NJB 2026/770:Vraag of dividendbelasting in mindering moet worden gebracht bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel: bij de bepaling van het voordeel moet, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in art. 36e Sr, worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. In casu heeft het hof vastgesteld dat er door de medeverdachte vennootschap of de betrokkene in verband met het wederrechtelijk verkregen voordeel geen dividendbelasting is afgedragen. In casu kan deze vaststelling het oordeel van het hof dat geen aanleiding bestaat om (mogelijk) verschuldigde dividendbelasting bij de schatting van het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel in mindering te brengen, zelfstandig dragen.