Vgl. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, GS Huurrecht, art. 7:201 BW, aant. 21; L.L. de Boef, Sdu Commentaar Huurrecht, art. 7:201 BW, aant. C.2.2; H.J. Rossel, Huurrecht algemeen, 2011, p. 14-17; M. van Schie, in: J. Sengers en P. van der Sanden (red), Huurrecht Woonruimte, 2013, p. 22.
HR, 12-12-2014, nr. 14/04005
ECLI:NL:HR:2014:3595
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-12-2014
- Zaaknummer
14/04005
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:3595, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑12‑2014; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2014:3913, Niet ontvankelijk
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1914, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:1914, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑10‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:3595, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑12‑2014
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Bruikleenovereenkomst woonhuis. Moet vergoeding worden aangemerkt als tegenprestatie in de zin van art. 7:201 BW (huur)? Feitelijke grondslag.
Partij(en)
12 december 2014
Eerste Kamer
14/04005
EV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiseres 2],beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
t e g e n
CAMELOT BEHEER B.V.,gevestigd te Eindhoven,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en Camelot.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/16/364282/KG ZA 14-154 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2014;
b. het arrest in de zaak 200.147.161 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 mei 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Camelot is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 3 november 2014 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4-6).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Camelot begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 december 2014.
Conclusie 24‑10‑2014
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Bruikleenovereenkomst woonhuis. Moet vergoeding worden aangemerkt als tegenprestatie in de zin van art. 7:201 BW (huur)? Feitelijke grondslag.
Rolnr. 14/04005
Mr M.H. Wissink
Zitting van 24 oktober 2014
Conclusie inzake art. 80a RO
in de zaak van:
1. [eiser 1]
2. [eiseres 2]
beiden wonende te [woonplaats],
eisers tot cassatie,
tegen
Camelot Beheer B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
verweerster in cassatie
1. Het bij dagvaarding van 8 juli 2014 door eisers tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het in kort geding gewezen arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zittingsplaats Arnhem) van 13 mei 2014. Daarin bekrachtigde het hof het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) van 9 april 2014 waarbij, kort gezegd, eisers zijn veroordeeld om binnen vier weken na betekening van het vonnis het sinds 1 maart 2013 door hen bewoonde pand aan de [a-straat] te [woonplaats] te ontruimen, dit op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 50.000,-. Verweerster in cassatie is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend. De klachten van het middel rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
2. [eiser 1] en [eiseres 2] bewonen het pand met kinderen op basis van bruikleenovereenkomsten die zij ieder met Camelot Beheer hebben gesloten en die hen ieder verplichten tot betaling van een bruikleenvergoeding van € 192,50 per maand. Nadat de opdrachtgever van Camelot Beheer had aangegeven het pand te gaan slopen ten behoeve van de realisatie van een supermarkt, heeft Camelot Beheer de bruikleenovereenkomsten opgezegd per 8 januari respectievelijk 14 februari 2014 (zie nader het vonnis, rov. 2.1-2.7). [eiser 1] en [eiseres 2] hebben zich op het standpunt gesteld dat sprake is van huur, omdat de betalingen van € 192,50 per maand moeten worden aangemerkt als tegenprestatie voor het gebruik van de zaak als bedoeld in art. 7:201 BW. Rechtbank en hof hebben dit standpunt verworpen.
3. Het middel klaagt over rov. 4.3, waarin het hof oordeelt dat Camelot Beheer ook in hoger beroep voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de maandelijkse vergoeding van 2 x € 192,50 ziet op voor rekening van [eiser 1] en [eiseres 2] te brengen onkosten en dus geen tegenprestatie in de zin van art. 7:201 BW zijn. Het hof wijst in het bijzonder op (i) kosten ad € 4.500,- die Camelot Beheer en/of de eigenaar (hebben) moeten maken voor het gebruik door [eiser 1] en [eiseres 2], gelet ook op de beoogde korte duur van het gebruik, en (ii) de omstandigheid dat naast de maandelijkse vergoeding geen gebruikelijke gebruikerslasten (waaronder die voor gas, water en licht) betaald hoeven te worden, terwijl het aan Eneco te betalen voorschot voor levering van gas en elektriciteit al € 450,- per maand is, en dat aannemelijk is dat het daaraan ten grondslag liggende energiegebruik grotendeels kan worden toegerekend aan de bewoning van het pand door [eiser 1] en [eiseres 2] en hun omvangrijke gezin.
4. Volgens het eerste middel is het hof uitgegaan van een onjuiste uitleg van het begrip tegenprestatie in art. 7:201 BW, omdat in zijn uitleg ten onrechte de daadwerkelijk gemaakte onkosten doorslaggevend zijn, terwijl de juiste uitleg is of bij het aangaan van de overeenkomst deze onkosten zijn beoogd en daarmee is beoogd de vergoeding niet meer dan kostendekkend te doen zijn (zie ook de toelichting op blad 2, laatste alinea, en blad 3, eerste alinea, van de cassatiedagvaarding).
Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft niet het belang miskend van hetgeen partijen bij het aangaan van de overeenkomst omtrent het karakter van de maandelijkse vergoeding voor ogen stond.1.Echter, in verband met de kwestie of partijen inderdaad een kostenvergoeding voor ogen stond, speelde in de procedure de vraag of Camelot Beheer aannemelijk had gemaakt dat de gebruiksvergoeding slechts betrekking had op gemaakte onkosten (zie vonnis rov. 4.3, 4.4 en 4.7 en arrest rov. 4.3). Die vraag wordt in rov. 4.3 door het hof beantwoord. Die vraag rees kennelijk omdat de bruikleenovereenkomsten een waslijst van posten presenteren voor diensten die allemaal door Camelot Beheer ten behoeve van de gebruikers verleend zouden worden (zie vonnis rov. 2.3), zodat behoefte was aan inzicht in de werkelijk voor bepaalde posten gemaakte kosten. Daartoe dienden in deze zaak in ieder geval de hiervoor onder 3 sub (i) en (ii) genoemde kostenposten (de overige posten heeft het hof blijkens rov. 4.3, zesde volzin, buiten beschouwing kunnen laten).
5. De rechtsklacht van het tweede middel herhaalt die van het eerste middel en deelt het lot daarvan. De motiveringsklachten van het tweede middel falen.
De eerste motiveringsklacht voert slechts een van de beoordeling door het hof afwijkend feitelijk uitgangspunt aan door te stellen dat sprake is van toevallig gerealiseerde hoge onkosten die niet in retrospectief in de weg kunnen staan aan aanmerking van de vergoedingen als tegenprestatie in de zin van art. 7:201 BW. De passages in de gedingstukken waarop wordt gewezen in de toelichting vanaf blad 3, tweede alinea, van de cassatiedagvaarding (CvA nr. 4 en de pleitnota’s in beide instanties) betreffen het in rov. 4.3 van het vonnis weergegeven verweer van [eiser 1] en [eiseres 2] dat in beide instanties is onderzocht.
De tweede motiveringsklacht miskent dat het hof omtrent de energiekosten heeft overwogen dat aannemelijk is dat het aan het aan Eneco te betalen voorschot van € 452,- ten grondslag liggende energiegebruik grotendeels kan worden toegerekend aan de bewoning van het pand door [eiser 1] en [eiseres 2] en hun omvangrijke gezin. Daarmee verdisconteert het hof zowel dat aan het voorschot betekenis toekomt (ook al is, volgens het middel, onduidelijk gebleven wat de werkelijke kosten zijn) en dat [eiser 1] en [eiseres 2] niet de enige gebruikers van het pand waren.
6. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑10‑2014