede) kan worden gevonden in verklaring van andere door verdediging niet-ondervraagde getuige. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/00515 en 19/00919.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/01856
Datum 12 januari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 januari 2019, nummer 21/006867-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Waar het in deze zaak om gaat
De advocaat-generaal heeft in zijn conclusie onder 4 als volgt samengevat waar het in deze zaak om gaat:
“De zaak, die landelijke bekendheid heeft gekregen als de ‘chaletmoord’, gaat over het volgende. Op 14 maart 2014 omstreeks 21.30 uur krijgt de brandweer een melding om naar bungalowpark [A] in Ermelo te gaan waar een bungalow (‘chalet’) in brand zou staan. De brandweer treft in de bungalow het stoffelijk overschot aan van, naar later zal blijken, [slachtoffer], die al eerder door zijn familie als vermist was opgegeven. Onderzoek wijst uit dat hij door geweld om het leven is gekomen en dat de bungalow in brand is gestoken. [medeverdachte 3], de zus van de verdachte, is onder meer veroordeeld wegens het van het leven beroven van [slachtoffer]. [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] zijn veroordeeld in verband met het in brand steken van het chalet en de poging tot het verbranden van een lijk met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. De verdachte is veroordeeld wegens medeplichtigheid aan de door [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] begane feiten. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zijn auto ter beschikking heeft gesteld om [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van de bungalow en dat hij aan hen een jerrycan gevuld met benzine beschikbaar heeft gesteld.”
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over het gebruik van de verklaringen van de getuigen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] voor het bewijs van het bewezenverklaarde, terwijl de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest deze getuigen te ondervragen en de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het voert daartoe onder meer aan dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het bewijs niet in beslissende mate steunt op de verklaring van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen omdat het “twee zelfstandige, belastende verklaringen” betreft “die elkaar over en weer ondersteunen”.
3.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1 subsidiair
[medeverdachte 2] en [betrokkene 1] in de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand hebben gesticht, hierin bestaande dat die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] en een ander opzettelijk brand hebben gesticht in een woning (te weten een chalet […], gelegen op chaletpark/bungalowpark [A]), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine(damp), in elk geval met (een) brandbare stof), ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was, tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft hij, verdachte, zijn auto ter beschikking gesteld om die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van voornoemde woning en heeft hij, verdachte, een jerrycan gevuld met benzine, beschikbaar gesteld aan die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1];
2 subsidiair:
[medeverdachte 2] en [betrokkene 1] in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] en hun mededader voorgenomen misdrijf om een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer], te verbranden of weg te maken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, een brandbare stof (te weten benzine) in de omgeving van het stoffelijk overschot hebben gesprenkeld en (vervolgens) die benzine/brandbare stof hebben aangestoken danwel tot ontbranding hebben gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft hij, verdachte, zijn auto ter beschikking gesteld om die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van de plaats waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] zich bevond (te weten in een chalet […], gelegen op chaletpark/bungalowpark [A]), en heeft hij, verdachte, een jerrycan gevuld met benzine, beschikbaar gesteld aan die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1].”
3.2.2
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang, het volgende overwogen:
“Bij arrest van heden is [medeverdachte 3] veroordeeld voor de doodslag op [slachtoffer]. Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij als medepleger of medeplichtige verantwoordelijk is voor de brandstichting in het chalet waar het slachtoffer lag (feit 1), om te proberen het stoffelijk overschot van [slachtoffer] te verbranden (feit 2).
(...)
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte verklaard heeft dat hij geweigerd heeft te helpen met het in brand steken van het chalet. Zijn auto en de jerrycan zijn zonder zijn medeweten door de medeverdachte(n) meegenomen. Dit alternatieve scenario is niet onaannemelijk en wordt niet door de overige bewijsmiddelen weerlegd. De verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] zijn wisselend en tegenstrijdig. Bovendien is gebruik van deze verklaringen in strijd met de Vidgen-jurisprudentie. Ook indien de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] betrouwbaar worden geacht sluiten deze verklaringen de verklaring van verdachte niet uit.
Het oordeel van het hof
(...)
Het hof is van oordeel dat het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde, de medeplichtigheid, (...) wettig en overtuigend bewezen is. Het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Kern van het verweer van de verdediging is dat de medeverdachten de auto en de jerrycan van verdachte zonder zijn medeweten en medewerking hebben meegenomen.
Ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde verklaren [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] echter belastend voor verdachte. Het hof acht deze verklaringen, zoals hierna nog zal worden overwogen, zowel betrouwbaar als bruikbaar voor het bewijs. De stelling van de verdediging dat de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] de verklaring van verdachte niet uitsluiten is naar het oordeel van het hof onjuist, zoals blijkt uit de volgende weergave.
[medeverdachte 2] verklaart dat verdachte zijn auto heeft aangeboden voor de brandstichting, dat hij [medeverdachte 2] bij het voetbalveld de sleutel van de auto en een tientje om te tanken heeft gegeven, en dat [medeverdachte 3], die contact had met haar broer, vertelde waar in de schuur van verdachte een jerrycan met benzine stond. [betrokkene 1] verklaart dat bij verdachte thuis is besproken dat er iemand in het chalet van [medeverdachte 3] lag, en dat verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met de oplossing kwamen dat de brand er in moest. Verdachte had benzine in zijn schuur staan en die kon meegenomen worden, en de auto kon worden opgehaald bij het werk van verdachte.
Het hof acht als gezegd deze verklaringen betrouwbaar. [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] hebben ook zichzelf, in veel grotere mate dan verdachte, belast. In dat licht is er voor hen geen reden om de rol van verdachte groter te maken dan die in werkelijkheid was. Hun verklaringen ondersteunen elkaar en ze worden bovendien op meerdere punten ondersteund. Zo volgt uit de verklaring van [medeverdachte 3] dat er inderdaad gezegd is dat “de fik erin moest” en dat het zou kunnen dat zij dit gezegd heeft. Verdachte heeft, hoewel hij dat later heeft tegengesproken, verklaard dat hij wist dat er een dode man in het chalet lag.
Uit het dossier blijkt ook dat er zoals door [medeverdachte 2] is verklaard voor een klein bedrag is getankt met de auto van verdachte. Voor dat tanken is weliswaar betaald met een pinpas, maar het gepinde bedrag komt ongeveer overeen met het bedrag dat hij volgens [medeverdachte 2] van verdachte heeft gekregen om te tanken.
Vidgen
Zoals hiervoor is vastgesteld, acht het hof de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] over de rol van verdachte bij het tenlastegelegde betrouwbaar. Het hof dient thans te beoordelen of de verklaringen, zoals de raadsman heeft betoogd, op grond van de Vidgen-problematiek moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Het overweegt daartoe als volgt.
Het hof overweegt dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat op grond van artikel 6 van het EVRM de verdediging aanspraak heeft op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.
Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.
Het hof stelt vast dat de verdediging ten aanzien van de getuigen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om hen te ondervragen. De vraag waar het hof zich vervolgens voor gesteld ziet, is of een bewezenverklaring in beslissende mate zou steunen op de verklaring van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is.
Bijzonder in deze zaak is dat het gaat om de belastende verklaringen van twee medeverdachten, die zich bij de ondervraging door de verdediging op hun verschoningsrecht hebben beroepen. Naar het oordeel van het hof verzet de Vidgen-jurisprudentie zich niet tegen het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1]. Het betreft immers niet één, maar twee zelfstandige, belastende verklaringen, die elkaar over en weer ondersteunen en die, zoals hiervoor uiteengezet is, op meerdere punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De betrokkenheid van verdachte wordt daarnaast ondersteund door de verkeersgegevens, waaruit blijkt dat er op de bewuste dag veelvuldig telefonisch contact is tussen verdachte en [medeverdachte 3], waaronder 14 keer tussen 19:30 uur en 21:41 uur, ook wanneer verdachte aan het werk is op de voetbalclub en de auto wordt opgehaald. Uit het dossier volgt ook dat [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] met de auto van verdachte naar het chalet van [medeverdachte 3] zijn gereden, en de brand hebben gesticht met behulp van de jerrycan die zij uit het schuurtje van verdachte hebben gehaald. De auto is vervolgens weer teruggebracht.
Conclusie
Het hof stelt vast dat verdachte wist dat er een dode man in het chalet van [medeverdachte 3] lag, dat hij betrokken was bij het maken van het plan om brand te stichten en dat hij daarvoor zijn auto en een jerrycan met brandbare vloeistof ter beschikking heeft gesteld.”
3.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 4 december 2018, 11 december 2018 en 10 januari 2019 houdt onder meer het volgende in:
- als verklaring van de getuige [medeverdachte 2]:
“Ik beroep mij op mijn zwijgrecht.”
- als verklaring van de getuige [betrokkene 1]:
“Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.”
3.3.1
In de situatie dat een getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont op grond van een daartoe door de wet gegeven bevoegdheid en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt of doet stellen, ontbreekt een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging (vgl. HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017). Voor dergelijke situaties heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, met het oog op artikel 6 EVRM onder meer het volgende overwogen:
“3.2.1. (...) De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid [tot ondervraging], staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.
3.2.2.
Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.
3.2.3.
Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.”
3.3.2
In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of het hiervoor bedoelde steunbewijs voor zo een verklaring van een getuige die door de verdediging niet kon worden ondervraagd, (mede) kan worden gevonden in een verklaring van een andere getuige die door de verdediging evenmin kon worden ondervraagd. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Indien de bewezenverklaring (mede) berust op verklaringen van meerdere getuigen die door de verdediging niet konden worden ondervraagd, dient het hiervoor bedoelde steunbewijs te worden gevonden in andere bewijsmiddelen dan die verklaringen. (Vgl. EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), rechtsoverweging 114).
3.3.3
Het hof heeft vastgesteld dat de verdediging ten aanzien van de getuigen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om hen te ondervragen. Het hof heeft de verklaringen van deze getuigen echter wel gebruikt voor het bewijs, en in dat verband geoordeeld dat de bewezenverklaring niet in een beslissende mate steunt op de verklaring van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen. Daartoe heeft het hof met betrekking tot de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] onder meer overwogen dat het “niet één, maar twee zelfstandige, belastende verklaringen [betreft], die elkaar over en weer ondersteunen”. Gelet op het voorgaande, geeft die overweging blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu daarin besloten ligt het oordeel van het hof dat het hiervoor bedoelde steunbewijs voor een verklaring van een getuige die door de verdediging niet kon worden ondervraagd, (mede) kan worden gevonden in een verklaring van een andere getuige die door de verdediging evenmin kon worden ondervraagd. Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld.
3.4
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste cassatiemiddel voor het overige en van het tweede cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2021.
Conclusie 10‑11‑2020
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Chaletmoord te Ermelo. Medeplichtigheid aan opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is (art. 48 jo. 157 Sr) en medeplichtigheid aan poging tot een lijk verbranden met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen (art. 48 jo. 151 jo. 45 Sr) Middel over het oordeel van het hof dat de verklaringen van de door de verdediging niet-ondervraagde medeverdachten zonder schending van het ondervragingsrecht (art. 6, derde lid onder d, EVRM ) voor het bewijs kunnen worden gebruikt omdat die bewezenverklaring niet alleen of in beslissende mate op die verklaringen steunt. Betekenis van de verklaringen van twee getuigen die elkaar ‘over en weer’ ondersteunen. De AG adviseert de bestreden uitspraak te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar het hof.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/01856
Zitting 10 november 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
Het cassatieberoep
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 24 januari 20191.wegens (de eendaadse samenloop van) 1. “medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” en 2. “medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot een lijk verbranden met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft verder de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.
2. De zaak hangt samen met de zaken met de nummers 19/00515 ( [medeverdachte 3] ) en 19/00919 ( [medeverdachte 2] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
4. De zaak, die landelijke bekendheid heeft gekregen als de ‘chaletmoord’, gaat over het volgende. Op 14 maart 2014 omstreeks 21.30 uur krijgt de brandweer een melding om naar bungalowpark [A] in Ermelo te gaan waar een bungalow (‘chalet’) in brand zou staan. De brandweer treft in de bungalow het stoffelijk overschot aan van, naar later zal blijken, [slachtoffer] , die al eerder door zijn familie als vermist was opgegeven. Onderzoek wijst uit dat hij door geweld om het leven is gekomen en dat de bungalow in brand is gestoken. [medeverdachte 3] , de zus van de verdachte, is onder meer veroordeeld wegens het van het leven beroven van [slachtoffer] . [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] zijn veroordeeld in verband met het in brand steken van het chalet en de poging tot het verbranden van een lijk met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. De verdachte is veroordeeld wegens medeplichtigheid aan de door [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] begane feiten. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zijn auto ter beschikking heeft gesteld om [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van de bungalow en dat hij aan hen een jerrycan gevuld met benzine beschikbaar heeft gesteld.
De middelen
5. Het eerste middel klaagt over het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de getuigen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] , terwijl de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest deze getuigen te ondervragen, de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en de verdachte niet voldoende is gecompenseerd voor de beperkingen van het ondervragingsrecht.
6. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“1 subsidiair
[medeverdachte 2] en [betrokkene 1] in de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand hebben gesticht, hierin bestaande dat die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] en een ander opzettelijk brand hebben gesticht in een woning (te weten een chalet A23, gelegen op chaletpark/bungalowpark [A] ), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine(damp), in elk geval met (een) brandbare stof), ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was, tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft hij, verdachte, zijn auto ter beschikking gesteld om die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van voornoemde woning en heeft hij, verdachte, een jerrycan gevuld met benzine, beschikbaar gesteld aan die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] ;
2 subsidiair:
[medeverdachte 2] en [betrokkene 1] in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] en hun mededader voorgenomen misdrijf om een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , te verbranden of weg te maken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, een brandbare stof (te weten benzine) in de omgeving van het stoffelijk overschot hebben gesprenkeld en (vervolgens) die benzine/brandbare stof hebben aangestoken danwel tot ontbranding hebben gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft hij, verdachte, zijn auto ter beschikking gesteld om die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van de plaats waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] zich bevond (te weten in een chalet A23, gelegen op chaletpark/bungalowpark [A] ), en heeft hij, verdachte, een jerrycan gevuld met benzine, beschikbaar gesteld aan die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] .”2.
7. De bewezenverklaring steunt op de volgende, in de aanvulling op het verkort arrest als bedoeld in art. 365a juncto art. 415, eerste lid, Sv opgenomen, bewijsmiddelen:
“1. een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] , opgemaakt door (…), respectievelijk medewerker opsporing en hoofdagent van politie Oost-Nederland, gesloten op 29 september 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
V: Wat was de reden dat jullie naar [verdachte] gingen? De broer van [medeverdachte 3] (hof: [medeverdachte 3] )?
A: Waarom we daar heen gingen? Zij wilde denk ik vragen... wacht.. ik was nog aan het vertellen, ze wilde van hem weten wat ze moest doen en of hij haar wilde helpen. Zijn idee was, om te vertellen dat er ruzie was en dat er dan eentje dood was, heeft ze verteld ja. Toen bood hij zijn auto aan. Om die man uit het chalet te halen.
V: Oké.
A: Daar heeft [betrokkene 1] ook bij gezeten. En toen zei ze van, die kan niet in mijn Twingo, toen heeft hij zijn auto aangeboden. En ik had zoiets, ik ga niks meer zeggen. En toen zei ze, dan rijd jij met die bus met hem erin, en rijd ik met de Twingo er achteraan. Ik zei: dat denk ik niet. En daar kregen we woorden over. Die broer had bedacht Duitsland in en daar in het water dumpen.
V: En dan?
A: Weggegaan, richting McDonalds gereden, [medeverdachte 3] had honger. Ik had absoluut geen honger, en ik sla een stuk over. De politie heeft gebeld en toen is ze in paniek geschoten. Toen zijn we teruggereden en toen is besloten dat de brand erin moest. Dat hebben [medeverdachte 3] en die broer besloten. Hij heeft gezegd, dingen kan er niet bij zijn. Met jouw auto.
V: [medeverdachte 3] kan er zelf niet bij zijn?
A: Nee want jouw auto valt teveel op. Wij moesten dat met zijn auto doen. En je ziet een jerrycan had hij in die schuur staan, met benzine.
V: Maar jullie moesten in ieder geval terug naar [verdachte] ?
A: Zij kon niet bij die woning gezien worden en mij kenden ze toch niet. En in de schuur bij [verdachte] , bij de oprit zit er een poortdeurtje, daar zit een schuurtje met een werkbank, daar stond een jerrycan met benzine onder. Alles stond open en [medeverdachte 3] vertelde ons dat we dat moesten pakken.
V: Waar was [verdachte] toen?
A: Bij de voetbalwei.
V: Je bedoelt [medeverdachte 3] ?
A: Ja, dat er absoluut geen politie bij mocht komen. Toen hebben we gewacht tot een bepaalde tijd, zij had contact met haar broer. Hij is naar buiten gekomen bij de voetbalwei en autosleutel gegeven, met een tientje om te tanken. Contant. De auto moeten pakken. En we zijn weggereden, [betrokkene 1] wist hoe we naar het chalet moesten rijden.
V: Maar als je die auto hebt, heb je nog niet de benzine. Die jerrycan stond in het schuurtje.
A: We hebben zijn auto gepakt met tien euro om te tanken. Toen zijn we naar zijn huis gereden en hebben we die jerrycan gepakt. Zij had een tas bij, [betrokkene 1] , daar hebben we dat in gedaan.
V: Jij bent in de auto gestapt van [verdachte] , met [betrokkene 1] .
A: Toen zijn [betrokkene 1] en ik, die jerrycan gehaald en heldhaftig drie kwartier rondgereden omdat we allebei niet durfden. Drie keer over het park heen gelopen volgens mij. Die jerrycan zat in haar tas. Toen zijn we naar binnen toegegaan.
V: Wie had de sleutel?
A: Volgens mij zij. Zij had de sleutel volgens mij. En ik had nog gezegd dat ze uit moest kijken dat daar die meneer dan lag.
V: Hoe reageerde ze erop?
A: Zij verstijfde ook en schrok heel erg. Ze bleef ook stilstaan.
A: De jerrycan hebben we zo in de woonkamer gegooid. En ze stond zenuwachtig zo dat het niet lukte met aansteken.
V: Tot waar is [betrokkene 1] binnen geweest in de woning. Ze had de jerrycan in de handen, wat deed ze precies en waar was dat?
A: In het woonkamer gedeelte en slaapkamerstukje daar zo...
V: Toen heb jij..? Je zei toen heb ik het van haar afgepakt.
A: Ik heb die jerrycan afgepakt, ik moet hier zo snel mogelijk weg in paniek.
V: Wie heeft het aangestoken?
A: We zaten met 2 man op de grond. En toen we allebei omdraaiden, klapten we samen tegen de deur aan.
V: Hoe is het aangestoken?
A: Met een aansteker. We hadden allebei een aansteker vast. Een andere.
V: Wat kan je vertellen over het matras in de gang?
A: dat lag volgens mij op hem, over hem heen.
V: Lag over hem heen?
A: Hebben we nog een stukje daarheen getrokken. [betrokkene 1] en ik.
V: Waar heb je dat matras vandaan gehaald?
A: In de woonkamer, alles stond in de woonkamer. We zeiden nog, er is hier niks wat kan branden.
V: Waar is allemaal benzine gegooid besprenkeld.
A: Was maar een heel klein kannetje.
V: Waar heb je dat neergegooid? Gesprenkeld?
A: In de woonkamer zo en terug de hal in.
V: Nog op andere kamers?
A: [betrokkene 1] had volgens mij de andere kamer gedaan, in de hoek.
V: En die matras die jullie versleept hebben richting slachtoffer? Wat is daarmee gedaan?
A: Die hebben we eerst versleept en benzine overheen gegooid. Dat was dichter bij de ingang, matras aansteken en dan naar buiten rennen.
V: Waar zijn jullie naar toe gereden?
A: Naar de pomp, ik heb gereden.
V: En toen?
A: We hebben de auto getankt.
V: Hoe lang was het rijden?
A: Was snelweg op en snelweg weer af. Langs een soort carpooldeel waar we hebben gestaan en [medeverdachte 3] is daar heen gekomen. [betrokkene 1] moest bij haar instappen en ik moest terug, ze had me het adres gegeven van de voetbal, ik moest naar [verdachte] rijden, de auto terugbrengen.
V: Hoe wist je je dat je daarheen moest dan?
A: Ze had het ingesteld op mijn telefoon, en toen heb ik ook mijn telefoon teruggekregen. Toen ben ik naar [verdachte] gereden op de voetbal. Die stond al buiten. Is in zijn auto gesprongen. En hij zei, wat ga je doen? Ik moet hier wachten op [medeverdachte 3] zei ik. En hij is weggereden.
V: Dan zit je te wachten tot [medeverdachte 3] terug zou komen?
A: Die broer is weggereden. En toen heb ik hem nog terug voorbij zien komen en weer terug voorbij en toen kwam hij weer terug. Toen zag hij me nog staan. Wat doe je hier nog steeds? Ik moest wachten op [medeverdachte 3] . Hij zei stap maar in.
2. een proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 1] , opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van politie Oost- Nederland, gesloten op 7 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
Toen zijn we verder gereden richting Ermelo. Naar haar broer [verdachte] zijn we nog even geweest.
V: Waarom?
A: [medeverdachte 3] zat met een probleem, met een dooie man in haar huis. Haar broer vertelde ze iets anders iets over een drugsdeal en dat er daardoor een dooie in haar huis lag en dat zij niks had gedaan.
3. een proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 1] , opgemaakt door (…), beiden hoofdagent van politie Oost- Nederland, gesloten op 15 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (...):
V : Hoe zit het nou met het bezoek aan [verdachte] ?
A: [medeverdachte 3] zei zoiets van: [verdachte] er is wat gebeurd. Hij zei: Ja wat dan? Ze zei dat er wat in haar huis was gebeurd betreffende een drugsdeal en dat daar nu iemand lag en dat zij een grotere auto nodig had, dus eventueel die van [verdachte] en het liefst of [verdachte] mee kwam, want zij kon hem met [medeverdachte 2] niet tillen.
[verdachte] ging eten bestellen die zegt: Nee, want ik moet nog klussen, ik moet nog weg.
V: Wat zei [verdachte] ?
A: Die begon te schelden van godverdomme, wat is dit nou weer. [medeverdachte 3] zei: die moet daar wel weg natuurlijk uit het huisje.
V: Zei ze daar een naam bij?
A: Nee. Toen zei [verdachte] volgens mij: [medeverdachte 3] loop eens mee. Toen gingen ze samen naar boven.
Toen kwamen [verdachte] en [medeverdachte 3] weer beneden en [verdachte] ging niet mee en toen was het van: wat nu? En toen ging het over de brand, want [verdachte] moest echt gewoon werken.
V: Wie kwam daarmee, met de brand?
A: [medeverdachte 3] . Ik probeer even terug te halen hoe dat ging. Volgens mij was [verdachte] het er toen mee eens.
V: Waar maakte je dat uit op, dat [verdachte] het er mee eens was?
A: Jezus, dat is een goeie. Ik durf niet meer te zegen of er toen is gesproken over het bloed en schoonmaken daarvan. Volgens mij wel, volgens mij heb ik dat de eerste keer ook verklaard.
V : [verdachte] verklaart daar zelf ook over.
A: [verdachte] , [medeverdachte 3] en een beetje [medeverdachte 2] kwamen toen tot de oplossing dat als het te veel schoonmaken zou zijn, dat het niet weg zou gaan dan moest er brand.
V: En jouw rol daarin?
A : Ik zat erbij en hoorde alles aan. Toen zat ik al in mijn hoofd zo van: wat doe ik hier. Ik dacht zal ik ze me terug naar huis laten brengen. Toen dacht ik van: Nee, want ze zitten nog met dat en er moet wat gebeuren.
V: Er is een probleem en jullie zitten daar, wat wordt er afgesproken?
A: Dat [verdachte] benzine in zijn schuur heeft staan en dat dat opgehaald kan worden en verder waar hij aan het werk zou zijn en dat eventueel die auto daar ook opgehaald kan worden.
V : Zei [verdachte] dit?
A: Ja, ik weet niet of [medeverdachte 3] daar ook naar gevraagd heeft.
In mijn geheugen werd het echt even serieus business toen zij gebeld werd door die politie en toen moest er wat gebeuren. Toen heb ik besloten om er actief aan mee te werken. Dan moet het gaan gebeuren natuurlijk.
4. een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door (…), respectievelijk inspecteur en aspirant van politie Oost-Nederland, gesloten op 15 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (...):
Op vrijdag 14 maart 2014, omstreeks 21:30 uur, kreeg de Noodhulpeenheid van team Veluwe-West de opdracht om te gaan naar bungalowpark [A] , [a-straat 1] te Ermelo. Aldaar zou brand zijn in een vakantiebungalow. Wij arriveerden daar ter plaatse omstreeks 21:32 uur direct voor aankomst van de brandweer. Wij verbalisanten roken ter plaatse een brandlucht bij bungalow [a-straat 1] en ik verbalisant (…) voelde aan het glas van de voordeur dat deze warm was. Tevens zag ik aan de binnenzijde van de ruitjes roetaanslag.
Direct aansluitend werd de woning door de brandweer betreden via de toegangsdeur aan de voorzijde van de woning en zagen wij dat er een grote hoeveelheid donkere rook door de opening van de voordeur naar buiten kwam. Onmiddellijk na het betreden van de woning, kwam de bevelvoerder van de brandweer (…) uit de woning, dit was omstreeks 21:35 uur, die mij (…) zei: “er ligt een smeulend matras in de gang, direct in de kamer links ligt naar mijn mening het stoffelijk overschot van een persoon en het lijkt mij een zelfdoding”.
5. een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door (…), respectievelijk inspecteur en aspirant van politie Oost-Nederland, gesloten op 15 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (...):
Op vrijdag 14 maart 2014, omstreeks 21:30 uur, kreeg de Noodhulpeenheid van team Veluwe-West de opdracht te gaan naar bungalowpark [A] , [a-straat 1] te Ermelo. Wij verbalisanten bevonden ons op dat moment in de onmiddellijke nabijheid van het park en begaven ons eveneens ter plaatse. Wij arriveerden daar ter plaatse omstreeks 21:32 uur.
Wij verbalisanten zijn de woning in gegaan. Direct na de toegangsdeur zag ik in een kamer links van deze deur een dichtgeslagen zeil op de vloer liggen. Ik zag dat er vanonder dit zeil twee onderbenen vandaan staken en ik zag dat de huid van deze benen, voor zover waarneembaar sterk rood gekleurd was, kennelijk ten gevolge van warmte/hitte. Ik verzocht de bevelvoerder van de brandweer een klein stuk van het zeil op te tillen. Ik zag vervolgens het gelaat van een man, geheel besmeurd met grotendeels ingedroogd bloed. Ik zag ook, dat de nek van de man in het geel was omwikkeld met donkerkleurig tape, voor mijn gevoel zogenaamd “duck-tape”.
6. een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door (…), respectievelijk hoofdagent en rechercheur van politie Oost-Nederland, gesloten op 18 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
Op maandag 17 maart 2014 omstreeks 21:00 uur confronteerden wij, verbalisanten, de volgende personen:
[benadeelde 2] , e.v. [slachtoffer] en [benadeelde 1] , oudste zoon van [slachtoffer] voornoemd, met het stoffelijk overschot van een mannelijk persoon.
[benadeelde 2] herkende het stoffelijk overschot als het lichaam van haar man [slachtoffer] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] -1955.
Ook oudste zoon [benadeelde 1] herkende het getoonde lichaam als het lichaam van zijn vader [slachtoffer] .
7. Het deskundigenrapport, (…) (…), opgemaakt door (…), deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, getekend op 19 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
Datum sectie: 16 maart 2014
Overledene: Vermoedelijk [slachtoffer]
De overledene is dood aangetroffen in het Recreatiepark [A] , [a-straat 1] te Ermelo op 14 maart 2014 omstreeks 21:40 uur.
Bij sectie werden letsels vastgesteld die bij leven waren opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en snijdend geweld.
Enkele huidperforaties gingen gepaard met perforatie van vitale organen.
Het overlijden wordt verklaard door algehele weefselschade ten gevolge van substantieel bloedverlies en opgetreden longfunctiestoornissen door uitwendig mechanisch perforerend en snijdend geweld.
De afwezigheid van roet in de luchtwegen, de lage koolstofmonoxidedeconcentratie en de afwezigheid van cyanide sub C1 duiden er op dat (vermoedelijk) [slachtoffer] niet in leven was ten tijde van de brand.
8. het proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, opgemaakt door (…), respectievelijk brigadier en BOA domein generieke opsporing van politie Oost-Nederland, gesloten op 25 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
Op 15 maart 2014 werd door ons, forensisch technisch onderzoekers, brandonderzoekers, een brandonderzoek ingesteld naar aanleiding van een te [a-straat 1-2] , Ermelo op vrijdag 14 maart 2014 te 21:21 uur plaatsgehad hebbende brand.
Wij zagen dat er een matras aan de linkerzijde op de oprit lag. Deze matras was door de brandweer ten tijde van de brandbestrijding uit de woning gehaald en voor de woning gelegd. Deze matras werd door forensisch onderzoekers aan de zijkant van de woning gelegd op het grind van de oprit links van de woning.
Wij verbalisanten kregen van de CPDU aanvullende informatie te weten: dat de aanvalsploeg van de brandweer in de hal een brandende matras had aan getroffen.
Door ons werd onderzoek gedaan aan een matras, welke door verbalisanten op de oprit, in het grind was neergelegd. Bij het onderzoek aan deze matras, met behulp van de PID meter, werd door ons een verhoogde concentratie gemeten van de aanwezigheid van vluchtige organische stoffen.
In de hal zagen wij resten van onverbrand en verbrand materiaal liggen. Ter hoogte van de sluitzijde van deurpost van slaapkamer 1, zagen wij een ophoping van onverbrand en verbrand materiaal liggen. Met behulp van de PID meter werd door ons een verhoogde concentratie gemeten van de aanwezigheid van vluchtige organische stoffen.
Veiliggestelde sporen:
Spooromschrijving: Brandrest
Plaats veiligstellen: Matras links van de woning
Resultaat NFI: Er zijn vluchtige stoffen aangetoond afkomstig van motorbenzine.
Spooromschrijving: Brandrest
Plaats veiligstellen: Vloer hal nabij kozijn deur slaapkamer 1 sluitzijde
Resultaat NFI: Er zijn vluchtige stoffen aangetoond afkomstig van motorbenzine.
9. een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 9 januari 2015, opgemaakt door de rechter-commissaris in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (...):
A: Dan is het van: “de fik erin” of iets dergelijks. “Zet het in de fik”.
RC: Wie zei dat?
A: Het zou goed kunnen dat ik dat ben geweest. Ik heb ook gezegd dat ik het niet ging doen.
V: Oké. En hoe moest die fik erin dan?
A: Eerst mijn broers auto ophalen.
V: Wat doen jullie dan?
A: Naar het voetbalveld.
V: Waarom naar het voetbalveld?
A: Daar stond de auto van mijn broer.”
8. Het hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:
“Inleiding
Bij arrest van heden is [medeverdachte 3] veroordeeld voor de doodslag op [slachtoffer] .
Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij als medepleger of medeplichtige verantwoordelijk is voor de brandstichting in het chalet waar het slachtoffer lag (feit 1), om te proberen het stoffelijk overschot van [slachtoffer] te verbranden (feit 2).
(…)
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte verklaard heeft dat hij geweigerd heeft te helpen met het in brand steken van het chalet. Zijn auto en de jerrycan zijn zonder zijn medeweten door de medeverdachte(n) meegenomen. Dit alternatieve scenario is niet onaannemelijk en wordt niet door de overige bewijsmiddelen weerlegd. De verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] zijn wisselend en tegenstrijdig. Bovendien is gebruik van deze verklaringen in strijd met de Vidgen-jurisprudentie. Ook indien de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] betrouwbaar worden geacht sluiten deze verklaringen de verklaring van verdachte niet uit.
Het oordeel van het hof
(…)
Het hof is van oordeel dat het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde, de medeplichtigheid, wel wettig en overtuigend bewezen is. Het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 subsidiaire en 2 subsidiair tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Kern van het verweer van de verdediging is dat de medeverdachten de auto en de jerrycan van verdachte zonder zijn medeweten en medewerking hebben meegenomen.
Ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde verklaren [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] echter belastend voor verdachte. Het hof acht deze verklaringen, zoals hierna nog zal worden overwogen, zowel betrouwbaar als bruikbaar voor het bewijs. De stelling van de verdediging dat de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] de verklaring van verdachte niet uitsluiten is naar het oordeel van het hof onjuist, zoals blijkt uit de volgende weergave.
[medeverdachte 2] verklaart dat verdachte zijn auto heeft aangeboden voor de brandstichting, dat hij [medeverdachte 2] bij het voetbalveld de sleutel van de auto en een tientje om te tanken heeft gegeven, en dat [medeverdachte 3] , die contact had met haar broer, vertelde waar in de schuur van verdachte een jerrycan met benzine stond. [betrokkene 1] verklaart dat bij verdachte thuis is besproken dat er iemand in het chalet van [medeverdachte 3] lag, en dat verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met de oplossing kwamen dat de brand er in moest. Verdachte had benzine in zijn schuur staan en die kon meegenomen worden, en de auto kon worden opgehaald bij het werk van verdachte.
Het hof acht als gezegd deze verklaringen betrouwbaar. [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] hebben ook zichzelf, in veel grotere mate dan verdachte, belast. In dat licht is er voor hen geen reden om de rol van verdachte groter te maken dan die in werkelijkheid was. Hun verklaringen ondersteunen elkaar en ze worden bovendien op meerdere punten ondersteund. Zo volgt uit de verklaring van [medeverdachte 3] dat er inderdaad gezegd is dat “de fik erin moest” en dat het zou kunnen dat zij dit gezegd heeft. Verdachte heeft, hoewel hij dat later heeft tegengesproken, verklaard dat hij wist dat er een dode man in het chalet lag.
Uit het dossier blijkt ook dat er zoals door [medeverdachte 2] is verklaard voor een klein bedrag is getankt met de auto van verdachte. Voor dat tanken is weliswaar betaald met een pinpas, maar het gepinde bedrag komt ongeveer overeen met het bedrag dat hij volgens [medeverdachte 2] van verdachte heeft gekregen om te tanken.
Vidgen
Zoals hiervoor is vastgesteld, acht het hof de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] over de rol van verdachte bij het tenlastegelegde betrouwbaar. Het hof dient thans te beoordelen of de verklaringen, zoals de raadsman heeft betoogd, op grond van de Vidgen-problematiek, moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Het overweegt daartoe als volgt.
Het hof overweegt dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat op grond van artikel 6 van het EVRM de verdediging aanspraak heeft op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.
Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van – kort gezegd – een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuigenis van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.
Het hof stelt vast dat de verdediging ten aanzien van de getuigen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om hen te ondervragen. De vraag waar het hof zich vervolgens voor gesteld ziet, is of een bewezenverklaring in beslissende mate zou steunen op de verklaring van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is.
Bijzonder in deze zaak is dat het gaat om de belastende verklaringen van twee medeverdachten, die zich bij de ondervraging door de verdediging op hun verschoningsrecht hebben beroepen. Naar het oordeel van het hof verzet de Vidgen-jurisprudentie zich niet tegen het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] . Het betreft immers niet één, maar twee zelfstandige, belastende verklaringen, die elkaar over en weer ondersteunen en die, zoals hiervoor uiteengezet is, op meerdere punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De betrokkenheid van verdachte wordt daarnaast ondersteund door de verkeersgegevens, waaruit blijkt dat er op de bewuste dag veelvuldig telefonisch contact is tussen verdachte en [medeverdachte 3] , waaronder 14 keer tussen 19:30 uur en 21:41 uur, ook wanneer verdachte aan het werk is op de voetbalclub en de auto wordt opgehaald. Uit het dossier volgt ook dat [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] met de auto van verdachte naar het chalet van [medeverdachte 3] zijn gereden, en de brand hebben gesticht met behulp van de jerrycan die zij uit het schuurtje van verdachte hebben gehaald. De auto is vervolgens weer teruggebracht.
Conclusie
Het hof stelt vast dat verdachte wist dat er een dode man in het chalet van [medeverdachte 3] lag, dat hij betrokken was bij het maken van het plan om brand te stichten en dat hij daarvoor zijn auto en een jerrycan met brandbare vloeistof ter beschikking heeft gesteld. Het hof acht de bijdrage van verdachte van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen en zal verdachte daarom als gezegd vrijspreken van het primair ten laste gelegde. Met zijn handelen heeft verdachte zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde, te weten de medeplichtigheid aan de brandstichting en aan de poging tot het wegmaken van het lijk.
Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde brandstichting is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat niet vast is komen te staan dat door de brandstichting levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Het hof zal verdachte daarom in zoverre vrijspreken.”
9. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2018 blijkt dat de verdachte daar (samengevat) onder meer het volgende heeft verklaard. De zus van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] zijn bij hem thuis geweest. Zijn zus zei dat ze de auto van de verdachte nodig had. Er was een conflict over drugs, er was een vechtpartij geweest en ze moest de spullen (bloed) opruimen. De verdachte heeft gezegd dat hij er niets mee te maken wilde hebben. Hij wilde niet in het verhaal betrokken worden en heeft de auto niet uitgeleend. Hij is toen naar de patatzaak gegaan, heeft bij zijn schoonouders gegeten en is naar de voetbalclub gegaan. De verdachte heeft [medeverdachte 2] , anders dan deze verklaart, geen autosleutels en tien euro gegeven. De zus van de verdachte maakte bij hem schoon, een keer per week en al een paar jaar. Daarom had ze de sleutels en wist ze alles te liggen. Ze is alleen naar boven en naar beneden gegaan, dus ze heeft de sleutels kunnen pakken. De sleutel moet bij de reservesleutels hebben gelegen, in een la. De verdachte heeft geen brandvloeistof aan de medeverdachten ter beschikking gesteld, aldus de verdachte.
10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2018 houdt voorts in dat de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn pleitnota het woord tot verdediging heeft gevoerd. De raadsman voert een bewijsverweer, dat in de kern inhoudt dat de verdachte geen enkele medewerking heeft verleend en zich heeft gedistantieerd van de plannen van zijn zus. De desbetreffende pleitnota houdt onder meer de volgende, samengevatte lezing van de feiten in:
“(…)
Op 14 maart 2014 is er meerdere malen contact tussen cliënt en zijn zus [medeverdachte 3] . Zij wilde hem spreken. Cliënt was aan het werk en kon haar op dat moment niet te woord staan. Dat meldt hij haar telefonisch maar ook als zij hem opzoekt op zijn werk. Als hij klaar is met zijn werk vindt er weer telefonisch contact plaats en rijdt hij naar de [j-straat] , waar [betrokkene 1] op dat moment in de nabijheid woont. Zijn zus is op dat moment bij [betrokkene 1] . Na enig op en neer bellen rijdt cliënt naar huis. Tijdens zijn rit naar huis wordt er wederom gebeld en wordt afgesproken dat zijn zus naar zijn huis komt. Zij komt samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] naar zijn woning. Bij hem thuis wordt gezegd dat er een drugsruzie is geweest in een chalet. Er zou bloed zijn en dat moet worden opgeruimd. Zijn zus vraagt of hij wil helpen met het opruimen en of zijn zus zijn auto mag lenen. Cliënt weigert dit. Ook nadat [medeverdachte 3] hierop aandringt, als zij met cliënt mee naar boven gaat, weigert cliënt zijn auto uit te lenen. Hij wil geen betrokkenheid. Hij wil er niets mee te maken hebben. Hij weigert medewerking.
In zijn woning oppert zijn zus dat alles in de fik moet. Maar zoals gezegd: cliënt weigert, hij wil er niets mee te maken hebben. Hij distantieert zich van het hele gebeuren. Hij gaat naar boven om te douchen. Vervolgens gaat cliënt naar zijn schoonouders om te eten en iets later naar de voetbalclub in Hulshorst. Hij staat daar achter de bar. Cliënt neemt zijn auto mee. Hij weet niet of hij zijn auto, waarvan de achterdeur niet dicht kan, heeft afgesloten. Terwijl hij aan het werk is neemt zijn zus wederom telefonisch contact met hem op. Uit de analyse blijkt dat dit om 19.33 uur is.
Ten tijde van zijn voorgeleiding bij de RC verklaart cliënt over dit contact om 19.33 uur: Zijn zus belt en vraagt nogmaals om zijn auto. Cliënt weigert wederom. Hierna, zoals ook blijkt uit de analyse historische verkeersgegevens, probeert zijn zus diverse malen met cliënt telefonisch in contact te komen door hem te bellen. Er vindt echter géén contact tussen beiden plaats. Na de herhaalde weigering van cliënt krijgt zijn zus hem kennelijk niet meer te pakken. Ze blijft echter bellen.
In dit kader merk ik alvast op dat de overweging van de rechtbank inhoudende dat cliënt geen afdoende verklaring heeft gegeven met betrekking tot de 14 contacten tussen de telefoon van cliënt en die van zijn zus tussen 19.30 uur en 21.41 uur, onbegrijpelijk is. Uit deze registraties blijkt dat er géén contact is geweest, maar dat [medeverdachte 3] probeert om cliënt te bereiken. Welke verklaring zou cliënt dan over deze 14 contacten moeten geven? Dat kan hij toch niet. Het lijkt erop dat zijn zus het er kennelijk niet mee eens is dat zij zijn auto niet mag gebruiken. Ik kom er nog op terug.
Pas om 21.41 uur is er telefonisch contact tussen cliënt en zijn zus. De reden van dit gesprek weet cliënt niet meer. Hij kan het gesprek niet meer heugen zo verklaart hij bij de politie. Cliënt staat nog steeds achter de bar bij de voetbalclub en hij wordt gebeld door zijn voormalige vriendin, [betrokkene 10] , die hem vertelt dat er brand is geweest in het chalet van [medeverdachte 3] . Hij komt er achter dat zijn auto is meegenomen en hij trekt dan uiteraard de conclusie dat [medeverdachte 3] dit moet hebben gedaan. Hij is kwaad en belt zijn zus. Hij eist zijn auto terug.
(…)
Niet zonder redelijke twijfel is uit te sluiten dat cliënt geen medewerking en geen betrokkenheid heeft gehad bij de brandstichting en de poging tot het wegmaken van het lichaam. Zijn alternatieve lezing is niet bij voorbaat niet-aannemelijk en wordt niet voldoende weersproken door de bewijsmiddelen in het dossier.(…)”
11. In aanvulling op zijn pleitnota heeft de raadsman onder meer nog het volgende aangevoerd:
“Verdachte heeft zich onder meer op het zwijgrecht beroepen omdat ik in het buitenland zat.
De contacten op het werk van verdachte zijn heel kort. Er wordt steeds geprobeerd contact te maken, maar dat komt niet tot stand.
Ik heb verzocht om [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] over hun verklaringen te bevragen. De bewezenverklaring van de rechtbank is in grote, zo niet beslissende mate, gebaseerd op die verklaringen. Daarom wenst de verdediging hen te bevragen. Op zitting is dat geprobeerd, maar ze hebben gebruik gemaakt van hun verschoningsrecht. Er is geen sprake van een effectief ondervragingsrecht. (…) cliënt heeft zelf verklaard dat hij wist dat er iets is gebeurd. Hij heeft nooit verklaard dat hij wist dat er een dode man lag. Concluderend stel ik dat de veroordeling van cliënt in beslissende mate steunt op de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] .
In aanvulling op pagina zeven van mijn pleitnota: uit het dossier blijkt dat er is getankt met een pinpas, dus waarom zou cliënt dan een briefje van € 10,- aan [medeverdachte 2] geven?”
12. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Op grond van art. 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om een getuige in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. In arresten van 4 juli 2017 heeft de Hoge Raad, mede tegen de achtergrond van de uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland, het kader uiteengezet op grond waarvan de strafrechter dient te beoordelen of het gebruik voor het bewijs van getuigenverklaringen in dit opzicht verenigbaar is met art. 6 EVRM.3.Uitgangspunt is dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid niet eraan in de weg staat dat een door de niet-ondervraagde getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk strafproces. Aan die eisen kan in het bijzonder zijn voldaan doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd, dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – doordat het ontbreken van een mogelijkheid tot ondervraging van die getuige in voldoende mate wordt gecompenseerd.4.
13. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] opzettelijk behulpzaam is geweest bij de brandstichting en de poging het stoffelijk overschot te verbranden door zijn auto ter beschikking te stellen om [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van het chalet waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] lag, en dat hij een jerrycan gevuld met benzine aan [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] beschikbaar heeft gesteld, zodat zij het chalet in brand konden steken waar het stoffelijk overschot zich bevond. De bewezenverklaring steunt onder meer op de verklaringen van [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 1) en [betrokkene 1] (bewijsmiddelen 2 en 3).
14. De zaak tegen de verdachte is in hoger beroep op 4 december 2018 gelijktijdig - maar niet gevoegd - behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] , [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] . Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting in de zaken tegen [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] onderbroken, waarna zij als getuigen zijn gehoord in de zaak tegen de verdachte. Beide getuigen hebben zich bij elke vraag die aan hen werd gesteld op hun verschoningsrecht beroepen. De raadsman van de verdachte heeft vervolgens ten aanzien van beide getuigen te kennen gegeven dat hij, gezien hun proceshouding, geen verdere vragen heeft, maar dat hij geen afstand doet van de getuigen.
15. In de situatie dat de getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont op grond van een daartoe door de wet gegeven bevoegdheid en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt of doet stellen, ontbreekt een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging.5.Het hof heeft dat niet miskend. Het hof heeft vastgesteld dat de verdediging ten aanzien van de getuigen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om hen te ondervragen. Het hof heeft zich vervolgens de vraag gesteld of een bewezenverklaring in beslissende mate zou steunen op de verklaring van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is.
16. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de getuigenverklaringen van (medeverdachten) [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] toch voor het bewijs kunnen worden gebruikt omdat deze steun vinden in elkaar, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. De schending van het ondervragingsrecht wordt daardoor immers niet opgeheven, aldus de stellers van het middel. Beide getuigen konden immers niet ondervraagd worden.
17. De stellers van het middel leggen hier de vinger op de zere plek. Mijn ambtgenoot Aben merkt in dit verband op dat de sole or decisive rule van toepassing is op “de untested evidence in zijn totaliteit”.6.Ook mijn voormalig ambtgenoot Knigge stelt dat volgens het EHRM untested evidence niet meetelt als steunbewijs.7.Voor die opvatting is steun te vinden in de rechtspraak van het EHRM. Ik noem drie arresten. In de eerste plaats is het arrest van het EHRM in de zaak Hümmer tegen Duitsland illustratief.8.In die zaak hadden familieleden van de verdachte belastende verklaringen afgelegd, die voor het bewijs werden gebruikt. De familieleden beriepen zich vervolgens op hun verschoningsrecht. Het EHRM paste in deze zaak de sole or decisive rule toe op de untested evidence als geheel en niet op de verklaringen van iedere afzonderlijke getuige. Dit arrest staat niet op zichzelf. Ook in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland was sprake van belastende verklaringen van twee getuigen, die niet door de verdediging konden worden ondervraagd.9.De verklaringen ondersteunden elkaar over en weer, maar de Grote Kamer van het EHRM betrok die omstandigheid niet in de beoordeling of sprake was van steunbewijs. Daarin ligt eveneens besloten dat voor het EHRM untested evidence niet meetelt als steunbewijs. Dat was voor het EHRM kennelijk zo vanzelfsprekend, dat daaraan geen specifieke overwegingen werden gewijd. Ten slotte wijs ik op het arrest van het EHRM in de zaak Oddone en Pecci tegen San Marino.10.In die zaak waren twee belastende verklaringen van medeverdachten tot het bewijs gebezigd, zonder dat deze als getuigen door de verdediging waren ondervraagd. De nationale rechter had zijn oordeel over het beschikbare steunbewijs gemotiveerd. Het EHRM oordeelde “that since L. and G. were the only eyewitnesses to the offence in question, their testimony could be considered decisive”. Ook uit deze overweging blijkt dat het EHRM niet beoordeelt of de twee verklaringen elkaar over en weer ondersteunen, maar of er naast beide verklaringen voldoende steunbewijs is.
18. Het hof heeft het voorafgaande miskend en in zoverre blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft immers bij de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op een verklaring van een getuige die niet kon worden ondervraagd betrokken dat het “niet één, maar twee zelfstandige, belastende verklaringen (betreft), die elkaar over en weer ondersteunen”.
19. Het hof heeft echter ook overwogen dat de verklaringen “op meerdere punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen”. Indien dit oordeel de begrijpelijkheidstoets kan doorstaan en daaruit kan worden afgeleid dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op untested evidence als geheel, zou cassatie achterwege kunnen blijven. In dat verband wijs ik op het volgende.
20. Het hof verwijst in het kader van de beoordeling van het steunbewijs naar zijn overwegingen (“zoals hiervoor uiteengezet”) die betrekking hebben op het oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachten [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] . Volgens vaste rechtspraak geldt echter in het algemeen dat voor de beoordeling of voldoende steunbewijs aanwezig is niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.11.Voorts roep ik in herinnering dat het steunbewijs betrekking zal moeten hebben op die onderdelen van de verklaringen van de getuige(n) die de verdachte betwist.
21. Tegen die achtergrond schiet de motivering van het hof tekort. Het hof verwijst naar de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3] , voor zover inhoudende dat er inderdaad is gezegd dat “de fik erin moest” en dat het zou kunnen dat zij dat heeft gezegd (bewijsmiddel 9). Die verklaring biedt echter geen steun aan de door de verdachte betwiste onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] . De raadsman heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat ook in de lezing van de verdachte zijn zus heeft geopperd dat “alles in de fik moet”. Kern van het betoog van de verdediging is dat de verdachte daarbij niet opzettelijk behulpzaam is geweest. In de weergave van het standpunt van de verdediging in het bestreden arrest wordt in deze lijn gewezen op de lezing van de verdachte, inhoudende dat hij heeft geweigerd te helpen met het in brand steken van het chalet. Bestreden wordt dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het in brand steken van het chalet door een auto en een jerrycan met benzine aan de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] ter beschikking te stellen. In dit opzicht levert de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3] , voor zover inhoudende “dat er inderdaad is gezegd dat “de fik erin moest” en dat het zou kunnen dat zij dat heeft gezegd” (bewijsmiddel 9), geen steunbewijs op.
22. Het hof overweegt dat de betrokkenheid van de verdachte wordt ondersteund door de verkeersgegevens, waaruit blijkt dat er op de bewuste dag veelvuldig telefonisch contact is geweest tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 3] , waaronder veertien keer tussen 19.30 uur en 21.41 uur. De stellers van het middel merken terecht op uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat sprake is geweest van ‘veelvuldig telefonisch contact’, omdat de bewijsmiddelen ter zake niets inhouden. Bestudering van het dossier leert dat de overweging van het hof kennelijk is gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen analyse historische verkeersgegevens ten aanzien van het telefoonnummer [0007] in gebruik bij verdachte [verdachte] .12.Uit (hierboven niet geciteerde passages uit) de pleitnota van de raadsman van de verdachte volgt evenwel dat hij heeft aangevoerd dat uit de daarin vermelde registraties juist blijkt dat er in dit tijdvak geen telefonisch contact is geweest, maar dat de zus van de verdachte hem een aantal keren heeft trachten te bereiken, terwijl er pas om 21.41 uur daadwerkelijk telefonisch contact tussen beiden is. Het hof heeft op dit betoog niet gereageerd, terwijl de bewijsmiddelen ter zake niets inhouden en voor een verdere duiding van de niet in de bewijsmiddelen opgenomen passages uit het dossier in cassatie geen plaats is.
23. Het hof overweegt ten slotte dat “uit het dossier” volgt dat [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] met de auto van de verdachte naar het chalet van [medeverdachte 3] zijn gereden en de brand hebben gesticht met behulp van de jerrycan die zij uit het schuurtje van de verdachte hebben gehaald.13.De algemene verwijzing naar “het dossier” biedt geen voldoende nauwkeurige omschrijving van het steunbewijs het hof in dit verband op het oog heeft. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen bieden ter zake evenmin duidelijkheid. Zelfs als wel duidelijk zou zijn waarop het hof doelt, gaat het in dit opzicht evenmin om onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] die de verdachte betwist. Zoals het hof zelf samenvat, is de kern van het verweer immers dat de medeverdachten de auto en de jerrycan van de verdachte zonder zijn medeweten en medewerking hebben meegenomen. Ook de overweging dat uit “het dossier” blijkt dat voor een klein bedrag is getankt met de auto van de verdachte en dat voor dat tanken met een pinpas is betaald, maar dat dit bedrag ongeveer overeenkomt met het bedrag dat [medeverdachte 2] volgens hem – contant - van de verdachte heeft gekregen om te tanken, vindt geen steun in de door het hof in de aanvulling gebezigde bewijsmiddelen en kan het oordeel van het hof dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op de verklaringen van [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] niet dragen.14.
24. Op grond van het voorafgaande kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. Het hof heeft bij de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op een verklaring van een getuige die niet kon worden ondervraagd, betrokken dat het “niet één, maar twee zelfstandige, belastende verklaringen (betreft), die elkaar over en weer ondersteunen” en heeft in zoverre blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Overigens acht ik het oordeel van het hof dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] niet begrijpelijk. Het hof heeft door middel van algemene verwijzingen naar “het dossier” verzuimd voldoende nauwkeurig aan te geven welk steunbewijs het op het oog heeft, terwijl zulks evenmin uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt. Het steunbewijs dat het hof kennelijk op het oog heeft, heeft voorts onvoldoende betrekking op de onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] die de verdachte betwist.
25. Het middel slaagt.
26. Het tweede middel houdt de klacht in dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
27. Op 5 februari 2019 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. De stukken zijn op 22 januari 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden en dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad kan het middel evenwel onbesproken laten, omdat het eerste middel slaagt en de zaak zal moeten worden teruggewezen. Bij die gelegenheid kan de overschrijding van de redelijke termijn aan de orde worden gesteld.
Slotsom
28. Beide middelen slagen.
29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
30. Deze conclusie strekt tot vernietiging de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑11‑2020
Het hof overweegt in het bestreden arrest dat het heeft geconstateerd dat in de tenlastelegging “van zowel feit 1 als feit 2 de pleegdatum en de pleegplaats van de tenlastegelegde medeplichtigheidshandelingen ontbreken. Nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting duidelijk blijkt dat de medeplichtigheidshandelingen in dezelfde periode (13-14 maart 2014) in Nederland zijn gepleegd als de brandstichting, zal het hof hieraan geen consequenties verbinden. Het hof betrekt in zijn overwegingen hiertoe dat op geen enkel moment, niet in eerste aanleg en niet in hoger beroep, hier door de verdediging een punt van gemaakt is, terwijl het gaat om een gebrek dat bij een eventuele nieuwe behandeling van de zaak eenvoudig hersteld zou kunnen worden.”
HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, NJ 2017/447, m.nt. Kooijmans en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1212.
Vgl. ook HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:123, NJ 2019/217, m.nt. Vellinga.
HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017, NJ 2017/378 m.nt. Reijntjes.
Vgl. zijn conclusie voorafgaand aan HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:227, NJ 2020/186 m.nt. Velllinga, onder 25.
Conclusie voorafgaand aan HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016 (ECLI:NL:PHR:2017:573), onder 5.7. Zie in deze zin ook B. de Wilde, Stille getuigen, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 442.
EHRM 19 juli 2012, nr. 26171/07.
EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10, NJ 2017/294 m.nt. Myjer (Schatschaschwili/Duitsland).
EHRM 17 oktober 2019, nrs. 26581/17 en 31024/17, NJ 2020/186, m.nt. Vellinga (Oddone en Pecci tegen San Marino). Vgl. ook EHRM 24 november 2016, nr. 35688/11 (Manucharyan/Armenië).
Vgl. bijvoorbeeld HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, NJ 2017/447, m.nt. Kooijmans, rov. 3.2.3.
Proces-verbaal van bevindingen analyse historische verkeersgegevens van 14 maart 2014 m.b.t. het telefoonnummer [0007] in gebruik bij [verdachte] (p. 4020 van het dossier).
Ook overweegt het hof dat de verdachte “hoewel hij dat later heeft tegengesproken, (heeft) verklaard dat hij wist dat er een dode man in het chalet lag”. Deze overweging vindt geen steun in de in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen, terwijl deze geen betrekking heeft op de door de verdediging bestreden opzettelijke behulpzaamheid aan de feiten door de bewezen verklaarde gedragingen.
Ook in dit verband moet ver achter de papieren muur worden gekeken. Op p. 1211 van het dossier staat vermeld dat “uit de bankgegevens van [betrokkene 1] blijkt dat er (op vrijdag 14 maart 2014) inderdaad voor 15,01 euro is getankt in Scherpenzeel-Hulshorst”. Daarbij gaat het aldus om een gepind bedrag dat 1,5 keer hoger is dan het bedrag dat de verdachte contant zou hebben gegeven. Ook dat lijkt mij te mager.
Beroepschrift 25‑06‑2020
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 19/01856
Betekening aanzegging: 29 april 2020
Cassatieschriftuur
inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker
dossiernummer: D20200151
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden d.d. 24 januari 2019, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen op de vorderingen van benadeelde partijen.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 6 EVRM alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (1) primair medeplegen van brandstichting en subsidiair medeplichtigheid aan medeplegen van brandstichting; alsmede (2) primair medeplegen van het verbergen van een lijk en subsidiair medeplichtigheid aan medeplegen van het verbergen van een lijk.
Door de verdediging is het verweer gevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onbetrouwbaar zijn en voorts dat de bewezenverklaring in beslissende mate is gebaseerd op die verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], terwijl de verdediging geen effectieve mogelijkheid heeft gehad om de getuigen te ondervragen, nu beide getuigen gebruik hebben gemaakt van hun verschoningsrecht.
In het arrest heeft het hof geoordeeld dat de door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om de getuigen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te ondervragen. Het hof is echter van mening dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op deze verklaringen, zodat het ‘Vidgen verweer’ wordt verworpen. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen dat het bijzondere in deze zaak is dat het gaat om twee belastende getuigenverklaringen van getuigen die zich allebei op hun verschoningsrecht hebben beroepen, terwijl die getuigenverklaringen elkaar over en weer ondersteunen en op meerdere punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarnaast zou betrokkenheid van verdachte worden ondersteund door de verkeersgegevens, waaruit volgt dat op de bewuste dag veelvuldig telefonisch contact is geweest.
Allereerst is van belang dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat sprake is geweest van ‘veelvuldig telefonisch contact’, nu in de bewijsmiddelen geen verkeersgegevens zijn opgenomen.
Het oordeel van het hof, dat twee getuigenverklaringen, waarvan het hof heeft vastgesteld dat de verdediging ten aanzien van beide getuigen geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om deze getuigen te ondervragen en hun verklaringen op betrouwbaarheid te toetsen, toch voor het bewijs kunnen worden gebruikt omdat ze steun vinden in elkaar, getuigt voorts van een onjuiste rechtsopvatting.
Daarnaast kan niet worden gesteld dat het door het hof Heeft vastgesteld dat het door hem gestelde ‘steunbewijs’ op de feiten/omstandigheden ziet die door de verdachte worden betwist, en/of dergelijk steunbewijs ook niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof, dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tot het bewijs kunnen worden gebruikt en de Vidgen jurisprudentie daaraan niet in de weg staat, en er geen sprake is van schending van art. 6 EVRM, van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat oordeel onbegrijpelijk.
Het arrest, althans de bewezenverklaring is derhalve onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
‘1
primair:
hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (te weten een chalet [001], gelegen op chaletpark/bungalowpark [A]), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine(damp), althans met een of meer brandbare stof(fen) in die woning, ten gevolge waarvan die benzine(damp) en/of een of meer brandbare stof(fen) in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goed(eren) en/of (één deel van) (de inboedel van) die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich op dat moment in de belendende perce(e)l(en) bevindende perso(o)n(en) (te Weten de buren [naam 1] en/of [naam 2] en/of een óf meer aldaar aanwezige kind(eren)), in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;
1
subsidiair:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en mét 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, hierin bestaande dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en) opzettelijk brand hebben/heeft gesticht in een woning (te weten een chalet [001], gelegen op chaletpark/bungalowpark [A]), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine(damp), in elk geval met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in de belendende perce(e)l(en) bevindende perso(o)n(en) (te weten de buren [naam 1] en/of [naam 2] en/of voor de aldaar aanwezige een of meer kind(eren)), in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was, tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft hij, verdachte, zijn auto ter beschikking gesteld om die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van voornoemde woning en/of heeft hij, verdachte, een jerrycan gevuld met benzine, althans gevuld met een brandbare stof, klaar gezet en/of beschikbaar gesteld aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2];
2
primair:
hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer], te verbranden, te vernietigen en/of weg te maken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, een brandbare stof (te weten benzine) over/bij/in de omgeving van het stoffelijk overschot heeft/hebben gesprenkeld/gegooid/gebracht en/of (vervolgens) die benzine/brandbare stof heeft/hebben aangestoken danwel tot ontbranding heeft/hebben gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
subsidiair:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of zijn/haar/hun mededader(s) en/of verdachtes voorgenomen misdrijf om een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer], te verbranden, te vernietigen en/of weg té maken, met hét oogmerk om hét feit of de oorzaak van het overlijden te verhélen, een brandbare stof (te weten benzine) over/bij/in de omgeving van het stoffelijk overschot heeft/hebben gesprenkeld/gegooid/gebracht en/of (vervolgens) die benzine/brandbare stof heeft/hebben aangestoken danwel tot ontbranding heeft/hebben gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft hij, verdachte, zijn auto ter beschikking gesteld om die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van de plaats waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] zich bevond (te weten in een chalet [001], gelegen op chaletpark/bungalowpark [A]), en/of heeft hij, verdachte, een jerrycan gevuld met benzine, althans gevuld met een brandbare stof, klaar gezet en/of beschikbaar gesteld aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2]’
1.2
In het tussenarrest van het hof d.d. 26 oktober 2017 is onder meer gerelateerd:
‘Door de verdediging gedane verzoeken
De raadsman heeft bij appelschriftuur van 23 december 2016 onderzoekswensen kenbaar gemaakt. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman de verzoeken toegelicht en aangevuld. Het volgende wordt verzocht:
- 1.
Het horen van de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als getuigen. De verdediging wenst de getuigen te ondervragen over hun wetenschap over betrokkenheid van verdachte, alsmede de getuigen te confronteren met tegenstrijdigheden in hun eigen verklaringen en tegenstrijdigheden in de verklaringen van de verschillende getuigen onderling.
- 2.
Het horen van [betrokkene 10], ex-vriendin van verdachte. De getuige dient te worden gehoord over contact met verdachte op 13 maart 2014. De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van zijn ex-vriendin heeft vernomen dat er een stoffelijk overschot in de chalet lag, terwijl de rechtbank aangenomen heeft dat verdachte dit al wist vanwege zijn betrokkenheid bij de brandstichting. Ook wil de verdediging aan de getuige vragen stellen over sleutelgebruik van de woning van verdachte en over het gebruik van de auto.
- 3.
()
- 4.
Verstrekking van alle geluidsopnames van de verhoren van verdachte bij de politie.
- 5.
Het opmaken van een aanvullend proces-verbaal over onderzoek aan de Citroen Berlingo.
- 6.
Het opmaken van een aanvullend proces-verbaal over het reeds verrichte onderzoek naar de inhoud van de telefoon van verdachte. De verdediging wil in het bijzonder dat de inhoud van aangetroffen sms-berichten wordt uitgewerkt.
- 7.
Het horen van verdachte door de politie.
()
Reactie advocaat-generaal op de verzoeken.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting als volgt gereageerd op de verzoeken:
- 1.
Toewijzing van het verzoek tot het horen van de medeverdachten.
()
Overwegingen
Het hof wijst het verzoek tot het horen als getuigen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] toe. Het hof acht het aangewezen dat de getuigen ter terechtzitting worden gehoord.
()
Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
()
BESLISSING
Het hof:
Heropent het onderzoek.
Beveelt de oproeping als getuigen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tegen de nader te bepalen terechtzitting waarop de inhoudelijke behandeling van de zaak zal plaatsvinden.’
1.3
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2018 is onder meer gerelateerd:
‘De voorzitter onderbreekt het onderzoek in de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], en deelt mede dat het hof hen als getuige in de zaken van verdachte en van medeverdachte [medeverdachte 3] zal horen.
()
De voorzitter verzoekt de getuige [medeverdachte 2] de zaal te verlaten en doet de getuige [medeverdachte 1] voor het hof verschijnen.
De getuige doet op de vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, leeftijd, beroep, woon- of verblijfplaats zoals hieronder is vermeld.
()
De raadsman van de getuige [medeverdachte 1], mr. D.R. Corbeek, voert zakelijk weergegeven als volgt het woord:
‘Het uitgangspunt van de verdediging om mijn cliënt als getuige te horen is om de schuld naar hem toe te schuiven: Ik wijs op de regeling van herziening ten nadele. Ook als je bent vrijgesproken, kan je jezelf nog steeds belasten. Je kunt dan de zaak weer voor de voeten geworpen krijgen. Ik meen dat in deze zaak het verschoningsrecht ruimhartig uitgelegd moet worden. Het verschoningsrecht komt cliënt in volle omvang toe.’
()
De voorzitter stelt de verdediging in de gelegenheid de getuige te ondervragen.
De raadsman vraagt:
‘Kent u mijn cliënt?’
De getuige [medeverdachte 1] verklaart:
‘Ik beroep mij op mijn zwijgrecht.’
De raadsman vraagt
‘Heeft u hem ooit gezien?’
De getuige [medeverdachte 1] verklaart:
‘Ik beroep mij op mijn zwijgrecht.’
De raadsman geeft aan dat hij, gezien de proceshouding van de getuige geen verdere vragen aan de getuige heeft, maar geen afstand doet van de getuige.
De voorzitter verzoekt de getuige [medeverdachte 1] de gehoorzaal te verlaten en doet de getuige [medeverdachte 2] voor het hof verschijnen.
De getuige doet op de vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, leeftijd, beroep, woon- of verblijfplaats zoals hieronder is vermeld.
()
De voorzitter wijst de getuige er op dat zij ook verdachte is in deze zaak en dat zij daarom niet verplicht is te antwoorden als zij zichzelf anders strafrechtelijk zou belasten.
De voorzitter stelt de verdediging in de gelegenheid de getuige te ondervragen.
De raadsman vraagt:
‘Kent u mijn cliënt?’
De getuige [medeverdachte 2] verklaart:
‘Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.’
De raadsman vraagt:
‘Heeft u hem ooit gezien?’
De getuige [medeverdachte 2] verklaart:
‘Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.’
De raadsman vraagt
‘Heeft u hem op 13 maart 2014 gezien?’
De getuige [medeverdachte 2] verklaart:
‘Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.’
De raadsman geeft aan dat hij, gezien de proceshouding van de getuige, geen verdere vragen heeft, maar dat hij geen afstand doet van de getuige. ()’
1.4
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2018 is onder meer gerelateerd:
‘De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
Ik heb mijn auto niet uitgeleend. Het klopt dat mijn zus bij mij kwam. Ze probeerde mij al de hele dag te bereiken. Ik was op het werk. Na mijn werk heb ik haar gesproken. Ze is ook bij mijn werk gezien, maar ik kon daar niet praten. Ik heb haar wel gezien, maar ze is weer weggegaan. De heb haar één seconde gesproken. Toen ben ik verder gaan werken. Ze probeerde mij nog een paar keer te bellen. Toen heb ik op de IJsselkade af gesproken, maar dat duurde te lang want ik moest 's avonds werken. Toen is ze bij mij thuis geweest. Daar is ze geweest met [medeverdachte 1] en [betrokkene 1]. [medeverdachte 1] kende ik toen niet, [betrokkene 1] wel. Er zijn wat dingen gezegd, dat ze mijn auto nodig had en of ze die mocht gebruiken. Ze heeft niet gezegd waar ze mijn auto voor nodig had. Er was een vechtpartij geweest, het ging over drugs. Ik heb gezegd dat ik er niets mee te maken wilde hebben. Ze wilde de auto mee hebben. Ik ben toen naar de patatzaak gegaan, ik heb bij mijn schoonouders gegeten en daarna ben ik naar de voetbalclub gegaan. De voorzitter vraagt mij of het gebruikelijk was dat ik zo veel contact met mijn zus had. Nee. De voorzitter vraagt mij of ik mij heb afgevraagd waarom mijn zus bleef aandringen. Ja, ze had de auto nodig. Ik heb er niet over nagedacht waarom ze de auto nodig had. De voorzitter houdt mij voor dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat er ook over is gesproken dat er iemand zou liggen. Daar is niet over gesproken. De voorzitter vraagt mij of ik heb gevraagd naar de aard van de ruzie. Dat wist ik, er was een conflict over drugs en ze moest de spullen opruimen. De voorzitter vraagt mij om wat voor spullen het ging. Bloed. De voorzitter vraagt mij of ik heb doorgevraagd waar mijn auto voor nodig was. Nee. Ik wilde er niets mee te maken hebben. De voorzitter vraagt mij waarom ik er niets mee te maken wilde hebben. Er was een vechtpartij om drugs. Ik wilde niets met drugs te maken hebben. De voorzitter vraagt mij of dat misschien meer met het bloed te maken had. Ik wilde niet in het verhaal betrokken worden. De voorzitter houdt mij voor dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat ik hem de autosleutels en tien euro heb gegeven. Dat is niet gebeurd. Mijn zusje maakte altijd bij mij schoon. Ik had goed contact met haar. Dat schoonmaken heeft ze een paar jaar gedaan, één keer per week. Daarom had ze de sleutel en ze wist alles te liggen. Ze is alleen naar boven gegaan en alleen naar beneden gegaan, dus ze heeft de sleutels kunnen pakken. Ik heb alle sleutels in een la liggen, maar ik had toen een huurauto, dus ik weet niet waar ze de sleutels vandaan heeft gehaald. Ik reed zo'n twee of drie maanden in die auto. De sleutel moet bij de reservesleutels hebben gelegen in de la. Ik heb haar daarna niet meer gesproken. Zaterdag heb ik telefoon gehad van het ziekenhuis. Daar ben ik met mijn moeder naar toe gegaan. Mijn zus was niet aanspreekbaar. De voorzitter houdt mij voor dat in het dossier wordt gesproken over het onvindbaar zijn van de tas met haar kleren. Ik ben in het ziekenhuis gekomen. Ik heb de politie gebeld. Mijn vriendin was er al eerder. Die had ook de spullen. De politie is gekomen. Ik heb de spullen bij haar opgehaald en die bij hen ingeleverd. De voorzitter houdt mij voor dat de brandvloeistof afkomstig is uit mijn schuur. Dat wordt gezegd. Ik heb het niet aan haar ter beschikking gesteld. Ik had het daar staan, voor de motorzaag en grasmaaier. Er staan meerdere bussen. Ik weet niet of de gebruikte brandstof bij mij vandaan komt. Ik weet niet of [medeverdachte 3] wist dat het daar stond. De voorzitter vraagt mij of [medeverdachte 2] ooit in de schuur is geweest. Nee, [medeverdachte 2] is nooit bij mij thuis geweest. De voorzitter vraagt mij of ik heb gekeken of ik vloeistof miste. Dat wist ik pas achteraf. Ik heb daarna pas het huisje leeggehaald. Mijn schuur stond helemaal vol. Ik heb er 40 dagen over na kunnen denken, over hoe het is gebeurd. Maar ik kom er zelf niet achter. De oudste raadsheer houdt mij voor dat ik heb verklaard dat [medeverdachte 3] zou hebben gezegd dat de fik er in moest. Ik weet niet meer dat dat gezegd is. Ik weet niet meer dat ik dat verklaard heb. De jongste raadsheer vraagt mij of er ook gezegd is waar het conflict over drugs was. In een huisje. De jongste raadsheer vraagt mij of ik wist dat het om het chalet ging. Nee: Ik wist wel dat ze in het chalet verbleef. Ze had ruzie gehad en ze moest spullen opruimen. Pas achteraf wist ik dat het om haar chalet ging. Toen het werd besproken werd geen locatie genoemd, ze moest spullen opruimen.
()’
1.5
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2018 is onder meer gerelateerd dat mr. J. van Wijk, advocaat te Eindhoven, het woord tot de verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. In deze pleitnota is onder meer gesteld:
‘Verklaringen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]
Ook indien de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] (deels) betrouwbaar worden geacht en dus kunnen worden gebruikt voor het bewijs, dan nog sluiten deze verklaringen de verklaring van cliënt niet uit.
In eerste aanleg heb ik betoogd dat aan de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet bijzonder veel waarde kan worden toegekend omdat deze wisselend en tegenstrijdig zijn.
Het is bijzonder gevaarlijk om deze verklaringen zonder meer in volle omvang te volgen. Ik blijf daar bij.
Ten aanzien van [medeverdachte 2] stelt de verdediging dat de eerste (authentieke) verklaringen van [medeverdachte 2] het meest geloofwaardig zijn. [medeverdachte 2] verklaart in haar eerste verklaringen bijvoorbeeld:
‘We gingen weg bij [verdachte] zonder auto, want [verdachte] had zoiets van: Wat moet ik ermee?’
Uit deze eerste verklaringen van [medeverdachte 2] volgt dan ook steun voor het door cliënt geschetste scenario. Daaruit volgt namelijk dat het besluit om brand te stichten pas is genomen nadat [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij cliënt zijn geweest en nadat hij had geweigerd om zijn auto uit te lenen, dat [medeverdachte 2] niet weet wat er tegen cliënt is gezegd en dat [medeverdachte 3] de auto heeft kunnen ophalen omdat de auto niet afgesloten was en de sleutel in de auto lag.
Ook uit de verklaringen van [medeverdachte 1] blijkt dat de beslissing om brand te stichten pas genomen is nadat zij bij cliënt zijn weggegaan en dat niet hij, maar [medeverdachte 3], na die beslissing contact heeft gehad met mijn cliënt. Over wat er bij dat contact is besproken, heeft [medeverdachte 1] niet verklaard. Hij is overigens de enige die verklaart dat hij de auto sleutel van cliënt heeft gekregen en dat hij de auto heeft opgehaald. Cliënt ontkent dit, [medeverdachte 3] verklaart dit niet en [medeverdachte 2] evenmin.
Tot slot, kunt u uitsluiten dat [medeverdachte 3] zonder toestemming en medeweten van cliënt, zijn auto heeft meegenomen? Kunt u uit sluiten dat de auto niet afgesloten was.? Nee. Meerdere verklaringen zijn er in het dossier te vinden die steun bieden aan het scenario dat de auto open was en de reservesleutel in de auto lag. Hetzelfde geldt voor de toegang tot de schuur. Moet cliënt per se medewerking hebben verleend om de schuurdeur te openen? Is uit te sluiten dat cliënt geen medewerking heeft verleend? [medeverdachte 3] heeft op enig moment in de woning verbleven, samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], terwijl cliënt boven aan het douchen was. Zij was bovendien kind aan huis bij cliënt, zij heeft daar schoongemaakt en heeft de beschikking gehad over sleutels van zijn woning. Wist zij niet gewoon waar deze lagen en heeft zij niet een exemplaar zonder medeweten van cliënt mee kunnen nemen? Is dit uit te sluiten? Bovendien, is het uit te sluiten dat de schuur toch niet afgesloten was, zoals [medeverdachte 1] verklaart. Moet, omdat cliënt verklaart dat hij deze altijd op slot doet, worden uitgesloten dat deze toch niet op slot was?
Tot slot, ik zei het al, het is van essentieel belang dat uit de verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], volgt dat de beslissing om brand te stichten pas is gemaakt na het telefoontje door de politie. Cliënt was hier niet bij betrokken. En het zonder medewerking en zonder medeweten van cliënt meenemen van zijn auto is wel degelijk mogelijk.
Niet zonder redelijke twijfel is uit te sluiten dat cliënt geen medewerking en geen betrokkenheid heeft gehad bij de brandstichting en de poging tot het wegmaken van het lichaam. Zijn alternatieve lezing is niet bij voorbaat niet-aannemelijk en wordt niet voldoende weersproken door de bewijsmiddelen in het dossier.
()’
1.6
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2018 is voorts opgenomen:
‘In aanvulling op de pleitnota verklaart de raadsman, zakelijk weergegeven, als volgt: Verdachte heeft zich onder meer op het zwijgrecht beroepen omdat ik in het buitenland zat.
De contacten op het werk van verdachte zijn heel kort. Er wordt steeds geprobeerd contact te maken, maar dat komt niet tot stand.
Ik heb verzocht om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over hun verklaringen te bevragen. De bewezenverklaring van de rechtbank is in grote, zo niet beslissende mate, gebaseerd op die verklaringen. Daarom wenst de verdediging hen te bevragen. Op zitting is dat geprobeerd, maar ze hebben gebruik gemaakt van hun verschoningsrecht. Er is geen sprake van een effectief ondervragingsrecht. De advocaat-generaal stelt dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op die verklaringen en dat er meer zou zijn. Ten aanzien van punt 1 uit het reguisitoir: het zijn vluchtige stoffen. Maar de verklaring van cliënt is dat hij er geen wetenschap van heeft. Ten aanzien van punt 2: de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] verklaren over het bellen. Als we kijken naar de registratie in dossier is duidelijk dat er een heleboel contacten zijn geprobeerd te leggen. Op het moment dat cliënt op de hoogte wordt gesteld van de brand en dat zijn auto weg is, kan ik mij voorstellen dat hij geschrokken is en dat hij probeert zijn zus te bellen. Dat wil niet zeggen dat hij er bij betrokken is. Ten aanzien van punt 4: cliënt heeft zelf verklaard dat hij wist dat er iets is gebeurd. Hij heeft nooit verklaard dat hij wist dat er een dode man lag. Concluderend stel ik dat de veroordeling van cliënt in beslissende mate steun op de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. ()’
1.7
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Vidgen
Zoals hiervoor is vastgesteld, acht het hof de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over de rol van verdachte bij het tenlastegelegde betrouwbaar. Het hof dient thans te beoordelen of de verklaringen, zoals de raadsman heeft betoogd, op grond van de Vidgen-problematiek moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Het overweegt daartoe als volgt.
Het hof overweegt dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat op grond van artikel 6 van het EVRM de verdediging aanspraak heeft op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel — indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd — het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.
Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van — kort gezegd — een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuigenis van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.
Het hof stelt vast dat de verdediging ten aanzien van de getuigen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om hen te ondervragen. De vraag waar het hof zich vervolgens voor gesteld ziet, is of een bewezenverklaring in beslissende mate zou steunen op de verklaring van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is.
Bijzonder in deze zaak is dat het gaat om de belastende verklaringen van twee medeverdachten, die zich bij de ondervraging door de verdediging op hun verschoningsrecht hebben beroepen. Naar het oordeel van het hof verzet de Vidgen-jurisprudentie zich niet tegen het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Het betreft immers niet één, maar twee zelfstandige, belastende verklaringen, die elkaar over en weer ondersteunen en die, zoals hiervoor uiteengezet is, op meerdere punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De betrokkenheid van verdachte wordt daarnaast ondersteund door de verkeersgegevens, waaruit blijkt dat er op de bewuste dag veelvuldig telefonisch contact is tussen verdachte en [medeverdachte 3], waaronder 14 keer tussen 19:30 uur en 21:41 uur, ook wanneer verdachte aan het werk is op de voetbalclub en de auto wordt opgehaald. Uit het dossier volgt ook dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met de auto van verdachte naar het chalet van [medeverdachte 3] zijn gereden, en de brand hebben gesticht met behulp van de jerrycan die zij uit het schuurtje van verdachte hebben gehaald. De auto is vervolgens weer teruggebracht.’
1.8
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat:
‘1
subsidiair;
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 13 maart 2014 tot en mét 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand hebben gesticht, hierin bestaande dat die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] en een ander opzettelijk brand hebben gesticht in een woning (te weten een chalet [001], gelegen op chaletpark/bungalowpark [A]), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine(damp), in elk geval met een brandbare stof ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was, tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft hij, verdachte, zijn auto ter beschikking gesteld om die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van voornoemde woning en heeft hij, verdachte, een jerrycan gevuld met benzine, beschikbaar gesteld aan die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2].
2
subsidiair:
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] en hun mededader voorgenomen misdrijf om een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer], te verbranden of weg te maken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, een brandbare stof (te weten benzine) in de omgeving van het stoffelijk overschot hebben gesprenkeld en vervolgens die benzine/brandbare stof hebben aangestoken danwel tot ontbranding hebben gebracht terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft hij, verdachte, zijn auto ter beschikking gesteld om die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van de plaats waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] zich bevond (te weten in een chalet [001], gelegen op chaletpark/bungalowpark [A]), en heeft hij, verdachte, een jerrycan gevuld met benzine beschikbaar gesteld aan die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2].’
1.9
Het hof heeft onder meer als bewijsmiddel (1) gebezigd een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], inhoudende:
‘V: Wat was de reden dat jullie naar [verdachte] gingen? De broer van [medeverdachte 3] (hof: [medeverdachte 3])?
A: Waarom we daar heen gingen?
Zij wilde denk ik vragen… wacht., ik was nog aan het vertellen, ze wilde van hem weten wat ze moest doen en of hij haar wilde helpen. Zijn idee was, om te vertellen dat er ruzie was en dat er dan eentje dood was, heeft ze verteld ja. Toen bood hij zijn auto aan. Om die man, uit het chalet te halen.
V: Oké.
A: Daar heeft [betrokkene 1] ook bij gezeten. En toen zei ze van, die kan niet in mijn Twingo, toen heeft hij zijn auto aangeboden. En ik had zoiets, ik ga niks meer zeggen. En toen zei ze, dan rijd jij met dié bus met hem erin, en rijd ik met de Twingo er achteraan. Ik zei: dat denk ik niet. En daar kregen we woorden over. Die broer had bedacht Duitsland in en daar in het water dumpen.
V: En dan?
A: Weggegaan, richting McDonalds gereden, [medeverdachte 3] had honger. Ik had absoluut geen honger, en ik sla een stuk over. De politie heeft gebeld en toen is ze in paniek geschoten. Toen zijn we teruggereden en toen is besloten dat de brand erin moest. Dat hebben [medeverdachte 3] en die broer besloten. Hij heeft gezegd, dingen kan er niet bij zijn. Met jouw auto.
V: [medeverdachte 3] kan er zelf niet bij zijn?
A: Nee want jouw auto valt teveel op. Wij moesten dat met zijn auto doen. En je ziet een jerrycan had hij in die schuur staan, met benzine.
V: Maar jullie moesten in ieder geval terug naar [verdachte]?
A: Zij kon niet bij die woning gezien worden en mij konden ze toch niet. En in de schuur bij [verdachte], bij de oprit zit er een poortdeurtje, daar zit een schuurtje met een werkbank, daar stond een jerrycan met benzine onder. Alles stond open en [medeverdachte 3] vertelde ons dat we dat moesten pakken.
V: Waar was [verdachte] toen?
A: Bij de voetbal wei.
V: Je bedoelt [medeverdachte 3]?
A: Ja, dat er absoluut geen politie bij mocht komen. Toen hebben we gewacht tot een bepaalde tijd, zij had contact met haar broer. Hij is naar buiten gekomen bij de voetbalwei en autosleutel gegeven, met een tientje om te tanken. Contant. De auto moeten pakken. En we zijn weggereden, [betrokkene 1] wist hoe we naar het chalet moesten rijden.
V : Maar al je die auto hebt, heb je nog niet de benzine. Die jerrycan stond in het schuurtje.
A: We hebben zijn auto gepakt met tien euro om te tanken. Toen zijn we naar zijn huis gereden en hebben we die jerrycan gepakt. Zij had een tas bij, [betrokkene 1], daar hebben we dat in gedaan.
V: Jij bent in de auto gestapt van [verdachte], met [betrokkene 1].
A: Toen zijn [betrokkene 1] en ik, die jerrycan gehaald en heldhaftig drie kwartier rondgereden omdat we allebei niet durfden. Drie keer over het park heen gelopen volgens mij. Die jerrycan zat in haar tas. Toen zijn we naar binnen toegegaan.
V: Wie had de sleutel?
A: Volgens mij zij. Zij had de sleutel volgens mij. En ik had nog gezegd dat ze uit moest kijken dat daar die meneer dan lag.
V: Hoe reageerde ze erop?
A: Zij verstijfde ook en schrok heel erg. Ze bleef ook stilstaan.
A: De jerrycan hebben we zo in de woonkamer gegooid. En ze stond zenuwachtig zo dat het niet lukte met aansteken.
V: Tot waar is [betrokkene 1] binnen geweest in de woning. Ze had de jerrycan in de handen, wat deed ze precies en waar was dat? A: In het woonkamer gedeelte en slaapkamerstukje daar zo…
V: Toen heb jij..? Je zei toen heb ik het van haar af gepakt.
A: Ik heb die jerrycan afgepakt, ik moet hier zo snel mogelijk weg in paniek.
V: Wie heeft het aangestoken?
A: We zaten met 2 man op de grond. En toen we allebei omdraaiden, klapten we samen tegen de deur aan.
V: Hoe is het aangestoken?
A: Met een aansteker. We hadden allebei een aansteker vast. Een andere.
V: Wat kan je vertellen over het matras in de gang?
A: dat lag volgens mij op hem, over hem heen.
V: Lag over hem heen?
A: Hebben we nog een stukje daarheen getrokken. [betrokkene 1] en ik.
V: Waar heb je dat matras vandaan gehaald?
A: In de woonkamer, alles stond in de woonkamer. We zeiden nog, er is hier niks wat kan branden.
V:. Waar is allemaal benzine gegooid besprenkeld.
A: Was maar een heel klein kannetje.
V: Waar heb je dat neergegooid? Gesprenkeld?
A: In de woonkamer zo en terug de hal in.
V: Nog op andere kamers?
A: [betrokkene 1] had volgens mij de andere kamer gedaan, in de hoek.
V: En die matras die jullie versleept hebben richting slachtoffer? Wat is daarmee gedaan?
A: Die hebben we eerst versleept en benzine overheen gegooid. Dat was dichter bij de ingang, matras aansteken en dan naar buiten rennen.
V: Waar zijn jullie naar toe gereden?
A: Naar de pomp, ik heb gereden.
V: En toen?
A: We hebben de auto getankt.
V: Hoe lang was het rijden?
A: Was snelweg op en snelweg weer af. Langs een soort carpooldeel waar we hebben gestaan en [medeverdachte 3] is daar heen gekomen. [betrokkene 1] moest bij haar instappen en ik moest terug, ze had me het adres gegeven van de voetbal, ik moest naar [verdachte] rijden, de auto terugbrengen.
V: Hoe wist je je dat je daarheen moest dan?
A: Ze had het ingesteld op mijn telefoon, en toen heb ik ook mijn telefoon teruggekregen. Toen ben ik naar [verdachte] gereden op de voetbal. Die stond al buiten. Is in zijn auto gesprongen. En hij zei, wat ga je doen? Ik moet hier wachten op [medeverdachte 3] zei ik. En hij is weggereden.
V: Dan zit je te wachten tot [medeverdachte 3] terug zou komen?
A: Die broer is weggereden. En toen heb ik hem nog terug voorbij zien komen en weet terug voorbij en toen kwam hij weer terug. Toen zag hij me nog staan. Wat doe je hier nog steeds? Ik moest wachten op [medeverdachte 3]. Hij zei stap maar in.’
1.10
Voorts heeft het hof als bewijsmiddel (2 en 3) gebezigd een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] d.d. 7 mei 2014 respectievelijk 15 mei 2014, inhoudende:
‘Toen zijn we verder gereden richting Ermelo. Naar haar broer [verdachte] [medeverdachte 3] zijn we nog even geweest.
V: Waarom?
A: [medeverdachte 3] zat met een probleem, met een dooie man in haar huis. Haar broer vertelde ze iets anders iets over een drugsdeal en dat er daardoor een dooie in haar huis lag en dat zij niks had gedaan.
()
V: Hoe zit het nou met het bezoek aan [verdachte]?
A: [medeverdachte 3] zei zoiets van: [verdachte] er is wat gebeurd. Hij zei: Ja wat dan? Ze zei dat er wat in haar huis was gebeurd betreffende een drugsdeal en dat daar nu iemand lag en dat zij een grotere auto nodig had, dus eventueel die van [verdachte] en het liefst of [verdachte] mee kwam, want zij kon hem met [medeverdachte 1] niet tillen.
[verdachte] ging eten bestellen die zegt Nee, want ik moet nog klussen, ik moet nog weg.
V: Wat zei [verdachte]?
A: Die begon te schelden van godverdomme, wat is dit nou weer. [medeverdachte 3] zei: die moet daar wel weg natuurlijk uit het huisje.
V: Zei ze daar een naam bij?
A: Nee. Toen zei [verdachte] volgens mij: [medeverdachte 3] loop eens mee. Toen gingen ze samen naar boven.
Toen kwamen [verdachte] en [medeverdachte 3] weer beneden en [verdachte] ging niet mee en toen was het van: wat nu? En toen ging het over de brand, want [verdachte] moest echt gewoon werken.
V: Wie kwam daarmee, met de brand?
A: [medeverdachte 3]. Ik probeer even terug te halen hoe dat ging. Volgens mij was [verdachte] het er toen mee eens.
V: Waar maakte je dat uit op, dat [verdachte] het er mee eens was?
A: Jezus, dat is een goeie. Ik durf niet meer te zegen of er toen is gesproken over het bloed en schoonmaken daarvan. Volgens mij wel, volgens mij heb ik dat de eerste keer ook verklaard.
V: [verdachte] verklaart daar zelf ook over.
A: [verdachte], [medeverdachte 3] en een beetje [medeverdachte 1] kwamen toen tot de oplossing dat als het te veel schoonmaken zou zijn, dat het niet weg zou gaan dan moest er brand.
V: En jouw rol daarin?
A: Ik zat erbij en hoorde alles aan. Toen zat ik al in mijn hoofd zo van: wat doe ik’
1.11
Ook als bewijsmiddel (7) heeft het hofgebruik gemaakt van een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], inhoudende:
‘V: Hoe zit het nou met het bezoek aan [verdachte]?
A: [medeverdachte 3] zei zoiets van: [verdachte] er is wat gebeurd. Hij zei: Ja wat dan? Ze zei dat er wat in haar huis was gebeurd betreffende een drugsdeal en dat daar nu iemand lag en dat zij een grotere auto nodig had, dus eventueel die van [verdachte] en het liefst of [verdachte] mee kwam, want zij kon hem met [medeverdachte 1] niet tillen. [verdachte] ging eten bestellen die zegt Nee, want ik moet nog klussen, ik moet nog weg.
V: Wat zei [verdachte]?
A: Die begon te schelden van godverdomme, wat is dit nou weer. [medeverdachte 3] zei: die moet daar wel weg natuurlijk uit het huisje.
V: Zei ze daar een naam bij?
A: Nee. Toen zei [verdachte] volgens mij: [medeverdachte 3] loop eens mee. Toen gingen ze samen naar boven. Toen kwamen [verdachte] en [medeverdachte 3] weer beneden en [verdachte] ging niet mee en toen was het van: wat nu? En toen ging het over de brand, want [verdachte] moest echt gewoon werken.
V: Wie kwam daarmee, met de brand?
A: [medeverdachte 3]. Ik probeer even terug te halen hoe dat ging. Volgens mij was [verdachte] het er toen mee eens.
V: Waar maakte je dat uit op, dat [verdachte] het er mee eens was?
A: Jezus, dat is een goeie. Ik durf niet meer te zegen of er toen is gesproken over het bloed en schoonmaken daarvan. Volgens mij wel, volgens mij heb ik dat de eerste keer ook verklaard.
V: [verdachte] verklaart daar zelf ook over.
A: [verdachte], [medeverdachte 3] en een beetje [medeverdachte 1] kwamen toen tot de oplossing dat als het te veel schoonmaken zou zijn, dat het niet weg zou gaan dan moest er brand.
V: En jouw rol daarin?
A : Ik zat erbij en hoorde alles aan. Toen zat ik al in mijn hoofd zo van: wat doe ik hier. Ik dacht zal ik ze me terug naar huis laten brengen. Toen dacht ik van: Nee, want ze zitten nog met dat en er moet wat gebeuren.
V: Er is een probleem en jullie zitten daar, wat wordt er afgesproken?
A: Dat [verdachte] benzine in zijn schuur heeft staan en dat dat opgehaald kan worden en verder waar hij aan het werk zou zijn en dat eventueel die auto daar ook opgehaald kan worden.
V: Zei [verdachte] dit?
A: Ja, ik weet niet of [medeverdachte 3] daar ook naar gevraagd heeft.
In mijn geheugen werd het echt even serieus business toen zij gebeld werd door die politie en toen moest er wat gebeuren. Toen heb ik besloten om er actief aan mee te werken. Dan moet het gaan gebeuren natuurlijk.’
1.12
Verder heeft het hof als bewijsmiddel (9) gebruikt ene proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van [medeverdachte 3], inhoudende:
‘A: Dan is het van: ‘de fik erin’ of iets dergelijks. ‘Zet het in de fik’.
RC: Wie zei dat?
A: Het zou goed kunnen dat ik dat ben geweest. Ik heb ook gezegd dat ik het niet ging doen.
V: Oké. En hoe moest die fik erin dan?
A: Eerst mijn broers auto ophalen.
V: Wat doen jullie dan?
A: Naar het voetbalveld.
V: Waarom naar het voetbalveld?
A: Daar stond de auto van mijn broer.’
1.13
In 2015 heeft het EHRM een arrest gewezen omtrent het horen van getuigen in het licht van artikel 6 EVRM.1. In dit arrest heeft het hof nogmaals het uitgangspunt benadrukt dat ‘all evidence against him normally had to be produced in his presence at a public hearing with a view to adversarial argument’. Wanneer dit niet mogelijk is, hoeft dit echter niet tot een schending van artikel 6 EVRM te leiden, indien de verdediging een ‘adequate and proper opportunity’ heeft gekregen om de getuige te ondervragen. Het hof dient de volgende drie vragen te beantwoorden voordat kan worden geconcludeerd of er al dan niet sprake is van een schending van artikel 6 EVRM:
- (i)
is er een goede reden voor de afwezigheid van de getuige?
- (ii)
is de verklaring van de getuige ‘sole and decisive’? en
- (iii)
zijn er voldoende ‘counterbalancing factors’ die de verdediging de mogelijkheid hebben geboden om de verklaring op betrouwbaarheid te toetsen. Ook in het geval het bewijs niet ‘sole and decisive’ is, maar desondanks significante waarde heeft, dient de rechter na te gaan of voldoende ‘counterbalancing factors’ aanwezig zijn voor de verdediging om het bewijs te toetsen. Daarbij geldt het uitgangspunt dat hoe meer waarde wordt toegekend aan het bewijs, hoe meer gewicht de ‘counterbalancing factors’ dienen te hebben om de procedure als geheel als ‘fair’ te kwalificeren.
1.14
Het belang van het ter terechtzitting kunnen horen van een (belastende) getuige teneinde (onder meer) de getuige te kunnen observeren tijdens de ondervraging staat volgens het EHRM voorop. Dit heeft het EHRM onder meer aangegeven in de uitspraak van 23 maart 20162. en nog eens onderstreept in zijn beslissing van 12 oktober 20173. in de zaak Cafagna:
‘The Court observed that C.C. had been questioned by the carabinieri but had never appeared before the trial court. Therefore, neither the latter nor the applicant had been able to observe him during questioning in order to assess his credibility and the reliability of his statements.
The Court also noted that the domestic courts had based their decisions not just on C.C.'s statements but also on the testimony of the carabiniere L.R. It observed that the Court of Appeal had examined C.C.'s credibility with care before concluding that his statements were sufficiently reliable.
Nevertheless, the Court considered that the examination by the domestic courts of the evidence of the applicant's guilt had not been sufficient, by itself, to compensate for the fact that the witness had not been questioned by the defence. However thorough the examination conducted by the trial court, it was not capable of providing the information that could be gleaned from a confrontation at a public hearing between the accused and his or her accuser, and hence of testing the reliability of the evidence. The Court therefore concluded that Mr Cafagna's defence rights had been restricted in a manner incompatible with the requirements of a fair trial, and found a violation of his right to a fair trial.’ (Press Release).
1.15
In Nederland heeft de Hoge Raad aanvankelijk geoordeeld dat aan de uit art. 6 EVRM voortvloeiende verplichtingen (reeds) was voldaan indien er voor was zorggedragen dat een getuige ter terechtzitting was opgeroepen en daar weliswaar was verschenen, maar zich vervolgens op zijn verschoningsrecht had beroepen. In de betreffende (Vidgen-)zaak heeft het EHRM evenwel geoordeeld dat dit niet juist was.4. Na ‘Vidgen’ heeft het EHRM ten aanzien van de in Nederland gangbare praktijk in twee arresten het belang van het horen van getuigen en het bieden van compensatie indien een getuige niet kan worden gehoord omdat de getuige zich op zijn verschoningsrecht beroept, herhaald. Zo heeft het EHRM in zijn uitspraak van 28 augustus 2018 een schending aangenomen van art. 6 EVRM in een zaak waarin het bewijs van betrokkenheid van een verdachte slechts beruste op de verklaring van een medeverdachte die zich -als getuige opgeroepen- ter zitting op zijn zwijgrecht heeft beroepen.5. In een andere zaak heeft het EHRM vastgesteld dat het gebruik van de bij de politie afgelegde verklaringen van een medeverdachte, die weigerde ter zitting een verklaring af te leggen vanwege jegens hem gedane bedreigingen, niet in strijd was met art. 6 EVRM nu (onder meer) de verklaringen weliswaar van ‘significant weight’ waren, maar de verdachte compensatie was geboden; het hof getracht had de getuige ter zitting te horen; de getuige had aangegeven waarom hij geen verklaring wenste af te geven; er inderdaad sprake was van de verdenking van een criminele organisatie; het hof de getuige had ondervraagd omtrent de redenen om geen verklaring af te leggen; het hof uitvoerig en helder blijk had gegeven de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben getoetst.6.
1.16
Eerder heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat in het geval dat de bewezenverklaring ‘in beslissende mate’ op een door een getuige afgelegde verklaring wordt gebaseerd terwijl een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om die getuige te ondervragen heeft ontbroken, ervan blijk dient te geven te hebben onderzocht of het ontbreken van die mogelijkheid in voldoende mate is gecompenseerd.7. Deze regel is ruim twintig jaar geleden door de Hoge Raad geïntroduceerd als de Nederlandse tegenhanger van hetgeen pas daarna de sole or decisive rule is gaan heten: het criterium van voldoende steunbewijs. Het steunbewijs dient daarbij betrekking te hebben op de door de verdachte betwiste onderdelen van de hem belastende verklaring, aldus de Hoge Raad. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel. Hierbij kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.8. Advocaat-Generaal Aben gaat ervan uit dat de Hoge Raad met het criterium van voldoende steunbewijs beoogt toepassing te geven aan de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot de ‘sole or decisive rule’ en dat het criterium van voldoende steunbewijs dus moet worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis die het EHRM aan de sole or decisive rule heeft gegeven.9. Hij wijst daarbij op de door het EHRM gegeven invulling van het begrip ‘sole and decisive’. Het bewijs berust in beslissnede mate op de verklaring van een niet gehoorde getuige wanneer deze was ‘evidence of such significance or important as is likely to be determinative of the outcome of the case’, ‘obviously evidence of great weight and without it the chances of a conviction would have significantly receded’, ‘sufficiently important to make a difference between the applicants' acquittal and their conviction’. Aben signaleert overigens nog wel een verschil in perspectief tussen het EHRM en de Hoge Raad. Daar waar het EHRM de vraag stelt of de verklaring van de niet-ondervraagde getuige beslissend is voor het bewijsoordeel, benadrukt de Hoge Raad de vraag of de verklaring van de niet-ondervraagde getuige voldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Hoewel deze twee verschillende vragen ‘complementair’ zijn aan elkaar (met andere woorden: hoe meer steunbewijs voor de getuigenverklaring, hoe minder snel die verklaring als beslissend moet worden beschouwd, en andersom), valt niet uit te sluiten dat dit verschil in perspectief aanleiding kan geven tot antwoorden die niet met elkaar corresponderen. Dezelfde bewijsconstructie kan er vanuit verschillende invalshoeken anders uitzien. Niet zonder reden constateert de advocaat-generaal dat de Hoge Raad, indien de Hoge Raad als cassatierechter zou hebben te oordelen over de zaken Oddone and Pecci10. en Mauchrayan11., mogelijk tot een ander oordeel zou zijn gekomen als het EHRM in die betreffende zaken. Het ook wel eens genoemde argument, dat in Nederland 2 feitelijke instanties een strafzaak behandelen, zodat minder aanleiding zou bestaan compensatie te bieden in geval een verklaring van een niet gehoorde getuige voor het bewijs niet ‘sole and decisive’ zou zijn, maar ‘slechts’ van ‘significant weight’, miskent dat de rechter gehouden is er zorg voor te dragen dat de uit het EHRM voortvloeiende minimum (maar fundamentele) rechten van een verdachte worden nageleefd. Dat de strafzaak van een verdachte in 2 feitelijke instanties wordt behandeld betekent niet dat een verdachte in beide instanties van zijn fundamentele recht op het horen van een belastende getuige zal kunnen worden beroofd.
1.17
Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat het hof het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft toegewezen, maar alle andere verzoeken heeft afgewezen. Door de verdediging is (onder meer) het verweer gevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onbetrouwbaar zijn en voorts dat de bewezenverklaring in beslissende mate is gebaseerd op die verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], terwijl de verdediging geen effectieve mogelijkheid heeft gehad om de getuigen te ondervragen, nu beide getuigen gebruik hebben gemaakt van hun verschoningsrecht. In het arrest heeft het hof geoordeeld dat de door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om de getuigen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te ondervragen. Het hof is echter van mening dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op deze verklaringen, zodat het ‘Vidgen verweer’ wordt verworpen. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen dat het bijzondere in deze zaak is dat het gaat om twee belastende getuigenverklaringen van getuigen die zich allebei op hun verschoningsrecht hebben beroepen, terwijl die getuigenverklaringen elkaar over en weer ondersteunen en op meerdere punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarnaast zou betrokkenheid van verdachte worden ondersteund door de verkeersgegevens, waaruit volgt dat op de bewuste dag veelvuldig telefonisch contact is geweest.
1.18
Allereerst is van belang dat uit de bewijsmotivering niet blijkt dat sprake is geweest van veelvuldig contact, nu in de bewijsmiddelen geen verkeersgegevens zijn opgenomen, zodat de verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaring om die reden reeds onvoldoende met redenen is/zijn omkleed.
1.19
Voorts getuigt het oordeel van het hof, dat twee getuigenverklaringen, waarvan het hof heeft vastgesteld dat de verdediging ten aanzien van beide getuigen geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om deze getuigen te ondervragen en hun verklaringen op betrouwbaarheid te toetsen, toch voor het bewijs kunnen worden gebruikt omdat ze steun vinden in elkaar, van een onjuiste rechtsopvatting. De schending van het ondervragingsrecht wordt daardoor immers niet opgeheven, integendeel. Ook het feit dat beide verklaringen als ‘sole and decisive’ bewijs moet worden beschouwd, betekent niet dat dit opeens anders is indien deze verklaringen elkaar zouden steunen.
1.20
Voorts zou slechts uit de twee getuigenverklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kunnen volgen dat verdachte betrokken is geweest bij/wetenschap heeft gehad van de bewezenverklaarde feiten, zodat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate berust op die verklaringen. Het steunbewijs zal immers moeten zien op de feiten en omstandigheden die door de verdachte worden betwist, terwijl het hof niet heeft vastgesteld dat dergelijk steunbewijs uit de bewijsmiddelen volgt en dit ook niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat in deze zaak (en anders dan in HR 11 februari 2020, NJ 2020/186) het geval was, ook niet kan worden gesteld dat verdachte niet bereid is geweest een verklaring te geven voor hem door het hof voorgehouden potentieel bezwarende feiten.12. Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof, dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tot het bewijs kunnen worden gebruikt en de Vidgen jurisprudentie daaraan niet in de weg staat, van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat oordeel onbegrijpelijk.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 6 en 13 EVRM en 365a Sv, en wel om het navolgende:
Op 5 februari 2019 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Het hof heeft het verkorte arrest niet tijdig, binnen de door de wet aangegeven termijn, met de bewijsmiddelen aangevuld. Hoewel op dit verzuim geen nietigheid is gesteld houdt het wel in dat het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen 8 maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, nu de Hoge Raad de stukken pas op 22 januari 2020 heeft ontvangen, zodat daardoor dat redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.
Toelichting
2.1
Op 5 februari 2019 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Aan het verkorte arrest heeft het hof een aanvulling, inhoudende de door het hof gebezigde bewijsmiddelen gehecht. De aanvulling is door de voorzitter ondertekend op 6 januari 2020. De stukken van het geding zijn op 22 januari 2020 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Op grond van deze omstandigheid heeft het hof het verkorte arrest niet tijdig, binnen de door de wet gestelde termijn, met de bewijsmiddelen aangevuld. Hoewel op dit verzuim geen nietigheid is gesteld houdt het wel in dat het hof de stukken van het geding vervolgens niet tijdig, te weten binnen 8 maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, nu de Hoge Raad de stukken pas op 22 januari 2020 heeft ontvangen, zodat daardoor de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.13.
2.2
Aan de verdachte zal niet kunnen worden tegengeworpen dat hij onvoldoende belang heeft bij zijn klacht nu hij zelf de oorzaak zou zijn geweest van de schending van de redelijke termijn door het instellen van het beroep in cassatie. De raadslieden van verdachte zijn immers pas in staat geweest de stukken van de zaak te bestuderen nadat hen de stukken waren toegezonden. Voorts zijn de raadslieden pas in staat geweest een cassatieschriftuur in te dienen nadat de aanzegging van de Hoge Raad was betekend. De Hoge Raad is daartoe pas in staat geweest nadat het hof de stukken van het geding naar de Hoge Raad had gezonden. Dit houdt in dat de schending van de redelijke termijn te wijten is aan de te late inzending van het dossier door het hof.
2.3
Van belang is voorts het volgende. In zijn arrest van 11 september 2012 heeft de Hoge Raad gesteld klachten over schending van de redelijke termijn af te zullen doen m.b.v. art. 80a RO, indien in die zaken alleen zou worden geklaagd over schending van de redelijke termijn, of indien in die zaken ook over andere kwesties zou worden geklaagd, welke klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.14. Op Nederland rust evenwel de plicht de rechtspleging zo in te richten, dat procedures binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld.15. Geconstateerd moet worden dat Nederland, ondanks meerdere pogingen daartoe, er nog steeds niet in is geslaagd er zorg voor te dragen dat in de cassatieprocedures de Hoge Raad uitspraak doet binnen de vereiste redelijke termijn. Integendeel. In 2014 heeft de raadsman van verdachte in 39 strafzaken ook geklaagd over schending van de redelijke termijn. In 2015 heeft de raadsman in 43 cassatieprocedures (onder meer) geklaagd over schending van de redelijke termijn na het instellen van cassatie. In 2016 en 2017 is beide jaren meer dan 50 keer geklaagd over de schending van de redelijke termijn, terwijl in 2018 hieromtrent meer dan 60 klachten zijn ingediend. In 2019 zijn maar liefst 75 klachten ingediend over de schending van de redelijke termijn. Bij deze aantallen zijn dus niet zaken meegerekend waarin geen (andere) klacht in de cassatieprocedure kon worden gevoerd. Ook in de nabije toekomst behoeft een verbetering niet te worden verwacht. Zo blijkt uit het in 2014 verschenen rapport "Werkdruk bewezen" van de NVvR dat een te hoge werkdruk de kwaliteit van de rechtspraak ondergraaft. Overigens heeft de (voormalig) president van de Hoge Raad reeds in februari 2013 in een brief de noodklok geluid over de werkdruk.16. Zie voorts de opmerkingen van de Procureur-Generaal in het Jaarverslag 2012.17. Nog op 1 maart 2015 heeft de voorzitter van de Raad voor Rechtsspraak aangegeven dat door gebrek aan capaciteit de werkdruk voor rechters zo hoog is dat er achterstanden ontstaan, waarbij gebrek aan geld de belangrijkste oorzaak voor het capaciteitsprobleem wordt aangewezen.18.
Onder deze omstandigheden dient thans te worden geconcludeerd dat er sprake is van een verzuim dat — naar uit objectieve gegevens — blijkt zozeer bij herhaling voor te komen dat zijn structurele karakter vaststaat èn dat de verantwoordelijke autoriteiten, te weten de Regering en het Parlement zich onvoldoende inspanningen hebben getroost herhaling te voorkomen. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
2.4
Voorkomen moet worden dat ‘onder de zegel’ van cassatie de norm ten aanzien van de duur van de berechting steeds maar weer wordt verlegd waardoor er ook vanwege alle bezuinigingen en reorganisaties geen substantiële druk meer op de overheid wordt gelegd om een onredelijke procesduur zoveel mogelijk te vermijden.19. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
2.5
Voorts in de onderhavige schriftuur de verdachte ook nog andere klachten naar voren heeft gebracht die betrekking hebben op de ‘prior criminal proceedings’, zodat ook om deze reden niet kan worden gesteld dat verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht over de schending van de redelijke termijn.20.
2.6
Bovendien is afdoening op basis van art. 80a RO niet aangewezen, gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn en omdat afdoening op basis van art. 80a RO inbreuk maakt op het recht van ‘effective remedy’.21. Indien de Hoge Raad van oordeel is dat afdoening van de zaak door middel van art. 80a RO in zaken als de onderhavige geen inbreuk lijkt te maken op het EVRM, is veroordeelde van mening dat de Hoge Raad deze kwestie zal dienen voor te leggen aan het EHRM en wel door middel van het stellen van prejudiciële vragen. Uit hetgeen hierboven is aangevoerd volgt dat in zaken als de onderhavige, waarin sprake is van schending van de redelijke termijn die het gevolg is van het door het hof niet in acht nemen van de wettelijk voorgeschreven termijnen, art. 13 EVRM immers een ‘effective remedy’ vereist. De vragen zouden kunnen luiden:
- 1.
Vereisen de artikelen 6 en 13 EVRM dat de cassatierechter een inhoudelijk oordeel velt over een klacht betreffende de schending van redelijke termijn in zaken waarin de redelijke termijn van de berechting in cassatie wordt geschonden doordat de laatste feitelijke rechter geldende termijnen met betrekking tot het opstellen van relevante stukken en het opsturen van die stukken niet in acht neemt?
- 2.
Maakt het daarbij verschil uit of in cassatie ook andere klachten naar voren zijn gebracht?
- 3.
Maakt het daarbij verschil uit of deze andere klachten een behandeling in cassatie rechtvaardigen?
- 4.
Maakt het daarbij verschil uit of de verdachte/veroordeelde in de betreffende zaak gedetineerd is?
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 25 juni 2020
Advocaten
R.J. Baumgardt
P. van Dongen
S. van den Akker
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑06‑2020
Schatschaschwili vs. Germany 15 december 2015, app.no. 9154/10.
appl. no. 47152/06, Blokhin.
appl. no. 26073/13.
EHRM 10 juli 2012, NJ 2012/648, m.nt. T.M. Schalken.
appl. no. 37617/10, Cabral.
EHRM 3 juli 2018, appl. no. 41596/13, Breijer.
HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR: 2017:1016, NJ 2017/447, m.nt. TK
Zie noot 7 alsmede HR 11 februari 2020, NJ 2020/186, m.nt. W.H. Vellinga.
CAG 6 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1253.
EHRM 17 oktober 2019, appl. nos. 26581/17 en 31024/17
EHRM 24 november, appl. no. 35688/11
Zie in dit verband de noot van W,H. Vellinga onder het genoemde arrest.
HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. J. de Hullu, alsmede HR 14 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241 — 245, m.nt. F.W. Bleichrodt.
EHRM 26 mei 1993, NJ 1993/466, m.nt. E.A. Alkema en EHRM 23 februari 1999, nr. 34966/97 (De Groot/Nederland), NJ 1999/641, m.nt. G. Knigge.
NRC 4 februari 2013.
Jaarverslag 2012, p. 23/24.
Zie: www.nos.nl/artikel/2022231-onverminderde-roofbouw-op-rechters-html.
Noot van T.M. Schalken onder HR 27 oktober 2015, NJ 2015/469.
EHRM 27 augustus 2013, nr. 12810/13 (Celik/Nederland).
Zie in dit verband de reeds door F.W. Bleichrodt in zijn noot onder HR 22 januari 2013, NJ 2013/245 gemaakte opmerking en -met name- de door het EHRM aan Nederland gestelde vragen in EHRM 18 december 2018, nr. 585/19 (Nelissen/Nederland).