De onderhavige zaak hangt eveneens samen met de zaak tegen [medeverdachte 3] (13/00223) waarin de Hoge Raad bij arrest van 2 april 2013 de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank heeft vernietigd en de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging wegens het overlijden van de verdachte op 11 november 2012.
HR, 15-04-2014, nr. 12/01780
ECLI:NL:HR:2014:916
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-04-2014
- Zaaknummer
12/01780
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:916, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑04‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:276, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:276, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑02‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:916, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑07‑2013
- Vindplaatsen
NJ 2014/242 met annotatie van
SR-Updates.nl 2014-0184
Uitspraak 15‑04‑2014
Inhoudsindicatie
Art. 359a Sv. Verwerping verweer strekkende tot bewijsuitsluiting p-v identiteit en stemherkenning. Het Hof heeft door het verweer te verwerpen o.g.v. de omstandigheid dat de in het p-v gerelateerde bevinding van verbalisanten niet de inhoud van de verklaringen van verdachte betreft noch kan worden aangemerkt als bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks gevolg van de verklaringen van verdachte afgelegd tijdens die verhoren, niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Partij(en)
15 april 2014
Strafkamer
nr. 12/01780
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 april 2012, nummer 20/004618-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde werkstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 niet van het bewijs heeft uitgesloten.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op of omstreeks 20 juli 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk heeft vervoerd en afgeleverd, een hoeveelheid hennepstekken, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."
2.3.
Het Hof heeft onder meer het volgende bewijsmiddel tot het bewijs gebezigd:
"20. Het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning, op ambtseed opgemaakt en op 14 april 2009 ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierpagina's 53 en 54, zijnde onderdeel van het persoonsdossier van verdachte [verdachte], op ambtseed opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], Politie Brabant Noord, Divisie Centrale Recherche, proces-verbaalnummer 28-820602, onderzoek Tapas, sluitingsdatum 14 april 2009, doorgenummerde dossierpagina's 53 en 54, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Door ons werden twee telefoongesprekken, gespreknummers [002], d.d. 15 juli 2008 17.43 uur en [003] d.d. 16 juli 2008 11.40 uur op dinsdag 14 april 2009 ten gehore gebracht aan verdachte [verdachte].
Wij verbalisanten herkenden en hoorden in deze telefoongesprekken [dat] de door ons op dinsdag 14 april 2009 als verdachte gehoorde [verdachte], gespreksdeelnemer was. Verdachte [verdachte] maakte bij deze telefoongesprekken gebruik van het telefoonnummer 06-[004]."
2.4.
De bestreden uitspraak houdt onder het opschrift "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" het volgende in:
"De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidende onderzoek, ten gevolge waarvan de inhoud van zowel de door verdachte afgelegde verklaring(en) van 14 april 2009 bij de politie als van het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte voorafgaand aan zijn (eerste) verhoor door de politie niet is gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen, zodat sprake is van schending van de zogenoemde Salduz-norm.
(...)
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vanwege deze schending van de Salduz-jurisprudentie ook de inhoud van het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 niet voor het bewijs mag worden gebezigd.
(...)
In het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 relateren de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat zij op 14 april 2009 twee telefoongesprekken hebben beluisterd voor stemherkenning. Zij namen daarbij waar dat [verdachte] die zij die dag als verdachte hadden gehoord, aan deze gesprekken deelnam en zij stelden vast dat hij gebruik maakte van het telefoonnummer 06-[004]. Het hof gaat er derhalve van uit dat de betreffende verbalisanten de stemherkenning hebben gebaseerd op het stemgeluid van verdachte dat zij tijdens de met de Salduz-jurisprudentie strijdige verhoren van verdachte hebben waargenomen.
Dit laatste leidt er naar het oordeel van het hof echter niet toe dat de stemherkenning van het bewijs moet worden uitgesloten. Met uitsluiting van de verklaringen voor het bewijs wordt naar het oordeel van het hof bedoeld uitsluiting van de inhoud van de door de verdachte afgelegde verklaringen. Die uitsluiting raakt het bewijs en niet de verdere opsporing. Het opmaken van een proces-verbaal van identiteit en stemherkenning heeft plaatsgevonden in het kader van het (verdere) opsporingsonderzoek waarbij de verdachte voor de aanvang van de verhoren aan de hand waarvan zijn stem is herkend en zijn deelname aan telefoongesprekken is vastgesteld, is gewezen op zijn recht dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Het hof verwerpt mitsdien ook in zoverre het verweer."
2.5.
In de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de in het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 gerelateerde bevinding van de verbalisanten, die is gebaseerd op hun waarneming van het stemgeluid van de verdachte tijdens de eerdere verhoren op die dag, niet de inhoud van de verklaringen van de verdachte betreft noch kan worden aangemerkt als bewijsmateriaal dat is verkregen als een rechtstreeks gevolg van de verklaringen van de verdachte afgelegd tijdens die verhoren. Door op grond daarvan het verweer te verwerpen dat als gevolg van het op grond van het zogenoemde Salduz-jurisprudentie geconstateerde vormverzuim ook het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van het bewijs moet worden uitgesloten, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
2.6.
Het middel faalt.
3. Beoordeling van het derde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het eerste middel
4.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 142 uren, subsidiair 71 dagen hechtenis, bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2014.
Conclusie 11‑02‑2014
Inhoudsindicatie
Art. 359a Sv. Verwerping verweer strekkende tot bewijsuitsluiting p-v identiteit en stemherkenning. Het Hof heeft door het verweer te verwerpen o.g.v. de omstandigheid dat de in het p-v gerelateerde bevinding van verbalisanten niet de inhoud van de verklaringen van verdachte betreft noch kan worden aangemerkt als bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks gevolg van de verklaringen van verdachte afgelegd tijdens die verhoren, niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Nr. 12/01780 Zitting: 11 februari 2014 | Mr. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 2 april 2012 de verdachte wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 4] (12/02024) en [medeverdachte 2] (13/00222), waarin ik heden eveneens concludeer.1.
3. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld
4. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
5. Het cassatieberoep is ingesteld op 3 april 2012. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 14 december 2012 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van 8 maanden is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.
6. Het tweede middel klaagt dat het Hof “ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd de stemherkenning voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl die stemherkenning het rechtstreeks resultaat was van het verhoor dat in strijd met de Salduz-jurisprudentie zonder voorafgaand(e) (aanbod van) bijstand van een raadsman werd afgenomen, hebbende het Hof het daartegen gerichte verweer op onjuiste althans ontoereikende gronden verworpen”.
7. Ter terechtzitting in hoger beroep is van de zijde van de verdediging aangevoerd dat de verdachte in strijd met de Salduz-jurisprudentie voorafgaand aan zijn verhoor niet is gewezen op zijn recht een raadsman te raadplegen en dat, gelet op die schending, zowel de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd als het proces-verbaal van stemherkenning van het bewijs dienen te worden uitgesloten.
8. Naar aanleiding hiervan heeft het Hof - kort weergegeven - geoordeeld dat de inhoud van de verklaringen die de verdachte op 14 april 2009 bij de politie heeft afgelegd wegens schending van de Salduz-jurisprudentie van het bewijs dienen te worden uitgesloten.
9. Met betrekking tot het gedeelte van het verweer dat gelet op de schending van de Salduz-jurisprudentie ook het proces-verbaal van stemherkenning van het bewijs dient te worden uitgesloten heeft het Hof in het bestreden arrest het volgende overwogen:
“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
(…)
B.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vanwege deze schending van de Salduz-jurisprudentie ook de inhoud van het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 niet voor het bewijs mag worden gebezigd.
Ad B.
In het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 relateren de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat zij op 14 april 2009 twee telefoongesprekken hebben beluisterd voor stemherkenning. Zij namen daarbij waar dat [verdachte] die zij die dag als verdachte hadden gehoord, aan deze gesprekken deelnam en zij stelden vast dat hij gebruik maakte van het telefoonnummer 06-[004]. Het hof gaat er derhalve van uit dat de betreffende verbalisanten de stemherkenning hebben gebaseerd op het stemgeluid van verdachte dat zij tijdens de met de Salduz-jurisprudentie strijdige verhoren van verdachte hebben waargenomen.
Dit laatste leidt er naar het oordeel van het hof echter niet toe dat de stemherkenning van het bewijs moet worden uitgesloten. Met uitsluiting van de verklaringen voor het bewijs wordt naar het oordeel van het hof bedoeld uitsluiting van de inhoud van de door de verdachte afgelegde verklaringen. Die uitsluiting raakt het bewijs en niet de verdere opsporing. Het opmaken van een proces-verbaal van identiteit en stemherkenning heeft plaatsgevonden in het kader van het (verdere) opsporingsonderzoek waarbij de verdachte voor de aanvang van de verhoren aan de hand waarvan zijn stem is herkend en zijn deelname aan telefoongesprekken is vastgesteld, is gewezen op zijn recht dat hij niet tot antwoorden verplicht was.
Het hof verwerpt mitsdien ook in zoverre het verweer.”
10.
Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de Salduz-jurisprudentie uitsluitend betrekking heeft op de door de verdachte afgelegde verklaringen, alsmede op bewijsmateriaal dat is verkregen als direct gevolg van een wegens schending van de Salduz-jurisprudentie voor het bewijs onbruikbare verklaring. In dit verband kan gewezen worden op het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ8166). In dat arrest ging het om de vraag of het Hof, alhoewel de daarin opgenomen verklaring van de verdachte wegens schending van de Salduz-jurisprudentie van het bewijs diende te worden uitgesloten, wel de in dat proces-verbaal gerelateerde persoonsgegevens van de verdachte voor het bewijs had mogen bezigen.2.De Hoge Raad overwoog:
“In zijn arrest van 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat verklaringen die de aangehouden verdachte heeft afgelegd voordat hem de gelegenheid is geboden een advocaat te raadplegen, van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat nu de verdachte door de politie is verhoord zonder dat hem die gelegenheid is geboden, het proces-verbaal van verhoor van 26 april 2009, voor zover daarin verklaringen van de verdachte zijn gerelateerd, niet voor het bewijs mag worden gebezigd.
Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de in dat proces-verbaal vermelde mededeling van de verbalisant, diens waarneming of bevinding behelzende, voor het bewijs mag worden gebezigd. Het kennelijke oordeel van het Hof dat de in dat proces-verbaal gerelateerde opgave van de persoonsgegevens in het onderhavige geval niet kan worden aangemerkt als een verklaring van de verdachte als hiervoor bedoeld, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”
11.
De in het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning van 14 april 2009 gerelateerde stemherkenning, zoals door het Hof als bewijsmiddel 20 gebezigd, lijkt mij zonder meer een waarneming of bevinding van de beide verbalisanten te betreffen. Nu mededelingen van een verbalisant diens waarneming of bevinding behelzende opgenomen in door de Salduz-jurisprudentie aangetaste processen-verbaal, anders dan de in die processen-verbaal opgenomen (inhoudelijke) verklaringen van een verdachte, gelet op genoemd arrest, voor het bewijs kunnen worden gebezigd, geldt dat a fortiori voor mededelingen van een verbalisant diens waarneming of bevinding betreffende die zijn opgenomen in een apart proces-verbaal, zoals in casu het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning. De stemherkenning betreft niet de (inhoud van de) verklaringen van de verdachte noch is daar een rechtstreeks gevolg van. Het oordeel van het Hof dat het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning voor het bewijs kan worden gebezigd getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het middel faalt.
12.
Het derde middel komt op tegen de bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Volgens de steller van het middel kan uit geen enkel door het Hof gebezigd bewijsmiddel volgen dat er op of omstreeks 20 juli 2008 door de verdachte hennepstekken zijn vervoerd of afgeleverd, ook niet tezamen en in vereniging met wie dan ook.
13.
De steller van het middel lijkt enkel acht geslagen te hebben op de gebezigde bewijsmiddelen zoals in de aanvulling opgenomen en gaat in het geheel voorbij aan de in het bestreden arrest opgenomen nadere bewijsoverweging inhoudende:
“Het hof stelt uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, in het bijzonder de processen-verbaal van de telefoongesprekken en sms-contacten die hebben plaatsgevonden in de periode tussen 14 juli 2008 en 21 juli 2008 en het proces-verbaal van analyse bakengegevens van 10 maart 2009, vast dat het navolgende zich heeft voorgedaan.
Tussen 14 juli 2008 en 17 juli 2008 hebben diverse telefoongesprekken plaatsgevonden tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] enerzijds en tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 4] anderzijds. Op basis van de inhoud van deze gesprekken concludeert het hof dat er gesproken is over een levering op zaterdag 19 juli 2008. [betrokkene 1] heeft deze levering besteld bij [betrokkene 2].
Vervolgens vinden er op 19 juli 2008 telefoongesprekken plaats tussen [medeverdachte 4] en [betrokkene 3]. Deze gesprekken hebben naar het oordeel van het hof betrekking op de locatie waar de levering moest plaatsvinden. Tijdens het telefoongesprek dat plaatsvindt omstreeks 15.59 uur deelt [medeverdachte 4] mede dat [betrokkene 3] naar “die langharige” moet gaan.
[betrokkene 3] belt vervolgens op diezelfde dag omstreeks 19.00 uur met verdachte en spreekt af dat hij morgen bij hem langskomt, omdat het vandaag te laat is. Uit zendmastgegevens blijkt dat het telefoontoestel van [betrokkene 3] op dat moment in de buurt van het woonadres van [betrokkene 2], gelegen aan de [a-straat 1] te Velp, was.
Daarna vinden er op 19 juli 2008 telefoongesprekken plaats tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Uit de inhoud van deze gesprekken leidt het hof af dat [betrokkene 3] een auto naar [betrokkene 4] zal brengen. Uit het telefoongesprek op 20 juli 2008, omstreeks 11.01 uur tussen [medeverdachte 4] en [betrokkene 3] blijkt dat [betrokkene 4] de opdracht heeft gekregen om naar “[verdachte]” te rijden. [medeverdachte 4] vraagt vervolgens aan [betrokkene 3] hoe laat hij bij [verdachte] moet zijn. [betrokkene 3] deelt mede: “doe maar om één uur daar”.
Vervolgens vinden er op 20 juli 2008 sms-contacten plaats tussen [betrokkene 3] en [medeverdachte 4]. Onder meer wordt het sms-bericht verzonden: “hij is om één uur bij die langharige”. Op diezelfde dag omstreeks 12.48 uur wordt [betrokkene 3] gebeld door [betrokkene 4]. [betrokkene 4] vraagt tijdens dit telefoongesprek: “hoe die plaats heet”, waarop [betrokkene 3] antwoordt “Blitterswijk”.
Uit het proces-verbaal van analyse bakengegevens blijkt dat de Renault Kangoo die in gebruik is bij [betrokkene 3], maar waarvan [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij daar ook in heeft gereden, op 20 juli 2008 omstreeks 12.57 uur op de [b-straat] te Blitterswijk is aangekomen en om 13.21 uur daar weer is vertrokken.
[betrokkene 1] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard - welk proces-verbaal in hoger beroep aan het dossier is toegevoegd - dat hij betrokken is geweest bij het vervoeren van hennepstekken. [betrokkene 1] heeft in dit verband (onder meer) verklaard dat er “ook een paar dingen zijn gebeurd met [betrokkene 2]” en dat [betrokkene 4] een paar keer voor hem met hennepstekken heeft gereden. Deze verklaring vindt steun in het gegeven dat [betrokkene 4] op 5 november 2008 met 1000 hennepstekken is aangehouden.
Gelet op de verklaring van [betrokkene 1], in samenhang bezien met de inhoud van de hiervoor genoemde tapgesprekken en bevindingen, is het hof van oordeel dat ook de inhoud van die tapgesprekken betrekking heeft op het vervoer en de levering van hennepstekken vanuit Velp naar een adres in Blitterswijk.
Voorts overweegt het hof dat deze hennepstekken zijn afgeleverd bij een persoon die wordt aangeduid als: “[verdachte]”, “[verdachte]” en “d(i)e langharige”. Het hof concludeert dat met deze persoon verdachte wordt bedoeld. Het hof baseert deze conclusie mede op het feit dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in de GBA stond ingeschreven op de [b-straat] te Blitterswijk en [medeverdachte 4] tijdens zijn verhoor op 16 april 2009 heeft verklaard dat hij [verdachte] “de langharige” noemt.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat verdachte samen met een of meer andere personen betrokken is geweest bij het vervoer van een hoeveelheid hennepstekken en dat deze hennepstekken op 20 juli 2008 ook daadwerkelijk bij hem zijn afgeleverd.”
14.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen en de hiervoor weergegeven nadere bewijsoverweging, waartegen in het middel niet wordt opgekomen en die mij geenszins onbegrijpelijk voorkomt, heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk vervoeren en afleveren van een hoeveelheid hennepstekken zoals bewezenverklaard. Het middel faalt dan ook.
15.
Het eerste middel is terecht voorgesteld, de overige middelen falen, waarbij het derde middel in ieder geval met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering kan worden afgedaan. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
16.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde werkstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2014
Het Hof bezigde onder meer het volgende bewijsmiddel:“2. Het ambtsedig proces-verbaal van Politieregio Brabant-Noord, District Den Bosch, team Noord-West, nr. 2009047420-6, d.d. 26 april 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], agent van politie (p. 8-10 van het proces-verbaal met registratienr. 2009047420-1) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant:Op 26 april 2009, te 00:23 uur, hoorde ik, verbalisant, in het politiebureau te ’s-Hertogenbosch een man als verdachte van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.De verdachte gaf mij op te zijn genaamd:Achternaam: [achternaam]Voornamen: [voornaam]Geboren: [geboortedatum] 1980Geboorteplaats/land:[geboorteplaats]Geslacht: ManNationaliteit: NederlandseAdres: [adres]Postcode plaats: [plaats]Ik deelde de verdachte mede:‘Op straat gaf je op te zijn genaamd:[naam], geboren op [geboortedatum] 1984, wonende op de [adres]. Nu blijkt echter, na controle van jouw identiteitskaart. Dat je een valse naam hebt opgegeven op straat.’”
Beroepschrift 06‑07‑2013
Hoge Raad der Nederlanden
Zaaknummer S 12/01780
Cassatieberoep tegen het arrest van
het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch
parketnummer 20/004618-10
Cassatieschriftuur
in de strafzaak tegen
[verdachte]
raadsman: Mr. J.C. Oudijk
Edelhoogachtbaar college,
Namens [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, door wie ik bepaaldelijk ben gevolmachtigd om deze cassatieschriftuur op te stellen, te ondertekenen en in te dienen, worden de navolgende middelen van cassatie voorgedragen.
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt doordat na het instellen van het cassatieberoep meer dan acht maanden zijn verstreken voordat de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen, waardoor de redelijke termijn is overschreden.
Toelichting
Het cassatieberoep is ingesteld op 3 april 2012. Blijkens de mededeling van uw griffie werden de stukken van het geding aldaar ontvangen op 14 december 2012. Daaruit volgt dat het hof de stukken na meer dan acht maanden heeft ingezonden, hetgeen volgens vaste jurisprudentie van uw Raad een schending van de redelijke termijn oplevert.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt doordat het gerechtshof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd de stemherkenning voor het bewijs heeft gebezigd terwijl die stemherkenning het rechtstreekse resultaat was van een verhoor dat in strijd met de Salduz-jurisprudentie zonder voorafgaand(e) (aanbod van) bijstand van een raadsman werd afgenomen, hebbende het hof het daartegen gerichte verweer op onjuiste althans ontoereikende gronden heeft verworpen.
Toelichting
Het hof neemt aan dat de verhoren van verzoeker zijn afgenomen zonder dat hij in de gelegenheid is gesteld om voorafgaand aan de verhoren een raadsman te consulteren. Dat is ook volgens het hof een onherstelbaar vormverzuim dat in lijn met de Salduzjurisprudentie van uw raad tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Ten onrechte overweegt het hof vervolgens dat deze uitsluiting slechts de inhoud van het verhoor zou betreffen en niet ook het stemgeluid dat een verdachte bij een dergelijk uit te sluiten verhoor heeft geproduceerd.
Zwijgen levert geen herkenbaar geluid op en de raadsman heeft in feitelijke aanleg betoogd dat hij zou hebben geadviseerd om nog slechts te knikken en in het geheel niet meer te antwoorden op gestelde vragen (p. 2 van het PV van de zitting van de rechtbank op 17 november 2010, naar welk verweer ter zitting van het hof werd verwezen). Maar zelfs als verzoeker in strijd met een dergelijk advies een paar keer ‘zwijgrecht’ zou hebben geantwoord, is aannemelijk dat dit te weinig vergelijkingsmateriaal zou opleveren voor een betrouwbare stemherkenning. (Zie bijv. ook ECLI:NL:RBROT:2007:BB4476). We zullen het nooit weten, want de politie is verzoeker gaan verhoren zonder hem eerst de mogelijkheid te bieden om zich met zijn raadsman te verstaan.
De stemherkenning is slechts mogelijk geweest ten gevolge van de in strijd met Salduz afgenomen verhoren en is aldus een directe vrucht van die onrechtmatig afgenomen verhoren.
Ook het hof neemt dat aan. Dan behoren niet alleen de woorden, maar ook de stem die ze uitspreekt te worden uitgesloten.
Ten onrechte overweegt het hof dat de uitsluiting alleen het bewijs zou raken en niet de verdere opsporing, althans dit oordeel is bij gebrek aan een toereikende uitleg en motivering onbegrijpelijk. Als materiaal onrechtmatig is verkregen, mag het volgens verzoeker ook niet (zonder meer) in de opsporing worden gebruikt. Als de lijn van het hof zou worden gevolgd, zou een onrechtmatig (bijvoorbeeld door foltering) verkregen verklaring kunnen worden gebruikt om verdere door die onrechtmatigheid besmette bewijsmiddelen te verzamelen. Verzoeker meent dat dit in zijn algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard.
Een uitsluiting van een bewijsmiddel wegens onrechtmatige verkrijging behoort volgens verzoeker (in beginsel) het hele bewijsmiddel te raken, zowel de vorm als de inhoud. Het herstellen van de door de politie gemaakte inbreuk op de fundamentele rechten van de verdachte kan slechts zinvol plaatshebben door het onrechtmatig verkregene ‘weg te denken’. Dat ‘wegdenken’ behoort dan ook de andere als gevolg van die schending verkregen bewijsmiddelen te raken. Die zouden er zonder de inbreuk immers ook niet zijn geweest.
Middel III
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt doordat het gerechtshof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft bewezen verklaard hetgeen aan verzoeker werd ten laste gelegd terwijl de daartoe gebezigde bewijsmiddelen deze bewezenverklaring niet (zonder nadere doch ontbrekende toelichting) kunnen dragen.
Toelichting
Uit geen enkel door het hof gebezigd bewijsmiddel kan volgen dat er op of omstreeks 20 juli 2008 door verzoeker hennepstekken zijn vervoerd en afgeleverd, ook niet tezamen en in vereniging met wie dan ook.
Het hof heeft kennelijk het gevoel bekomen dat er in de diverse door het hof gebezigde telefoongesprekken iets met hennep wordt besproken. Wat dat ‘iets’ zou zijn, wordt allerminst duidelijk. Of verzoeker daarbij een rol heeft en zo ja wat die zou moeten zijn, volgt ook uit geen van de bewijsmiddelen. Er lijkt alleen uit de bewijsmiddelen te volgen dat er iemand naar verzoeker moest rijden. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijft volstrekt onduidelijk wat daar te doen was. De bewijsmiddelen houden niets daaromtrent in. Moest er iets naar verzoeker worden toegebracht? Of moest er iets worden afgehaald? Of moest er iets worden besproken? Misschien wel met betrekking tot een feestje (bewijsmiddel 5) of een bezoekje aan de kermis (bewijsmiddel 10)? En wat zou de rol van verzoeker met betrekking tot dat ‘iets’ moeten zijn geweest?
Het hof heeft kennelijk zelf geen idee wat er precies is gebeurd. Dat zal ook wel de reden zijn dat het hof qua pleegplaats vrijspreekt van alles behalve ‘in Nederland’. Het hof heeft geen idee van de richting van het vervoeren en/of leveren. En dat het veronderstelde vervoer op 20 juli 2008 hennep zou betreffen, leidt het hof kennelijk ook af uit het feit dat de medeverdachte [medeverdachte] op 5 november 2008 is aangehouden met een aanzienlijke hoeveelheid hennepplantjes in de door hem bestuurde auto. Nu kunnen we van 5 november 2008 gerust stellen dat dit niet meer op of omstreeks 20 juli 2008 is. De bewijsmiddelen 24 t/m 26, die kennelijk zien op dit andere, in november 2008 gepleegde, feit kunnen derhalve niet redengevend zijn voor het bewijs van het feit dat er in juli 2008 door wie dan ook en waarheen dan ook hennep is vervoerd. In elk geval is het bezigen van deze middelen voor het bewijs van een vervoer in juli 2008 zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
Dit alles, gevoegd bij de omstandigheid dat de onrechtmatig verkregen stemherkenning (zie hierboven, middel II) voor het bewijs is gebezigd, brengt verzoeker tot de conclusie dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
Venlo, 6 juli 2013
Raadsman