HR, 19-11-2013, nr. 12/04649
ECLI:NL:HR:2013:1359
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-11-2013
- Zaaknummer
12/04649
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:1359, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 19‑11‑2013; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1309, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6335, Niet ontvankelijk
ECLI:NL:PHR:2013:1309, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 29‑10‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1359, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑11‑2013
Inhoudsindicatie
De HR verklaart het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk.
Partij(en)
19 november 2013
Strafkamer
nr. 12/04649
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 september 2012, nummer 22/001774-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2013.
Conclusie 29‑10‑2013
Inhoudsindicatie
De HR verklaart het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk.
Nr. 12/04649 Zitting: 29 oktober 2013 | Mr. Vegter Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 4 september 2012. Er is tijdig een schriftuur houdende drie middelen van cassatie ingekomen.
2. Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde en klaagt in de eerste plaats dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 maart 2011 opzettelijk heroïne en cocaïne heeft verstrekt en vervoerd. Anders dan de steller van het middel meent kan het bewezenverklaarde, ook voor wat betreft de bewezenverklaarde periode uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Met betrekking tot de begindatum heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk de verklaring van de getuige [getuige] tot uitgangspunt genomen, inhoudende dat hij sinds januari 2011 weer in Gouda woont en dat de verdachte een (daar) bekende dealer is, terwijl voorts uit het geheel van de bewijsmiddelen zonder meer blijkt dat de verdachte in ieder geval tot zijn aanhouding op 21 maart 2011 in verdovende middelen handelde. De eerste in het middel vervatte klacht is dan ook kansloos. In de tweede plaats klaagt het middel dat het Hof de bewezenverklaring op niet redengevende bewijsmiddelen heeft doen steunen. Ook in zoverre is het middel kansloos. Immers het als bewijsmiddel 16 gebezigde proces-verbaal van bevindingen is weliswaar niet redengevend voor de bewezenverklaarde periode, maar bevestigt wel de verklaringen van de verdachte dat hij zich bezig houdt met het verstrekken van drugs in Gouda en is in zoverre dan ook redengevend voor de bewezenverklaring. Daarnaast heeft het Hof redengevende betekenis kunnen toekennen aan de in het als bewijsmiddel 21 gebezigde proces-verbaal van bevindingen gerelateerde omstandigheid dat het voertuig van de verdachte tussen 5 maart 2011 en 20 maart 2011 diverse keren is vastgelegd op de route Den Haag – Gouda, nu dit de verklaring van de verdachte bevestigt dat hij naar Gouda ging om te ‘hosselen’. Tenslotte heeft het Hof ook de als bewijsmiddel 15 gebezigde verklaring van de getuige [getuige] redengevend voor het bewijs kunnen achten, daar het Hof de door hem gerelateerde omstandigheden (de verdachte is altijd op de fiets, is een bekende dealer en dealt in cocaïne, heroïne en speed) heeft gebruikt om het dealen in een context te plaatsen, waarmee die omstandigheden in zoverre eveneens redengevend voor de bewezenverklaring zijn.
3. Het tweede middel, dat opkomt tegen de onder 4 bewezenverklaarde diefstal van enig goed, is kansloos, nu - anders dan de steller van het middel meent - het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Indien het Hof door bewezen te verklaren dat de verdachte zich enig goed toebehorende aan [betrokkene] wederrechtelijk heeft toegeëigend het oog heeft gehad op de mobiele telefoon, heeft te gelden dat de omstandigheid dat een eerder gestolen voorwerp later door de dief aan de eigenaar wordt teruggegeven, niet in de weg behoeft te staan aan een bewezenverklaring van diefstal, nu de verdachte ook in dat geval ten tijde van het wegnemen het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening kan hebben gehad en als heer en meester over het betreffende goed heeft kunnen beschikken. Dat de verdachte hier als heer en meester over de telefoon heeft beschikt, blijkt alleen al uit het feit dat hij daaruit de simkaart heeft verwijderd alvorens het toestel terug te geven. Indien het Hof door bewezen te verklaren dat de verdachte zich enig goed toebehorende aan [betrokkene] wederrechtelijk heeft toegeëigend het oog heeft gehad op de simkaart, heeft te gelden dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte bedoelde simkaart uit de telefoon van [betrokkene] heeft verwijderd en niet heeft teruggegeven, zodat ook wat betreft de simkaart het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dat namens het slachtoffer geen aangifte is gedaan van diefstal van de betreffende simkaart, maar slechts van het toestel waarin deze simkaart zat, maakt dat niet anders, terwijl er voorts, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, vanuit gegaan mag worden dat de zich in het toestel van [betrokkene] bevindende simkaart eveneens aan haar toebehoort.
4. Het derde middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring van de onder 9 tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Gelet op hetgeen het Hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld, te weten dat de gedragingen van de verdachte niet geëigend zijn geweest zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, is de bewezenverklaring volgens de steller van het middel onvoldoende met reden omkleed. Het middel gaat daarbij uit van een verkeerde lezing van de betreffende overwegingen van het Hof. Het Hof heeft niet overwogen dat de gedragingen van de verdachte niet geëigend waren om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar slechts dat indien het slachtoffer geen leren jas aan had gehad de verdachte hem ernstiger zou hebben kunnen verwonden. Daar komt bij dat op basis van diens vaststellingen dat de verdachte tot tweemaal toe een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer (ter hoogte van de oksel) met een puntig voorwerp (met een lemmet van 15 a 20 cm), het Hof heeft kunnen oordelen dat die gedragingen naar hun aard geschikt zijn om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest dat zulk letsel het gevolg van zijn gedragingen kon zijn. Ook het derde middel is kansloos.
5. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie, nu de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG