Rb. Den Haag, 07-05-2026, nr. NL26.21079
ECLI:NL:RBDHA:2026:10817
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
NL26.21079
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:10817, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Bewaring – beroep ongegrond – EU-burger – ongewenstverklaring – arrest Aroja – detentiegeschiktheid.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21079
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Grützbauch. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De zaak is aangehouden en partijen hebben nadere reacties ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 mei 2026 gesloten.
Overwegingen
Ongewenstverklaring
1. Eiser voert aan dat in de maatregel niet is gemotiveerd dat sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Hiertoe voert eiser aan dat artikel 27, tweede lid, van Richtlijn 2024/38 van toepassing is en dat voor de bewaring van eiser noodzakelijk is dat er sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Dit staat ook in artikel 8.8, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit. Daarbij merkt eiser op dat strafrechtelijke veroordelingen als zodanig niet volstaan.
2. Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van Vw. Op grond van deze bepaling kan de minister, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dit vereist, een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen met het oog op uitzetting. Eiser heeft de Duitse nationaliteit. Bij besluit van 15 december 2016, uitgereikt aan eiser op 28 december 2016, is bepaald dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland en dat hij ongewenst wordt verklaard. Eiser is opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. Dit besluit is nog steeds van kracht en eiser verblijft daarom illegaal in Nederland. De minister was dan ook bevoegd eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring te stellen. Het tijdsverloop sinds het besluit van 15 december 2016 doet daar niet aan af. Dat geldt ook voor de stelling dat niet kan worden volstaan met strafrechtelijke veroordelingen. Indien eiser van mening is dat er geen reden meer is voor handhaving van de ongewenstverklaring omdat het gevaar voor de openbare orde is geweken, kan hij een aanvraag indienen tot opheffing van de ongewenstverklaring en kan in die procedure worden beoordeeld of eiser een actueel gevaar en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. De beroepsgrond slaagt niet.
Arrest Aroja
3. Eiser doet een beroep op het arrest Aroja1.. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de Duitse nationaliteit heeft en daarmee EU-burger is. Op 15 december 2016 heeft de minister vastgesteld dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland en heeft hem ook ongewenst verklaard. Verder stelt de rechtbank vast dat het arrest Aroja gebaseerd is op artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn en dus ziet op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Zoals hiervoor is vastgesteld is eiser een EU-burger. De rechtbank is daarom van oordeel dat het arrest niet van toepassing is in deze zaak die een EU-burger betreft.
Bewaringsgronden
4. In maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Detentiegeschiktheid
6. Ter zitting vraagt eiser zich af of hij op de goede plek zit. Een psychiatrische instelling zoals [locatie] zou een betere plek voor hem zijn. Ook vraagt eiser zich af of hij in het juiste circuit zit.
7. Voor zover eiser hiermee een beroep doet op detentieongeschiktheid, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de maatregel volgt niet dat eiser als detentieongeschikt moet worden aangemerkt. Eiser is erop gewezen dat, mochten zich medische omstandigheden voordoen, er medische en ook psychische zorg beschikbaar is op het detentiecentrum. Eiser heeft niet onderbouwd waarom hij detentieongeschikt is. De rechtbank ziet ook geen aanwijzingen om aan te nemen dat eiser detentieongeschikt is. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
07 mei 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑05‑2026