Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.5.3.2
10.5.3.2 Verrekening
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591893:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Faber 2005, nr. 59; Asserffjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 282.
Art. 6:130 lid 2 BW is alleen van toepassing op een openbaar pandrecht. Bij een stil pandrecht staat de vestiging van het pandrecht aan verrekening niet in de weg.
Voor een bespreking van art. 53 Fw zij kortheidshalve verwezen naar Faber 2005, hoofdstuk 8 (p. 451-582). Vgl. over art. 6:130 lid 2 BW en art. 53 Fw, HR 11 juli 2003, NJ 2003, 539 (Frog/JMH), m.nt. PvS; en Hof 's-Gravenhage 6 februari 2007, JOR 2007 I 103, m.nt. N.E.D. Faber.
Zie voor derdenbeslag M.v.T. Inv., Pari. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 164. Vgl. Faber 2005, nr. 269.
Zie nader Faber 2005, nr. 289-290, met verdere verwijzingen, en zie bijvoorbeeld HR 10 maart 1995, NJ 1996, 299 (Holtrop/Stevens), m.nt. HJS, HR 20 janauri 1984, NJ 1984, 512 (Ontvanger/Barendregt), m.nt. G.
Zie HR 18 november 2005, NJ 2006, 190 (Nap/Rabobank). Vgl. HR 11 juli 2003, NJ 2003, 539 (Frog/JMH), m.nt. PvS. Vgl. ook N.E.D. Faber in zijn noot onder Rb. Zutphen 7 juni 2001, JOR 2002/104 (Banque Artesia/Groothedde); en Faber 2005, nr. 406 e.v. Dezelfde regel geldt voor de schuldenaar van een nalatenschap die wordt vereffend, die wordt aangesproken de pandhouder (art. 4:217 lid 1 BW).
Zie voor derdenbeslag, Stein/Rueb 2009, par. 17.5.10.
Zie ook de parlementaire geschiedenis bij art. 475h Rv waar wordt opgemerkt dat bij derdenbeslag de bevoegdheid tot betaling van de schuldenaar is geregeld in art. 475h Rv, en die tot verrekening in art. 6:130 lid 2 BW. Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 164.
Zie Faber 2005, nr. 270.
Zie Faber 2005, nr. 59, 269 en 274; en Faber 2009, p. 492.
Voor faillissement volgt dit uit art. 99 lid 2 Fw. V gl. voorts HR 11 juli 2003, NJ 2003, 539 (Frog/JMH), m.nt. PvS; HR 18 november 2005, NJ 2006, 190 (Nap/Rabobank), waarin in de procedure een 'beroep' op verrekening wordt gedaan jegens (lees: een verrekeningsverklaring wordt uitgebracht aan) de (inningsbevoegde) pandhouder. Anders: Faber 2005, nr. 266, die verdedigt dat de schuldenaar zijn verrekeningsverklaring dient te richten aan zijn schuldeiser, en zich jegens de inningsbevoegde pandhouder, vruchtgebruiker of beslaglegger op de verrekening kan beroepen.
Vgl. Faber 2005, nr. 24 e.v.
Zie Kamerstukken II 1993-1994, 23 706, nr. 3, p. 33: 'Noch een vordering van de bank op de notaris zelf, noch een vordering op een individuele rechthebbende betreft immers een schuldenaar die tevens de schuldeiser van de vordering uit de rekening is.'
Zie Faber 2005, nr. 279; Biernans 2006, par. 8.
606. Is een derde exclusief inningsbevoegd ten aanzien van andermans vordering, dan kan de schuldenaar een schuld aan zijn schuldeiser in beginsel niet meer verrekenen met een vordering op hem. Het ontbreekt de schuldenaar aan de bevoegdheid om bevrijdend aan zijn schuldeiser te betalen, hetgeen een vereiste voor verrekening is (art. 6:127 lid 2 BW).1 De schuldenaar kan derhalve in beginsel niet tot verrekening overgaan als op de vordering een openbaar pandrecht, een recht van vruchtgebruik of een beslag rust, als de vordering onder bewind is gesteld, een privatieve last tot inning is verleend, de schuldeiser is gefailleerd of de vordering zich in een nalatenschap bevindt ten aanzien waarvan een executeur of vereffenaar is aangesteld. Is de schuldeiser naast de derde inningsbevoegd gebleven, zoals bij volmacht, dan is verrekening wei mogelijk.2
Art. 6:130 lid 1 BW is van overeenkomstige toepassing wanneer op een vordering beslag is gelegd of een beperkt recht is gevestigd waarvan mededeling is gedaan aan de schuldenaar (art. 6:130 lid 2 BW). Is derhalve op de vordering beslag gelegd of een beperkt recht gevestigd waarvan mededeling aan de schuldenaar is gedaan, dan is de schuldenaar bevoegd om ondanks het beslag of de vestiging van het beperkte recht een tegenvordering op de schuldeiser in verrekening te brengen, mits deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeit als de vordering waarop het beslag is gelegd of waarop het beperkte recht is gevestigd of de tegenvordering reeds voor het beslag of de mededeling van het beperkte recht aan hem is opgekomen en opeisbaar is geworden.3 Anders dan art. 6:130 lid 1 BW maakt art. 6:130 lid 2 BW geen uitzondering op het wederkerigheidsvereiste, maar op het vereiste dat de gene die zich op verrekening beroept, bevoegd moet zijn tot bevrijdende betaling aan zijn schuldeiser.
Art. 6:130 lid 2 BW leent zich voor overeenkomstige toepassing op de andere gevallen waarin een derde exclusief inningsbevoegd is, zoals bij een privatieve last tot inning (art. 7:423 BW),4 bewind, executele en inning door een exclusief beheersbevoegde deelgenoot. In faillissement geeft art. 53 lid 1 Fw een bijzondere regeling die vergelijkbaar is met art. 6:130 lid 2 BW. Hij die zowel de schuldenaar als de schuldeiser van de gefailleerde is, kan zijn schuld met zijn vordering op de gefailleerde verrekenen, indien beide zijn ontstaan voor de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen voor de faillietverklaring met de gefailleerde verricht (art. 53 lid 1 Fw).5 De bepaling is van overeenkomstige toepassing op de vereffening van nalatenschappen (art. 4:217 lid 1 BW). De inningsbevoegde derde is gebonden aan een ruimere of beperktere bevoegdheid tot verrekening die door de schuldeiser met de schuldenaar is overeengekomen.6 De schuldenaar kan zich jegens de inningsbevoegde derde ook op een contractueel verrekeningsbeding beroepen.7
Doet de schuldenaar een beroep op verrekening in een procedure, indien aangesproken door de curator van de schuldeiser, dan is art. 6:136 BW niet van toepassing (art. 53 lid 3 Fw). De rechter kan niet aan het verweer van de schuldenaar voorbij gaan op de grond dat het beroep op verrekening niet eenvoudig is vast te stellen. Art. 53 lid 3 Fw is ook van toepassing als de schuldenaar in het faillissement van de pandgever wordt aangesproken door de pandhouder. Als de schuldenaar zich verweert met een beroep op verrekening met een tegenvordering op de inmiddels failliet verklaarde pandgever, staat art. 53 lid 3 Fw in de weg aan toepassing door de rechter van art. 6:136 BW.8
607. Door de verrekening gaat de vordering ten aanzien waarvan de derde exclusief inningsbevoegd is, teniet, ondanks dat daarop een beperkt recht is gevestigd of een beslag is gelegd. De schuldenaar die verrekent op grond van art. 6:127 jo 6:130 lid 2 BW kan niet nogmaals tot betaling worden aangesproken door de beslaglegger of de openbaar pandhouder of vruchtgebruiker.9 De bevoegdheid tot verrekening verschilt daarmee van de bevoegdheid tot bevrijdende betaling. Zou de schuldenaar hebben betaald aan de openbaar pandgever of hoofdgerechtigde, of aan de geëxecuteerde, dan kan hij nogmaals tot betaling worden aangesproken door respectievelijk de openbaar pandhouder, de vruchtgebruiker en de beslaglegger. Verrekent hij binnen de grenzen van art. 6:127 jo 6:130 lid 2 BW dan is dat niet het geval.10 De derde-beslagene die verrekent nadat beslag is gelegd, maar voordat hij derde-verklaring ex art. 476a Rv aflegt, behoeft geen opgave meer te doen van de vorderingen die door verrekening teniet zijn gegaan.11
Faber heeft een andere zienswijze verdedigd. Hij verdedigt dat de schuldenaar na verrekening op grond van art. 6:127 jo 6:130 lid 2 BW alsnog tot betaling door de beslaglegger, de pandhouder en de vruchtgebruiker kan worden aangesproken en in dat geval op grond van art. 6:33 BW verhaal kan zoeken op zijn schuldeiser.12 Deze zienswijze is naar mijn mening geen geldend recht. De bescherming die de schuldenaar ontleent aan art. 6:127 jo 6:130 lid 2 BW, wordt hem in deze zienswijze ontnomen. Aan de pandhouder en de beslaglegger wordt daarmee een onevenredig groot voordeel toegekend. Als deze benadering wordt doorgetrokken naar de overgang van vorderingen, zou de schuldenaar die verrekent op grond van art. 6:127 jo 6:130 lid 1 BW door de nieuwe schuldeiser alsnog tot betaling kunnen worden aangesproken en zou de schuldenaar van de oude schuldeiser op grond van onverschuldigde betaling het verrekende kunnen opeisen. Als de benadering wordt doorgetrokken naar faillissement, zou de schuldenaar die verrekent op grond van art. 6:127 BW jo art. 53 lid 1 Fw alsnog door de curator tot betaling kunnen worden aangesproken, en zou de schuldenaar op grond van art. 6:33 BW verhaal dienen te zoeken op de gefailleerde. Dat is echter niet het geval.
608. De schuldenaar dient zijn verrekeningsverklaring uit te brengen aan de inningsbevoegde derde, net zoals de schuldenaar bij de overgang van vorderingen zijn verrekeningsverklaring dient uit te brengen aan zijn nieuwe schuldeiser.13 Hij dient zich jegens de inningsbevoegde derde ook op de verrekening te beroepen. Van de verrekening dient hij mededeling te doen aan de schuldeiser.
609. De schuldenaar kan de vordering van zijn schuldeiser niet verrekenen met een tegenvordering op de inningsbevoegde derde. Hieraan staat de eis van wederkerig schuldeiserschap (art. 6:127 lid 2 BW) in de weg.14 Zo is bijvoorbeeld verrekening tussen de rekeninghouder (de notaris) en de kredietinstelling (de bank) uitgesloten vanwege een gebrek aan wederkerig schuldeiserschap;15 en kan de schuldenaar geen schuld aan de lasthebber verrekenen met de vordering ten aanzien waarvan de lasthebber een (privatieve) last tot inning heeft gekregen.16 Bij vruchtgebruik is ten aanzien van de rentevordering verrekening mogelijk met een tegenvordering op de vruchtgebruiker op grond van art. 6:127 BW.17