Zie o.a. HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1158, rov. 2.3, HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:304, rov. 2.3, HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:78, rov. 2.3 en HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:516, rov. 2.3, waarin telkens wordt verwezen naar HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471, rov. 2.5.3.
HR, 10-03-2026, nr. 24/03842
ECLI:NL:HR:2026:388
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-03-2026
- Zaaknummer
24/03842
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:388, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑03‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:136
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:2746
ECLI:NL:PHR:2026:136, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑02‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:388
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Medeplichtigheid aan doodslag door meermalen met medeverdachte de confrontatie met slachtoffer te zoeken en medeverdachte met auto naar plaats van misdrijf te brengen, waarna medeverdachte meermalen met vuurwapen op lichaam van slachtoffer schiet, art. 287 Sr. Bewijsklacht opzet van medeplichtige. Kon oordelen dat voldoende verband bestaat tussen misdrijf waarop opzet van verdachte was gericht (afpersing) en gronddelict (doodslag)? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03842
Datum 10 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 oktober 2024, nummer 23-001445-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.W.H.M. Wolters bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.
Conclusie 03‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling wegens o.a. medeplichtigheid aan doodslag (art. 48 en 287 Sr). Dubbel opzet. Middel klaagt over oordeel hof dat voldoende verband bestaat tussen misdrijf waarop opzet verdachte gericht was (afpersing) en gronddelict. Middel faalt (art. 81.1 RO). Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie sterkt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03842
Zitting 3 februari 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 3 oktober 2024 (parketnummer 23-001445-23, ECLI:NL:GHAMS:2024:2746) door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “medeplichtigheid aan doodslag”, 2. “handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en 3. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en vijftig weken met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof een voorwerp onttrokken aan het verkeer en een onder de verdachte in beslag genomen personenauto teruggegeven aan de redelijkerwijs rechthebbende. Voorts heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en heeft het schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte medeplichtig is aan doodslag getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu het hof met het oordeel dat gelet op de door het hof vastgestelde omstandigheden voldoende verband bestaat tussen enerzijds het misdrijf waarop het opzet van verdachte was gericht en anderzijds het gronddelict, daaraan een te ruime betekenis heeft toegekend, dan wel dat ’s hofs oordeel dat sprake is van voornoemd verband ontoereikend is gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk is.
2.2
Ten laste van de verdachte is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, bewezenverklaard dat:
“1. subsidiair
[medeverdachte] , op 1 april 2022 te [plaats] , opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen meermalen op het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, bij welk feit verdachte op 1 april 2022 opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door
- samen met die [medeverdachte] meermalen de confrontatie met het slachtoffer op te zoeken en
- die [medeverdachte] met een auto naar de plaats des misdrijfs te brengen.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van voetnoten):
“Ten aanzien van feiten 1 en 2
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 13 april 2023.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik was ervan op de hoogte dat er een conflict was tussen het slachtoffer (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) en [medeverdachte] . Dat had [medeverdachte] mij een paar dagen daarvoor verteld.
Nadat wij waren weggegaan bij de Tango werd ik ineens toegevoegd op Snapchat door [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1] ). Hij wilde afspreken. Toen wij aankwamen bij [A] zagen wij daar op het parkeerterrein ineens dezelfde witte Mercedes staan.
Het klopt dat ik een paar weken voor het schietincident een vuurwapen heb gegeven aan [medeverdachte] . Het vuurwapen zat toen in een designer tasje. Ik heb hem wel eerder met dat tasje zien lopen in die periode. Ik heb hem een of twee keer gevraagd wanneer ik het tasje van hem terug kreeg. Ik wilde het tasje graag terug hebben.
Ik was de bestuurder van de VW Golf met het kenteken [kenteken 1] .
Het klopt dat we bij [A] met zijn vieren tussen twee auto’s in stonden. Ik heb gezien dat [medeverdachte] het wapen pakte. [slachtoffer] is gaan rennen.
Het klopt dat ik het gesprek bij de Tango opende. Bij het ziekenhuis had [slachtoffer] mij aangesproken. Hij had het erover dat [medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) bij hem had ingebroken. Daarom zei ik daarna ‘vertel’ tegen hem, omdat ik wilde dat hij zijn verhaal kon vertellen.
2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 september 2024
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik ongeveer twee weken voor 1 april 2022 een vuurwapen heb verkocht aan [medeverdachte] . Ik heb hem het wapen bij mij thuis laten zien en heb het aan hem gegeven. De patroonhouder zat toen vol. Ik heb het wapen in een designertasje gedaan van het merk Louis Vuitton, zodat [medeverdachte] daar normaal mee over straat kon.
Ik ben [medeverdachte] op 1 april 2022 heel vroeg in de ochtend op gaan halen, ik denk rond 08:30 uur. Hij was op dat moment in [plaats] .
Toen ik de [e-straat] inreed kwam ik het slachtoffer tegen. Ik heb mijn auto voor zijn auto gezet. Toen is de confrontatie begonnen. Het zou kunnen dat ik ben uitgestapt.
Toen we bij het tankstation waren, liep het slachtoffer bellend weg. Hij zei tegen ons te blijven wachten, en dat hij wat mensen ging halen. Wij zijn toen even blijven wachten. Ik sprak met [medeverdachte] . We zijn na ongeveer twee minuten weggegaan.
Toen ik probeerde weg te komen van het parkeerterrein van [A] ben ik vol gas achteruit gereden, gedraaid en weggereden. [medeverdachte] is tussendoor in de auto gesprongen. We zijn het parkeerterrein van [A] afgereden.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 1 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (Map 04, p. 16 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 april 2022 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 2] :
V: Wat is er gebeurd nadat je moeder met de ambulance naar het ziekenhuis moest?
A: [slachtoffer] (het hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer] ) was alvast naar de auto gegaan. Zijn auto stond geparkeerd in de [e-straat] in [plaats] . De [e-straat] grenst aan onze achtertuin.
V: Wat deden jullie toen?
A: [slachtoffer] was eerder bij de auto. Ik ging toen ook naar de auto. [slachtoffer] was 1 of 2 minuten eerder bij de auto dan ik. Dit was rond 10:40 uur.
V: En toen?
A: Ik stapte in aan de bijrijderszijde voorin de auto. [slachtoffer] zat achter het stuur.
V: Wat gebeurde er bij de uitgang van de [e-straat] ?
A: Wij wilden de straat uitrijden en zij wilden de straat inrijden. Zij blokkeerden voor ons de uitgang.
V: Wie bedoel je met “zij”?
A: Met zij bedoel ik de twee jongens die ons tegemoet kwamen rijden en die ons later hebben achtervolgd. De jongens die in de auto zaten waren erg boos. [slachtoffer] keek boos naar die jongens. Ik zag [slachtoffer] boos kijken. De jongens maakten een gebaar naar [slachtoffer] dat hij moest komen. Allebei de jongens maakten dit gebaar naar [slachtoffer] . Dit gebeurde toen wij allebei met de auto's tegenover elkaar stonden. Er zat niet veel afstand tussen. Ik denk dat de afstand tussen ons en de jongens minder dan een meter was. De uitgang van de straat is heel smal. De bestuurder stapte uit en bleef bij zijn eigen autodeur staan. Hij had zijn arm gebogen op zijn deur geleund. [slachtoffer] deed het raam van zijn auto open. Ik hoorde dat de jongen bij de auto richting [slachtoffer] letterlijk riep: "Kom en stap uit”. De jongen zei dit op een harde toon. Ik vond dat hij erg dwingerig overkwam. Ik zag ook dat hij een gebaar maakte richting [slachtoffer] dat hij moest komen. Ik zag dat bestuurder geïrriteerd keek.
Vervolgens deed de bijrijder zijn raam open en stak zijn hoofd uit het raam. Ik hoorde hem letterlijk zeggen: “Stap je auto uit, je gaat met ons mee”. Ook hij maakte met zijn arm een gebaar dat [slachtoffer] naar hem toe moest komen. Op dat moment wilde [slachtoffer] uitstappen, maar ik zei tegen hem dat we hier geen tijd voor hadden. Ik wilde zo snel mogelijk naar het ziekenhuis, omdat mijn moeder naar het ziekenhuis gebracht was. Toen stapte de bestuurder weer in en vervolgens blokkeerde hij de uitgang van de [e-straat] . Ik zag dat [slachtoffer] gebaren maakte dat de jongens weg moesten gaan. De jongens waren op dat moment gebaren naar [slachtoffer] aan het maken dat hij naar hun toe moest komen.
[slachtoffer] wilde doorrijden, maar kon er niet langs. Toen kwam er een andere auto achter ons staan die ging claxonneren. Nadat de auto achter ons een aantal keer had geclaxonneerd ging de auto met daarin de jongens aan de kant. We konden er toen langs.
Vervolgens zijn we de kant van het ziekenhuis opgereden. Voor het ziekenhuis zijn diverse parkeervakken en [slachtoffer] stopte op de weg naast de diverse parkeervakken. Toen hoorde ik dat [slachtoffer] tegen mij zei: “Stap snel uit en ga hier naar binnen.”
Ik pakte mijn spullen en ik stapte uit de auto van [slachtoffer] .
Gedurende deze hele rit zijn deze jongens in de donkere auto ons blijven achtervolgen. Ze reden achter ons aan en soms kwam er een auto tussen rijden, maar ze bleven ons duidelijk volgen.
V: Toen [slachtoffer] zei dat je uit moest stappen wat gebeurde er toen?
A: Ik stapte uit de auto en ik zag dat ook [slachtoffer] en die twee jongens uit de auto stapten. Ik liep vervolgens snel naar het ziekenhuis toe en terwijl ik nog achterom keek zag ik dat [slachtoffer] nogal boos met deze jongens aan het praten was. Dat [slachtoffer] boos was kan ik als volgt omschrijven: alle drie de jongens keken boos naar elkaar en ik zag dat ze gebaren maakten met hun armen. Ik hoorde dat ze wel hard aan het praten waren en ze klonken niet echt blij. Ik schat dat ik op dat moment zo’n 5 à 10 meter verderop liep. Hun letterlijke woorden heb ik niet kunnen verstaan.
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (Uitwerking 4e verhoor [verdachte] , Map 02.02, p. 72 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de uitwerking van het audiovisueel vastgelegde verhoor van de verdachte van 2 juni 2022, met als verklaring van de verdachte (onder ‘A’) op de hem gestelde vragen:
A: Bij de [e-straat] kwamen we die witte Mercedes tegen. [medeverdachte] zei: “Dat is hem”. [medeverdachte] en hij hebben toen een gesprek gehad. Hij zei: “ik heb haast ik moet naar het ziekenhuis.” Toen zijn wij achter hem aangereden. Tot het ziekenhuis, het Spaarne ziekenhuis. En toen probeerden wij in gesprek te gaan maar hij zei van: “Ik wil hier niet in gesprek, waar gaat het over”. En toen zei ie: “Kunnen wij ergens anders praten want ik wil niet hier bij het ziekenhuis praten, wij staan midden op de weg”. Toen zei die: “Rij maar achter mij aan”, toen zei ik: “Is goed’. Toen zijn wij vanaf het Spaarne Ziekenhuis naar de Tango gereden. Bij de Tango hebben wij geparkeerd en dat is wat je ook op de camerabeelden ziet.
[…]
A: Toen zijn wij weggereden van de Tango. Toen kreeg ik een bericht op mijn telefoon. Dat hij mij had toegevoegd via Snapchat. Toen heb ik hem geaccepteerd en werd ik gelijk door dat Snapchataccount gebeld. Dus ik nam op en toen hoorde ik dat het [getuige 1] was. Hij zegt: “Yo kunnen wij even afspreken. Ik moet je even spreken". Ik zeg ja is goed. Hij zei: “Waar wil je afspreken?” Ik zeg doe maar [A] want ik ben vlakbij.
Toen na tien minuten, misschien acht minuten, kwam ik aan bij [A] en toen zag ik die witte Mercedes weer staan. Toen parkeerde ik ernaast. Toen stapten [getuige 1] en het slachtoffer uit. Wij stapten ook uit. Toen begon het, toen begon de ruzie weer. [medeverdachte] en het slachtoffer kregen weer dezelfde ruzie waar ze net geëindigd zijn. Toen liep het een beetje hoog op. Toen draaide ik mij om naar [medeverdachte] toe en met mijn rug naar het slachtoffer. En als het goed is stond [getuige 1] rechts van mij. Toen ritste [medeverdachte] het tasje open en kwam er een vuurwapen tevoorschijn. Die die doorlaadde en toen liep hij naar het slachtoffer toe en die rende weg. Toen het slachtoffer wegrende ging [medeverdachte] erachteraan. En het enige wat ik toen nog hoorde waren schoten.
A: Ik heb in het dossier gekeken en het vuurwapen wat erin stond herkende ik als het vuurwapen dat ik heb verkocht aan [medeverdachte] . En dat is bij mij thuis gebeurd. En dat tasje heb ik meegegeven zodat hij niet daarmee open en bloot over straat hoefde. Dus dat tasje had hij nog van mij. Ja dat wapen is van mij geweest.
R (het hof begrijpt: vraag van raadsvrouw): wat had [medeverdachte] jou verteld over wat er speelde tussen jou en het slachtoffer?
A: De reden waarom [medeverdachte] en het slachtoffer ruzie hadden. Dat wist ik. Eén of twee dagen voor april toen was ik met hem. Hij was een beetje opgefokt. Ik vroeg aan hem: “Wat is er?" Hij deed een beetje afstandelijk. Dus toen zei hij: “Ik heb een beetje gezeik”. Wat is er aan de hand dan? Toen zei hij: “Mijn moeder belde mij in paniek op. Huilend want er staat al een hele dag een, er heeft een hele dag een witte Mercedes voor de deur gestaan met een Marokkaanse jongen erin en elke keer als ik uit het raam keek stond hij er nog steeds”. [medeverdachte] wist precies wie dat was. Hij herkende die Mercedes als die van het slachtoffer was. Toen heeft hij mij ook het verhaal uitgelegd van dat hij drie jaar geleden. En dat [medeverdachte] op een gegeven moment ja geld had. En toen kwam het slachtoffer met een aanbod van: ik heb een telefoon waar klanten op staan. En die telefoon liep gewoon goed en er werd op gebeld. Toen zei [medeverdachte] akkoord geven ik wil het kopen. Of toen is of die simkaart afgesloten of het nummer was opeens afgesloten. In ieder geval toen hij dat geld overgegeven en hij die telefoon kreeg werd er niet meer op die telefoon gebeld en was die telefoon opeens leeg.
V: En dat tasje? Hoe ging dat precies. Waar had [medeverdachte] dat tasje.
A: Dat tasje hing gewoon om zijn nek.
(bevinding) Verdachte maakt een beweging met zijn armen dat het tasje vermoedelijk schuin om zijn nek hing.
V: Herkende jij het tasje?
A: Ja tuurlijk. Het tasje was van mij.
V: We hebben de vorige keer ook besproken dat bij de school [B] een vuurwapen is aangetroffen. Waar jouw DNA ook op het tasje zat.
Ik zal het op een foto laten zien.
A: Ja dat herken ik als mijn tasje.
V: In dat tasje zat een vuurwapen, dat is deze.
A: Dat is het vuurwapen die ik eerder aan hem verkocht heb.
5. Een proces-verbaal van bevindingen van 19 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (Map 03, p. 110 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
Uit het onderzoek bleek dat de betrokkenen van de schietpartij in de ochtend van 1 april 2022, omstreeks 11.00 uur, een ontmoeting hadden gehad. Deze ontmoeting vond plaats op het Tango terrein, voor het bedrijf [C] , welke is gevestigd op de [b-straat 1] in [plaats] .
Betrokkenen reden in een witte Mercedes voorzien van het kenteken [kenteken 2] en een zwarte Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [kenteken 1] .
Op het terrein van het tankstation Tango staat een Big Brother camerapaal. Deze camerabeelden zijn gevorderd van 1 april 2022 tussen 10.45 uur en 11.30 uur.
Te 10.59.04 uur komen de witte Mercedes en de zwarte Volkswagen Golf vanaf de Kruisweg te [plaats] aangereden (vanuit noordelijke richting). Bij de kruising met de [b-straat] slaan zij rechtsaf.
Vervolgens rijdt te 10.59.31 uur de witte Mercedes, voorzien van kenteken [kenteken 2] het Tango terrein op. Deze Mercedes rijdt zonder te stoppen over het Tango terrein.
Direct achter de Mercedes rijdt de zwarte Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [kenteken 1] . Ook deze Volkswagen rijdt zonder te stoppen over het Tango terrein.
6. Een proces-verbaal van bevindingen van 6 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (Map 03, p. 48 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
Ik heb de camerabeelden inclusief geluid bekeken en beluisterd van twee camera's welke gevestigd zijn te [C] , gevestigd te [b-straat 1] te [plaats] .
Ik zie dat de beelden gespiegeld zijn ten opzichte van de werkelijkheid. Het gehele filmfragment duurt 15 minuten en 02 seconden. Ik zie niet de daadwerkelijke tijd in beeld aangegeven.
Ik zie en hoor op de camerabeelden het volgende:
Op 2 minuten en 23 seconden na de start van het filmfragment, zie ik op CAM1 een witkleurige Mercedes in beeld rijden. Dit voertuig komt uit de richting van de doorgaande weg [b-straat] het parkeerterrein gelegen voor [C] gereden. Het voertuig parkeert uit beeld van de camera, echter zie ik wel de schaduw van het voertuig in beeld blijven.
Op 2 minuten en 28 seconden, dus enkele seconden na het verschijnen van de witkleurige Mercedes, na de start van het filmfragment, zie ik een zwartkleurige Volkswagen Golf 7 in beeld rijden. Deze reed achter de eerder genoemde Mercedes-Benz. Deze Volkswagen Golf parkeert voor de [C] . Deze Volkswagen Golf is voorzien van kenteken [kenteken 1] .
Op 2 minuten en 42 seconden na de start van het filmfragment, zie ik dat de bestuurder van de Volkswagen Golf uitstapt. Ik zal hem in dit proces-verbaal aanduiden als ‘ [verdachte] ’ (het hof begrijpt: de verdachte).
Op 2 minuten en 46 seconden na de start van het filmfragment, zie ik dat de bijrijder van de Volkswagen Golf uitstapt. Deze persoon is op het moment van het opmaken van dit proces verbaal nog niet geïdentificeerd. Ik zal deze persoon in dit proces-verbaal als NN1 aanduiden (het hof begrijpt dat in dit proces-verbaal telkens met NN1 is bedoeld: de medeverdachte [medeverdachte] ).
Op de andere camerabeelden zie ik dat de bestuurder van de eerder genoemde witte Mercedes- Benz zijn voertuig parkeert, zijn voertuig stilzet, uitstapt en richting de eerder genoemde Volkswagen Golf loopt. Uit onderzoek is gebleken dat dit het slachtoffer [slachtoffer] betreft. Ik zal deze persoon in dit proces-verbaal als [slachtoffer] aanduiden.
Op 2 minuten en 57 seconden na de start van het filmfragment, opent [verdachte] het gesprek met de woorden: ‘... onverstaanbaar. Vertel’
Op 3 minuten en 04 seconden na de start van het filmfragment, vraagt [verdachte] aan [slachtoffer] : ‘Wat heeft ‘ie gedaan? Wanneer?’
Op 3 minuten en 33 seconden na de start van het filmfragment, zegt [slachtoffer] tegen [verdachte] : ...onverstaanbaar... Moeder ...onverstaanbaar... ligt in het ziekenhuis ...onverstaanbaar...
Hierop zegt [verdachte] tegen [slachtoffer] : ‘Luister, luister, luister broer. Als ik je wat vraag, moet je antwoorden.’
Op 3 minuten en 50 seconden na de start van het filmfragment, lijkt [verdachte] tegen [slachtoffer] te zeggen: ’Hij gaat je opeten broer'
Op 3 minuten en 57 seconden na de start van het filmfragment, zegt [verdachte] tegen [slachtoffer] : ‘Wie was dat dan?’ Vervolgens zegt NN1 tegen [slachtoffer] : ‘Wie stond gister voor mijn deur.’ Vervolgens een onverstaanbare reactie van [slachtoffer] . Vervolgens vraagt NN1 aan [slachtoffer] : ‘Woelah, wie stond voor mijn deur? Deze witte A-klasse'. Terwijl NN1 ‘Deze witte A-Klasse’ zegt, wijst hij in de richting van het voertuig waar [slachtoffer] uit was gestapt.
Hierop ontstaat een onverstaanbare discussie tussen NN1 en [slachtoffer] waarop NN1 een sterk geïrriteerde indruk maakte. Ik hoor dat NN1 snel praat, snelle handgebaren maakt in de richting van [slachtoffer] . Ook komt NN1 een aantal keer met zijn gezicht dichtbij het gezicht van [slachtoffer] .
Op 5 minuten en 47 seconden na de start van het filmfragment, zegt [slachtoffer] tegen [verdachte] : 'Vraag aan iedereen. Jij kent iedereen toch? Iedereen gaat jou zeggen wie die osso...onverstaanbaar...' Hierop zegt [verdachte] tegen [slachtoffer] : ‘Waren ze erbij? Waren ze er bij? Waren ze er bij?”
Op 6 minuten en 47 seconden na de start van het filmfragment zegt [verdachte] tegen [slachtoffer] : ‘Hey broer luister, hoe lossen we het nu op. anders uuh’ waarna [verdachte] met zijn hoofd van links naar rechts knikt.
Op 6 minuten en 51 seconden na de start van het filmfragment, zegt [slachtoffer] tegen [verdachte] : 'Broer, .. onverstaanbaar... Weet je wel wat er aan de hand is? .. onverstaanbaar... G, hij heeft m’n osso genakt. .. onverstaanbaar... Vind je dat normaal? .. onverstaanbaar... ik kan niet iemand vertrouwen die mij heeft genakt.’ Hierop ontstaat wederom een onverstaanbare discussie waarbij [slachtoffer] vanaf 07 minuten en 08 seconden zich kwaad richt tot NN1, naar hem wijst en op hem af loopt.
Op 7 minuten en 11 seconden na de start van het filmfragment, zegt NN1 tegen [slachtoffer] : ‘Ik heb je osso niet genakt. Ik heb je osso niet genakt. Ik heb je osso niet genakt. Ik heb je osso niet genakt, wat begrijp je niet. Ik heb je osso niet genakt. Ik heb je osso niet genakt.' Terwijl NN1 dit zegt, blijft [slachtoffer] onverstaanbaar praten waarbij hij zich tot NN1 en [verdachte] richt.
Op 7 minuten en 44 seconden na de start van het filmfragment, zegt [verdachte] : 'Broer, luister....onverstaanbaar... Ik weet waar je woont.’ Hierop antwoord [slachtoffer] : 'Je mag, je mag. Iedereen weet waar ik woon.'
Op 7 minuten en 58 seconden na de start van het filmfragment, zegt [slachtoffer] tegen NN1: '.. onverstaanbaar... een tegen een komen .. onverstaanbaar... Maar dat is niet zo. Ik wil gewoon een ding weten. Waarom komt ie met twee man tegen mij dan pas .. onverstaanbaar... ’
Op 8 minuten en 16 seconden na de start van het filmfragment, zegt [slachtoffer] tegen [verdachte] : ‘Ik wil dat hij met mij praat.' Hierop antwoordt [verdachte] : ‘Ga praten’, terwijl hij naar NN1 knikt. Hierop zegt [slachtoffer] : ‘Hij mag nu met mij instappen en we gaan praten. Dan mag jij op afstand blijven.’
Op 8 minuten en 22 seconden na de start van het filmfragment lopen NN1 en [slachtoffer] richting het voertuig waar [slachtoffer] in aan kwam rijden. [verdachte] loopt naar de bestuurderskant van de zwarte Volkswagen Golf, trekt zijn broek op, en blijft vanaf 08 minuten en 31 seconden kijken in de richting van waar NN1 en [slachtoffer] naartoe liepen. Vanaf dit moment zijn NN1 en [slachtoffer] met elkaar in gesprek. Ik kan dit gesprek niet verstaan.
Op CAM2 zie ik dat [slachtoffer] en NN1 met elkaar in gesprek zijn naast de witkleurige Mercedes.
Op 9 minuten en 50 seconden na de start van het filmfragment, zegt [slachtoffer] : ‘Ik kon-ik kon met ...onverstaanbaar .. verdienen, hij wilt niet. Hierop zegt [verdachte] : ‘Hij wilt niet. Broer,.. onverstaanbaar...’ Hierop zegt [slachtoffer] : ‘Zie je, dat is de enige optie.'
Op 9 minuten en 57 seconden loopt [verdachte] naar de bestuurdersstoel, zie ik dat [verdachte] voorover de auto in buigt om iets te pakken.
Hierop zie ik dat [verdachte] de deur opvallend hard dichtgooit. Hierop gaan de alarmlichten een keer branden. Ik zie dat hij richting [slachtoffer] en NN1 loopt.
Op CAM2 zie ik dat, zodra [verdachte] dichtbij NN1 en [slachtoffer] is gekomen, [slachtoffer] met versnelde pas wegloopt. Ongeveer één seconde nadat [slachtoffer] snel wegstapt, zie ik [verdachte] in beeld verschijnen van CAM2. Zodra [verdachte] in beeld stapt, heeft hij beide handen uit zijn zakken en naast zijn lichaam, kort hierop doet hij zijn beide handen in zijn broekzakken. Ik zie dat NN1 zijn beide handen in zijn jaszakken heeft op het moment dat [slachtoffer] met versnelde pas wegloopt. Enkele seconden nadat [verdachte] uit beeld is gelopen zegt [verdachte] : ‘Ga je rennen als een poessie? Ga je rennen als een poessie? Kom, kom.’
Ik zie dat [slachtoffer] zo’n tien meter afstand neemt van NN1 en [verdachte] .
Op 09 minuten en 17 seconden na de start van het filmfragment, hoor ik [slachtoffer] zeggen: ‘Jullie komen met twee tegen een. Ik ga er mannen bij halen. Is goed, blijf hier dan. Blijf hier dan'. Hierop loopt [slachtoffer] uit beeld en pakt in zijn rechterhand zijn mobiele telefoon.
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 4 april 2022 (Map 04, p. 69 e.v.), in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 april 2022 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 1]:
V: We willen je vragen om ons mee te nemen naar vrijdag 1 april 2022. Wil je ons meenemen naar het moment dat jij in contact kwam met [slachtoffer] ?
A: Ik kreeg [slachtoffer] aan de lijn en die vroeg mij waar ik was, dus ik vertelde hem waar ik was en hij zei kan je komen. Ik zei ik heb geen vervoer, je kan mij ophalen. Zo gezegd, zo gedaan, hij haalt mij op. Hij vertelt mij dat er twee jongens achter hem aan zitten of zoiets en dat ze een probleem met hem hebben om geld.
Ja hij rijdt naar de BP. Hij tankt zijn auto en op dat moment rijdt ie naar [A] toe, waar dus twee jongens vijf minuten later aankomen. En hij raakt met de één in gesprek en die ander die stond er een beetje bij en die zei niet zoveel. Ik stond er ook gewoon een beetje bij en zei ook niet zoveel. Ik heb wel gewoon gezegd laten we het rustig houden en we hoeven niet te schreeuwen. We lossen dit gewoon op. Die jongen die met [slachtoffer] aan het praten was die was gewoon zo boos, dat je zeg maar niet tot hem door kon dringen. Wat je ook zei je drong niet tot hem door en ik ving het één en ander op, het ging om de auto van [slachtoffer] . Hij zei anders neem ik die gewoon mee. Toen zei [slachtoffer] , die auto is gewoon huur. Toen vroeg die jongen: bewijs dat. [slachtoffer] zei: of die auto nou wel of geen huur is die auto ga ik niet aan jou meegeven. En dat is gewoon een beetje gebeurd. Daarna nog echt binnen twee, drie minuten moet je rennen voor je leven. Dus het heeft niet lang geduurd en dat gebeurt, die jongen heeft toen geschoten.
V: Die vrijdag, 1 april belt hij jou op. En zei die over de telefoon al wat er aan de hand was?
A: Hij heeft wel gewoon gezegd er zijn hier jongens en die willen mij slaan. Het ging gewoon om slaan bij hem. Hij dacht nooit zover. Hij zei er zijn hier jongens die willen mij pakken.
V: Je zei net ook iets over dat ze [slachtoffer] hele dag volgden?
A: Nou volgden, ja dat heb ik wel begrepen dat ze bij zijn huis stonden of zoiets. Hij is naar het ziekenhuis gereden en zover ik weet zaten hun achter hem aan. Wat ik begreep uit zijn verhaal probeerden zij daar met hem te praten. Maar daar bij het ziekenhuis kwam hij er niet uit met ze.
V: Dat zijn dus dezelfde gasten als die bij de voetbalvereniging waren?
A: Ja.
8. Een proces-verbaal van bevindingen van 30 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (Samenvatting verhoor [verdachte] 28 juni 2022, Map 02.02, p. 120 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als samenvatting van de verbalisanten van de verklaring van de verdachte bij het verhoor van 28 juni 2022:
[medeverdachte] is op een gegeven moment bij hem (het hof begrijpt: de verdachte) thuis gekomen. Hij heeft aan [medeverdachte] uitgelegd hoe het wapen werkte. Het wapen zat voorheen in een plastic tasje maar dat hij het zelf in een heuptasje had gedaan. Het was een zwart Louis Vuitton tasje van ongeveer 1000 euro. Hij heeft het tasje overhandigd en [medeverdachte] heeft in het tasje gekeken. Hij heeft het wapen ongeladen gegeven en de patroonhouder zat vol met patronen.
9. Een proces-verbaal van bevindingen van 5 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (Map 03, p. 37 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
In belang van het onderzoek werden meerdere camerabeelden rondom de plaats delict gevorderd en verkregen waaronder de camerabeelden van sportvereniging [A] , gevestigd op [a-straat 1] te [plaats] . Op deze camerabeelden is het schietincident te zien. De opgenomen camerabeelden zijn van 1 april 2022 tussen 10:59 uur en 12:30 uur.
In dit proces-verbaal wordt gesproken over een wit voertuig en over een donkerkleurig voertuig. Uit onderzoek is gebleken dat het witte voertuig, het voertuig van het slachtoffer, een Mercedes- Benz is voorzien van kenteken [kenteken 2] en het donkerkleurige voertuig een Volkswagen Golf is.
Bevindingen camerabeelden
Omstreeks 11:45:30 uur komt een wit voertuig, komende uit de richting van [a-straat] aangereden en rijdt de parkeerplaats van sportvereniging [A] op. Het witte voertuig rijdt over de parkeerplaats, staat even kort stil, rijdt weer door, keert en parkeert het voertuig.
Omstreeks 11:49:10 uur komt een donkerkeurig voertuig waarvan het kenteken niet zichtbaar is, komende uit de richting van [a-straat] gereden en rijdt de parkeerplaats van sportvereniging [A] op. Het donkere voertuig rijdt de parkeerplaats over en parkeert naast het witte voertuig.
Op het moment dat het donkerkleurige voertuig tot stilstand komt, stapt direct aan de bijrijderskant een persoon uit (deze persoon zal verder in dit proces-verbaal NN1 genoemd worden). NN1 (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte] ) loopt via de achterzijde van het donkerkleurige voertuig naar de bestuurderskant van het witte voertuig. Op het moment dat NN1 bij de bestuurderskant van het witte voertuig is, stapt ook de bestuurder van het donkerkleurige voertuig uit (deze persoon zal verder in dit proces-verbaal NN2 genoemd worden, het begrijpt: de verdachte). Het portier aan de bijrijderskant van het donkerkleurige voertuig blijft open staan. Op dat moment stapt ook de bijrijder van het witte voertuig uit (zal verder in dit proces-verbaal NN3 genoemd worden, het hof begrijpt: [getuige 1] ).
Kort nadat NN 1, NN2 en NN3 zijn uitgestapt, stapt ook de bestuurder van het witte voertuig uit ( [slachtoffer] en zal verder in dit proces-verbaal het slachtoffer genoemd worden). De deur aan de bestuurderskant wordt door het slachtoffer dichtgedaan.
NN1 en NN2 staan voor het slachtoffer en NN3 loopt via de achterzijde van het witte voertuig en sluit zich aan bij NN1, NN2 en het slachtoffer. Alle personen bevinden zich op dit moment tussen het witte voertuig en het donkerkleurige voertuig. NN1 en NN2 maken meerdere armbewegingen en lijkt dat dit in de richting van het slachtoffer is.
NN1 stapt naar voren in de richting van het slachtoffer. Het slachtoffer staat aan de bestuurderskant van het witte voertuig met zijn rug naar het voertuig toe. NN2 staat vanaf de camera gezien links voor het slachtoffer. NN3 staat schuin achter NN1. NN1 maakt stapjes naar voren en naar achteren met zijn voorzijde gericht naar het slachtoffer. Er zijn meerdere armbewegingen te zien waaronder van het slachtoffer en van NN1. Op het moment dat NN1 naar voren loopt in de richting van het slachtoffer, loopt NN2 naar achteren in de richting van het donkerkleurige voertuig en NN3.
NN2 loopt naar voren en gaat voor het slachtoffer staan. NN1 en NN2 staan nu voor het slachtoffer. NN3 staat nog op dezelfde positie.
NN1 loopt naar achteren bij het slachtoffer vandaan en gaat met zijn rug naar het donkere voertuig toe staan. Kort daarop loopt ook NN2 naar achteren bij het slachtoffer vandaan en loopt in de richting van NN1. NN2 staat voor NN1 en staat met zijn rug naar het slachtoffer toe. Op dit moment loopt het slachtoffer met versnelde pas in de richting van de bosschages. NN3 bevindt zich nog altijd op dezelfde positie.
NN1 volgt het slachtoffer en loopt via de achterzijde van het witte voertuig langs de bosschages en maakt met zijn linker arm een strekkende beweging naar voren gericht. NN2 en NN3 staan beiden nog tussen de voertuigen waar het eerdere gesprek plaatsvond. Het slachtoffer is uit zicht van de camera.
NN1 loopt met versnelde pas de bosschages in en maakt wederom met zijn arm een strekkende beweging. Op de camerabeelden is niet goed te zien welke arm dit betreft. NN1 verdwijnt kort uit zicht van de camera.
NN3 loopt in versnelde pas langs de voorzijde van het witte voertuig de parkeerplaats op in de richting van de in-en uitgang en op dat moment komt NN1 weer in zicht van de camera en staat aan de achterzijde van het voertuig. NN2 stapt in aan de bestuurderskant van het donkerkleurige voertuig en het voertuig beweegt zich achteruit. De deur aan de bijrijderskant staat nog open.
NN1 loopt met versnelde pas langs de bosschages via de voorzijde van het donkerkleurige voertuig in de richting van de bijrijderskant en (het hof leest hier als kennelijk weggevallen woord: stapt) bij de openstaande deur in. Het donkerkleurige voertuig keert en rijdt langs NN3 in de richting van de in-en uitgang van de parkeerplaats.
Omstreeks 11:55:10 uur verlaat het donkerkleurige voertuig de parkeerplaats en slaat linksaf, [a-straat] op.
10. Een proces-verbaal van 29 november 2022, opgemaakt door [naam 1] , rechter- commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 29 november 2022 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1]:
Er was een discussie. De Turk (het hof begrijpt dat de getuige hier bedoelt: medeverdachte [medeverdachte] ) gaf aan dat hij geld wilde en [slachtoffer] had dat niet. Toen werd er gezegd “Anders neem ik die auto mee”. Toen trok hij volgens mij dat ding. Dat ding ging uit de tas. Mijn vriend ging rennen. Toen is er geschoten. Hij pakte dat ding en begon te schieten.
11. Een proces-verbaal van bevindingen van 19 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (Map 03, p. 95 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
Van de bewoners [d-straat 1] te [plaats] werden de camerabeelden gevorderd. De camerabeelden zijn van 1 april 2022 tussen 11.40 uur en 12.10 uur geleverd.
In totaal zijn er zes schoten te horen op de camera. Na het derde schot is er een korte stilte en de laatste drie schoten zijn zeer snel op elkaar:
1. Te 11.54.48 uur
2. Te 11.54.49 uur
3. Te 11.54.51 uur
4. Te 11.54.54 uur
5. Te 11.54.55 uur
6. Te 11.54.55 uur
12. Een proces-verbaal van bevindingen van 21 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (Uitwerking 3e verhoor [medeverdachte] , Map 02.01, p. 58 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de uitwerking van het audiovisueel vastgelegde verhoor van medeverdachte [medeverdachte] van 9 juni 2022, met als verklaring van [medeverdachte] (onder ‘A’) op de hem gestelde vragen:
A: Toen [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) terug kwam in de auto werd hij gebeld, via Snapchat volgens mij. Het bleek ene [getuige 1] te zijn. Die zei van, ik weet niet, kan ik je ff spreken of zoiets. [verdachte] zei kom naar [A] . Toen we daar aankwamen zagen we die witte Mercedes staan. En toen stopten we daar. En toen begon de ruzie weer waar het begon. Waar het eindigde startte het weer.
En toen werd ik een beetje boos. Dus ik pakte mijn wapen en laadde hem door, uit mijn tasje. Op dat moment werd ik gewoon kwaad, richtte ik, rende hij weg.
Ik had het wapen de hele dag bij me in dat tasje. Ik heb het wapen ongeveer twee weken voor het incident van [verdachte] gekocht. Toen ik het kocht kreeg ik het in het tasje. Dus het wapen zat al in het tasje toen ik het kocht. Ik had [verdachte] wel 1 of 2 dagen voor het incident verteld over het conflict tussen [slachtoffer] en mij. [slachtoffer] beweerde dat ik bij hun had ingebroken. Dat is helemaal niet zo. Ik had een drugslijn gekocht van [slachtoffer] . Waar nummers op zouden staan. Maar toen ik het geld overhandigde bleek die telefoon zo goed als leeg. Er stonden gewoon nep nummers op. Ja, en ik was ook gebeld door iemand, dat er de hele tijd een rare auto voor mijn deur stond. En ik woon niet meer in [plaats] dus dat wekt voor mij meer zorgen snap je. En dat ik mijn geld terug wou van [slachtoffer] . Dat vertelde ik tegen [verdachte] . Ja, ik dacht toen diegene me belde dat er een rare auto voor mijn deur stond, ik dacht dat moet [slachtoffer] geweest zijn.
V: De dag van het incident, 1 april vrijdag, sliep je in Amsterdam. Hoe laat stond je op?
A: Vroeg.
V: Dus je bent vroeg uit huis gegaan. Weet je nog hoe laat ongeveer?
A: Dat weet ik niet meer maar echt vroeg.
V: En waar ben je toen naar toe gegaan?
A: Ja, naar mijn ouders thuis.
V: Nog even terug. Je ging thuis weg. Wat had je allemaal bij je op het moment dat je wegging?
A: Ja, kijk toen had ik het wapen wel al bij me in het tasje. Ik had het wapen altijd bij me.
V: Hoe droeg je dat tasje?
A: Ik had hem meestal om mijn schouder maar soms deed ik hem ook even af. Die ochtend had ik het tasje volgens mij in mijn hand.
V: We hebben de beelden gezien bij de Tango. Waar had je op dat moment het wapen?
A: Toen had ik hem, als ik hem niet om mijn schouder had, in de auto tussen mijn benen liggen.
V: Oké en toen bij [A] kwamen jullie aan.
A: Ja, ik had het wapen... het tasje al om me zeg maar. Ik had het tasje toen al op mijn schouder. Ik heb het tasje in ieder geval omgedaan voordat ik naar [A] ging.
Ik en [slachtoffer] , de discussie begon weer. Maar toen wou [slachtoffer] het helemaal niet oplossen, schreeuwen, doe nu stoer dan. Gewoon heel lelijk tegen me doen. En dan, eerst dacht ik dat hij zou gaan schrikken, dus had ik het wapen gepakt, doorladen. Toen nog daarbij je kankermoeder, je gaat niks krijgen.
V: Weet je nog hoe vaak je geschoten heb?
A: Dat weet ik niet.
V: Wij hebben een vuurwapen aangetroffen bij school [B] . Is dat dan ook het wapen die jij gebruikt heb bij de schietpartij.
A: Ja.
V: Waar heb je dat wapen uiteindelijk gekocht?
A: Ik heb het van hem overhandigd (het hof leest hier als kennelijk weggevallen woord: gekregen) bij hem thuis. Hij (het hof begrijpt: de verdachte) zei zelf tegen mij betaal later maar. Ik had niet zo veel geld zeg maar dus dat kwam voor mij ook goed uit. Toen (het hof leest hier als kennelijk weggevallen woorden: heb ik het) in het tasje gekregen.
13. Een proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (Uitwerking vierde verhoor [medeverdachte] , Map 02.01, p. [...] e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de uitwerking van het audiovisueel vastgelegde verhoor van medeverdachte [medeverdachte] van 1 juli 2022, met als verklaring van [medeverdachte] (onder ‘A’) op de hem gestelde vragen:
V: Wij zijn eigenlijk nog even benieuwd waarom je dat wapen aangeschaft had. Hoe ging dat eigenlijk op dat moment?
A: Hij (het hof begrijpt: de verdachte) wou niet dat ik met die ding over straat zou lopen dus hij gaf mij een tasje erbij. Ik wil alleen maar kwijt dat hij het wapen liet zien. Liet zien hoe het wapen werkt. En dat ik hem in het tasje heb meegenomen.
V: Dan hebben jullie verder nog afspraken gemaakt?
A: Hij zei wel, dat was ik nog vergeten dat tasje wou hij wel terug. Maar dat is hem helaas niet geworden.
V: Je zegt vanaf dat moment, je droeg hem elke dag bij je.
A: Ja.
V: Hoe droeg je hem dan?
A: In het tasje toch.
V: Hoe had je hem toen bij je?
A: In het tasje.
V: Hoe had je het tasje om, laat ik het zo zeggen?
A: Hoe het tasje hoort. Gewoon zo.
V: Boven je kleding?
A: Ja.
V: Tussen het moment van de verkoop van het tasje, tenminste dat jij hem in je bezit had en 1 april. Heb je meermaals nog [verdachte] gezien.
A: Klopt.
V: Maar je had toen ook elke keer het tasje bij je.
A: Ja ik zeg gewoon tegen hem iets van, want hij wou natuurlijk het tasje terug, zei ik gewoon tegen hem iets van komt wel. Wacht even tot volgende week ofzo. Ik kreeg wel een nieuw tasje en dan geef ik je deze terug.
V: Maar dan wist [verdachte] wel dat jij met dat tasje liep?
A: Ja.
14. Een proces-verbaal van bevindingen van 1 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (Map PRO-FORMA, p. 50 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
Op 1 april 2022 kreeg ik een melding uitgegeven van een mogelijke schietpartij op [a-straat] ter hoogte van perceelnummer [...] in [plaats] . Hier is tevens een sportvereniging gevestigd, genaamd " [A] ".
Toen wij het parkeerterrein opreden, zagen wij links op het parkeerterrein een witte personenauto staan. De personenauto, stond in de meest linker strook met parkeervakken. De personenauto, stond met achterzijde richting de bosschages geparkeerd. Ik ben door de bosschages gelopen en trof daar een mannelijk slachtoffer aan. Ik zag dat het slachtoffer, nadat de kleding verwijderd was meerdere verwondingen had. De medewerkers van de ambulance dienst waren inmiddels ook ter plaatse gekomen. Door medewerkers van de ambulance dienst is het slachtoffer daarna nog gereanimeerd. Na overleg met de arts van het Mobiel Medisch Team en de ambulance verpleegkundigen is besloten om de reanimatie op vrijdag 1 april 2022, te 12.13 uur te stoppen en is het slachtoffer overleden.
Het slachtoffer is genaamd: [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] .
15. Een verslag (Map 09, p. 143 e.v.), inhoudende een voorlopig NFI-rapport forensisch pathologisch onderzoek van 5 april 2022 van [naam 5], een deskundige als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 4°, van het Wetboek van Strafvordering:
Naam: [slachtoffer]
Geboortedatum: [geboortedatum] 2002
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Datum overlijden: 1 april 2022
B. Uit- en inwendige schouwing
3. Aan het lichaam waren tien huidperforaties (C t/m L) In het kader van vijf doorschoten. Verspreid aan en in het lichaam werden acht (mogelijke) projectieldelen aangetroffen. De schotkanalen gingen gepaard met bloeduitstorting; de gerapporteerde richting van de schotkanalen geldt voor het gestrekte lichaam in anatomische positie en zijn gebaseerd op de letsel kenmerken.
I. Schotletsel waarbij vitale structuren waren geraakt:
- Aan de linkerflank was een inschotwond (G) en aan de rechterflank was een uitschotwond (E). Tussenliggend was een naar rechts, bovenwaarts en voorwaarts gericht schotkanaal met beschadiging van onder meer de linker 8e rib, de linkerborstholte, het middenrif, de linkerlong (onderkwab), het hartzakje, de slokdarm, de rechterborstholte, de rechterlong (onder- en middenkwab) en de rechter 6e rib.
Voorlopige interpretatie
Aan het lichaam waren tien huidperforaties in het kader van vijf doorschoten (sub B3). Bij het schotletsel sub B3-1 was er onder meer perforatie van beide borstholten en longen. Dit heeft aanleiding gegeven tot ernstig bloedverlies (sub B4) wat in combinatie met de te verwachten long- en ademhalingsfunctiestoornissen het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand en het uiteindelijke overlijden volledig kan verklaren.
Voorlopige conclusie
[slachtoffer] , 20 jaar oud, is overleden als gevolg van één doorschot aan de romp (van links naar rechts). De overige vier doorschoten hebben geen betekenisvolle bijdrage geleverd aan het overlijden.
16. Een proces-verbaal van bevindingen van 1 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (Map 03, p. 26 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten:
Op 1 april 2022, omstreeks 12.10 uur hoorden wij dat er bij de basisschool [B] , gelegen aan het [c-straat 1] te [plaats] , een achtergelaten tas was aangetroffen. Bij de basisschool vertelde de melder ons dat er achter de school in de bosjes een tas was achtergelaten. Hierbij was ook een persoon weggelopen. Wij zijn met hem meegelopen naar de locatie. Wij zijn met de melder richting de bosschage gelopen. Wij zijn vlak langs de bosschage gelopen, niet door de verse sneeuwsporen heen. Wij zagen dat er onder de bosschage inderdaad een voorwerp lag. Wij zagen dat er een spoor door de sneeuw liep, vanaf de locatie waar de tas lag. De melder bevestigde dat dit het spoor was van de persoon die de tas had neergelegd.
Op 1 april 2022, omstreeks 15.00 uur, kwam de Forensische Opsporing ter plaatse voor nader onderzoek aan de tas. Wij zagen dat de collega van de FO de tas onder de bosschages vandaan haalde. Wij zagen dat de collega onderzoek deed aan de tas. Wij zagen dat de collega uit de tas een vuurwapen haalde. Wij hoorden van de collega dat dit vuurwapen geladen was. De Forensische Opsporing heeft het vuurwapen meegenomen.
17. Een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict van 19 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (Map 09, p. 79 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
Op vrijdag 1 april 2022 kwam ik voor een forensisch onderzoek aan bij een openbaar gemeenteplantsoen, ter hoogte van de locatie [c-straat 2] te [plaats] . Er werd mij verzocht onderzoek te verrichten op een locatie waar mogelijk een tas met inhoud door een verdachte was achtergelaten.
ONDERZOEK:
Midden in de bosschages zag ik de contouren van een zwarte heuptas met een draagband met gesp. Hierna werd door mij de heuptas uit de bosschages gehaald en in een breathable bag geplaatst. Ik voelde dat de heuptas zwaar was. In de breathable bag werd door mij de rits van het hoofdvak van de heuptas geopend en zag ik een zwart vuurwapen (SIN: AAPC1497NL). Door mij werd het vuurwapen uitgenomen en veilig gemaakt voor transport. Het wapen bleek geladen en ontspannen. In de kamer bevond zich één patroon. In het uitgenomen magazijn zag ik minimaal twee/drie patronen aan de vulopening aanwezig.
18. Een proces-verbaal Verkort onderzoek vuurwapen van 27 juni 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (Map 09, p. 235 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:
Object: Vuurwapen (Pistool)
Merk/type: Glock 17
Kleur: Zwart
Spoor identificatienr.: AAPC1497NL
Kaliber: 9mmxl9
Bijzonderheden: aangetr. met 1 patroon in kamer
Op 1 april 2022 omstreeks 15:10 uur werd in de gemeente [...] , ten tijde van een onderzoek plaats delict naar aanleiding van een schietincident, een tas met daarin een – naar later bleek – vuurwapen aangetroffen. Ten behoeve van multi disciplinair sporenonderzoek bij het NFI, werd dit vuurwapen als sporendrager overgebracht en ligt daar ten tijde van het opmaken van dit proces-verbaal nog. Aan de hand van de opgemaakte rapportage door het NFI en de gemaakte foto's van het aantreffen van het pistool ter plaatse, kan ik het volgende relateren:
Ambtshalve herken ik het aangetroffen pistool als zijnde een vuurwapen van het Oostenrijkse wapenmerk Glock, model 17. Dit is een model in het kaliber 9mmx19.
Bij het pistool waren tevens een bijbehorend patroonmagazijn en patronen aangetroffen.
Zoals uit de NFI rapportage blijkt is het pistool bij het NFI op werking onderzocht en zijn proefschoten gelost. Hierbij traden geen storingen op.
Het wapen heeft een loop. Hierdoor kunnen stoffen, gassen of een projectiel verschoten worden.
Derhalve is dit voorwerp een vuurwapen in de zin van artikel 1 lid 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie.
19. De eigen waarneming van het hof gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van de daar getoonde camerabeelden onder de naam [naam 3] en [naam 4].
Deze eigen waarneming houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op de beelden is een uitrit zichtbaar gelegen aan de [b-straat] te [plaats] . Het hof herkent de medeverdachte [medeverdachte] als de persoon die aldaar als bijrijder uit de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] stapt (de in het proces-verbaal van bevindingen van 6 april 2022 (bewijsmiddel 6), waarin de betreffende camerabeelden worden beschreven, als NN1 beschreven persoon). Op de camerabeelden is niet te zien dat medeverdachte [medeverdachte] een tasje draagt.
20. De eigen waarneming van het hof gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van de daar getoonde camerabeelden onder de naam [naam 2] .
Deze eigen waarneming houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op de beelden is een groot parkeerterrein zichtbaar. Op dat parkeerterrein staat een witte auto geparkeerd, lijkend op een model Mercedes A-klasse. Wanneer een donkerkleurige auto, lijkend op een model Volkswagen Golf, in beeld rijdt, is te zien dat deze rechtstreeks op de geparkeerde witte auto af rijdt. Deze donkerkleurige auto rijdt daarbij met meer dan gematigde snelheid en parkeert naast de witte auto.”
2.4
Het hof heeft ten aanzien van de beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde verder het volgende overwogen:
Beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde medeplegen van doodslag bewezen moet worden verklaard, omdat tussen de verdachte en de medeverdachte sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij de doodslag van het slachtoffer.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte integraal van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van het slachtoffer en de dood van het slachtoffer hem niet over de band van medeplegen of medeplichtigheid kan worden toegerekend.
Oordeel van het hof
Redengevende feiten en omstandigheden
Het hof stelt vast dat de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) op 1 april 2022 op het parkeerterrein bij [A] te [plaats] na een woordenwisseling met een vuurwapen in de hand achter [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) is aangerend en zes maal gericht op het slachtoffer heeft geschoten.
Het slachtoffer is door vijf kogels geraakt en één van die kogels heeft hem dodelijk geraakt. Het slachtoffer is ter plaatse overleden. Op het moment dat [medeverdachte] met getrokken wapen achter het slachtoffer aanrende, heeft de verdachte de auto gestart en heeft hij de auto achterwaarts gekeerd. Het portier aan de bijrijderskant stond nog open. [medeverdachte] is bij de verdachte in de auto gestapt, waarna zij onmiddellijk zijn weggereden van het parkeerterrein bij [A] .
Met de rechtbank stelt het hof voorts vast dat, voordat het schietincident plaatsvond, de volgende confrontaties die dag hebben plaatsgevonden tussen enerzijds de verdachte en [medeverdachte] en anderzijds het slachtoffer:
- Nadat het slachtoffer op 1 april 2022 zijn woning had verlaten, is de auto die hij bestuurde door een auto met daarin de verdachte en [medeverdachte] klemgereden. De verdachte bestuurde de auto, stapte als eerste uit en zei op harde toon 'Kom en stap uit’ tegen het slachtoffer. Ook maakte hij gebaren dat het slachtoffer moest komen. De verdachte keek hierbij geïrriteerd en kwam erg boos en dwingend over. Het slachtoffer wilde op dat moment het gesprek niet aangaan, omdat hij [getuige 2] , die ook in zijn auto zat, naar het ziekenhuis moest brengen. De verdachte en [medeverdachte] zijn vervolgens achter het slachtoffer aangereden richting het ziekenhuis.
- Bij het ziekenhuis zijn de verdachte en [medeverdachte] beiden uitgestapt. Er werd door hen en het slachtoffer hard en boos gesproken en over en weer werden door alle drie armgebaren gemaakt.
- Vervolgens zijn de verdachte en [medeverdachte] achter het slachtoffer aangereden naar een Tango tankstation. De verdachte stapte weer als eerste uit de auto en opende het gesprek met het slachtoffer met “Vertel”. De verdachte heeft bij deze confrontatie onder andere tegen het slachtoffer gezegd “Luister, luister, luister broer. Als ik je wat vraag, moet je antwoorden”, “hij gaat je opeten broer”, “Hey broer luister, hoe lossen we het nu op” en “Broer, luister. Ik weet waar je woont”.
- Op aandringen van het slachtoffer hebben [medeverdachte] en het slachtoffer het gesprek kortstondig met zijn tweeën voortgezet bij de auto van het slachtoffer, terwijl de verdachte bij de door hem bestuurde auto bleef staan. Op een gegeven moment liep de verdachte weer richting [medeverdachte] en het slachtoffer. Zodra de verdachte dichtbij was gekomen, leek het slachtoffer te schrikken en liep het slachtoffer met versnelde pas weg. Enkele seconden daarna zei de verdachte “Ga je rennen als een poessie? Ga je rennen als een poessie? Kom, kom”. Het slachtoffer zei dat hij er mannen bij ging halen, omdat zij met zijn tweeën tegen één waren.
- Het slachtoffer heeft vervolgens [getuige 1] gebeld. Nadat er contact is geweest tussen [getuige 1] en de verdachte – met vanuit [getuige 1] de strekking “laten we het uitpraten” – kwam het tot een ontmoeting op het parkeerterrein van [A] . Toen de verdachte en [medeverdachte] op het parkeerterrein kwamen aanrijden, stond de auto van het slachtoffer daar geparkeerd. De verdachte en [medeverdachte] zijn daar direct op afgereden en hebben de auto naast de auto van het slachtoffer geparkeerd. [medeverdachte] en de verdachte zijn meteen uitgestapt. [medeverdachte] droeg zichtbaar een Louis Vuittontasje. Vervolgens zijn [medeverdachte] en de verdachte dichtbij het slachtoffer gaan staan en maakten alle twee armbewegingen richting het slachtoffer. Met het slachtoffer is gesproken over geld, dat het slachtoffer niet kon betalen en dat dan de auto van het slachtoffer zou worden meegenomen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte een actieve bijdrage heeft geleverd aan het herhaaldelijk opzoeken van het slachtoffer. Daarbij heeft ook de verdachte zich actief in het conflict gemengd en ook contact met het slachtoffer geïnitieerd.
Het hof stelt ook vast dat de verdachte wist dat [medeverdachte] die dag een vuurwapen bij zich droeg. Het was verdachtes eigen vuurwapen geweest. Hij had dat vuurwapen aan [medeverdachte] overgedragen, met een patroonhouder vol patronen. Naar eigen zeggen was dat ongeveer twee weken voorafgaand aan de fatale dag van 1 april 2022. [medeverdachte] zou hem voor het vuurwapen naderhand betalen. [medeverdachte] droeg het wapen in een schoudertasje van de verdachte, van het merk Louis Vuitton. Dat tasje had de verdachte hem meegegeven, zodat het niet opviel dat [medeverdachte] een wapen over straat vervoerde. Dat tasje was ongeveer € 1.000,00 waard en de verdachte wilde dat tasje graag terug hebben. Het hof stelt verder vast dat [medeverdachte] het tasje met het wapen op 1 april 2022 de hele dag bij zich heeft gehad en dat de verdachte en [medeverdachte] die dag al vanaf de ochtend samen doorbrachten. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij die dag het tasje om zijn schouders, in zijn handen en tussen zijn benen in de auto heeft gehouden. Na de confrontatie met het slachtoffer bij het tankstation heeft [medeverdachte] het tasje omgedaan en hij stapte bij [A] met dat tasje, gedragen over zijn jas heen, uit de door de verdachte bestuurde auto. Het hof is van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, redengevend zijn voor de conclusie dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte op 1 april 2022 het tasje bij [medeverdachte] heeft gezien en dat hij vanwege de link tussen het tasje en het wapen wist dat [medeverdachte] een vuurwapen, voorzien van patronen, bij zich had.
Met betrekking tot de ontmoeting bij [A] overweegt het hof het volgende. De verdachte heeft verklaard dat hij en [medeverdachte] na het treffen bij de Tango hadden besloten dat [medeverdachte] het conflict achter zich zou laten en dat zij niet wisten dat zij (ook) het slachtoffer bij [A] zouden treffen. Op het moment waarop de verdachte en [medeverdachte] daar aan kwamen rijden, zagen zij echter de auto van het slachtoffer staan. Zij zijn toen niet weggereden. Integendeel, de verdachte en [medeverdachte] zijn resoluut op de auto van de verdachte afgereden. Bij het uitstappen liet [medeverdachte] het portier aan zijn kant openstaan en de discussie werd meteen voortgezet. De verdachte wist op dat moment dat de gemoederen bij de eerdere confrontaties al hoog waren opgelopen. Tijdens de ontmoeting bij de Tango maakte [medeverdachte] immers al een sterk geïrriteerde indruk: hij praatte snel, maakte snelle handgebaren in de richting van het slachtoffer en zijn gezicht naderde soms het gezicht van het slachtoffer. Het slachtoffer richtte zich op zijn beurt ook kwaad tot [medeverdachte] , had aangekondigd versterking te gaan halen en was bij [A] met iemand samen. Het ging bij [A] dan ook om een logisch vervolg op de eerdere confrontaties die dag.
Vrijspraak feit 1 primair: medeplegen moord en medeplegen doodslag
Het hof is, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Van het onder 1 primair tenlastegelegde medeplegen van moord wordt de verdachte dan ook vrijgesproken.
Anders dan de advocaat-generaal acht het hof ook niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van het medeplegen van doodslag, welk misdrijf ook onder 1 primair ten laste is gelegd. In dat verband overweegt het hof het volgende.
Voor medeplegen is noodzakelijk dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander, gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict. Bij het oordeel of sprake is van medeplegen, is van belang de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte.
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het dossier kan een dusdanige samenwerking of onderlinge taakverdeling, waarop een bewezenverklaring van medeplegen van doodslag kan worden gestoeld, niet worden vastgesteld. De rol die de verdachte heeft gespeeld in de aanloop naar het delict was gericht op het dwingen van het slachtoffer tot betaling van een geldbedrag. Wat de verdachte betreft zag de samenwerking tussen hem en [medeverdachte] dan ook op afpersing, niet op doodslag. De verdachte heeft daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte] het vuurwapen zou gebruiken om mee te dreigen, dat was naar het oordeel van het hof voor de verdachte voorzienbaar. Niet kan worden vastgesteld dat het in de gegeven situatie voor de verdachte voorzienbaar was dat het wapen voor dodelijk geweld zou worden ingezet. Het geld waarvan [medeverdachte] claimde dat het slachtoffer hem dat verschuldigd zou zijn, moest teruggegeven worden of door afgifte van diens auto worden vergoed. Die geldkwestie moest worden opgelost. In die bedreigende en opgefokte setting liep het conflict ter plekke plots snel en dodelijk uit de hand. Het hof hecht weliswaar geen geloof aan verdachtes verklaring dat hij daarna angstig zou zijn geweest voor [medeverdachte] , maar aanwijzingen dat zij gezamenlijk op meer uit waren dan op het afpersen van het slachtoffer ziet het hof niet beslagen in het dossier. Nadat de medeverdachte begon met schieten heeft de verdachte ook niet op enigerlei wijze bijgedragen aan de doodslag.
Gelet op het voorgaande acht het hof niet bewezen dat de verdachte het voor het medeplegen vereiste opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – op de door [medeverdachte] gepleegde doodslag heeft gehad. Het hof spreekt daarom de verdachte ook in zoverre vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring feit 1 subsidiair: medeplichtigheid aan doodslag
Wel acht het hof bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan de levensberoving. Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat, nadat de verdachte [medeverdachte] eerder van een wapen had voorzien, hij op de hoogte was van het conflict tussen [medeverdachte] en het slachtoffer, dat hij [medeverdachte] heeft vervoerd naar meerdere locaties waar confrontaties tussen [medeverdachte] en het slachtoffer plaatsvonden, dat hij actief aan die confrontaties heeft bijgedragen en [medeverdachte] daarin heeft bijgestaan, dat hij [medeverdachte] ook naar de confrontatie op [A] heeft gebracht en met [medeverdachte] ook die confrontatie daar met het slachtoffer is aangegaan en dat hij wist dat [medeverdachte] bij die laatste confrontatie het wapen bij zich droeg.
Voor bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2° Sr. Ten aanzien van het opzet op het gronddelict geldt het volgende. Ingeval het voorwaardelijk opzet van de medeplichtige niet volledig was gericht op het gronddelict (hier: de doodslag), kan – voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan dat gronddelict – niettemin volstaan dat het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houdt met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Op grond van de voornoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte weliswaar geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de gepleegde doodslag, maar wel op afpersing van het slachtoffer. De verdachte wist dat daarbij mogelijk een wapen gebruikt zou worden om mee te dreigen en wist ook – mede gelet op de eerdere confrontaties die dag – dat de situatie zou kunnen escaleren. De verdachte heeft in de minuten van conflict bij [A] ook niets gedaan om de situatie te de-escaleren of weg te gaan; de verdachte is [medeverdachte] feitelijk blijven ondersteunen. Het hof is van oordeel dat de afpersing waarop de verdachte het opzet had en waarbij het vuurwapen ter afdreiging kon worden ingezet, gelet op de vastgestelde gang van zaken voor, tijdens en na het incident, voldoende verband houdt met het gepleegde gronddelict, de doodslag met behulp van dat wapen, waartoe [medeverdachte] is overgegaan (vgl. o.a. HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:304).
Dat niet kan worden bewezen dat het verstrekken van het vuurwapen als zodanig een handeling is geweest waarmee de verdachte het handelen van [medeverdachte] (rechtstreeks) heeft bevorderd, maakt dit niet anders, omdat hij wel wist dat [medeverdachte] het door hem verstrekte wapen bij zich droeg.
Niet is komen vast te staan dat de levensberoving waaraan de verdachte medeplichtig is met voorbedachte raad is begaan, zoals ook hiervoor met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde is overwogen. Het hof komt dus tot bewezenverklaring van de subsidiair onder 1 tenlastegelegde medeplichtigheid aan doodslag. De gevoerde verweren vinden voor het overige hun weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. Aan de juistheid en betrouwbaarheid van die tot het bewijs gebezigde bevindingen en verklaringen heeft het hof geen reden te twijfelen.”
2.5
Ik stel voorop dat in het geval het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) is gericht op het door de dader gepleegde feit (het gronddelict), het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband moet houden met het gronddelict van de dader. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een algemene regel daaromtrent laat zich bezwaarlijk formuleren. Nochtans zal doorgaans kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Maar ook in andere gevallen, waarbij zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang zijn, kan sprake zijn van een dergelijk verband.1.
2.6
In de toelichting op het middel voert de steller ervan allereerst aan dat in onderhavige zaak blijkens de overwegingen van het hof geen sprake is van een situatie waarin het verband gelegen is in de omstandigheid dat het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige gericht was (afpersing) een onderdeel vormt van het gronddelict (doodslag). Daarnaast voert de steller van het middel aan dat ook in andere gevallen van een dergelijk verband sprake kan zijn, maar dat het oordeel van het hof dat een dergelijk verband aanwezig is – gelet op de vaststellingen van het hof – van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel onbegrijpelijk is. Dit nu het hof enerzijds heeft vastgesteld dat bij de eerdere ontmoetingen tussen de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer de gemoederen reeds hoog waren opgelopen en de verdachte niettemin, toen hij en medeverdachte [medeverdachte] de auto van het slachtoffer zagen staan, er resoluut op is afgereden en het daarbij ging om een logisch gevolg van de eerdere confrontaties die dag, maar anderzijds heeft overwogen dat de verdachte heeft verklaard dat hij en medeverdachte [medeverdachte] na de confrontatie bij het Tango tankstation hadden besloten dat medeverdachte [medeverdachte] het conflict met het slachtoffer achter zich zou laten – van welke verklaring de juistheid door het hof in het midden wordt gelaten – en dat zij niet wisten dat zij bij [A] ook het slachtoffer zouden treffen. Dat de verdachte wordt verweten dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] de confrontatie zou hebben opgezocht laat zich dan ook slecht rijmen met de verklaring van de verdachte dat zij hadden besloten het conflict te laten rusten en vormt dan ook een contra-indicatie voor een door het hof vastgesteld logisch vervolg op de eerdere confrontaties die dag, aldus de steller van het middel. Verder voert de steller van het middel nog aan dat het enkele feit dat medeverdachte [medeverdachte] een tasje bij zich droeg waarin het vuurwapen zat en dat hij dat tasje en vuurwapen enkele weken daarvoor van de verdachte had gekocht, gelet op het tijdsverloop niet betekent dat de verdachte wist dat medeverdachte [medeverdachte] ook op 1 april 2022 dat wapen bij zich droeg. Tot slot wordt naar voren gebracht dat het hof heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat het in de gegeven situatie voor de verdachte voorzienbaar was dat het vuurwapen voor dodelijk geweld zou worden ingezet.
2.7
Het hof heeft onder feit 1 subsidiair bewezenverklaard dat medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk het slachtoffer van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen meermalen op het lichaam van het slachtoffer te schieten en dat de verdachte bij dat feit opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door (i) samen met medeverdachte [medeverdachte] meermalen de confrontatie met het slachtoffer op te zoeken en (ii) medeverdachte [medeverdachte] met een auto naar de plaats des misdrijfs te brengen.
2.8
Het hof heeft vastgesteld dat op 1 april 2022 voorafgaand aan het schietincident bij [A] meerdere confrontaties hebben plaatsgevonden tussen enerzijds de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] en anderzijds het slachtoffer. Op basis van de daaromtrent vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte een actieve bijdrage heeft geleverd aan het herhaaldelijk opzoeken van het slachtoffer, waarbij ook de verdachte zich actief in het conflict (tussen medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer) heeft gemengd, medeverdachte [medeverdachte] in het conflict heeft bijgestaan en ook contact met het slachtoffer heeft geïnitieerd. De verdachte heeft medeverdachte [medeverdachte] gedurende die dag verplaatst naar de locaties waar deze confrontaties plaatsvonden.
2.9
Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de verdachte wist dat medeverdachte [medeverdachte] op 1 april 2022 de gehele dag een vuurwapen (voorzien van patronen) bij zich droeg. De verdachte had dit vuurwapen enige tijd eerder, tezamen met het herkenbare schoudertasje waarin het vuurwapen was opgeborgen, aan medeverdachte [medeverdachte] (met patroonhouder vol patronen) overgedragen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] waren op 1 april 2022 al sinds de ochtend samen en medeverdachte [medeverdachte] heeft het tasje deze gehele dag bij zich gehad.
2.10
Uiteindelijk heeft de verdachte medeverdachte [medeverdachte] naar [A] gebracht, alwaar de fatale confrontatie met het slachtoffer plaatsvond. Het hof heeft vastgesteld dat ook daar de verdachte tezamen met medeverdachte [medeverdachte] de confrontatie met het slachtoffer is aangegaan – ondanks dat de verdachte heeft verklaard dat hij en medeverdachte [medeverdachte] na het eerdere treffen bij het Tango tankstation zouden hebben besloten dat medeverdachte [medeverdachte] het conflict met het slachtoffer achter zich zou laten en dat zij niet zouden hebben geweten dat zij bij [A] (ook) het slachtoffer zouden treffen – en dat de verdachte op dat moment wist dat de gemoederen bij de eerdere confrontaties al hoog waren opgelopen en tevens wist dat medeverdachte [medeverdachte] op dat moment het eerder door de verdachte aan medeverdachte [medeverdachte] overhandigde vuurwapen bij zich droeg in het tevens door de verdachte overhandigde schoudertasje dat medeverdachte [medeverdachte] over zijn jas droeg. Deze confrontatie was naar het oordeel van het hof een logisch vervolg op de eerdere confrontaties die dag en de verdachte is toen hij de auto van het slachtoffer bij [A] zag staan, resoluut op deze auto afgereden.2.Op het moment dat medeverdachte [medeverdachte] met getrokken wapen achter het slachtoffer aanrende, heeft de verdachte de auto gestart en gekeerd en is hij uiteindelijk samen met medeverdachte [medeverdachte] weggereden.
2.11
Het hof heeft overwogen dat de verdachte geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het gronddelict, de doodslag. Het voorwaardelijk opzet van de verdachte was naar het oordeel van het hof immers gericht op afpersing van het slachtoffer. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
2.12
Naar het oordeel van het hof houdt de afpersing van het slachtoffer waarop het opzet van de verdachte gericht was, waarbij de verdachte wist dat daarbij mogelijk een wapen gebruikt zou worden om mee te dreigen en hij ook wist – mede gelet op de eerdere confrontaties die dag – dat de situatie zou kunnen escaleren, maar in de minuten van het conflict bij [A] niets heeft gedaan om de situatie te de-escaleren of weg te gaan en daarmee medeverdachte [medeverdachte] feitelijk is blijven ondersteunen, gelet op de vastgestelde gang van zaken voor, tijdens en na het incident, voldoende verband met het gronddelict waartoe medeverdachte [medeverdachte] is overgegaan, de doodslag met dat wapen.
2.13
In aanmerking genomen wat het hof heeft vastgesteld over de aard van de gedragingen van de verdachte, te weten dat hij op 1 april 2022 meermaals tezamen met medeverdachte [medeverdachte] de confrontatie met het slachtoffer is aangegaan om het slachtoffer te dwingen tot betaling van een geldbedrag of afgifte van diens auto en hij medeverdachte [medeverdachte] naar de locatie bij [A] heeft gebracht waarbij hij – wat er ook zij van het besluit om het conflict te laten rusten – resoluut op de auto van het slachtoffer is afgereden en ondanks de eerdere confrontaties die dag niet de-escalerend heeft gehandeld, de omstandigheid dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de verdachte wist dat medeverdachte [medeverdachte] op 1 april 2022 het eerder door de verdachte aan hem overhandigde vuurwapen bij zich droeg en dat dit ter afdreiging kon worden ingezet en dat bij het gronddelict (de doodslag) gebruik is gemaakt van dit vuurwapen, getuigt het oordeel van het hof dat sprake is van voldoende verband tussen het misdrijf waarop het voorwaardelijk opzet van de verdachte was gericht (afpersing) en het gronddelict (doodslag) naar het mij voorkomt niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik dat oordeel evenmin onbegrijpelijk.3.
2.14
Het middel faalt.
3. Afronding
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende overweging.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad naar alle waarschijnlijkheid uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 16 oktober 2024. Dat zal betekenen dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase in enige mate zal worden overschreden. In het geval de overschrijding van de redelijke termijn minder dan één maand bedraagt, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.4.
3.3
Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑02‑2026
Het hof spreekt in het arrest kennelijk abusievelijk over de auto van de verdachte.
Vgl. HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:304, rov. 2.4, waarbij het hof heeft vastgesteld dat het opzet van de verdachte gericht was op het behulpzaam zijn bij het rippen van een partij cocaïne en dat daarmee diens opzet was gericht op het behulpzaam zijn bij 'een diefstal waarbij (mogelijk fors) geweld zou worden toegepast' en vervolgens heeft geoordeeld dat dit misdrijf voldoende verband houdt met gekwalificeerde doodslag a.b.i. art. 288 Sr. De Hoge Raad overwoog dat dit oordeel van het hof niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is. Vgl. verder het al aangehaalde HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BO4471 waarin voldoende verband werd aangenomen tussen een bedreiging met een mes dat de medeplichtige verdachte had verstrekt en op welke bedreiging het opzet van de verdachte was gericht enerzijds en een poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling met datzelfde mes anderzijds.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.2.