NJB 2026/770
Vraag of dividendbelasting in mindering moet worden gebracht bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel: bij de bepaling van het voordeel moet, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in art. 36e Sr, worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. In casu heeft het hof vastgesteld dat er door de medeverdachte vennootschap of de betrokkene in verband met het wederrechtelijk verkregen voordeel geen dividendbelasting is afgedragen. In casu kan deze vaststelling het oordeel van het hof dat geen aanleiding bestaat om (mogelijk) verschuldigde dividendbelasting bij de schatting van het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel in mindering te brengen, zelfstandig dragen.
HR 31-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:505
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31 maart 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, C.N. Dalebout, R. Kuiper
- Zaaknummer
23/01096
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:505, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑03‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1320, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑12‑2025
- Wetingang
(art. 36e Sr)
Essentie
Vraag of dividendbelasting in mindering moet worden gebracht bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel: bij de bepaling van het voordeel moet, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in art. 36e Sr, worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. In casu heeft het hof vastgesteld dat er door de medeverdachte vennootschap of de betrokkene in verband met het wederrechtelijk verkregen voordeel geen dividendbelasting is afgedragen. In casu kan deze vaststelling het oordeel van het hof dat geen aanleiding bestaat om (mogelijk) verschuldigde ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.