Procestaal: Zweeds.
HvJ EU, 05-12-2024, nr. C-379/23
ECLI:EU:C:2024:1002
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
05-12-2024
- Magistraten
I. Jarukaitis, E. Regan, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-379/23
- Conclusie
P. Pikamäe
- Roepnaam
Guldbrev
- Vakgebied(en)
Informatierecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:1002, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 05‑12‑2024
ECLI:EU:C:2024:514, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑06‑2024
Uitspraak 05‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van de consument — Oneerlijke handelspraktijken — Richtlijn 2005/29/EG — Artikel 2, onder c), d) en i) — Artikel 3, lid 1 — Toepassingsgebied — Begrip ‘product’ — Gezamenlijk aanbod bestaande uit de taxatie en de aankoop van een goed
I. Jarukaitis, E. Regan, Z. Csehi
Partij(en)
In zaak C-379/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstolen (rechter in tweede aanleg Stockholm, in zijn hoedanigheid van rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden) bij beslissing van 13 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 15 juni 2023, in de procedure
Guldbrev AB
tegen
Konsumentombudsmannen,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en Z. Csehi (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Guldbrev AB, vertegenwoordigd door D. Tornberg en M. Zeitlin, advokater,
- —
de Konsumentombudsman, vertegenwoordigd door G. Wikström, processråd,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Björkland, I. Rubene en N. Ruiz García als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juni 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PB 2005, L 149, blz. 22).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Guldbrev AB en de Konsumentombudsman (consumentenombudsman, Zweden; hierna: ‘KO’) over de verenigbaarheid met het Unierecht en het nationale recht van bepaalde handelspraktijken van Guldbrev met betrekking tot de taxatie en de aankoop van goud bij consumenten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 6 tot en met 8, 17 en 23 van richtlijn 2005/29 luiden:
- ‘(6)
[D]e wetgeving van de lidstaten betreffende oneerlijke handelspraktijken, waaronder oneerlijke reclame, die de economische belangen van de consumenten rechtstreeks en aldus de economische belangen van legitieme concurrenten onrechtstreeks schaden, [wordt] bij deze richtlijn geharmoniseerd. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel beschermt deze richtlijn de consumenten tegen de gevolgen van oneerlijke handelspraktijken indien deze gevolgen substantieel zijn, maar erkent de richtlijn ook dat de gevolgen voor de consumenten in sommige gevallen verwaarloosbaar kunnen zijn. […]
- (7)
Deze richtlijn betreft handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met het beïnvloeden van beslissingen van de consument over transacties met betrekking tot producten. […]
- (8)
Deze richtlijn beschermt de economische belangen van de consument op rechtstreekse wijze tegen oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten. […]
[…]
- (17)
Met het oog op een grotere rechtszekerheid is het wenselijk te bepalen welke handelspraktijken in alle omstandigheden oneerlijk zijn. Bijlage I bevat daarom een uitputtende lijst van deze praktijken. Alleen deze handelspraktijken worden verondersteld oneerlijk te zijn zonder een individuele toetsing aan het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 9. De lijst mag alleen worden aangepast door herziening van deze richtlijn.
[…]
- (23)
Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het verwijderen van de barrières die de nationale wetten inzake oneerlijke handelspraktijken voor de werking van de interne markt opwerpen en het bieden van een hoog gemeenschappelijk niveau van consumentenbescherming, door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken onderling aan te passen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de [Unie] kunnen worden verwezenlijkt, kan de [Unie], overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag vermelde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om de belemmeringen voor de interne markt te verwijderen en een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen.’
4
Artikel 1 van deze richtlijn heeft als opschrift ‘Doel’ en bepaalt:
‘Het doel van deze richtlijn is om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren.’
5
Artikel 2 van die richtlijn heeft als opschrift ‘Definities’ en luidt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- c)
product: een goed of dienst, met inbegrip van onroerend goed, rechten en verplichtingen;
- d)
handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten (hierna ‘de handelspraktijken’ genoemd): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;
[…]
- i)
uitnodiging tot aankoop: een commerciële boodschap die de kenmerken en de prijs van het product op een aan het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument aldus in staat stelt een aankoop te doen;
[…]’
6
Artikel 3 van deze richtlijn heeft als opschrift ‘Toepassingsgebied’ en bepaalt in lid 1:
‘Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.’
7
Artikel 4 van richtlijn 2005/29 heeft als opschrift ‘Interne markt’ en luidt als volgt:
‘De lidstaten mogen geen beperkingen opleggen aan het vrij verrichten van diensten of aan het vrije verkeer van goederen om redenen die vallen binnen het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied.’
8
Artikel 5 (‘Verbod op oneerlijke handelspraktijken’) van deze richtlijn, dat is opgenomen in hoofdstuk 2 (‘Oneerlijke handelspraktijken’) van die richtlijn, verbiedt oneerlijke handelspraktijken en stelt de criteria vast aan de hand waarvan kan worden bepaald of praktijken oneerlijk zijn. In het bijzonder wordt in lid 5 van dat artikel bepaald:
‘Bijlage I bevat de lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd. Deze lijst is van toepassing in alle lidstaten en mag alleen worden aangepast door wijziging van deze richtlijn.’
9
Artikel 11 van die richtlijn heeft als opschrift ‘Handhaving’ en bepaalt in lid 1, eerste alinea, het volgende:
‘De lidstaten zorgen voor de invoering van passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, zodat de naleving van deze richtlijn in het belang van de consumenten kan worden afgedwongen.’
10
Bijlage I bij richtlijn 2005/29 heeft als opschrift ‘Handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd’ en luidt:
‘Misleidende handelspraktijken
[…]
- 5.
Producten tegen een genoemde prijs te koop aanbieden zonder dat de handelaar aangeeft dat er een gegrond vermoeden bestaat dat hij deze producten of gelijkwaardige producten niet tegen die prijs kan leveren of door een andere handelaar kan doen leveren gedurende een periode en in hoeveelheden die, rekening houdend met het product, de omvang van de voor het product gevoerde reclame en de aangeboden prijs, redelijk zijn (lokkertjes).
- 6.
Producten tegen een genoemde prijs te koop aanbieden en vervolgens:
[…]
- c)
een exemplaar van het artikel met gebreken tonen,
met de bedoeling een ander product aan te prijzen (‘bait and switch’).’
Zweeds recht
11
§ 5 van marknadsföringslag (2008:486) [wet (2008:486) op de handelspraktijken; hierna: ‘wet op de handelspraktijken’], waarbij richtlijn 2005/29 in Zweeds recht is omgezet, bepaalt dat ‘[r]eclame […] in overeenstemming [moet] zijn met de goede reclamepraktijken’.
12
§ 6 van deze wet bepaalt:
‘Reclame die niet in overeenstemming is met de goede reclamepraktijken in de zin van § 5, wordt als oneerlijk beschouwd indien zij het vermogen van de ontvanger om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen merkbaar aantast of kan aantasten.’
13
§ 8 van die wet luidt als volgt:
‘Reclame die misleidend is op grond van § 9, § 10 of §§ 12 tot en met 17 wordt als oneerlijk beschouwd indien zij het vermogen van de ontvanger om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen aantast of kan aantasten.
Misleidende reclame als bedoeld in de punten 1 tot en met 23 van bijlage I bij richtlijn [2005/29] wordt altijd als oneerlijk beschouwd.’
14
§ 9 van die wet luidt:
‘Alle reclame moet zo worden ontworpen en gepresenteerd dat daaruit duidelijk blijkt dat het om reclame gaat.
Het moet ook duidelijk zijn wie verantwoordelijk is voor de reclame. […]’
15
§ 10 van de wet op de handelspraktijken bepaalt:
‘Bij het voeren van reclame mag een handelaar geen gebruik maken van onjuiste beweringen of andere presentaties die misleidend zijn met betrekking tot de eigen bedrijfsactiviteiten of die van iemand anders.
De eerste alinea is met name van toepassing op presentaties met betrekking tot
- 1)
de aanwezigheid, aard, hoeveelheid, kwaliteit en andere onderscheidende kenmerken van het product;
[…]
- 4)
de prijs van het product, de basis voor de berekening van de prijs, specifieke prijsvoordelen en betalingsvoorwaarden;
[…]
Evenmin mag een handelaar essentiële informatie weglaten bij het maken van reclame voor zijn eigen of andermans bedrijfsactiviteiten. Misleidende weglatingen omvatten ook gevallen waarin de essentiële informatie wordt verstrekt op een onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige of anderszins ongepaste manier.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16
Guldbrev is een naamloze vennootschap naar Zweeds recht die actief is in de onlinetaxatie en -aankoop van goud van consumenten. Aangezien zij geen fysieke winkel heeft, taxeert zij het goud dat consumenten opsturen op basis van het karaatgehalte en het gewicht. Indien de consument het eens is over het bedrag van de door de onderneming aangeboden financiële tegenprestatie, vindt de transactie plaats.
17
Omdat de KO van mening was dat bepaalde reclame-uitingen van Guldbrev op haar websites, op sociale netwerken en in brieven aan consumenten misleidend en oneerlijk waren, heeft hij zich tot de Patent- och marknadsdomstol (rechter in eerste aanleg voor intellectuele-eigendoms-, mededingings- en consumentenzaken, Zweden) gewend met het verzoek deze onderneming te verbieden dergelijke reclame te voeren en haar te gelasten bepaalde informatie aan consumenten te verstrekken.
18
Ter ondersteuning van dit verzoek heeft de KO om te beginnen uiteengezet dat er bij de reclame van Guldbrev voor goudprijzen sprake was van lokaanbiedingen en ‘bait and switch’-praktijken, die in strijd zijn met verschillende bepalingen van bijlage I bij richtlijn 2005/29. Vervolgens heeft Guldbrev nagelaten de reclame op de websites voldoende duidelijk als zodanig te identificeren en te preciseren dat zij de initiatiefnemer van de reclame was. Ten slotte zijn de door die onderneming opgegeven maximumprijzen onredelijk, volledig onvoorspelbaar of onmogelijk te verkrijgen wegens de eisen die zij aan de consumenten stelt. Dit doet afbreuk aan het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen.
19
Guldbrev heeft de vorderingen van de KO bestreden en heeft in wezen aangevoerd dat er in het hoofdgeding geen omstandigheden voorhanden zijn op grond waarvan richtlijn 2005/29 of de wet op de handelspraktijken van toepassing zijn, aangezien de litigieuze praktijken betrekking hebben op aankoopdiensten. Volgens die onderneming is de reclame in kwestie misleidend noch oneerlijk en beschikt de consument over voldoende informatie over de wijze waarop de prijs wordt bepaald.
20
Bij vonnis van 25 maart 2022 heeft de Patent- och marknadsdomstol Guldbrev op straffe van een dwangsom verboden haar promotionele activiteiten voort te zetten, en haar gelast om in haar reclame bepaalde informatie te verstrekken. Na te hebben geoordeeld dat de activiteiten van deze onderneming op het gebied van de taxatie en de aankoop van goud handelspraktijken vormden die binnen het toepassingsgebied van richtlijn 2005/29 vielen, heeft die rechter geoordeeld dat bepaalde reclame-uitingen niet voldeden aan de vereisten van de wet op de handelspraktijken, waarbij die richtlijn in Zweeds recht is omgezet.
21
Guldbrev heeft tegen bepaalde delen van dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, in zijn hoedanigheid van rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden), de verwijzende rechter.
22
Dienaangaande herinnert deze rechter eraan dat op grond van de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 2, onder c) en d), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 kan worden aangenomen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reclame intrinsiek een handelspraktijk in de zin van deze richtlijn kan vormen, mits zij betrekking heeft op een product in de zin van die richtlijn. Hij herinnert er evenwel aan dat het Hof zich nog niet heeft uitgesproken over de vraag of het aanbod van een handelaar, zoals dat in het hoofdgeding, betrekking heeft op een product in de zin van die richtlijn. Een antwoord op deze vraag zou het mogelijk maken te bepalen of de voorschriften van nationaal recht moeten worden uitgelegd in het licht van de materiële regels van diezelfde richtlijn.
23
In deze omstandigheden heeft de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
- ‘1)
Vormt, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, de taxatie en de aankoop van goud van consumenten een product (gecombineerd product) in de zin van artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn [2005/29] betreffende oneerlijke handelspraktijken?
- 2)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is de taxatie van goud in de voor de verwijzende rechter aan de orde zijnde situatie dan een product in de zin van richtlijn [2005/29]?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
24
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 aldus moeten worden uitgelegd dat de dienst bestaande in de taxatie van een goed, die een handelaar ten behoeve van een consument verricht voordat hij dat goed van deze consument aankoopt, waarbij de aankoop afhankelijk wordt gesteld van de aanvaarding van de na de taxatie vastgestelde prijs, samen met die aankoop een ‘product’ in de zin van die bepalingen vormt.
25
Vooraf zij opgemerkt dat, zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, de verwijzende rechter deze vraag stelt om na te gaan of richtlijn 2005/29 van toepassing is in omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin een handelaar goud koopt van een consument en daartoe twee commerciële handelingen combineert in één enkel commercieel aanbod, te weten de dienst van taxatie van dat goed en de aankoop van dat goed van diezelfde consument. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt in het bijzonder dat verzoekster in het hoofdgeding slechts bereid is om goud van de consument te kopen indien deze consument de taxatiedienst aanvaardt die zij verricht om de kwaliteit en de aankoopprijs van het goud te bepalen. Deze aankoopprijs wordt dus vastgesteld op het moment van de taxatie en is bindend voor de consument indien hij wenst dat de transactie plaatsvindt.
26
De in het hoofdgeding aan Guldbrev verweten handelingen bestaan met name in bepaalde reclame-uitingen voor goudprijzen, die volgens de KO ‘misleidende handelspraktijken’ in de zin van punt 5, en punt 6, onder c), van bijlage I bij richtlijn 2005/29 vormen. De verwijzende rechter is van oordeel dat die reclame-uitingen daadwerkelijk ‘handelspraktijken’ in de zin van artikel 2, onder d), en artikel 3, lid 1, van deze richtlijn kunnen vormen en dus binnen het toepassingsgebied van die richtlijn kunnen vallen, op voorwaarde evenwel dat de dienst bestaande in de taxatie van goud en de aankoop van dat goud tegen de aldus getaxeerde prijs kunnen worden geacht samen een ‘product’ in de zin van laatstgenoemde bepalingen te vormen.
27
Wat dit laatste betreft, bepaalt artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 dat deze richtlijn van toepassing is op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5 van die richtlijn, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product. Hoewel artikel 5 oneerlijke handelspraktijken verbiedt en de criteria vaststelt aan de hand waarvan kan worden bepaald of dergelijke praktijken oneerlijk zijn, komt de vraag of handelingen zoals de in geding zijnde reclame als zodanig kunnen worden gekwalificeerd, in geen van beide door de verwijzende rechter gestelde vragen aan bod.
28
Wat daarentegen de andere door de verwijzende rechter in zijn eerste vraag genoemde bepalingen betreft, definieert artikel 2 van richtlijn 2005/29, respectievelijk onder c), d) en i), het begrip ‘product’ als ‘een goed of dienst, met inbegrip van onroerend goed, rechten en verplichtingen’, het begrip ‘handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten’ als ‘iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten’ en het begrip ‘uitnodiging tot aankoop’ als een ‘commerciële boodschap die de kenmerken en de prijs van het product op een aan het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument aldus in staat stelt een aankoop te doen’.
29
Hieruit volgt dat een handeling rechtstreeks verband moet houden met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten om als ‘handelspraktijk’ in de zin van artikel 2, onder d), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 te kunnen worden aangemerkt en dus binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn te kunnen vallen (zie in die zin arrest van 4 juli 2019, Kirschstein, C-393/17, EU:C:2019:563, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
In casu is de dienst bestaande in de taxatie van goud een product dat ‘aan consumenten’ wordt geleverd in de zin van die bepalingen, terwijl het bij de aankoop van goud gaat om de verkoop van een goed door een consument aan een handelaar. Bijgevolg kan reclame die rechtstreeks verband houdt met de aankoop van goud, maar niet met de taxatie ervan, enkel in het door de verwijzende rechter in zijn vraag bedoelde geval worden beschouwd als een ‘handelspraktijk’ in de zin van artikel 2, onder d), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29, namelijk in het geval waarin de taxatiedienst en de aankoop samen kunnen worden beschouwd als een aan de consument geleverd ‘product’ in de zin van die bepalingen.
31
Bovendien zij erop gewezen dat artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29 het begrip ‘handelspraktijk’ in bijzonder ruime bewoordingen definieert (zie in die zin arrest van 23 april 2009, VTB-VAB en Galatea, C-261/07 en C-299/07, EU:C:2009:244, punt 49). Dienaangaande is het enige criterium dat in die bepaling wordt gesteld dat de praktijk van de handelaar rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een goed of dienst aan een consument (arresten van 19 september 2013, CHS Tour Services, C-435/11, EU:C:2013:574, punt 27), en 16 april 2015, UPC Magyarország, C-388/13, EU:C:2015:225, punt 35).
32
Wat in het bijzonder gezamenlijke aanbiedingen betreft, waarbij minstens twee verschillende producten of diensten worden gecombineerd in één enkel aanbod, heeft het Hof reeds geoordeeld dat zij commerciële handelingen vormen die duidelijk deel uitmaken van het marketingbeleid van een ondernemer en rechtstreeks verband houden met de verkoopbevordering en de afzet van zijn producten. Bijgevolg vormen zij wel degelijk handelspraktijken in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29 en vallen zij dus binnen het toepassingsgebied ervan (arresten van 23 april 2009, VTB-VAB en Galatea, C-261/07 en C-299/07, EU:C:2009:244, punt 50, en 7 september 2016, Deroo-Blanquart, C-310/15, EU:C:2016:633, punt 28).
33
Aangezien de handelaar de consument in casu een dienst bestaande in de taxatie van goud aanbiedt, waarbij hij deze dienst combineert met de aankoop van dit goud, op voorwaarde dat de na de taxatie vastgestelde prijs wordt aanvaard, is er, in de zin van de in punt 29 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, slechts sprake van een handelspraktijk van de handelaar indien die handelaar reclame maakt voor de taxatiedienst.
34
Wat dit laatste betreft, zij in herinnering gebracht dat de termen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie op autonome en eenvormige wijze moeten worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de bewoordingen en de context van die bepaling en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 24 oktober 2024, Kwantum Nederland en Kwantum België, C-227/23, EU:C:2024:914, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen betreft, staat niets in de in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte definitie van het begrip ‘product’ eraan in de weg dat een gezamenlijk aanbod dat, zoals in casu, is gebaseerd op het combineren van minstens twee verschillende producten of diensten in één enkel aanbod van een handelaar aan een consument, onder dit begrip valt. Wat de andere in punt 28 vermelde bepalingen betreft, die het begrip ‘product’ vermelden in de definities die zij bevatten, blijkt uit de bewoordingen ervan evenmin dat een dergelijk aanbod niet onder dat begrip kan vallen.
36
Wat in de tweede plaats de context van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaken betreft, moet worden opgemerkt dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat richtlijn 2005/29 zich onderscheidt door een bijzonder ruim materieel toepassingsgebied (arrest van 16 april 2015, UPC Magyarország, C-388/13, EU:C:2015:225, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Dit bijzonder ruime toepassingsgebied kan de volle werking van richtlijn 2005/29 verzekeren door te waarborgen dat oneerlijke handelspraktijken, zoals artikel 11, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn vereist, ‘in het belang van de consumenten’ doeltreffend worden bestreden, overeenkomstig het in artikel 1 van deze richtlijn genoemde doel om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Trento Sviluppo en Centrale Adriatica, C-281/12, EU:C:2013:859, punt 32).
38
Het door richtlijn 2005/29 nagestreefde doel, dat erin bestaat de consument ten volle te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken, komt namelijk voort uit de omstandigheid dat de consument zich tegenover een handelaar in een zwakkere positie bevindt en met name over minder informatie beschikt, in die zin dat hij als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractpartij moet worden beschouwd. De bepalingen van die richtlijn zijn aldus vooral geformuleerd vanuit de optiek van de consument als doelwit en slachtoffer van oneerlijke handelspraktijken (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs, C-59/12, EU:C:2013:634, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Bijgevolg vormen de dienst bestaande in de taxatie van goud en de aankoop van dat goud, wegens het — uit punt 25 van het onderhavige arrest blijkende — onlosmakelijke verband tussen beiden, samen een ‘product’ in de zin van artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29, zodat handelingen als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reclame kunnen worden aangemerkt als ‘handelspraktijken’ in de zin van artikel 2, onder d), en artikel 3, lid 1, van die richtlijn en dus binnen het toepassingsgebied ervan kunnen vallen.
40
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 aldus moeten worden uitgelegd dat de dienst bestaande in de taxatie van een goed, die een handelaar ten behoeve van een consument verricht voordat hij dat goed van deze consument aankoopt, waarbij de aankoop afhankelijk wordt gesteld van de aanvaarding van de na de taxatie vastgestelde prijs, samen met die aankoop een ‘product’ in de zin van die bepalingen vormt, zodat de handelingen die rechtstreeks verband houden met de bevordering van de verkoop van dat product aan consumenten, binnen het toepassingsgebied van die richtlijn vallen.
Tweede vraag
41
De tweede vraag is slechts gesteld voor het geval dat het Hof de eerste vraag ontkennend zou beantwoorden. Zoals in het vorige punt is vastgesteld, moet deze eerste vraag evenwel bevestigend worden beantwoord.
42
Derhalve behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
43
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’)
moeten aldus worden uitgelegd dat
de dienst bestaande in de taxatie van een goed, die een handelaar ten behoeve van een consument verricht voordat hij dat goed van deze consument aankoopt, waarbij de aankoop afhankelijk wordt gesteld van de aanvaarding van de na de taxatie vastgestelde prijs, samen met die aankoop een ‘product’ in de zin van die bepalingen vormt, zodat de handelingen die rechtstreeks verband houden met de bevordering van de verkoop van dat product aan consumenten, binnen het toepassingsgebied van die richtlijn vallen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑12‑2024
Conclusie 13‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van de consument — Oneerlijke handelspraktijken — Richtlijn 2005/29/EG — Artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1 — Gezamenlijk aanbod bestaande uit de taxatie en de aankoop van goud — Begrippen ‘product’ en ‘handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten’
P. Pikamäe
Partij(en)
Zaak C-379/231.
Guldbrev AB
tegen
Konsumentombudsmannen
[verzoek van de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, zetelend als rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden) om een prejudiciële beslissing]
1.
Is richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten2. van toepassing op een situatie waarin een handelaar een product (in casu goud) koopt van een consument, waarbij voor deze aankoop vereist is dat de handelaar het product eerst zelf taxeert en aldus de aankoopprijs bepaalt?
2.
Dat is in wezen de vraag waarover het Hof zich dient te buigen in de onderhavige zaak waarin het gaat om een verzoek om een prejudiciële beslissing dat is ingediend door de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, zetelend als rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden) over de uitlegging van artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29.
3.
Dit verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in een geding tussen Guldbrev AB, een naamloze vennootschap naar Zweeds recht, en de Konsumentombudsman (consumentenombudsman, Zweden; hierna: ‘KO’), betreffende een door de KO ingesteld beroep strekkende tot veroordeling van Guldbrev tot stopzetting van bepaalde oneerlijke handelspraktijken met betrekking tot de taxatie en de aankoop van goud van consumenten.
4.
Deze zaak biedt het Hof de gelegenheid om zijn rechtspraak over de begrippen ‘product’ en ‘oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten’ in de zin van richtlijn 2005/29 te verduidelijken, specifiek met betrekking tot een niet eerder behandelde situatie waarin het de handelaar is die een product van de consument koopt en niet omgekeerd zoals normaal het geval is.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5.
Artikel 2 van richtlijn 2005/29 (‘Definities’) luidt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- c)
product: een goed of dienst, met inbegrip van onroerend goed, rechten en verplichtingen;
- d)
handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten (hierna ‘de handelspraktijken’ genoemd): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;
[…]
- i)
uitnodiging tot aankoop: een commerciële boodschap die de kenmerken en de prijs van het product op een aan het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument aldus in staat stelt een aankoop te doen;
[…]’
6.
Artikel 3 van deze richtlijn (‘Toepassingsgebied’) bepaalt in lid 1 ervan het volgende:
‘Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.’
B. Zweeds recht
7.
Richtlijn 2005/29 is bij marknadsföringslagen (2008:486) [wet (2008:486) op de handelspraktijken; hierna: ‘wet op de handelspraktijken’] in Zweeds recht omgezet.
II. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
8.
Guldbrev is een vennootschap waarvan de activiteiten de taxatie en aankoop van goud van consumenten via het internet omvat. Guldbrev heeft geen fysieke winkels, maar verricht haar aankoopactiviteiten en prijsvergelijkingsdiensten via verschillende websites. De beweringen en andere praktijken waar het beroep bij de verwijzende rechter om gaat, vonden plaats op de websites van Guldbrev, op sociale media en in brieven die Guldbrev aan consumenten heeft verzonden.
9.
De KO heeft gevorderd dat bepaalde reclame van Guldbrev wordt verboden en dat zij wordt gelast om bepaalde informatie aan consumenten te verstrekken.
10.
De KO betoogt dat het door Guldbrev aangeprezen product moet worden aangemerkt als een gezamenlijk aanbod bestaande uit de taxatie en de aankoop van goud. De KO is verder van mening dat de door Guldbrev gemaakte reclame, die via Google-advertenties en op websites met een vergelijkingstool plaatsvindt, onder de wet op de handelspraktijken moet vallen en misleidend en oneerlijk is op grond van richtlijn 2005/293. en deze wet4..
11.
Volgens de KO komt de reclame voor goudprijzen neer op lokaanbiedingen die in strijd zijn met verschillende bepalingen van bijlage I bij richtlijn 2005/295.. De KO is van mening dat Guldbrev heeft nagelaten om de website voldoende duidelijk te identificeren als reclame en te vermelden dat Guldbrev de initiatiefnemer van de reclame is. De maximumprijzen waarmee Guldbrev adverteert, zijn onredelijk en volledig onvoorspelbaar of onmogelijk te verkrijgen wegens de door Guldbrev gestelde eisen. Daarbij komt dat er sprake is van misleidende prijzen die afbreuk doen aan het vermogen van de consument om een weloverwogen besluit over een transactie te nemen.
12.
Guldbrev heeft de vorderingen van de KO bestreden en heeft hoofdzakelijk aangevoerd dat er geen omstandigheden voorhanden zijn op grond waarvan richtlijn 2005/29 of de wet op de handelspraktijken van toepassing zijn, aangezien de litigieuze praktijken betrekking hebben op aankoopdiensten. Hoe dan ook was de reclame volgens Guldbrev niet misleidend of oneerlijk.
13.
De rechter in eerste aanleg, de Patent- och marknadsdomstol (rechter in eerste aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken), heeft geoordeeld dat de praktijken die Guldbrev in het kader van haar activiteiten toepaste, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2005/29 vallende handelspraktijken waren. Deze rechter heeft verklaard dat de praktijken waarop de vorderingen van de KO betrekking hebben, op zichzelf niet kunnen worden geacht te zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de wet op de handelspraktijken. Bijgevolg heeft hij bepaalde reclamepraktijken verboden en Guldbrev gelast om in haar reclame bepaalde informatie te verstrekken.
14.
Guldbrev heeft tegen bepaalde delen van het vonnis van de rechter in eerste aanleg beroep ingesteld bij de verwijzende rechter en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de KO.
15.
De verwijzende rechter moet zich onder meer uitspreken over de vraag of de praktijken van Guldbrev oneerlijke handelspraktijken vormen. Om deze materiële vraag te beoordelen, moet deze rechter eerst nagaan of richtlijn 2005/29 en de wet op de handelspraktijken van toepassing zijn op de aan de orde zijnde situatie. Derhalve moet deze rechter aan de hand van artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken oordelen in hoeverre de taxatie en de aankoop van goud van consumenten en de in casu relevante handelingen kunnen worden beschouwd als handelspraktijken in de zin van richtlijn 2005/29.
16.
Dienaangaande is deze rechter van oordeel dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de betrokken reclame intrinsiek een handelspraktijk in de zin van richtlijn 2005/29 kan vormen, mits zij betrekking heeft op een product in de zin van deze richtlijn. Het Hof lijkt zich evenwel nog niet te hebben uitgesproken over de vraag of het aanbod van de handelaar in deze zaak betrekking heeft op een ‘product’ in de zin van richtlijn 2005/29. Deze kwestie is van belang voor het antwoord op de vraag of de wet op de handelspraktijken moet worden uitgelegd in het licht van de materiële regels van richtlijn 2005/29.
17.
In deze omstandigheden heeft de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
- ‘1)
Vormt, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, de taxatie en de aankoop van goud van consumenten een product (gecombineerd product) in de zin van artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van [richtlijn 2005/29] betreffende oneerlijke handelspraktijken?
- 2)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, vormt de taxatie van goud dan, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, een product in de zin van voormelde richtlijn?’
18.
Guldbrev, de KO en de Europese Commissie hebben bij het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend.
III. Analyse
A. Eerste prejudiciële vraag
19.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 aldus moeten worden uitgelegd dat de commerciële handeling bestaande in een gezamenlijk aanbod waarbij een goed, in casu goud, door een handelaar wordt getaxeerd en vervolgens door deze handelaar van die consument wordt gekocht, een ‘product’ in de zin van deze bepalingen vormt.
20.
De verwijzende rechter stelt deze vraag om te bepalen of richtlijn 2005/29 van toepassing is op de bij hem aanhangige zaak, zodat de relevante bepalingen van de nationale wet op de handelspraktijken moeten worden uitgelegd in het licht van de materiële regels van deze richtlijn. Die prejudiciële vraag betreft dus uitsluitend de werkingssfeer van richtlijn 2005/29 en niet het eventuele oneerlijke karakter van commerciële handelingen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn. Mijn analyse zal dan ook op dit aspect zijn toegespitst.
21.
De partijen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, nemen verschillende standpunten in wat betreft het antwoord op deze vraag. Terwijl de KO en de Commissie betogen dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord, stelt Guldbrev dat in casu de commerciële handeling bestaande in een combinatie van de taxatie en de aankoop van goud geen ‘product’ in de zin van richtlijn 2005/29 kan vormen.
22.
Ter beantwoording van de eerste prejudiciële vraag van de verwijzende rechter moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof met name uit artikel 1 en overweging 23 van richtlijn 2005/29 blijkt dat deze richtlijn ertoe strekt een hoog gemeenschappelijk niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de regels inzake oneerlijke handelspraktijken volledig te harmoniseren.6.
23.
Voorts heeft het Hof tevens geoordeeld dat richtlijn 2005/29 wordt gekenmerkt door een bijzonder ruime materiële werkingssfeer, aangezien de Uniewetgever het begrip ‘handelspraktijk’ in de zin van deze richtlijn zeer breed heeft opgevat en het in artikel 2, onder d), van de richtlijn definieert als ‘iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar’.7.
24.
Dienaangaande heeft het Hof verklaard dat in artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29 als enige criterium wordt gesteld dat de praktijk van de handelaar rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een goed of dienst aan een consument.8.
25.
In de context van de onderhavige zaak moet tevens in herinnering worden gebracht dat het Hof ook heeft geoordeeld dat gezamenlijke aanbiedingen, waarbij minstens twee verschillende producten worden gecombineerd in één enkel aanbod, commerciële handelingen vormen die duidelijk deel uitmaken van het marketingbeleid van een handelaar en rechtstreeks verband houden met de verkoopbevordering en de afzet van zijn producten. Bijgevolg vormen zij wel degelijk handelspraktijken in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29 en vallen zij dus binnen de werkingssfeer ervan.9.
26.
Op basis van deze aanwijzingen in de rechtspraak moet worden nagegaan of commerciële handelingen als die welke in de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak aan de orde zijn, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2005/29 vallen.
27.
In casu bestaan die commerciële handelingen erin dat de handelaar aan de consument een dienst van goudtaxatie verleent en vervolgens op basis van deze taxatie van diezelfde consument goud koopt.
28.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze twee handelingen in het commerciële aanbod van de betrokken handelaar samengaan en onlosmakelijk verbonden zijn, in die zin dat de ene handeling afhankelijk is van de andere. Uit deze beslissing blijkt namelijk dat de handelaar slechts bereid is om goud van de consument te kopen indien de consument de taxatiedienst aanvaardt die deze handelaar verricht om de kwaliteit en de aankoopprijs van het betrokken goud te bepalen. De prijs van het goud wordt vastgesteld op het moment van de taxatie en de consument moet deze prijs aanvaarden om de verkoop van het goud te laten plaatsvinden.
29.
Zoals de Commissie terecht betoogt, lijdt het in deze context geen twijfel dat de door de handelaar aan de consument verleende dienst van goudtaxatie een ‘product’ is in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 2005/29, dat per definitie een ‘dienst’ omvat. Bijgevolg vallen handelspraktijken jegens consumenten in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29 die een dergelijk product betreffen duidelijk binnen de werkingssfeer van deze richtlijn.
30.
Daarentegen kan twijfel blijven bestaan over de commerciële handeling die erin bestaat dat de handelaar goud koopt van de consument. Men zou namelijk kunnen denken dat er bij de aankoop van een product door een handelaar van een consument geen sprake is van een ‘rechtstreeks verband […] met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een goed of dienst aan een consument’, zoals vereist door de in punt 24 van deze conclusie genoemde rechtspraak. Een dergelijke commerciële handeling bestaat feitelijk veeleer, omgekeerd, in de levering van een product door de consument aan de handelaar.
31.
Vanwege de gezamenlijke en onlosmakelijke aard van de twee betrokken commerciële handelingen, zoals bedoeld in punt 28 hierboven, moet er mijns inziens echter van worden uitgegaan dat er in casu sprake is van een ‘rechtstreeks verband’ tussen enerzijds de commerciële handeling die erin bestaat dat de handelaar goud koopt van de consument en anderzijds het betrokken ‘product’ volgens de definitie van artikel 2, onder c), van richtlijn 2005/29, namelijk de door de handelaar aan de consument verleende dienst voor de taxatie van goud.
32.
Aangezien de handelaar slechts bereid is om goud van de consument te kopen indien de consument de taxatiedienst aanvaardt die de handelaar verricht om de kwaliteit en de prijs van het betrokken goud te bepalen, moeten deze twee onlosmakelijk verbonden commerciële handelingen worden geacht één enkel product te vormen dat, zoals blijkt uit de in punt 25 van deze conclusie vermelde rechtspraak, duidelijk deel uitmaakt van het marketingbeleid van een handelaar en rechtstreeks verband houden met de verkoopbevordering en de afzet van dat product. Hieruit volgt dat het gecombineerde aanbod tot aankoop van goud onder de voorwaarde dat de dienst van goudtaxatie wordt aanvaard, wel degelijk een handelspraktijk in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29 vormt en dus binnen de werkingssfeer van deze richtlijn moet vallen.
33.
Dienaangaande merk ik ten eerste op dat de hierboven omschreven uitlegging de enige is die de volle werking van richtlijn 2005/29 verzekert, door te waarborgen dat, overeenkomstig het vereiste van een hoog niveau van consumentenbescherming, oneerlijke handelspraktijken doeltreffend worden bestreden.10. De tegenovergestelde uitlegging, waarbij de toepasselijkheid van richtlijn 2005/29 wordt uitgesloten, zou immers de economische belangen van de betrokken consumenten onbeschermd laten door handelspraktijken die er rechtstreeks op gericht zijn om beslissingen van consumenten te beïnvloeden, buiten de werkingssfeer van deze richtlijn te houden, hetgeen kennelijk in strijd zou zijn met de doelstellingen van die richtlijn.11.
34.
Ten tweede is de door mij in overweging gegeven uitlegging van de relevante bepalingen van richtlijn 2005/29 ook in overeenstemming met de zeer ruime werkingssfeer die, zoals ik in punt 22 van deze conclusie heb opgemerkt, in de rechtspraak aan deze richtlijn is toegekend wat de materiële werkingssfeer ervan betreft.12.
35.
Ten derde is de door mij in overweging gegeven uitlegging in overeenstemming met het standpunt dat de Commissie heeft ingenomen in haar mededeling ‘Richtsnoeren met betrekking tot de uitlegging en toepassing van [richtlijn 2005/29] van het Europees Parlement en de Raad betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt’ 13..
36.
In punt 2.3.2 van deze richtsnoeren neemt de Commissie om te beginnen in aanmerking dat zich situaties kunnen voordoen die vergelijkbaar zijn met het onderhavige geval ‘waarin een verband kan worden gelegd tussen de verkoop van een product door een consument aan een handelaar en de verkoopbevordering, verkoop of levering van een (ander) product aan de consument’. Volgens de Commissie vallen dergelijke situaties onder richtlijn 2005/29.
37.
Voorts merkt de Commissie in hetzelfde punt van die richtsnoeren uitdrukkelijk op dat er onder bepaalde omstandigheden een voldoende rechtstreeks verband kan worden vastgesteld tussen de verkoop van goud door de consument en de verkoop of verlening van een dienst voor de taxatie van goud door een handelaar aan de consument.
38.
Hoewel documenten zoals dergelijke richtsnoeren geen bindende werking hebben en het Hof op geen enkele wijze binden, kunnen zij volgens de rechtspraak niettemin een hulpmiddel vormen bij de uitlegging van afgeleid Unierecht zoals richtlijn 2005/29.14.
39.
Concluderend volgt mijns inziens uit alle voorgaande overwegingen dat op de eerste prejudiciële vraag van de verwijzende rechter moet worden geantwoord dat artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 aldus moeten worden uitgelegd dat de combinatie van de door een handelaar aan een consument verleende dienst van taxatie van een goed en de aankoop van dat product door diezelfde handelaar bij diezelfde consument, onder de voorwaarde dat de na die taxatie vastgestelde prijs wordt aanvaard, een ‘product’ in de zin van die bepalingen vormen.
B. Tweede prejudiciële vraag
40.
Aangezien de tweede prejudiciële vraag is gesteld voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is het, indien het Hof de bepalingen van artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 uitlegt zoals ik in punt 39 van deze conclusie in overweging heb gegeven, niet nodig om deze vraag te beantwoorden.
41.
Hoe dan ook volgt uit mijn overwegingen in punt 29 van deze conclusie dat ook de tweede prejudiciële vraag mijns inziens bevestigend moet worden beantwoord.
IV. Conclusie
42.
Gelet op al het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstolen te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 2, onder c), d) en i), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad
moeten aldus worden uitgelegd dat
de combinatie van de door een handelaar aan een consument verleende dienst van taxatie van een goed en de aankoop van dat product door diezelfde handelaar bij diezelfde consument, onder de voorwaarde dat de na die taxatie vastgestelde prijs wordt aanvaard, een ‘product’ in de zin van die bepalingen vormen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑06‑2024
Oorspronkelijke taal: Frans.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PB 2005, L 149, blz. 22).
Specifiek bijlage I, punt 22, bij deze richtlijn.
Specifiek §§ 8 en 9 van die wet.
Arresten van 3 oktober 2013, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs (C-59/12, EU:C:2013:634, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 19 september 2018, Bankia (C-109/17, EU:C:2018:735, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arresten van 9 november 2010, Mediaprint Zeitungs- und Zeitschriftenverlag (C-540/08, EU:C:2010:660, punt 21), en 16 april 2015, UPC Magyarország (C-388/13, EU:C:2015:225, punt 34).
Arrest UPC Magyarország (C-388/13, EU:C:2015:225, punt 35).
Arresten van 23 april 2009, VTB-VAB en Galatea (C-261/07 en C-299/07, EU:C:2009:244, punt 50), en 7 september 2016, Deroo-Blanquart (C-310/15, EU:C:2016:633, punt 28).
Zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs (C-59/12, EU:C:2013:634, punt 39).
Zie overwegingen 7 en 8 van richtlijn 2005/29.
Zie dienaangaande arrest van 3 oktober 2013, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs (C-59/12, EU:C:2013:634, punt 40).
PB 2021, C 526, blz. 1.
Zie in die zin met name arrest van 12 maart 2020, Commissie/Italië (Onrechtmatige steun aan de hotelsector in Sardinië) (C-576/18, niet gepubliceerd, EU:C:2020:202, punt 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak).