Proces-verbaal van de zitting van de Rb Rotterdam van 11 april 2013, p. 2, 3e alinea; beschikking van de Rb Rotterdam van 25 april 2013, blad 2.
HR, 12-09-2014, nr. 14/02049
ECLI:NL:HR:2014:2662
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
12-09-2014
- Zaaknummer
14/02049
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:2662, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 12‑09‑2014; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:678, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:678, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑06‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2662, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑09‑2014
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Familierecht. Gezag. Omgangsregeling. Feitelijke grondslag. Aan het middel te stellen eisen.
Partij(en)
12 september 2014
Eerste Kamer
14/02049
EV/LH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. E. El-Sharkawi,
t e g e n
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak C 10/368400/F1 RK 10-3291 van de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2011, 3 juli 2012 en 25 april 2013;
b. de beschikking in de zaak 200.130.926/01 van het gerechtshof Den Haag van 22 januari 2014.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijk verklaring met toepassing van art. 80a RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 september 2014.
Conclusie 27‑06‑2014
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Familierecht. Gezag. Omgangsregeling. Feitelijke grondslag. Aan het middel te stellen eisen.
Rolnr. 14/02049
Mr M.H. Wissink
Zitting van 27 juni 2014
Conclusie inzake art. 80a RO
in de zaak van:
[de man],
verzoeker tot cassatie
tegen
[de vrouw],
verweerster in cassatie
1.
Het bij verzoekschrift, ingekomen op 18 april 2014, tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de beschikking van het gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 22 januari 2014. Daarin heeft het hof de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2013 bekrachtigd, welke beschikking strekte tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over de twee minderjarige kinderen van partijen, bepaling dat het gezag over de kinderen voortaan aan de moeder toekomt en afwijzing van het verzoek van de vader om tussen hem en de kinderen een omgangsregeling te bepalen. Verweerster heeft conform art. 9a.8 van het Reglement rekestzaken van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden verzocht om uitstel voor haar verweer tot na de beslissing omtrent de toepassing van art. 80a RO.
2.
Het Hof oordeelt dat de verhouding tussen de ouders ernstig is verstoord en sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk tussen de ouders. Uit het verhoor van het oudste kind, [het kind], is het Hof gebleken dat vader ook het vertrouwen van de kinderen heeft geschonden. De gebeurtenissen uit het verleden – waaronder de mishandeling van moeder door vader, waarvoor vader strafrechtelijk is veroordeeld – en de door vader geëntameerde procedure tot ontkenning van het vaderschap hebben op de kinderen grote impact gehad. Voorts heeft vader het omgangstraject bij het Rotterdams Omgangshuis niet gebruikt om het vertrouwen te herstellen, maar met zijn gedrag het gevoel van onveiligheid en het wantrouwen bij zowel moeder als de kinderen vergroot. Onder deze omstandigheden acht het hof het van belang moeder en kinderen eerst een periode van rust te geven, zodat zij het verleden met hulpverlening kunnen verwerken. De vader zal enige tijd een pas op de plaats hebben te maken en geen druk meer moeten kunnen leggen op de minderjarige(n) en de (geheime) verblijfplaats van de moeder en de minderjarigen dienen te respecteren (rov. 8). Daarna dient de vertrouwensbreuk te worden hersteld alvorens een omgangsregeling kan worden vastgesteld (rov. 10).
3.
Het middel bevat vier klachten, te weten dat het Hof onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de juiste feiten en de mogelijkheden (nr. 10); dat het Hof onvoldoende heeft meegewogen dat de vader waar nodig zijn medewerking heeft verleend aan de moeder bij de uitvoering van het gezag (nr. 11); dat onduidelijk is waarom de Raad voor de Kinderbescherming niet heeft deelgenomen aan de procedure in appel en waarom het Hof het herstel van de vertrouwensbreuk aan de vrije wil van partijen overlaat (nr. 12); en tenslotte dat het Hof in strijd met art. 6 en 8 EVRM en art. 3, 4, 9, en 18 IVRK geen alternatieve mogelijkheden heeft gezocht (nr. 13).
4.
De vier klachten rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Voor zover het middel in nr. 13 stelt dat de Raad voor de Kinderbescherming positief is over het tot stand brengen van omgang tussen vader en kinderen, mist het feitelijke grondslag: de Raad was aanvankelijk positief over een proefregeling, maar adviseerde door de houding en het gedrag van vader tijdens de proefomgang uiteindelijk negatief.1.
De overige door het Hof in rov. 8-10 genoemde omstandigheden bestrijdt het middel niet, evenmin als de door het Hof in rov. 7 gehanteerde maatstaf omtrent de noodzaak tot wijziging van het gezag en de in rov. 10 gehanteerde maatstaf omtrent het totstandbrengen van omgang met de kinderen.
De door het Hof genoemde omstandigheden kunnen zijn oordeel omtrent de wijziging van het gezag en de ontzegging van de omgang dragen. Het middel geeft niet aan welke essentiële omstandigheden het Hof heeft miskend, noch welke door vader geopperde of anderszins nog openstaande mogelijkheden het Hof had moeten verkennen. Gezien het advies van de Raad voor de Kinderbescherming is voorshands niet duidelijk om welke mogelijkheden dit zou gaan. De klachten in nr. 10, 11 en 13 lopen hierop stuk.
De klacht in nr. 12 miskent dat de Raad wel degelijk door het Hof is gekend, maar dat de Raad heeft laten weten niet ter zitting in hoger beroep te zullen verschijnen. De Raad had zijn standpunt reeds in eerste aanleg toegelicht.
Voor zover de klacht in nr. 13 nog betoogt dat op andere gronden verdragsbepalingen zijn geschonden, faalt zij wegens het ontbreken van een toelichting op hoe welk artikel door welke beslissing van het Hof geschonden zou zijn.
5.
Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑06‑2014