De echtgenote van [verzoeker] heeft op 30 maart 2011 bij de rechtbank 's‑Hertogenbosch ook een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Dit verzoek is door de rechtbank en het hof te 's‑Hertogenbosch afgewezen. De vrouw is eveneens van het arrest van het hof in cassatie gekomen. De conclusie in die zaak is op dezelfde datum genomen als die van de voorliggende conclusie.
HR, 09-03-2012, nr. 11/04450
ECLI:NL:HR:2012:BV2865
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
09-03-2012
- Zaaknummer
11/04450
- Conclusie
Mr. Wuisman
- LJN
BV2865
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BV2865, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 09‑03‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV2865
ECLI:NL:PHR:2012:BV2865, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑01‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV2865
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑03‑2012
Inhoudsindicatie
81 RO. Afwijzing verzoek omzetting faillissement in WSNP. Ontbreken goede trouw ten aanzien van ontstaan schulden.
9 maart 2012
Eerste Kamer
11/04450
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 228015/FT-RK 11.497 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 juni 2011;
b. het arrest in de zaak HV 200.089.884/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 september 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 27 januari 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 maart 2012.
Conclusie 13‑01‑2012
Mr. Wuisman
Partij(en)
CONCLUSIE inzake:
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven
1. Feiten en procesverloop
1.1
Verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]) heeft op 15 maart 2011 bij de rechtbank 's‑Hertogenbosch een verzoekschrift ingediend strekkende tot opheffing van het ten aanzien van hem uitgesproken faillissement onder het ten aanzien van hem gelijktijdig van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling.1. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen op de grond dat hij niet te goeder trouw in de zin van art. 288 lid 1, aanhef en sub b, Fw is geweest ten aanzien van het ontstaan van een belastingschuld. Die schuld is ontstaan als gevolg van het niet meer voldoen vanaf 2006 aan zijn fiscale verplichtingen, hoewel de resultaten van zijn bedrijf voldoende waren om de achterstanden bij de belastingdienst weg te werken.
1.2
In hoger beroep heeft het hof 's‑Hertogenbosch bij arrest van 30 september 2011 het bestreden vonnis bekrachtigd, daartoe in rov. 3.4.2 overwegende: ‘In het adviesrapport van het IMK d.d. 29 maart 2010, productie 6 van het aanvullend beroepschrift, staat op blz. 5 dat er over de jaren 2007 tot en met 2009 geen jaarrekeningen en fiscale aangiftes zijn opgesteld. Het hof stelt op grond van dit rapport vast dat [verzoeker] gedurende 3 jaar niet aan zijn fiscale belastingverplichtingen heeft voldaan. [Verzoeker] heeft zijn ogen gesloten voor de noodzaak van afdracht aan de fiscus. Voor zover [verzoeker] geen inzicht had in de cijfers, doet dat daaraan niet af. Een ondernemer wordt immers geacht te weten dat er aangifte bij de belasting moet worden gedaan. Daarop diende [verzoeker] dan ook toezicht te houden en dat heeft hij gedurende langere tijd nagelaten.’
1.3
[Verzoeker] heeft met een op 7 oktober 2011 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift tijdig cassatieberoep ingesteld.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Er is één cassatiemiddel voorgedragen. Daarin wordt erover geklaagd dat het hof aan essentiële stellingen met betrekking tot de goede trouw van [verzoeker] voorbij is gegaan, althans dat het hof die stellingen niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. Ter toelichting wordt gewezen op stellingen met betrekking tot inkomstenvermindering als gevolg van faillissementen van opdrachtgevers, verslechtering van de gezondheid van [verzoeker], onterecht maar niettemin tot inkomstenderving leidend beslag op een bedrijfsauto en pogingen van [verzoeker] tot het laatste moment om de schulden te regelen. Het zijn stellingen die allemaal ertoe strekken aan te tonen dat [verzoeker] ten aanzien van het niet hebben kunnen voldoen van de bij hem ontstane schulden, waaronder de belastingschulden, te goeder trouw is geweest.
2.2
In het kader van de weergave van wat [verzoeker] heeft aangevoerd refereert het hof aan genoemde stellingen; zie rov. 3.3. Maar het hof betrekt die stellingen inderdaad niet in de beoordeling van de goede trouw van [verzoeker]. Dat levert echter geen grond voor cassatie op. De goede trouw van artikel 288 lid 1, aanhef en sub b, Fw wordt niet slechts geëist ten aanzien van het onbetaald laten van schulden, maar ook ten aanzien van het ontstaan van schulden. Hetgeen het hof in rov. 3.4.2 — de kernoverweging te dezen — overweegt, heeft op dit laatste betrekking. Het hof acht door [verzoeker] niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de fiscale schulden. Het beroep op het falen van de boekhouder verwerpt het hof en heeft het hof kunnen verwerpen door te wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van [verzoeker] als ondernemer. Dat oordeel wordt overigens in het aangevoerde cassatiemiddel ook niet bestreden. Na de vaststelling dat [verzoeker] de goede trouw ten aanzien van het ontstaan van de fiscale schulden niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt, hoefde het hof niet meer nader in te gaan op de stellingen ter zake van de goede trouw van [verzoeker] ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑01‑2012