Rechtbank Rotterdam 9 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1100.
HR, 23-01-2026, nr. 24/03640
ECLI:NL:HR:2026:96
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-01-2026
- Zaaknummer
24/03640
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Insolventierecht (V)
Juridische beroepen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:96, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑01‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:1049
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1089
ECLI:NL:PHR:2025:1089, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:96
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑09‑2024
- Vindplaatsen
INS-Updates.nl 2026-0026
Sdu Nieuws Insolventierecht 2026/35
JOR 2026/85 met annotatie van prof. mr. S.C.J.J. Kortmann
JIN 2026/46 met annotatie van mr. I.W. van Osch
Uitspraak 23‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet. Kwaliteitsrekening. Deurwaarder draagt uitvoering van incassowerkzaamheden over aan andere deurwaarder. Wie is rechthebbende op saldo van kwaliteitsrekening waarop het geïncasseerde bedrag staat?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03640
Datum 23 januari 2026
ARREST
In de zaak van
1. Richard LE GRAND q.q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Eendracht Gerechtsdeurwaarders & Credit Management B.V.,
kantoorhoudende te Rotterdam,
hierna: de curator,
2. REXWINKEL B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
hierna: Rexwinkel,
EISERS tot cassatie,
advocaat: R.R. Verkerk,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Centraal Justitieel Incassobureau),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: CJIB,
advocaat: J.W.H. van Wijk.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/10/622875 / HA ZA 21-683 van de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2022;
b. het arrest in de zaak 200.312.311/02 van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024.
De curator en Rexwinkel hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.CJIB heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.De zaak is oor CJIB toegelicht door zijn advocaat.De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.De advocaat van de curator en Rexwinkel heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Deurwaarderskantoor [A] B.V. (hierna: [A]) verrichtte op grond van een overeenkomst met CJIB incassowerkzaamheden voor CJIB.
(ii) Bedragen die [A] incasseerde bij debiteuren van CJIB werden gestort op de kwaliteitsrekening van [A]. Omdat CJIB gebruik wilde maken van automatische incasso en dit vanaf een kwaliteitsrekening niet mogelijk is, maakte [A] de voor CJIB ontvangen gelden vervolgens, na aftrek van haar (loon)kosten en met instemming van CJIB, over vanaf haar kwaliteitsrekening naar haar reguliere bankrekening, vanwaar CJIB die gelden automatisch incasseerde.
(iii) Ter uitvoering van een in 2017 gesloten samenwerkingsovereenkomst tussen [A] en een aantal deurwaarderskantoren is Eendracht Gerechtsdeurwaarders & Credit Management B.V (hierna: Eendracht) opgericht. Op grond van die samenwerkingsovereenkomst heeft [A] de behandeling van haar incasso-opdrachten overgedragen aan Eendracht. Vanaf dat moment zorgde Eendracht voor het incasseren van vorderingen op debiteuren van CJIB. CJIB was van de overdracht van de incassowerkzaamheden aan Eendracht op de hoogte en heeft daarmee ingestemd.
(iv) De bij debiteuren van CJIB geïnde bedragen werden bijgeschreven op een kwaliteitsrekening van Eendracht. De bedragen werden van de kwaliteitsrekening van Eendracht via de reguliere bankrekening van [A] aan CJIB overgemaakt op dezelfde wijze als hiervoor onder (ii) vermeld.
(v) Op 7 juli 2020 is Eendracht failliet verklaard. Op de kwaliteitsrekening van Eendracht stond op dat moment € 418.750,64 (na aftrek van kosten en loon) aan gelden die bij debiteuren van CJIB waren geïncasseerd. Er is een waarnemend deurwaarder benoemd die bij uitsluiting bevoegd is om over de kwaliteitsrekening van Eendracht te beschikken.
(vi) [A] is op 8 juni 2022, tijdens het hoger beroep in deze procedure, failliet verklaard. De curator in het faillissement van [A] heeft de aanspraak van [A] op het hiervoor in (v) genoemde saldo van de kwaliteitsrekening overgedragen aan Rexwinkel. Rexwinkel heeft vervolgens de positie van [A] in de onderhavige procedure overgenomen.
2.2
CJIB vordert in deze procedure dat voor recht wordt verklaard dat CJIB rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht ten bedrage van € 418.750,64 en veroordeling van de curator te gehengen en te gedogen dat de waarnemend gerechtsdeurwaarder dat saldo aan CJIB uitkeert. [A] (thans Rexwinkel) vordert in reconventie dat voor recht wordt verklaard dat zij de rechthebbende is op voornoemd saldo van € 418.750,64 en dat CJIB wordt veroordeeld te gehengen en te gedogen dat de waarnemend gerechtsdeurwaarder dat saldo aan [A] (thans Rexwinkel) uitkeert.
2.3
De rechtbank1.heeft de vorderingen van CJIB toegewezen en de vorderingen van [A] afgewezen.
2.4
Het hof2.heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het onder meer het volgende overwogen (voetnoten weggelaten in het citaat):
“6.7 Rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening zijn diegenen ten behoeve van wie geldbedragen op die rekening zijn gestort, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden.
(…)
6.8 (…) [
U]it de regeling van artikel 19 GDW [kan] naar het oordeel van het hof niet anders worden afgeleid dan dat het CJIB, en niet [A], de rechthebbende is op het op de kwaliteitsrekening van Eendracht staande bedrag van € 418.750,64. Het saldo heeft immers betrekking op gelden die een bij Eendracht werkzame deurwaarder ten behoeve van het CJIB heeft geïncasseerd, bij schuldenaren van alleen het CJIB, welke schuldenaren alleen wat betreft hun schuld aan het CJIB bevrijdend aan die deurwaarder konden betalen. Anders dan de curator en Rexwinkel aanvoeren, volgt uit de (…) beschermingsdoelstelling van artikel 19 GDW dat degene “ten behoeve van” wie op de bijzondere rekening is gestort in de zin van die bepaling niet (noodzakelijkerwijs) de rechtstreekse opdrachtgever is van de incasserende deurwaarder, maar de oorspronkelijke schuldeiser van de te incasseren vordering. Het is ook deze schuldeiser die de deurwaarder op zijn exploten vermeldt als degene ten behoeve van wie op de kwaliteitsrekening moet worden betaald. Een andere uitleg zou leiden tot het ongerijmde gevolg dat die schuldeiser achter het net zou vissen wanneer de deurwaarder aan wie hij zijn incasso-opdracht heeft gegeven, die opdracht op zijn beurt aan een collega doorgeeft. Dat Eendracht ingevolge de Samenwerkingsovereenkomst de feitelijke incassowerkzaamheden heeft verricht in opdracht van [A] maakt daarom niet dat [A] dan ook een vorderingsrecht heeft jegens Eendracht om zonder instemming van het CJIB, ten laste van de kwaliteitsrekening betalingen te (laten) doen naar haar eigen privérekening, en al helemaal niet als op voorhand vaststaat dat die betalingen ten gevolge van het faillissement van [A] niet terecht gaan komen bij het CJIB voor wie zij, zoals tussen partijen vaststaat, zijn bestemd.
6.9
De geïncasseerde gelden staan op de kwaliteitsrekening van Eendracht en maken daarmee deel uit van het van de vermogens van de deurwaarders wettelijk afgescheiden vermogen, dat wat betreft het voor het CJIB geïncasseerde bedrag van € 418.750,64 uitsluitend aan het CJIB ‘toebehoort’. Reeds om die reden strandt het beroep van de curator en Rexwinkel op het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2003 [ECLI:NL:HR:2003:AF3413]. In die zaak ging het namelijk om gelden die nu juist niet op een kwaliteitsrekening waren gestort. Niet valt in te zien dat en hoe het aan het CJIB toebehorende saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht zonder daarvoor bestaande titel, die de curator en [A] tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd niet hebben kunnen geven, op enig moment aan [A] is gaan ‘toebehoren’, of [A] bij de gemaakte incassoafspraken nu heeft gehandeld als middellijk vertegenwoordiger voor het CJIB of niet. Het door de curator en Rexwinkel gehuldigde, andersluidende standpunt vindt geen steun in het recht.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof met zijn oordeel dat het voor CJIB geïncasseerde bedrag van € 418.750,64 uitsluitend aan CJIB toebehoort, heeft miskend dat op grond van de wettelijke regeling over lastgeving ter incasso op eigen naam als bedoeld in art. 7:414 BW, [A] als enige gerechtigd was betalingen te laten doen van de kwaliteitsrekening naar de eigen rekening of naar een andere rekening. Het hof heeft in het midden gelaten of [A] bij het overdragen van de incasso-opdracht aan Eendracht als middellijk vertegenwoordiger van CJIB is opgetreden, zodat in cassatie moet worden aangenomen dat tussen [A] en Eendracht een overeenkomst bestond die moet worden gekwalificeerd als lastgeving ter incasso op eigen naam, aldus het onderdeel.
Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat voor de vraag wie rechthebbende is op het saldo, niet zonder meer beslissend is wie de oorspronkelijke schuldeiser van de te incasseren vordering is of wie op een exploot als zodanig wordt genoemd.
3.2.1
Art. 19 Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) bevat een dwingendrechtelijke regeling van de kwaliteitsrekening en bepaalt voor zover thans van belang:
“1 De gerechtsdeurwaarder is verplicht bij een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht een of meer bijzondere rekeningen aan te houden op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid, die uitsluitend bestemd zijn voor gelden, die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden onder zich neemt. Gelden die aan de gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, moeten op die rekening worden gestort. (…)
2 De gerechtsdeurwaarder is bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening. (…) Ten laste van deze rekening mag hij slechts betalingen doen in opdracht van een rechthebbende. Vorderingen van de gerechtsdeurwaarder uit hoofde van voor de rechthebbende verrichte werkzaamheden komen van rechtswege in mindering op het aandeel van de rechthebbende in het saldo, zodra zij aan de rechthebbende zijn opgegeven. (…)
3 Het vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden. Het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de bijzondere rekening is gestort. (…)
4 Een rechthebbende heeft voor zover uit de aard van zijn recht niet anders voortvloeit, te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de bijzondere rekening. (…)”
3.2.2
Het doel van de regeling van de kwaliteitsrekening van de gerechtsdeurwaarder is derden voor wie de gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden tijdelijk gelden onder zich neemt, te beschermen tegen deconfitures, fraude daaronder begrepen. Dit wordt bereikt door de vordering op de bank uit hoofde van de kwaliteitsrekening niet in het vermogen van de gerechtsdeurwaarder te laten vallen. Deze bescherming acht de wetgever gerechtvaardigd omdat het publiek erop mag vertrouwen en ook daadwerkelijk pleegt te vertrouwen dat de gerechtsdeurwaarder wiens wettelijke taak in vele gevallen meebrengt dat hem door derden gelden worden toevertrouwd, deze gelden afgescheiden houdt van zijn eigen vermogen.3.
3.2.3
In cassatie wordt terecht niet bestreden dat, zoals het hof in rov. 6.7 heeft vooropgesteld, rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening diegenen zijn ten behoeve van wie geldbedragen op die kwaliteitsrekening zijn gestort, onder de voorwaarden die gelden in hun onderlinge verhoudingen.4.
Inzet van de onderhavige procedure is of CJIB dan wel (Rexwinkel als rechtsopvolger van) [A] rechthebbende is op het saldo van € 418.750,64. Er zijn dus niet verschillende rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening, zodat onderlinge verhoudingen tussen rechthebbenden hier geen rol spelen.
3.2.4
Niet alleen de (directe) opdrachtgevers van de gerechtsdeurwaarder, maar ook derden kunnen worden aangemerkt als rechthebbenden op (een aandeel in) het saldo van de kwaliteitsrekening van de gerechtsdeurwaarder.5.Daarvoor is in het bijzonder grond indien, als gevolg van de incassowerkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder, een schuldenaar zijn schuld aan een derde voldoet door betaling op de kwaliteitsrekening.
Indien [A] bij het overdragen aan Eendracht van de incassowerkzaamheden die [A] voor CJIB uitvoerde, als middellijk vertegenwoordiger van CJIB en dus op eigen naam heeft gehandeld en als opdrachtgever van Eendracht moet worden aangemerkt, is dit dus niet onverenigbaar met het oordeel van het hof dat niet [A] maar CJIB rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening. Het hof kon daarom in het midden laten of [A] bij het uitbesteden van de incasso-opdracht aan Eendracht heeft gehandeld als middellijk vertegenwoordiger van CJIB.
3.2.5
In cassatie is niet bestreden de vaststelling van het hof in rov. 6.8 dat de gerechtsdeurwaarder (werkzaam bij Eendracht) ‘de oorspronkelijke schuldeiser’, dat wil zeggen CJIB, althans de door CJIB vertegenwoordigde overheidsinstantie, op zijn exploten heeft vermeld als degene ten behoeve van wie op de kwaliteitsrekening moet worden betaald. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat – zoals evenmin in cassatie is bestreden – het saldo op de kwaliteitsrekening bestaat uit door debiteuren van CJIB betaalde bedragen (verminderd met de kosten van Eendracht) en dat die schuldenaren hun schuld aan CJIB alleen bevrijdend aan de gerechtsdeurwaarder van Eendracht konden betalen. Het oordeel van het hof dat in deze omstandigheden uit de beschermingsdoelstelling van art. 19 Gdw volgt dat CJIB, en niet [A], rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
3.2.6
Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2-3.2.5 is overwogen volgt dat de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten falen.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de curator en Rexwinkel in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van CJIB begroot op € 8.206,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de curator en Rexwinkel deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 23 januari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑01‑2026
Gerechtshof Den Haag 2 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1049.
Zie Kamerstukken II 1998/99, 22775, nr. 14, p. 35-36. Vgl. ten aanzien van de notariële kwaliteitsrekening HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, rov. 3.2.
Vgl. HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, rov. 3.3 en HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, rov. 3.1.4.
Vgl. HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, rov. 3.4.
Conclusie 10‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Rechthebbende op bedrag aan geïncasseerde vorderingen van het CJIB op kwaliteitsrekening van failliet verklaard deurwaarderskantoor; maatstaf rechthebbende in zin van art. 19 Gdw.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03640
Zitting 10 oktober 2025
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
1. R. Le Grand q.q. in de hoedanigheid van curator in het faillissement van Eendracht Gerechtsdeurwaarders & Credit Management B.V., en
2. Rexwinkel B.V.,
eisers tot cassatie,
advocaat: R.R. Verkerk,
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Centraal Justitieel Incassobureau),
verweerder in cassatie,
advocaat: J.W.H. van Wijk.
Eisers tot cassatie worden hierna gezamenlijk aangeduid als Le Grand q.q. (in mannelijk enkelvoud) en individueel als curator respectievelijk Rexwinkel. Verweerder in cassatie wordt aangeduid als het CJIB.
1. Inleiding
1.1
Deze zaak draait om de vraag wie rechthebbende is op het saldo dat zich bevond op de kwaliteitsrekening van een deurwaarderskantoor (Eendracht) op het moment dat dit kantoor in staat van faillissement werd verklaard. Is het CJIB rechthebbende omdat de gelden afkomstig zijn van debiteuren van het CJIB en voor het CJIB zijn bestemd? Of is rechthebbende een ander deurwaarderskantoor ( [A] ), dat op grond van een overeenkomst met het CJIB incassowerkzaamheden verrichte en deze werkzaamheden heeft overgedragen aan Eendracht?
1.2
De rechtbank heeft voor recht verklaard dat het CJIB de rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht. Het hof heeft dat vonnis bekrachtigd. Le Grand q.q. komt daar in cassatie tegenop, naar mijn mening tevergeefs.
2. Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
2.2
Deurwaarderskantoor [A] B.V. (hierna: [A]) heeft een deurwaarderskantoor gedreven en beschikte daarbij over een kwaliteitsrekening als bedoeld in artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw).
2.3
Tussen [A] en het CJIB is een overeenkomst gesloten2.op grond waarvan [A] voor het CJIB incassowerkzaamheden verrichtte. [A] inde de vorderingen van het CJIB bij de debiteuren van het CJIB. Bedragen die door debiteuren van het CJIB (al dan niet na (buiten)gerechtelijke incasso of executie) waren betaald, werden gestort op de kwaliteitsrekening van [A] . Omdat het CJIB graag gebruik wilde maken van automatische incasso en dit vanaf een kwaliteitsrekening niet mogelijk is, maakte [A] de voor het CJIB ontvangen gelden, na aftrek van haar (loon)kosten en met instemming van het CJIB, over van haar kwaliteitsrekening naar een gewone bankrekening op haar naam, waar het CJIB die gelden automatisch kon incasseren.
2.4
Op 15 mei 2017 heeft [A] een samenwerkingsovereenkomst gesloten met enkele vennootschapen die elk eveneens een deurwaarderskantoor exploiteerde (hierna: Samenwerkingsovereenkomst). Ter uitvoering van die overeenkomst is Eendracht Gerechtsdeurwaarders & Credit Management B.V. (hierna: Eendracht) opgericht. In augustus 2017 zijn Eendracht, [A] en de (indirect) bestuurder van [A] , [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), overeengekomen dat [A] houder is en blijft van de op dat moment bestaande contracten, waaronder het contract van het CJIB.3.
2.5
De behandeling van de incasso-opdrachten werd overgedragen aan Eendracht, die de aan [A] ter incasso aangeboden vorderingen van het CJIB incasseerde. Het CJIB heeft ingestemd met deze overname van de incassoactiviteiten door Eendracht. De geïnde bedragen werden ontvangen op de kwaliteitsrekening van Eendracht. Doorbetaling vanaf die rekening aan het CJIB verliep nog steeds op basis van automatische incasso door CJIB. Eendracht boekte de voor het CJIB geïnde gelden over van haar kwaliteitsrekening naar de gewone bankrekening van [A] , waar deze gelden kort op stonden.4.
2.6
Op 7 juli 2020 is Eendracht in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. R. Le Grand tot curator.5.Op de kwaliteitsrekening van Eendracht stond op dat moment een bedrag van € 418.750,64 (na aftrek van kosten en loon) aan gelden die bij debiteuren van het CJIB waren geïncasseerd. Er werd een waarnemend deurwaarder benoemd die bij uitsluiting bevoegd is om over de kwaliteitsrekening van Eendracht te beschikken.
2.7
Bij brieven van 10 juli 2020 respectievelijk 1 september 20206.heeft het CJIB de incassosamenwerking met [A] en Eendracht ontbonden dan wel opgezegd, en hun verzocht de nog aan het CJIB verschuldigde bedragen af te dragen. De curator en [A] hebben voorafgaand aan de dagvaarding in eerste aanleg daaraan geen gevolg gegeven.
3. Procesverloop
In eerste aanleg
3.1
Op 20 juli 2021 heeft het CJIB de curator en [A] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank). Het CJIB heeft gevorderd, kort weergegeven, dat voor recht wordt verklaard dat het CJIB rechthebbende is op het (aandeel in het) saldo op de kwaliteitsrekening van het gefailleerde Eendracht ten bedrage van € 418.750,64 en dat de curator en [A] worden veroordeeld te gehengen en te gedogen dat de waarnemend gerechtsdeurwaarder dat saldo aan het CJIB uitkeert, met veroordeling van de curator en [A] in de proceskosten.
3.2
De curator heeft bij conclusie van antwoord van 6 oktober 2021 verweer gevoerd.
3.3
Ook [A] heeft verweer gevoerd, nadat eerder verstek tegen haar was verleend. Bij conclusie van antwoord van 11 januari 2022 heeft zij tevens een eis in reconventie ingesteld. [A] vordert, kort weergegeven, dat voor recht wordt verklaard dat zij de rechthebbende is op voornoemd saldo van € 418.750,64 en dat het CJIB wordt veroordeeld te gehengen en te gedogen dat de waarnemend gerechtsdeurwaarder dat saldo aan [A] uitkeert, met veroordeling van het CJIB in de proceskosten.
3.4
Bij vonnis van 9 februari 20227.(hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van het CJIB toegewezen en de reconventionele vordering van [A] afgewezen, met veroordeling van de curator en [A] in de proceskosten in conventie en veroordeling van [A] in de proceskosten in reconventie. De rechtbank is van oordeel dat het CJIB rechthebbende is op het aandeel in het saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht ter omvang van € 418.750,64 (hierna: het saldo).
In hoger beroep
3.5
Bij afzonderlijke dagvaardingen van 9 mei 2022 zijn zowel de curator als [A] in hoger beroep gekomen.
3.6
Op 8 juni 2022, is [A] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. E. van Gruijthuijsen als curator.8.
3.7
De curator mr. Le Grand en [A] hebben op 4 oktober 2022 gezamenlijk een memorie van grieven ingediend. Daarin wordt toegelicht dat Rexwinkel, die een eerste pandrecht op de vermeende vorderingen van [A] houdt, de procespositie van [A] zou overnemen. De curator en [A] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en tot afwijzing van de vorderingen van het CJIB. [A] heeft haar in eerste aanleg ingestelde reconventionele vordering in iets gewijzigde vorm gehandhaafd, aldus dat alsnog voor recht wordt verklaard dat [A] rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht en het CJIB wordt veroordeeld om dat saldo binnen veertien dagen na betekenis van het arrest aan [A] af te dragen zonder dat ter zake een beroep op verrekening mogelijk is.
3.8
Bij akte van 11 oktober 2022 hebben [A] en de curator vanwege het faillissement van [A] de schorsing van het geding ingeroepen en aangezegd dat Rexwinkel als pandhouder de procespositie en het geding van [A] overneemt. Na daartegen ingebracht bezwaar van het CJIB hebben de curator en [A] bij akte van 22 november 2022 opnieuw de schorsing van het geding ingeroepen en aangezegd dat Rexwinkel de procespositie en het geding van [A] overneemt op grond van een tussen de curator van [A] en Rexwinkel gesloten cessie-overeenkomst. Bij die overeenkomst heeft [A] de vorderingen waarop de onderhavige procedure betrekking heeft aan Rexwinkel gecedeerd om Rexwinkel in staat te stellen de procespositie van [A] in het geding over te nemen. Op 13 december 2022 is het geding om die reden geschorst.9.
3.9
Rexwinkel heeft vervolgens een akte tot hervatting geding ingediend, waarin zij heeft aangegeven door de cessie in de rechtspositie van [A] te zijn getreden en zich in die hoedanigheid aan te sluiten bij de inhoud van de memorie van grieven van de curator en [A] en zich deze inhoud in zoverre eigen te maken.
3.10
Het CJIB heeft bij memorie van antwoord gereageerd op de grieven van de curator en [A] , zoals door Rexwinkel overgenomen. Het CJIB concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van de curator en Rexwinkel in de kosten.
3.11
Op 6 juni 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De curator en Rexwinkel hebben gebruik gemaakt van gezamenlijke spreekaantekeningen. Ook het CJIB heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.10.
3.12
Bij arrest van 2 juli 202411.(hierna: het bestreden arrest) heeft het hof het vonnis bekrachtigd en de curator en Rexwinkel, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof komt tot het oordeel dat het CJIB en niet [A] de rechthebbende is op het saldo.
3.13
Het hof geeft in rov. 1.1 een kernachtige samenvatting van de zaak:
“1.1 Inzet van deze procedure is de vraag wie de rechthebbende is op een bedrag van € 418.750,64 aan geïncasseerde vorderingen van het CJIB op de kwaliteitsrekening van het failliet verklaarde deurwaarderskantoor Eendracht. Volgens het CJIB is hij de rechthebbende, maar volgens de curator en Rexwinkel is dat (het inmiddels eveneens failliet verklaarde deurwaarderskantoor) [A] .”
3.14
Om te beoordelen wie de rechthebbende op het saldo is, schetst het hof in rov. 6.3-6.7 de regeling van de kwaliteitsrekening van de deurwaarder in art. 19 Gdw.
3.15
In rov. 6.8 komt het hof tot het oordeel dat het CJIB de rechthebbende is op het saldo. Het hof overweegt als volgt:
“6.8 In het licht van het vorenoverwogene kan uit de regeling van artikel 19 GDW naar het oordeel van het hof niet anders worden afgeleid dan dat het CJIB, en niet [A] , de rechthebbende is op het op de kwaliteitsrekening van Eendracht staande bedrag van € 418.750,64. Het saldo heeft immers betrekking op gelden die een bij Eendracht werkzame deurwaarder ten behoeve van het CJIB heeft geïncasseerd, bij schuldenaren van alleen het CJIB, welke schuldenaren alleen wat betreft hun schuld aan het CJIB bevrijdend aan die deurwaarder konden betalen. Anders dan de curator en Rexwinkel aanvoeren, volgt uit de hiervoor beschreven beschermingsdoelstelling van artikel 19 GDW dat degene “ten behoeve van” wie op de bijzondere rekening is gestort in de zin van die bepaling niet (noodzakelijkerwijs) de rechtstreekse opdrachtgever is van de incasserende deurwaarder, maar de oorspronkelijke schuldeiser van de te incasseren vordering. Het is ook deze schuldeiser die de deurwaarder op zijn exploten vermeldt als degene ten behoeve van wie op de kwaliteitsrekening moet worden betaald. Een andere uitleg zou leiden tot het ongerijmde gevolg dat die schuldeiser achter het net zou vissen wanneer de deurwaarder aan wie hij zijn incasso-opdracht heeft gegeven, die opdracht op zijn beurt aan een collega doorgeeft. Dat Eendracht ingevolge de Samenwerkingsovereenkomst de feitelijke incassowerkzaamheden heeft verricht in opdracht van [A] maakt daarom niet dat [A] dan ook een vorderingsrecht heeft jegens Eendracht om zonder instemming van het CJIB, ten laste van de kwaliteitsrekening betalingen te (laten) doen naar haar eigen privérekening, en al helemaal niet als op voorhand vaststaat dat die betalingen ten gevolge van het faillissement van [A] niet terecht gaan komen bij het CJIB voor wie zij, zoals tussen partijen vaststaat, zijn bestemd.”
3.16
Direct aansluitend gaat het hof na of, indachtig de overige stellingen van Le Grand q.q., toch aanleiding bestaat voor een andere uitkomst van de zaak. Dat is niet het geval. Daartoe overweegt het hof als volgt:
“6.9 De geïncasseerde gelden staan op de kwaliteitsrekening van Eendracht en maken daarmee deel uit van het van de vermogens van de deurwaarders wettelijk afgescheiden vermogen, dat wat betreft het voor het CJIB geïncasseerde bedrag van € 418.750,64 uitsluitend aan het CJIB ‘toebehoort’. Reeds om die reden strandt het beroep van de curator en Rexwinkel op het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2003.12.In die zaak ging het namelijk om gelden die nu juist niet op een kwaliteitsrekening waren gestort. Niet valt in te zien dat en hoe het aan het CJIB toebehorende saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht zonder daarvoor bestaande titel, die de curator en [A] tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd niet hebben kunnen geven, op enig moment aan [A] is gaan ‘toebehoren’, of [A] bij de gemaakte incassoafspraken nu heeft gehandeld als middellijk vertegenwoordiger voor het CJIB of niet. Het door de curator en Rexwinkel gehuldigde, andersluidende standpunt vindt geen steun in het recht.”
3.17
In rov. 6.10 overweegt het hof vervolgens, ten overvloede, dat de uitkomst mogelijk anders zou zijn geweest indien het faillissement van [A] was uitgesproken op een moment dat het betrokken bedrag, ten behoeve van de automatische incasso door het CJIB al was overgeboekt naar de reguliere bankrekening van [A] . Die situatie heeft zich hier niet voorgedaan.
3.18
De overwegingen van het hof vat ik als volgt kort samen:
- Gelet op het bepaalde in art. 19 Gdw is de rechthebbende op het saldo degene ten behoeve van wie geldbedragen op de kwaliteitsrekening zijn gestort. Dat is niet noodzakelijkerwijs de rechtstreekse opdrachtgever van de incasserende deurwaarder.
- In dit geval is het CJIB de rechthebbende, want het saldo heeft betrekking op gelden die een bij Eendracht werkzame deurwaarder ten behoeve van het CJIB heeft geïncasseerd (bij schuldenaren van alleen het CJIB, die alleen wat betreft hun schuld aan het CJIB bevrijdend aan die deurwaarder konden betalen). De deurwaarder vermeldt op zijn exploten ook het CJIB als degenen ten behoeve van wie op de kwaliteitsrekening moet worden betaald. Het geld is bestemd voor het CJIB.
In cassatie
3.19
Le Grand q.q. heeft tegen het bestreden arrest tijdig beroep in cassatie ingesteld.
3.20
Het CJIB heeft verweer gevoerd en zijn standpunten schriftelijk toegelicht.
3.21
Le Grand q.q. heeft afgezien van schriftelijke toelichting, maar heeft naar aanleiding van de schriftelijke toelichting van het CJIB wel gerepliceerd.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel richt zich tegen rov. 6.8 e.v. van het bestreden arrest en de daarop voortbouwende beslissingen.
4.2
Omwille van de leesbaarheid en in lijn met het bestreden arrest en de procesinleiding, duid ik Rexwinkel hierna individueel aan als [A].
4.3
Voordat ik toekom aan de bespreking van het cassatiemiddel schets ik het juridisch kader.
Juridisch kader
4.4
Gerechtsdeurwaarders zijn verplicht tot het aanhouden van een kwaliteitsrekening (ook wel: derdengeldrekening). Dit is neergelegd in de dwingendrechtelijke regeling13.van art. 19 Gdw, waarvan de leden 1 t/m 4 als volgt luiden (mijn onderstrepingen, ook in citaten hierna, tenzij anders vermeld):
“Artikel 19 Gdw
1. De gerechtsdeurwaarder is verplicht bij een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht een of meer bijzondere rekeningen aan te houden op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid, die uitsluitend bestemd zijn voor gelden, die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden onder zich neemt. Gelden die aan de gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, moeten op die rekening worden gestort. (…).
2. De gerechtsdeurwaarder is bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening. De gerechtsdeurwaarder kan met een rechthebbende overeenkomen om zijn aandeel in het saldo van de bijzondere rekening periodiek uit te keren. Hij kan aan een onder zijn verantwoordelijkheid werkzame persoon volmacht verlenen. Ten laste van deze rekening mag hij slechts betalingen doen in opdracht van een rechthebbende. (…)
3. Het vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden. Het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de bijzondere rekening is gestort. (…)
4. Een rechthebbende heeft voor zover uit de aard van zijn recht niet anders voortvloeit, te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de bijzondere rekening. Is het saldo van de bijzondere rekening niet toereikend om aan iedere rechthebbende het bedrag van zijn aandeel uit te keren, dan mag de gerechtsdeurwaarder aan de rechthebbende slechts zoveel uitkeren als in verband met de rechten van de andere rechthebbenden mogelijk is. In dat geval wordt het saldo onder de rechthebbenden verdeeld naar evenredigheid van ieders aandeel, met dien verstande dat, indien een gerechtsdeurwaarder zelf rechthebbende is, hem slechts wordt toegedeeld hetgeen overblijft, nadat de andere rechthebbenden het hun toekomende hebben ontvangen.”
4.5
Blijkens de wetsgeschiedenis is voor de regeling van de kwaliteitsrekening van de gerechtsdeurwaarder aansluiting gezocht bij de regeling van de kwaliteitsrekening van de notaris in artikel 25 van de Wet op het notarisambt (Wna).14.In beide gevallen behoort de vordering op de bank toe aan de gezamenlijke rechthebbenden (art. 19 lid 2 Gdw en art. 25 lid 3 Wna) en valt die vordering dus niet in het vermogen van de gerechtsdeurwaarder/notaris, terwijl deze wel – en: bij uitsluiting – bevoegd is over de kwaliteitsrekening te beschikken; een rechthebbende kan niet zelf rechtstreeks zijn rechten uitoefenen tegenover de bank waarbij de derdengeldenrekening wordt gehouden.
4.6
Er is nog geen rechtspraak van de Hoge Raad over het begrip rechthebbende in de zin van art. 19 Gdw, maar wel over dat zelfde begrip in art. 25 Wna. Ik verwijs naar de prejudiciële beslissing in de Kadasterkosten-zaak,15.waar het ging om de vraag of het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en wegens recherchekosten rechthebbende is in de zin van art. 25 lid 3 Wna op een aandeel in de kwaliteitsrekening van een notaris. De Hoge Raad overwoog:
“3.2 Uit de wetsgeschiedenis van art. 25 Wna blijkt dat met de invoering van de figuur van de notariële kwaliteitsrekening is beoogd een regeling te treffen die het mogelijk maakt om gelden van derden die de notaris tijdelijk onder zich heeft, buiten het eigen vermogen van de notaris te houden en te vrijwaren voor verhaal door zijn schuldeisers. De notariële kwaliteitsrekening beoogt in de eerste plaats bescherming te bieden aan de financiële belangen van de cliënten van een notaris. Die cliënten moeten erop kunnen vertrouwen dat de bij de notaris gestorte gelden terechtkomen bij degenen voor wie zij bestemd zijn, aldus de memorie van toelichting.16.Daarnaast biedt de notariële kwaliteitsrekening bescherming aan derden. Blijkens de toelichting op art. 25 Wna is beoogd om derden voor wie de notaris in verband met zijn werkzaamheden in zijn hoedanigheid tijdelijk geld onder zich neemt, te beschermen tegen déconfitures, fraude daaronder begrepen.17.”
Hetzelfde geldt ook voor de kwaliteitsrekening van een gerechtsdeurwaarder; de wetsgeschiedenis van art. 19 Gdw bevat vergelijkbare passages.18.
4.7
Ten aanzien van art. 25 Wna had de Hoge Raad kort zijn uitspraak in de Kadasterkosten-zaak in het Centavos-arrest het volgende overwogen:19.
“3.1.4 (…) Rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening zijn degenen ten behoeve van wie gelden op de rekening zijn bijgeschreven, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden.20.”
Bij deze maatstaf sluit de Hoge Raad aan in de Kadasterkosten-beslissing:21.
“3.3 (…) Een en ander houdt in de kern in dat rechthebbenden op het saldo van de notariële kwaliteitsrekening diegenen zijn ten behoeve van wie geldbedragen op die kwaliteitsrekening zijn gestort, onder de voorwaarden die gelden in hun onderlinge verhoudingen.22.”
4.8
Aangenomen moet worden dat dit ook geldt voor het saldo op de kwaliteitsrekening als bedoeld in art. 19 Gdw. Dit is dan ook de maatstaf aan de hand waarvan het hof in het bestreden arrest diende te beslissen wie rechthebbende is op het bedrag van € 418.750,64 op de kwaliteitsrekening van het failliet verklaarde deurwaarderskantoor Eendracht,23.zo wordt in cassatie – terecht – niet bestreden.24.
4.9
Het rechthebbende-begrip omvat niet slechts de (directe) opdrachtgevers van de notaris of deurwaarder. In Kadasterkosten overwoog de Hoge Raad dat het strookt met de bestaansgrond van de notariële kwaliteitsrekening:25.
“3.4 (…) om te aanvaarden dat niet alleen de cliënten van de notaris, maar ook derden kunnen worden aangemerkt als rechthebbenden op een met inachtneming van art. 25 lid 3 Wna te berekenen aandeel in het saldo van de notariële kwaliteitsrekening. Daarvoor is in het bijzonder grond indien een partij bij de rechtshandeling waarvoor de notaris is ingeschakeld, ten behoeve van een derde een geldbedrag op de notariële kwaliteitsrekening bijschrijft of laat bijschrijven in direct verband met die rechtshandeling. In een dergelijk geval moet die partij erop kunnen vertrouwen dat dit geldbedrag terechtkomt bij de derde voor wie het is bestemd, ongeacht of de derde een schuldeiser is van die partij of van de notaris.”
4.10
De Hoge Raad achtte het dus niet van belang of de derde als bedoeld in art. 25 Wna een schuldeiser is van de notaris of van de partij die een geldbedrag ten behoeve van de derde op de kwaliteitsrekening van de notaris heeft gestort.26.
4.11
De potentiële rechthebbenden op een aandeel in het saldo op de kwaliteitsrekening van de notaris is dus ruim.27.Dit geldt evenzeer met betrekking tot het saldo op de kwaliteitsrekening van de deurwaarder, zoals bedoeld in art. 19 Gdw.28.
Behandeling van de klachten; inleidende opmerkingen
4.12
Het cassatieberoep omvat twee onderdelen, die elk subonderdelen bevatten.
4.13
Ik merk vooraf op dat het middel stoelt op een naar mijn mening onjuiste weergave van het partijdebat. Volgens Le Grand q.q. stond in feitelijke instanties één vraag centraal: “had [A] als middellijk vertegenwoordiger als enige een vorderingsrecht jegens haar contractuele wederpartij (Eendracht)?”29.Het is die vraag die Le Grand q.q. bevestigend beantwoordt, maar zijn nogal eenzijdige weergave van het partijdebat strookt niet met het bestreden arrest. Daarin overweegt het hof kernachtig dat de inzet van de procedure de vraag is “wie de rechthebbende is op een bedrag van € 418.750,64 aan geïncasseerde vorderingen van het CJIB op de kwaliteitsrekening van het failliet verklaarde deurwaarderskantoor Eendracht.”30.Dat is, gelet op de bijzondere kenmerken van een kwaliteitsrekening,31.een andere vraag die zich niet laat reduceren tot hetgeen volgens Le Grand q.q. de centrale vraag is.
4.14
Ik roep verder in herinnering dat dit geschil alleen betrekking heeft op het van CJIB-debiteuren afkomstige bedrag op de kwaliteitsrekening van Eendracht op het moment dat zij failliet werd verklaard. Het saldo is het op die rekening resterende bedrag na inhouding van loon en andere kosten. Dit geschil gaat niet over gelden op de gewone rekening van [A] waarop de voor het CJIB bestemde gelden vanaf de kwaliteitsrekening van Eendracht werden gestort en waar deze gelden kortstondig op stonden totdat het CJIB ze automatisch incasseerde. Tot slot gaat dit geschil ook niet over gelden op de kwaliteitsrekening van [A] , die al enige tijd was opgeheven (zie voetnoot 3). In het fictieve geval dat die kwaliteitsrekening van [A] nog wel bestond en de van de debiteuren van het CJIB geïnde gelden op die kwaliteitsrekening stonden op het moment dat [A] failliet werd verklaard, zouden die gelden niet toekomen aan de boedel van [A] . Mede gelet daarop is het onaannemelijk dat deze gelden in de feitelijke situatie, waarin zij op de kwaliteitsrekening van Eendracht stonden, aan [A] zouden moeten toekomen. Het valt ook niet in te zien dat [A] omdat zij aan Eendracht de feitelijke incassowerkzaamheden had overgedragen aanspraak zou kunnen maken op het saldo, terwijl [A] die aanspraak niet zou kunnen maken als het saldo op haar eigen kwaliteitsrekening had gestaan.
4.15
Voorts valt op dat het middel veelvuldig een beroep doet op de zinsnede “onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden” uit de cassatierechtspraak over het rechthebbendenbegrip (zie 4.7). Daarbij gaat het middel eraan voorbij dat het woordje ‘hun’ terugslaat op ‘rechthebbenden’ (meervoud). Het vorderingsrecht op de bank, dat voortvloeit uit de kwaliteitsrekening, behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden (art. 19 lid 3 Gdw, zie 4.5 hiervoor). In gevallen waarin sprake is van meerdere rechthebbenden zal ieders aandeel in het saldo moeten worden vastgesteld. Dat is echter niet aan de orde in de huidige procedure omdat partijen het erover eens zijn dat er één rechthebbende is op het saldo en uitsluitend in geschil is of dat het CJIB of [A] is.32.Er zijn hier niet meerdere rechthebbenden en daarom spelen onderlinge verhoudingen tussen rechthebbenden hier geen rol.
4.16
Nu uitsluitend in geschil is of het CJIB dan wel [A] (thans Rexwinkel) als rechthebbende aanspraak kan maken op het saldo, is mij niet aanstonds duidelijk waarom de curator doorprocedeert. De boedel van Eendracht, waarvoor de curator opkomt, is niet de rechthebbende omdat het saldo niet tot de boedel behoort (zie reeds 4.5).33.
Onderdeel 1: “Lastgeving ter incasso op eigen naamart. 7:414 BW (rov. 6.8 en 6.9)”
4.17
Dit onderdeel vangt aan met een inleiding (1.1), gevolgd door twee subonderdelen met klachten (1.2 en 1.3) en een veegklacht (1.4).
4.18
Subonderdeel 1.2 bevat een rechtsklacht. Volgens Le Grand q.q. getuigt het oordeel van het hof dat [A] geen “vorderingsrecht heeft jegens Eendracht” van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent de hier toepasselijke wettelijke regeling inzake lastgeving ter incasso op eigen naam als bedoeld in art. 7:414 BW, op grond waarvan [A] als enige juridisch gerechtigd was om betalingen te laten doen van de kwaliteitsrekening naar de eigen rekening en/of naar een andere rekening.34.
4.19
Subonderdeel 1.3 bevat meerdere klachten. Nr. 14 van de procesinleiding werpt klachten op voor zover het oordeel van het hof – dus: dat [A] geen vorderingsrecht heeft jegens Eendracht om ten laste van de kwaliteitsrekening betalingen te (laten) doen naar de eigen bankrekening van [A] – niet onjuist zou zijn. In dat geval zou de beoordeling onvoldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd. Nu het hof in het midden laat of sprake is van middellijke vertegenwoordiging valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, tegen die achtergrond niet in te zien waarom [A] geen “vorderingsrecht” heeft jegens Eendracht en evenmin gerechtigd zou zijn betalingen te laten doen van de kwaliteitsrekening van Eendracht. Het hof heeft in ieder geval niet voldoende duidelijk en begrijpelijk gerespondeerd op de essentiële stellingen die daarover zijn ingenomen, zoals in nr. 9 van de procesinleiding besproken en samengevat. Nr. 15 bevat klachten voor het geval de bestreden overwegingen zó moeten worden gelezen dat het hof daarin een impliciet oordeel geeft over de uitleg van de overeenkomst. Dat impliciete oordeel is dan niet voorzien van een begrijpelijke motivering. Het hof had niet, althans niet zonder nadere motivering, voorbij mogen gaan aan het uitdrukkelijke aanbod getuigen te horen over (de uitleg van) de overeenkomsten en de rechtsverhouding tussen Eendracht, [A] en het CJIB.
4.20
De klachten falen om de volgende redenen.
4.21
Om te beginnen berusten de klachten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. In nr. 10 van de inleiding bij het onderdeel staat dat [A] geen “vorderingsrecht heeft jegens Eendracht om (…) ten laste van de kwaliteitsrekening betalingen te (laten) doen naar haar eigen privérekening” (rov. 6.8), en dat het hof op basis daarvan oordeelt dat “CJIB, en niet [A] , de rechthebbende is op [het saldo op] de kwaliteitsrekening van Eendracht” (rov. 6.8).
4.22
Het hof volgt echter een omgekeerde redenering: omdat CJIB, en niet [A] , de rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening, heeft [A] geen vorderingsrecht jegens Eendracht om ten laste van die kwaliteitsrekening van Eendracht betalingen te (laten) doen naar de privérekening van [A] . Die redenering strookt met het hiervoor geschetste stelsel van art. 19 Gdw: de gerechtsdeurwaarder mag ten laste van de kwaliteitsrekening slechts betalingen doen in opdracht van een rechthebbende (zie lid 2). Ik meen dat de door het middel gegeven onjuiste lezing van het bestreden arrest reeds maakt dat de klachten dienen te falen wegens gebrek aan belang, aangezien dit onderdeel geen klacht richt tegen het oordeel van het hof dat het CJIB de rechthebbende op het saldo is (terwijl, zoals hierna zal blijken, het daartegen wél opkomende onderdeel 2 tevergeefs is voorgesteld).
4.23
Ook overigens faalt het onderdeel.
4.24
In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat [A] op grond van een overeenkomst met het CJIB incassowerkzaamheden verrichtte voor het CJIB35.en dat Eendracht vanaf enig moment ingevolge de samenwerkingsovereenkomst in opdracht van [A] de incassowerkzaamheden feitelijk heeft verricht.36.Het hof heeft daarbij in het midden kunnen laten of er ook een overeenkomst tot stand is gekomen tussen het CJIB en Eendracht.37.Wel staat vast dat het CJIB heeft ingestemd met de overname van de incassoactiviteiten door Eendracht38.en dat de geïncasseerde gelden bestemd zijn voor het CJIB.39.Het betoog van [A] in feitelijke instanties strekte ertoe dat de voor het CJIB bestemde gelden desalniettemin ten behoeve van [A] op de kwaliteitsrekening van Eendracht zouden zijn gestort.
4.25
Subonderdeel 1.2 faalt, nu het hof – anders dan het subonderdeel betoogt – de regeling van lastgeving niet heeft miskend. Dat het hof deze regeling in dit concrete geval niet van belang acht bij de beoordeling wie in de zin van art. 19 Gdw de rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening (een afgescheiden vermogen), betekent immers niet dat het hof deze regeling heeft miskend. Om te kunnen oordelen dat het CJIB rechthebbende is op het saldo is niet vereist dat het CJIB een rechtstreekse contractuele vordering op Eendracht zou hebben. Ook als een rechtstreekse contractuele vordering van CJIB op Eendracht ontbreekt, staat dat er niet aan in de weg dat het CJIB wél de rechthebbende kan zijn (en volgens het hof: de rechthebbende is) op het saldo, en dat het CJIB een vordering heeft op de bank waarbij de kwaliteitsrekening wordt aangehouden.
4.26
Langs dezelfde lijnen falen de motiveringsklachten uit subonderdeel 1.3, eerste alinea. Het hof kon namelijk in het midden laten of sprake is van middellijke vertegenwoordiging. Het hof was ook niet gehouden om nader in te gaan op de (vermeende) stelling van de curator dat in dit geval sprake was van een overeenkomst voor lastgeving ter incasso die zou voorzien in inning op eigen naam.40.[A] heeft gesteld dat zij in eigen naam een overeenkomst met Eendracht heeft gesloten (wat juist is), maar niet dat daaruit is af te leiden dat sprake was van lastgeving tot incasso in eigen naam, in die zin dat [A] in eigen naam en ‘op eigen rekening’ gelden inde die waren ontvangen op de kwaliteitsrekening van Eendracht. Daarvan kan ook niet bij wijze van hypothetische grondslag worden uitgegaan. Le Grand q.q. heeft in feitelijke instanties namelijk niet gesteld dat er tussen [A] en Eendracht een overeenkomst van lastgeving tot incasso zou hebben gegolden. Le Grand q.q. heeft in feitelijke instanties overigens evenmin gesteld dat [A] , voorafgaand aan de overdracht van de incasso-opdrachten aan Eendracht, van het CJIB de last had ontvangen om in eigen naam vorderingen bij debiteuren van het CJIB vorderingen te innen. De incasso-opdrachten van het CJIB aan [A] hielden in dat [A] de vorderingen bij de debiteuren van het CJIB zou innen. Na overdracht van de behandeling van de incasso-werkzaamheden aan Eendracht is daar geen verandering in gekomen.
4.27
Het hof was evenmin gehouden om te responderen op de overige stellingen die staan vermeld in nr. 9 van de procesinleiding. Het betoog dat art. 3:110 BW niet van toepassing is op vorderingen op naam en dat [A] dus niet optrad als ‘houder’ namens het CJIB,41.noopte niet tot een reactie van het hof. De curator beoogde juist dat het hof deze regeling niet zou toepassen, en zo is het ook gegaan. Als gezegd is niet relevant dat [A] directe contractuele vorderingen(en) op Eendracht zou hebben,42.wat ook niet anders wordt doordat Eendracht gebruik maakte van een kwaliteitsrekening.43.De laatste stelling waarop het subonderdeel zich beroept, dat [A] gezien het voorgaande rechtens gerechtigd was tot en ook de instructiebevoegdheid had ten aanzien van het saldo op de kwaliteitsrekening,44.heeft het hof op voldoende begrijpelijke wijze verworpen.
4.28
De klachten uit subonderdeel 1.3, tweede alinea, ontberen feitelijke grondslag, zoals ook de steller van het middel kennelijk reeds veronderstelt.45.De klachten zijn namelijk enkel opgeworpen voor het geval dat de bestreden overwegingen zó moeten worden gelezen dat het hof daarin een impliciet oordeel geeft over de uitleg van de overeenkomst. Dat is niet het geval en aan deze voorwaarde is dus niet voldaan.
4.29
Bij deze stand van zaken laat ik onbesproken of Le Grand q.q. in cassatie méér of iets anders stelt dan in feitelijke instanties, zoals het CJIB in haar schriftelijke toelichting uiteenzet.46.
4.30
De veegklacht uit subonderdeel 1.4 bouwt voort op de vorige klachten en dient te falen.
Onderdeel 2: “Begrip rechthebbende in artikel 19 GDW (rov. 6.3-6.9)”
4.31
Dit onderdeel start met een inleiding (2.1), gevolgd door zeven subonderdelen met klachten (2.2-2.8) en tot slot een veegklacht (2.9).
4.32
Subonderdeel 2.2 erkent dat het hof met juistheid vooropgesteld heeft dat rechthebbenden op het saldo van een kwaliteitsrekening diegenen zijn “ten behoeve van wie geldbedragen op die rekening zijn gestort, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden” (rov. 6.7). Geklaagd wordt dat het hof deze rechtsnorm in rov. 6.7-6.9 evenwel heeft miskend, door deze niet op de juiste wijze toe te passen op de feiten van deze zaak, althans door de beschermingsdoelstelling van deze rechtsnorm onjuist uit te leggen, althans door onjuiste factoren en omstandigheden mee te nemen in de beoordelingen. Het hof heeft zijn beoordeling in ieder geval niet afdoende gemotiveerd en is bovendien ten onrechte voorbijgegaan aan een specifiek en relevant bewijsaanbod, aldus het subonderdeel.
4.33
Deze algemeen geformuleerde klachten worden in de overige subonderdelen uitgewerkt en toegelicht.47.Subonderdeel 2.2 behoeft daarom geen bespreking.
4.34
Subonderdeel 2.3 bevat rechts- en motiveringsklachten. Ter inleiding citeert het subonderdeel dat naar het oordeel van het hof het saldo betrekking heeft “op gelden die een bij Eendracht werkzame deurwaarder ten behoeve van het CJIB heeft geïncasseerd, bij schuldenaren van alleen het CJIB, welke schuldenaren alleen wat betreft hun schuld aan het CJIB bevrijdend aan die deurwaarder konden betalen” (rov. 6.8, tweede volzin), en dat het hof enkele regels later overweegt dat dit ook blijkt uit exploten die zijn betekend aan debiteuren (rov. 6.8, vierde volzin). Kennelijk kent het hof hier veel waarde aan toe en oordeelt het vervolgens dat de “oorspronkelijke schuldeiser van de te incasseren vordering” degene is ten behoeve van wie is betaald, aldus de procesinleiding onder 21.
4.35
Onder 22 wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat “voor de vraag wie rechthebbende is, niet zonder meer beslissende betekenis toekomt aan de vraag wie de oorspronkelijke schuldeiser is van de te incasseren vordering en/of de vraag wie op een exploot als zodanig wordt genoemd.” Het hof miskent dat heel veel gevallen denkbaar zijn waarin het evident is dat de rechthebbende een ander is dan de oorspronkelijke schuldeiser. Of dat in een concrete zaak het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder de “voorwaarden die in [de] onderlinge verhouding gelden”.
4.36
Onder 23 klaagt het middel dat het hof in de beoordeling in ieder geval onvoldoende kenbaar acht heeft geslagen op de “voorwaarden die in [de] onderlinge verhouding gelden”.48.Het hof had daartoe nader moeten ingaan op de contractuele afspraken tussen de betrokken partijen en hoe die nader moeten worden gekwalificeerd. Het hof had in het bijzonder stil moeten staan bij de contractuele verplichtingen van de deurwaarder jegens diens opdrachtgever en eventuele derden. Het hof had dat ook kenbaar moeten meewegen in de beoordeling. Het hof heeft dat niet, althans niet afdoende gemotiveerd gedaan. Integendeel: het laat de vraag of sprake is van middellijke vertegenwoordiging juist heel uitdrukkelijk in het midden (rov. 6.9). Voor zover het hof hier wel acht op zou hebben geslagen, is de gegeven beoordeling in ieder geval onjuist en onbegrijpelijk (zie onderdeel 1).
4.37
Het subonderdeel faalt.
4.38
De klacht onder 22 mist feitelijke grondslag. Zoals het middel op zichzelf terecht opmerkt, zijn allerlei gevallen denkbaar waarin de rechthebbende op een saldo een ander is dan de oorspronkelijke schuldeiser. Het bestreden arrest biedt echter geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het hof dit zou hebben miskend. Ook blijkt uit niets dat bij de beoordeling van de vraag wie rechthebbende is op een bedrag aan geïncasseerde vorderingen, volgens het hof beslissende betekenis zou toekomen aan de vraag wie de oorspronkelijke schuldeiser is van de te incasseren vordering en/of de vraag wie als zodanig op een exploot wordt genoemd. Het hof slaat immers ook acht op andere omstandigheden (zie 3.18), in het bijzonder de omstandigheid dat Eendracht de betrokken gelden alleen heeft geïncasseerd bij debiteuren van het CJIB en dat die schuldenaren alleen wat betreft hun schuld aan het CJIB bevrijdend aan die deurwaarder konden betalen. In die omstandigheden is de rechthebbende op de gelden de oorspronkelijke schuldeiser van de te incasseren vorderingen. Hier dus het CJIB.
4.39
Ook de klachten onder 23 slagen niet, nu het middel zich hier beroept op een zinsnede uit de cassatierechtspraak die op de onderhavige kwestie niet van toepassing is (”onder voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden”). Hiervoor in 4.15 heb ik toegelicht dat deze zinsnede ziet op de verhoudingen tussen meerdere rechthebbenden op een aandeel in het saldo op een kwaliteitsrekening, welke vraag zich hier niet voordoet.
4.40
Subonderdeel 2.4 is ook gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.8, derde volzin, maar de beschermingsdoelstelling van art. 19 Gdw staat nu centraal. Het hof overweegt:
“Anders dan de curator en Rexwinkel aanvoeren, volgt uit de hiervoor beschreven beschermingsdoelstelling van artikel 19 GDW dat degene “ten behoeve van” wie op de bijzondere rekening is gestort in de zin van die bepaling niet (noodzakelijkerwijs) de rechtstreekse opdrachtgever is van de incasserende deurwaarder, maar de oorspronkelijke schuldeiser van de te incasseren vordering.”
Het subonderdeel bestrijdt dit oordeel langs meerdere invalshoeken.
4.41
Onder 25 wordt geklaagd dat de overweging onjuist is omdat in deze zaak de beschermingsdoelstelling geen geweld is aangedaan.49.De kwaliteitsrekening beoogt uiteraard cliënten en soms ook derden te beschermen tegen fraude door een deurwaarder en/of het faillissement van een deurwaarder. Die doelstelling is hier verwezenlijkt: de gelden op de kwaliteitsrekening vallen immers niet in de faillissementsboedel van Eendracht. Voor zover het oordeel niet onjuist is, is het in ieder geval onvoldoende gemotiveerd omdat het hof niet kenbaar is ingegaan op de essentiële stelling dat de doelstelling van de regeling in dit geval gewaarborgd was en dat daar niets aan af is gedaan, aldus het middel.
4.42
De klachten falen. Het hof geeft hier het algemene rechtsoordeel dat uit de beschermingsdoelstelling van art. 19 Gdw niet volgt dat degene ‘ten behoeve van’ wie op de kwaliteitsrekening is gestort, noodzakelijkerwijs de rechtstreekse opdrachtgever van de incasserende deurwaarder is, en dat de rechthebbende ook de oorspronkelijke schuldeiser van de te incasseren vordering kan zijn. Dat rechtsoordeel is juist, zodat de rechtsklacht faalt. Evenmin was het hof gehouden om kenbaar in te gaan op de stelling van Le Grand q.q. dat de beschermingsdoelstelling in dit geval ook verwezenlijkt en gewaarborgd is indien [A] rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht, aangezien niet ter discussie staat dat de gelden op die kwaliteitsrekening buiten de boedel van Eendracht vallen. Daarbij betrek ik dat het hof evenmin heeft geoordeeld dat de beschermingsdoelstelling ‘geweld is aangedaan’. Het is overigens niet alleen voor schuldeisers maar ook voor schuldenaren die geld storten op een kwaliteitsrekening van belang dat hun geld daar veilig staat en dat zij bevrijdend hebben betaald. Daarmee strookt niet dat een andere partij dan de schuldeiser er met het geld vandoor kan gaan, enkel door zich als rechthebbende op te werpen, zoals in dit geval [A] .
4.43
Onder 26 klaagt Le Grand q.q. dat de beoordeling van het hof ook overigens onjuist althans onbegrijpelijk is. Art. 19 Gdw strekt niet zover dat deze ook beoogt geheel andere risico's af te dekken dan – kort samengevat – fraude of faillissement aan de zijde van de betrokken deurwaarder. Art. 19 Gdw biedt aldus geen bescherming in geval van een faillissement van een ander dan die deurwaarder. De beschermingsdoelstelling is er niet op gericht grote professionele partijen te beschermen tegen door hen zelf goedgekeurde50.betaalstromen die praktische voordelen meebrengen maar ook voorzien in andere economische risico's dan die in het domein van de deurwaarder die de vorderingen int. Het CJIB had die risico's vooraf wellicht in contractuele onderhandelingen kunnen wegnemen, door de betaalstromen anders te laten lopen of door pandrechten te bedingen. Met art. 19 Gdw is niet beoogd eigen (achteraf bezien) ongelukkige keuzes ongedaan te maken en evenmin om de paritas creditorum te doorbreken in geval van een faillissement van een ander dan de deurwaarder die de kwaliteitsrekening beheert. Dat volgt ook uit het hierna in subonderdeel 2.7 te bespreken arrest in de zaak ProCall.
4.44
De klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan het middel kennelijk veronderstelt, heeft het hof niet geoordeeld (i) dat art. 19 Gdw bescherming beoogt te bieden tegen het faillissement van een ander dan van de deurwaarder op wiens naam de kwaliteitsrekening wordt aangehouden, (ii) dat art. 19 Gdw in zo’n geval ook de paritas creditorum beoogt te doorbreken, (iii) dat de beschermingsdoelstelling erop zou zijn gericht om grote professionele partijen te beschermen tegen door hen goedgekeurde betaalstromen die voorzien in economische risico’s gelegen buiten het domein van de incasserende deurwaarder, of (iv) dat de beschermingsdoelstelling bescherming beoogt te bieden aan eigen keuzes die achteraf ongelukkig blijken te zijn geweest. Al deze punten zijn mijns inziens buiten de orde, alleen al omdat deze zaak niet gaat over gelden op de gewone bankrekening van [A] waar de voor het CJIB bestemde gelden zich kortstondig bevonden voordat het CJIB ze incasseerde. Het gaat in deze zaak uitsluitend om gelden die op de kwaliteitsrekening van Eendracht stonden toen Eendracht failliet werd verklaard.
4.45
Onder 27 valt het middel erover dat het woord ‘noodzakelijkerwijs’ tussen haakjes staat in de bestreden overweging (rov. 6.8, derde volzin, geciteerd in 3.15). Daardoor zou het oordeel van het hof onduidelijk en onbegrijpelijk zijn. Worden alleen de haakjes weggedacht, dan is de zinsnede nietszeggend. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt in dat geval niet in te zien waarom een nietszeggende zin enige steun zou kunnen bieden voor het eindoordeel van het hof in deze zaak. En als het woord dat tussen haakjes staat geheel wordt weggedacht, is het oordeel onjuist. In dat laatste geval is een algemeen rechtsoordeel gegeven waarvan de strekking is dat de oorspronkelijke schuldeiser altijd degene is ten behoeve van wie geld is gestort. Een dergelijke algemene regel kan men evenwel niet formuleren. De vraag "ten behoeve van wie" op de rekening is gestort hangt immers af van de relevante omstandigheden van het geval, in het bijzonder ook van de "voorwaarden" die in de onderlinge verhouding gelden.
4.46
Deze klachten zijn vergeefs voorgesteld. De haakjes kunnen worden weggedacht. Het hof geeft het algemene rechtsoordeel dat uit de beschermingsdoelstelling van art. 19 Gdw niet volgt dat degene ten behoeve van wie op de kwaliteitsrekening is gestort, noodzakelijkerwijs de rechtstreekse opdrachtgever van de incasserende deurwaarder is. Dat oordeel is juist. Anders dan het middel voorhoudt kan deze overweging wel degelijk bijdragen aan het eindoordeel van het hof dat het CJIB de rechthebbende is. Het hof maakt immers inzichtelijk dat het begrip rechthebbende in de zin van art. 19 Gdw een ruimere strekking heeft dan de curator in feitelijke instanties heeft verdedigd, en dat niet is uitgesloten dat de oorspronkelijke schuldeiser van een vordering als rechthebbende dient te worden aangemerkt indien deze schuldeiser niet de rechtstreekse opdrachtgever van de incasserende deurwaarder is.
4.47
Onder 28 bevat het middel een toelichting, inhoudende dat de rechtszekerheid ermee is gediend als de deurwaarder in geval van middellijke vertegenwoordiging kan uitkeren aan zijn of haar contractuele wederpartij. Wat als daarover onduidelijkheid zou ontstaan of daarover discussie mogelijk is? Dan zou een deurwaarder moeten achterhalen wie alle mogelijke economische belanghebbenden zijn. Als er enige twijfel zou bestaan wie precies gerechtigd is tot het saldo of wie precies tot welk aandeel gerechtigd is, dan zal de deurwaarder (moeten) opschorten en pas overgaan tot het doen van een uitkering als eenieder akkoord is (zie art. 6:37 BW). Het betalingsverkeer en het werk van de deurwaarder zou daardoor sterk worden bemoeilijkt, aldus het middel.
4.48
In deze nadere toelichting zie ik geen aanknopingspunt om de klachten anders te beoordelen. Er kan juist rechtsonzekerheid ontstaan als (onduidelijke) contractuele afspraken bepalend zouden zijn voor het antwoord op de vraag wie rechthebbende is op het saldo op een kwaliteitsrekening.
4.49
Subonderdeel 2.5 bestrijdt rov. 6.8, vijfde volzin, waar het hof overweegt dat “een andere uitleg zou leiden tot het ongerijmde gevolg dat die [oorspronkelijke] schuldeiser achter het net zou vissen wanneer de deurwaarder aan wie hij zijn incasso-opdracht heeft gegeven, die opdracht op zijn beurt aan een collega doorgeeft.”
4.50
Onder 30 klaagt het middel dat hof had moeten vaststellen wie "rechthebbende" is door te beoordelen "ten behoeve van wie geldbedragen op die rekening zijn gestort, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden." Het hof heeft een andere toets aangelegd door (ook) na te gaan of de gevolgen van zijn oordeel 'gerijmd' of 'ongerijmd' zouden zijn. Dat is niet een relevant criterium.
4.51
De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft wel degelijk de vooropgestelde relevante norm toegepast. Hierbij heeft het hof terecht in aanmerking genomen dat degene ‘ten behoeve van’ wie op de kwaliteitsrekening is gestort, en die aldus de rechthebbende is in de zin van art. 19 Gdw, niet noodzakelijkerwijs de rechtstreekse opdrachtgever van de incasserende deurwaarder is (zie de bespreking van subonderdeel 2.4).
4.52
Onder 31 klaagt Le Grand q.q. dat het oordeel dat het “ongerijmd” zou kunnen zijn als een oorspronkelijke schuldeiser achter het net zou kunnen vissen ook overigens onjuist is, althans in ieder geval niet afdoende is gemotiveerd. Het hof zou niet kenbaar zijn ingegaan op essentiële stellingen waaruit volgt dat het rechtsgevolg niet ongerijmd is. Zo heeft het CJIB zelf ingestemd met een constructie waarbij de gelden werden overgemaakt naar de gewone bankrekening van [A] .51.Het CJIB stemde ook in met de overdracht van de incasso-activiteiten door [A] aan Eendracht.52.De uiteindelijke constructie is het resultaat van afspraken tussen partijen. Die constructie kende een bepaalde verdeling van risico’s en was niet noodzakelijkerwijs onlogisch of onredelijk: een deel van de bedragen die werden ontvangen op de kwaliteitsrekening strekte ter dekking van de incassokosten en zouden aldus niet ten goede komen aan het CJIB. Het hof mocht die rechtsgeldig tot stand gekomen afspraken niet terzijde stellen omdat die ongerijmd zouden zijn, althans, het hof heeft in ieder geval miskend dat in zo een geval rechtens een grote terughoudendheid betracht zal moeten worden (vgl. art. 6:248 BW).53.
4.53
Ook deze klachten falen. Mijns inziens valt de bestreden ‘ongerijmdheids’-overweging van het hof moeilijk anders op te vatten dan als een motivering van het rechtsoordeel dat degene ‘ten behoeve van’ wie op de kwaliteitsrekening is gestort, en die aldus de rechthebbende is in de zin van art. 19 Gdw niet noodzakelijkerwijs de rechtstreekse opdrachtgever van de incasserende deurwaarder is. Nu dat rechtsoordeel juist is, bestaat geen belang bij cassatieklachten over de motivering daarvan. Of het hof in dat verband zou hebben nagelaten kenbaar in te gaan op essentiële stellingen, kan daarom in het midden blijven. Tot slot merk ik op dat het hof geen afspraken terzijde heeft gesteld, zodat de rechtsklacht aan het slot van nr. 31 reeds faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ook herinner ik eraan dat het saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht een ‘nettobedrag’ is, omdat loon en kosten al waren ingehouden. Dat van de van CJIB-debiteuren ontvangen bedragen een deel opging aan loon en andere kosten is zonder belang voor de vraag wie rechthebbende is op het bedrag dat op die rekening resteerde.
4.54
Onder 32 volgt een motiveringsklacht. Omdat het hof geen inzicht geeft in enige redenering waarom het ongerijmd zou zijn als een schuldeiser “achter het net” zou vissen, is het oordeel niet afdoende gemotiveerd. Het is immers gebruikelijk (en niet ongerijmd) dat schuldeisers rechtsvorderingen hebben die leiden tot ongedekte concurrente vorderingen en dat daardoor een risico bestaat dat een vordering niet of slechts voor een beperkt deel wordt voldaan. Het komt vaker voor dat een schuldeiser dan achteraf bezien een en ander beter had kunnen regelen, bijvoorbeeld door betaalstromen anders vorm te geven of door eerder zekerheden te vestigen. Dat rechtvaardigt echter niet dat een rechter zou afwijken van de wettelijk regeling van de paritas creditorum als bedoeld in art. 3:277 BW. In het ProCall-arrest is benadrukt dat een wettelijke grondslag moet bestaan om een separatistenpositie toe te kennen aan een schuldeiser, aldus het subonderdeel tot slot.
4.55
Deze motiveringsklacht faalt om de zojuist in 4.53 genoemde redenen. Op het Pro-call-arrest ga ik in bij de bespreking van onderdeel 2.7.
4.56
Subonderdeel 2.6 keert zich tegen de overweging van het hof in rov. 6.9, vierde volzin, dat “niet valt in te zien dat en hoe het aan het CJIB toebehorende saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht zonder daarvoor bestaande titel, die de curator en [A] tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd niet hebben kunnen geven, op enig moment aan [A] is gaan ‘toebehoren’, of [A] bij de gemaakte incassoafspraken nu heeft gehandeld als middellijk vertegenwoordiger voor het CJIB of niet.”
4.57
Het subonderdeel klaagt dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, hoe de bewoordingen ook moeten worden uitgelegd. De oorspronkelijke vorderingen zijn door betaling tenietgegaan. In plaats daarvan staat een saldo op een kwaliteitsrekening en ontstaan vorderingen op basis van de overeenkomsten tussen de betrokken partijen. De rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening zijn degenen ten behoeve van wie gelden op de rekening zijn gestort, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden.54.Beslissend is ten behoeve van wie de deurwaarder de gelden op zijn kwaliteitsrekening incasseert en onder zich neemt, wat afhankelijk is van de verplichtingen van de desbetreffende deurwaarder tegenover diens opdrachtgever55.en/of wat de (overige) voorwaarden zijn die in de onderlinge (rechts)verhouding nader gelden. Het hof legt ten onrechte een andere toets aan door na te gaan of er een titel is op basis waarvan aanspraken zijn overgedragen en/of aan een ander zijn gaan toebehoren. Althans, het hof heeft in ieder geval miskend dat uit de rechtsverhouding tussen partijen kan voortvloeien dat het saldo is 'gaan toebehoren aan' [A] (zie onderdeel 1).56.Waarbij [A] overigens op haar beurt als lasthebber contractueel gehouden was de ontvangen gelden na aftrek van kosten door te betalen aan het CJIB.
4.58
Dit betoog, dat op onderdelen een herhaling vormt van hiervoor besproken klachten, slaagt niet, reeds vanwege gebrek aan feitelijke grondslag.57.Het hof heeft namelijk niet een andere, onjuiste toets aangelegd. Na het oordeel in rov. 6.8 dat het CJIB de rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht, beoordeelt het hof of indachtig de overige stellingen van Le Grand q.q. tóch aanleiding bestaat voor een andere uitkomst. Dat is dus geen kwestie van het aanleggen van een toets, maar van het beoordelen van stellingen van Le Grand q.q. en het gemotiveerd verwerpen daarvan. Ook de in dit subonderdeel gevolgde redenering biedt geen aanknopingspunt voor een grondslag waarop Le Grand q.q. zich het voor het CJIB bestemde saldo zouden kunnen toe-eigenen.
4.59
Subonderdeel 2.7 heeft betrekking op het al meer genoemde ProCall-arrest.58.Volgens Le Grand q.q. zou dit arrest laten zien dat lastgeving tot incasso in eigen naam tot consequentie heeft dat de lastgever een insolventierisico loopt en dat, als dat risico zich verwezenlijkt, de lastgever geen rechtstreekse aanspraak heeft op ‘de derde’.59.Onder 38 wordt geklaagd dat het hof dit betoog ten onrechte niet kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. Onder 39 klaagt het subonderdeel tot slot dat het hof in rov. 6.9 en 6.10 de (rechtens relevante) kern van het ProCall-arrest heeft miskend.
4.60
Dit betoog gaat niet op. ProCall Factureerdiensten B.V. verzorgde de facturering en incasso voor een coöperatie van vrijgevestigde artsen van het Beatrixziekenhuis in Gorinchem. Met het oog hierop had ProCall op eigen naam een bankrekening geopend. De tenaamstelling van die rekening was voorzien van de toevoeging "inzake Coöperatie Beatrix". Op deze rekening werden uitsluitend betalingen ontvangen van patiënten van de Coöperatie. Deze betalingen werden gedaan door middel van acceptgiro's waarop als begunstigde stond vermeld "Coöperatie Beatrixziekenhuis Gorinchem" en "ProCall Factureerdiensten bv Inzake Coöperatie Beatrixziekenhuis". ProCall ging failliet.60.Dat leidde tot de vraag of het saldo op die bankrekening tot de failliete boedel van ProCall behoorde of dat het ging om een kwaliteitsrekening zodat het saldo was afgescheiden van de boedel van ProCall.61.
4.61
De Hoge Raad komt tot het oordeel dat het saldo van de op naam van ProCall staande bankrekening tot de failliete boedel van ProCall behoort.62.Er was daar geen sprake van een kwaliteitsrekening, ook al was het geld onmiskenbaar bestemd voor de Coöperatie. De Hoge Raad motiveert zijn oordeel in het licht van het wettelijke uitgangspunt dat een schuldenaar in beginsel met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden tegenover al zijn schuldeisers (art. 3:276 BW). Daarop kan slechts een uitzondering worden aanvaard als de wet anders bepaalt, waarbij de Hoge Raad onder ogen ziet dat eerder de mogelijkheid van de bijzondere notariële kwaliteitsrekening, geopend voor één transactie, is aanvaard, en verder verwijst naar art. 25 Wna en art. 19 Gdw, bij de parlementaire geschiedenis waarvan de Hoge Raad stilstaat.63.
4.62
Uit de in subonderdeel 2.7 genoemde vindplaatsen leid ik niet af dat Le Grand q.q. zich in feitelijke instanties op het ProCall-arrest heeft beroepen omdat dat arrest “laat zien dat lastgeving tot incasso in eigen naam tot consequentie heeft dat de lastgever een insolventierisico loopt en dat, als dat risico zich verwezenlijkt, de lastgever geen rechtstreekse aanspraak heeft op de derde”, zoals de klacht ingang tracht te doen vinden.
4.63
Het middel verwijst daarbij naar nr. 13 van de spreekaantekeningen zijdens de curator in hoger beroep. Daar staat echter dat Eendracht altijd aan [A] op haar gewone rekening heeft uitbetaald en dat het CJIB daartoe nooit opdracht heeft gegeven, wat Le Grand q.q. beschouwt als aanwijzing dat het CJIB niet de rechthebbende is, aangezien deurwaarders op grond van art. 19 Gdw enkel in opdracht van de rechthebbende betalingen ten laste van de kwaliteitsrekening mogen verrichten. Die stellingen, wat daar verder van zij, hebben dus geen betrekking op het ProCall-arrest of op wat het middel daaruit meent te kunnen afleiden.
4.64
Daarnaast verwijst het middel naar de memorie van grieven, nr. 29, waar wordt gesteld:
“Met het voorgaande is de constructie die het CJIB en [A] uitdrukkelijk en met acceptatie van de gevolgen hebben gekozen in essentie gelijk aan de constructie die in het eerder genoemde Procall-arrest aan de orde was.64.Daar inde Procall op een gewone bankrekening vordering van het Beatrixziekenhuis, die daarvan ontegenzeggelijk rechthebbende in economische zin was. Toch was Procall volgens de Hoge Raad rechthebbende van de gelden en vielen deze in haar boedel. Procall inde nu eenmaal in eigen naam. Sterker nog: uit de tenaamstelling van de rekening bleek uitdrukkelijk dat de gewone bankrekening van Procall werd aangehouden ten behoeve van het Beatrixziekenhuis, maar zelfs dat bracht de Hoge Raad niet tot een ander oordeel.”
4.65
Deze korte samenvatting van het Procall-arrest leidt er niet dwingend toe dat de curator zich op dat arrest zou hebben beroepen “omdat het laat zien dat lastgeving tot incasso in eigen naam tot consequentie heeft dat de lastgever een insolventierisico loopt en dat, als dat risico zich verwezenlijkt, de lastgever geen rechtstreekse aanspraak heeft op de derde”. Het hof hoefde dit ook niet als zodanig op te vatten.
4.66
Ik wijs er nog maar eens op dat het hof heeft onderkend dat de curator zich heeft beroepen op het ProCall-arrest, maar dat beroep heeft verworpen. Die verwerping heeft het hof steekhoudend gemotiveerd. Het hof is in rov. 6.8 tot het oordeel gekomen dat het CJIB de rechthebbende is op het saldo op de derdengeldrekening van het failliete deurwaarderskantoor Eendracht. Dat oordeel is in cassatie vergeefs bestreden.65.Vervolgens overweegt het hof in rov. 6.9:
“6.9 De geïncasseerde gelden staan op de kwaliteitsrekening van Eendracht en maken daarmee deel uit van het van de vermogens van de deurwaarders wettelijk afgescheiden vermogen, dat wat betreft het voor het CJIB geïncasseerde bedrag van € 418.750,64 uitsluitend aan het CJIB ‘toebehoort’. Reeds om die reden strandt het beroep van de curator en Rexwinkel op het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2003. In die zaak ging het namelijk om gelden die nu juist niet op een kwaliteitsrekening waren gestort. (…)”
4.67
Zoals inmiddels duidelijk moge zijn bestaat er een cruciaal verschil met het ProCall-arrest: in de onderhavige procedure ligt de vraag voor wie (CJIB of [A] ) de rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening, terwijl het in het ProCall-arrest ging om de vraag of sprake was van een kwaliteitsrekening. Het hof behoefde daarom de verwerping van het beroep op dat arrest niet nader te motiveren. Dat wordt uiteraard niet anders doordat de curator, ook in feitelijke instanties, heeft onderkend dat het in de ProCall-zaak ging om gelden die juist niet op een kwaliteitsrekening waren gestort. De klacht onder 37 faalt dus.
4.68
De klacht onder 38 slaagt evenmin. Anders dan Le Grand q.q. op die plaats opnieuw verdedigt, lijken de feiten in de ProCall-zaak helemaal niet sterk op de feiten in de huidige zaak. Na al het voorgaande behoeft dat geen nadere toelichting.
4.69
Subonderdeel 2.8 betreft het passeren van een bewijsaanbod. Het subonderdeel constateert dat het hof oordeelde over de vraag aan wie het saldo op de kwaliteitsrekening ‘toebehoort’, waartoe het hof onder andere is ingegaan op de inning van de oorspronkelijke vorderingen (rov. 6.8), de vraag wat al dan niet ongerijmd is in de onderlinge rechtsverhouding (rov. 6.8), en het al dan niet bestaan van een ‘vorderingsrecht’ of een ‘titel’ (rov. 6.8 en 6.9). Geklaagd wordt dat het hof dit evenwel niet had mogen doen zonder op zijn minst eerst gevolg te geven aan het concrete aanbod om getuigen te horen over (de uitleg van) de overeenkomsten en de rechtsverhouding tussen Eendracht, [A] en het CJIB.66.Uit vaste rechtspraak volgt immers dat een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden (art. 166 lid 1 jo. art. 353 lid 1 Rv). Voor zover het hof heeft gemeend dat er een rechtvaardiging was om aan het bewijsaanbod voorbij te gaan, had het hof dat oordeel moeten motiveren.
4.70
De door de curator gedane bewijsaanbiedingen luiden als volgt.
In eerste aanleg:67.
“(…) Indien op hem enige (aanvullende) bewijslast zou rusten, biedt hij aan al zijn stellingen te bewijzen, met alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door het doen horen van getuigen, waaronder, doch niet beperkt tot, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] inzake de Overeenkomst68.en het contact met het CJIB (…)”.
En in hoger beroep:69.
“Voor zover uw hof oordeelt dat de curator enige bewijslast draagt, biedt hij aan zijn stellingen te bewijzen met behulp van alle middelen rechtens, waaronder doch niet beperkt tot het (doen) horen van de volgende getuigen:
a. [betrokkene 2] (de facto enig bestuurder van Eendracht) met betrekking tot de rechtsverhoudingen tussen Eendracht, [A] en het CJIB en het contact met het CJIB; en
b. (…).”
4.71
Voor zover de curator zou menen dat het hof hem tot getuigenbewijs had moeten toelaten wat betreft zijn stelling dat sprake is van een overeenkomst tot lastgeving ter incasso op eigen naam tussen het CJIB (als lastgever) en [A] (als lasthebber), was het hof daartoe niet gehouden. Het hof acht deze regeling in dit concrete geval immers niet van belang bij de beoordeling wie in de zin van art. 19 Gdw de rechthebbende is op het saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht (zie ook de bespreking van subonderdeel 1.2, onder 4.25). Op dit punt kon bewijslevering dus niet leiden tot beslissing van de zaak.
4.72
Mocht de curator met zijn bewijsaanbod ook het oog hebben gehad op andere aspecten van de rechtsverhoudingen tussen Eendracht, [A] en het CJIB, dan heeft hij onvoldoende concreet aangegeven op welke stellingen zijn bewijsaanbod nog meer betrekking heeft.
4.73
Ook subonderdeel 2.8 slaagt dus niet.
4.74
De veegklacht uit subonderdeel 2.9 bouwt voort op de overige klachten en faalt daarom.
4.75
De slotsom is dat geen van de aangevoerde klachten tot cassatie kan leiden.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑10‑2025
Ontleend aan het bestreden arrest van hof Den Haag van 2 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1049, RI 2024/92, rov. 3.1-3.7.
Uit de gedingstukken blijkt niet met zekerheid wanneer deze overeenkomst precies tot stand is gekomen.
In 2019 is [betrokkene 1] als deurwaarder gedefungeerd. Dat had onder meer tot gevolg dat [A] niet langer een kwaliteitsrekening had.
Zie rov. 5.7 van het vonnis van de rechtbank, waartegen in hoger beroep niet is gegriefd.
Kennelijk was het wegvallen van een andere grote klant de aanleiding voor het faillissement van Eendracht. De rechtbank heeft mr. L.Th.A. Boender ook als curator benoemd, maar hij is op 21 september 2021 ontslagen als mede-curator; zie de mededeling in het Centraal Insolventieregister op www.rechtspraak.nl (kenmerk 10.rot.20.288.F.1335.1.20).
Zie producties 5 en 6 bij inleidende dagvaarding.
Rb. Rotterdam 9 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1100.
Kantoorgenoten van de curator zijn hebben sindsdien [A] in rechte vertegenwoordigd Dat lijkt in zoverre opmerkelijk dat niet kan worden uitgesloten dat de belangen van de boedel (en dus van de schuldeisers van Eendracht) niet parallel lopen met de belangen van [A] (die zich immers opwerpt als een schuldeiser van Eendracht). Nu van meet af aan vaststaat dat het saldo in ieder geval niet in de boedel van Eendracht valt, is mij ook niet duidelijk waarom het in het belang van de boedel van Eendracht zou zijn dat het saldo integraal aan [A] (thans Rexwinkel) wordt uitgekeerd in plaats van aan het CJIB. In de gedingstukken heb ik daarvoor geen verklaring aangetroffen.
Dit proces-verbaal ontbreekt in het door Le Grand q.q. gefourneerde procesdossier.
Hof Den Haag 2 juli 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1049.
Voetnoot in origineel: HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413 (Procall-arrest).
Vgl. bijv. HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, NJ 2004/196, m.nt. W.M. Kleijn (Coöperatie Beatrixziekenhuis/ProCall), rov. 3.3.2-3.3.4. Zie bijv. ook de verduidelijking van art. 25 lid 1 Wna per 1 augustus 2004 (Stb. 2004/213), waarmee de tekst in overeenstemming werd gebracht met art. 19 lid 1 Gdw (Kamerstukken II 2003/04, 29 212, nr. 3, p. 4). Zie ook Asser/Perrick 3-V 2023/100.
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, NJ 2022/193, m.nt. S. Perrick (Kadasterkosten).
Voetnoot in origineel:Kamerstukken II 1993/94, 23706, nr. 3, p. 10.
Voetnoot in origineel:Kamerstukken II 1993/94, 23706, nr. 3, p. 28.
Zie bijv. Kamerstukken II 1998/99, 22 775, nr. 14 (derde nota van wijziging bij voorstel Gerechtsdeurwaarderswet), p. 35: “Dit artikel strekt ertoe voor derden voor wie de gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden tijdelijk gelden onder zich neemt, te beschermen tegen déconfitures, fraude daaronder begrepen.” En p. 36: “De strekking van dit stelsel is de vordering op de bank niet in het vermogen van de gerechtsdeurwaarder te laten vallen. Deze is derhalve zelf geen rechthebbende van de vordering. (…) dat de onderhavige derden een positie krijgen die hen bevoorrecht boven andere schuldeisers van de gerechtsdeurwaarder. Deze voorrangspositie is gerechtvaardigd aangezien het publiek erop mag vertrouwen en ook daadwerkelijk pleegt te vertrouwen dat de gerechtsdeurwaarder wiens wettelijke taak in vele gevallen meebrengt dat hem door derden gelden worden toevertrouwd, deze gelden afgescheiden houdt van zijn eigen vermogen.”
HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, NJ 2023/281, m.nt. J. Hijma (Centavos), rov. 3.1.4.
Voetnoot in origineel: Vgl. HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9441, rov. 3.3 en HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4948, rov. 3.4.2.
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, NJ 2022/193, m.nt. S. Perrick (Kadasterkosten), rov. 3.3.
Voetnoot in origineel: Vgl. HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, rov. 3.1.4.
Zie ook rov. 6.7 van het bestreden arrest, waarin het hof deze maatstaf weergeeft.
Zie ook de procesinleiding, nr. (17 en) 20.
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, NJ 2022/193, m.nt. S. Perrick (Kadasterkosten), rov. 3.4.
De Hoge Raad week in zoverre af van de voorafgaande conclusie van A-G Assink, waarin onderscheid was gemaakt tussen de vordering van het Kadaster wegens inschrijvingskosten en zijn vordering wegens recherchekosten, naar gelang wie de contractuele wederpartij van het Kadaster is. Zie de noot van Perrick in NJ 2022/193, onder 5, en de noot van Heyman in JOR 2022/53, onder 3.
Aldus bijv. ook P.J. Tanja, ‘Nogmaals over de rechthebbenden op het saldo van de notariële kwaliteitsrekening – de prejudiciële beslissing ECLI:NL:HR:2021:1720’, Bb2022/7, par. 3.
Zie ook Vzr. Rb Den Haag 16 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8873, rov. 3.6. In die zaak had een deurwaarder beslag gelegd in opdracht van een advocaat die de belangen behartigt van een schuldeiser. Nadat ten laste van deze schuldeiser derdenbeslag onder het deurwaarderskantoor was gelegd, startte de deurwaarder een ‘deurwaarderskortgeding’ (art. 438 lid 5 Rv), omdat hij zich afvroeg of hij het bedrag houdt voor de advocaat of voor de schuldeiser. De voorzieningenrechter is duidelijk: ondanks de formeel door de advocaat gegeven opdracht, blijft de schuldeiser tegenover het deurwaarderskantoor de rechthebbende ten aanzien van de ontvangen gelden, totdat tot uitbetaling is overgegaan. Daaraan doet niet af dat de advocaat de (formele) opdrachtgever is, ook niet als de advocaat met het deurwaarderskantoor heeft afgesproken dat het deurwaarderskantoor zal betalen aan (de stichtingen derdengelden van) de advocaat.
Zie het meest uitdrukkelijk de repliek van de curator, nr. 2.
Rov. 1.1, in cassatie onbestreden.
Zo draait het hier niet om een vordering op het failliet verklaarde deurwaarderskantoor Eendracht, maar om een vordering op de bank.
Zie rov. 1.1 van het bestreden arrest, maar bijv. ook nr. 6.2, de eerste zin van de pleitaantekeningen van de curator in hoger beroep: “De centrale vraag in deze zaak is wie van het CJIB en [A] kwalificeert als rechthebbende in de zin van art. 19 lid 3 Gerechtsdeurwaarderwet (…)”. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 3, heeft mr. Le Grand verklaard: “Onze stelling is dat uitsluitend [A] goederenrechtelijk aanspraak kan maken.” Zie ook de schriftelijke toelichting van het CJIB, nr. 5.5.
In die zin ook de (eerste) opinie van mr. A. Steneker van 21 maart 2021, p. 3 (prod. 7 bij de dagvaarding).
Procesinleiding nr. 12 vermeldt dat dit in de procedure ook uitvoerig is toegelicht, onder verwijzing naar nr. 9 van de procesinleiding.
Bestreden arrest, rov. 3.2
Bestreden arrest, rov. 6.8 (laatste zin).
Zie ook uitdrukkelijk de procesinleiding, nr. 8. Het hof laat dit in het midden.
Bestreden arrest, rov. 3.4 (derde zin).
Bestreden arrest, rov. 6.8 (laatste zin).
Procesinleiding, nr. 9 sub a.
Procesinleiding, nr. 9 sub b en c.
Procesinleiding, nr. 9 sub c.
Procesinleiding, nr. 9 sub c.
Procesinleiding, nr. 9 sub d.
Procesinleiding, nr. 15.
Schriftelijke toelichting CJIB, nrs. 4.2-4.10. Zie ook de repliek van Le Grand q.q., die geheel gewijd is aan een reactie hierop.
Procesinleiding, nr. 20.
Procesinleiding, nr. 35, verwijst in voetnoot 35 naar de formule in vaste rechtspraak.
Procesinleiding, nr. 25, verwijst in voetnoot 37 en 39 naar de memorie van grieven, nrs. 33-35.
Procesinleiding, nr. 26, verwijst in voetnoot 40 naar rov. 3.4 van het bestreden arrest.
Procesinleiding, nr. 31 verwijst in voetnoot 41 naar de conclusie van antwoord, nr. 3.18; de memorie van grieven, nrs. 32-35; de pleitaantekeningen van Le Grand q.q. in hoger beroep, nrs. 10-12.
Procesinleiding, nr. 31 verwijst in voetnoot 42 naar het bestreden arrest, rov. 3.4.
Procesinleiding, nr. 31 noemt in voetnoot 42 dat dit vaste rechtspraak is, en verwijst ter illustratie naar HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:153, NJ 2021/44 (Bart’s Retail).
Procesinleiding, nr. 35, verwijst in voetnoot 44 naar arresten van de Hoge Raad ([…]/[…]; Ontvanger/[…]; Centavos; Kadasterkosten).
Procesinleiding, nr. 35, verwijst in voetnoot 45 naar de memorie van grieven, nrs. 19-24.
Procesinleiding, nr. 35, verwijst in voetnoot 46 naar de rapporten van Steneker. Die rapporten zijn overgelegd als productie 7 bij dagvaarding (eerste rapport, d.d. 24 maart 2021) en als productie 21 bij conclusie van antwoord (tweede rapport, d.d. 17 augustus 2021), zie procesinleiding, nr. 7, voetnoot 14.
Zie ook, en meer uitvoerig, de schriftelijke toelichting van het CJIB, nrs. 5.45-5.51.
HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, NJ 2004/196, m.nt. W.M. Kleijn (Procall).
Procesinleiding, nr. 37, verwijst in voetnoot 48 naar de pleitaantekeningen in hoger beroep van Le Grand q.q., nr. 13, en naar de memorie van grieven, nr. 29.
Zie de feiten genoemd in HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, NJ 2004/196, m.nt. W.M. Kleijn (Procall), rov. 3.1.
Zie HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, NJ 2004/196, m.nt. W.M. Kleijn (Procall), rov. 3.2.
Ibidem, rov. 3.3.4.
Ibidem, rov. 3.3.1-3.3.4.
Voetnoot in origineel: HR 13 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF3413, JOR 2003/209, m.nt. S.C.J.J. Kortmann en A. Steneker (Procall).
Zie mijn bespreking van onderdeel 1 en van de subonderdelen 2.2-2.5.
Procesinleiding, nr. 39, verwijst in voetnoot 51 naar voetnoot 26, waarin de bewijsaanbiedingen zijn aangehaald en vindplaatsen zijn vermeld. Die voetnoot 26 luidt als volgt (cursivering in origineel): “Zie CvA h. 4 waarin een duidelijk aanbod is vervat “meer in het bijzonder door het doen horen van getuigen, waaronder, doch niet beperkt tot, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] inzake de Overeenkomst”. Uit CvA §§ 2.3 en 2.9 en producties 5-7 blijkt onmiskenbaar waarover zij zouden kunnen verklaren. Zie ook MvG § 43: “biedt hij aan zijn stellingen te bewijzen met behulp van alle middelen rechtens, waaronder doch niet beperkt tot het (doen) horen van de volgende getuigen: a. mevrouw S.W.M. [betrokkene 2] (de facto enig bestuurder van Eendracht) met betrekking tot de rechtsverhoudingen tussen Eendracht, [A] en het CJIB en het contact met het CJIB.”
Conclusie van antwoord, hfst. 4 (met opschrift: ‘Bewijsaanbod’).
Met ‘de Overeenkomst’ verwijst de curator naar de op enig moment tussen [A] en het CJIB tot stand gekomen overeenkomst (zie de conclusie van antwoord, nr. 2.2).
Memorie van grieven, nr. 43 (met opschrift: ‘V. Bewijsaanbod’).
Beroepschrift 30‑09‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE IN CASSATIE
30 september 2024
Eisers tot cassatie:
- 1.
Mr. Richard Le Grand q.q., als curator in het faillissement van Eendracht Gerechtsdeurwaarders & Credit Management B.V., kantoorhoudend te Rotterdam en
- 2.
Rexwinkel B.V., als rechtsopvolgster van Deurwaarderskantoor Van den Bergh & Partners B.V. (‘VDBP’), gevestigd te Rotterdam
hierna gezamenlijk in het enkelvoud: ‘Le Grand q.q.’.
De advocaat bij de Hoge Raad mr. R.R. Verkerk (Houthoff, Weena 355, 3013 AL Rotterdam) vertegenwoordigt als zodanig eisers in deze cassatieprocedure.
Verweerder:
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Centraal Justitieel Incassobureau), zetelend in Den Haag (‘CJIB’).
Verweerder heeft in deze zaak laatstelijk woonplaats gekozen bij de advocaat H.J.S.M. Langbroek (Pels Rijcken, Bezuidenhoutseweg nr. 57, postbus 11756m 2502 AT Den Haag).
Bestreden uitspraak
Le Grand q.q. stelt cassatieberoep in tegen het arrest van 2 juli 2024 van het Gerechtshof Den Haag (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummer 200.312.311/02 tussen Le Grand q.q. en Rexwinkel als appellanten en het CJIB als geïntimeerde (het ‘arrest’).
Verschijningsdatum verweerder
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Centraal Justitieel Incassobureau) wordt opgeroepen om ten laatste op woensdag 27 november 2024 bij de Hoge Raad te verschijnen, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur 's ochtends in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
Middel van cassatie
Le Grand q.q. voert tegen het arrest het volgende middel van cassatie aan: schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
A. Kern van de zaak: vorderingsrecht bij middellijke vertegenwoordiging
1.
Partijen twisten over de vraag wie rechthebbende is op een saldo op een kwaliteitsrekening van een deurwaarder. Artikel 19 lid 3 GDW bepaalt dat het vorderingsrecht op het saldo van een kwaliteitsrekening toebehoort aan de ‘gezamenlijke rechthebbenden’. Het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat ‘te zijnen behoeve’ op de rekening is gestort.1. Naar vaste rechtspraak zijn de rechthebbenden op het saldo ‘degenen ten behoeve van wie gelden op de rekening zijn bijgeschreven, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden’.2.
2.
Le Grand q.q. heeft gesteld dat VDBP als middellijk vertegenwoordiger als enige gerechtigd was instructies te geven tot (uit)betaling van het saldo op de kwaliteitsrekening. Het hof heeft dat standpunt verworpen. Het hof oordeelde dat VDBP geen ‘vorderingsrecht’ had jegens de deurwaarder om ‘ten laste van de kwaliteitsrekening betalingen te (laten) doen’.3. Het hof concludeert op basis daarvan dat het saldo uitsluitend ‘toebehoort’ aan het CJIB.4. Het hof laat in het midden ‘of VDBP bij de gemaakte incassoafspraken nu heeft gehandeld als middellijk vertegenwoordiger van het CJIB of niet’.5.
3.
Het middel klaagt in de kern dat het oordeel van het hof indruist tegen de regeling over middellijke vertegenwoordiging, ook wel aangemerkt als lastgeving tot incasso in eigen naam als bedoeld in artikel 7:414 BW. In de rechtspraak en literatuur wordt immers zonder uitzondering aangenomen dat de lasthebber in zo een geval op eigen naam een overeenkomst sluit met derden. De lasthebber is als dan als enige partij bij die overeenkomst. De lastgever staat in juridisch opzicht buiten deze overeenkomst en heeft zelf geen directe eigen aanspraken jegens de derde.
B. Feitelijke achtergronden: overeenkomsten en betalingen
4.
Het CJIB en VDBP sloten een overeenkomst op grond waarvan VDBP voor het CJIB incassowerkzaamheden verrichte.6. VDBP en Eendracht sloten nadien een samenwerkingsovereenkomst.7. VDBP heeft in die overeenkomst de behandeling van haar incasso-opdrachten overgedragen. Eendracht zou op basis daarvan ook zorg dragen voor de incasso van vorderingen op debiteuren van het CJIB. VDBP bleef zelf evenwel de ‘houder’ van de op dat moment bestaande contracten.8. Het CJIB was van de overdracht van de incassowerkzaamheden op de hoogte en heeft daar ook mee ingestemd.9. Tussen het CJIB en Eendracht is geen overeenkomst tot stand gekomen.10.
5.
Eendracht ontving door haar geïncasseerde gelden op haar kwaliteitsrekening als bedoeld in artikel 19 GDW. Eendracht maakte dat geld vervolgens over naar de reguliere bankrekening van VDBP. Een deel daarvan werd aangewend voor de dekking van haar (loon)kosten.11. Het CJIB kon het resterende bedrag vervolgens door middel van een automatische incasso incasseren van de reguliere bankrekening van VDBP.12.
6.
Op 7 juli 2020 is Eendracht failliet verklaard. Op haar kwaliteitsrekening stond toen na aftrek van kosten en loon nog een bedrag van EUR 418.750,64 aan bij debiteuren van het CJIB geïncasseerde gelden.13. Partijen twisten in deze procedure over de vraag wie gerechtigd is op het voornoemde saldo op de kwaliteitsrekening: VDBP of het CJIB.
C. Stellingen over middellijke vertegenwoordiging
7.
Le Grand q.q. is uitgebreid ingegaan op de onderlinge rechtsverhoudingen die voortvloeien uit de hiervoor besproken overeenkomsten. Die stellingen zijn voorzien van een nadere juridische onderbouwing in twee rapporten van de hand van mr. dr. Steneker.14. Het hof is daar in het arrest niet in detail op ingegaan.15. Voor een goed begrip van het vervolg is het daarom gedienstig die eerdere stellingen kort samen te vatten. De kern daarvan is eenvoudig. VDBP trad als op als middellijk vertegenwoordiger: lasthebber tot incasso in eigen naam als bedoeld in artikel 7:414 BW.
8.
Tussen het CJIB en Eendracht is als gezegd geen overeenkomst tot stand gekomen.16. Le Grand q.q. is in dat kader uitgebreid ingegaan op de tekst van de overeenkomsten,17. (getuigen)verklaringen over de rechtsverhoudingen18. alsook naar de tussen partijen vaststaande feitelijke gang van zaken.19.
9.
Tussen Eendracht en VDBP bestond wel een directe contractuele relatie. VDBP inde juridisch gezien in eigen naam en op eigen rekening gelden die waren ontvangen op de kwaliteitsrekening van Eendracht.
- a.
Artikel 7:414 lid 2 BW bevat een regeling voor lastgeving ter incasso die uitdrukkelijk voorziet in inning op eigen naam.20. In dit geval was sprake van een dergelijke overeenkomst.21.
- b.
Artikel 3:110 BW maakt duidelijk dat uit de rechtsverhouding tussen partijen kan volgen dat goederen worden gehouden ‘voor de ander’. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat dit niet geldt voor vorderingen op naam.22.
- c.
VDBP trad dus niet op als ‘houder’ namens het CJIB. VDBP had zelf (als enige) directe contractuele vordering(en) op Eendracht.23. Dat Eendracht gebruik maakte van een kwaliteitsrekening maakt dat niet anders.24.
- d.
VDBP was gezien het voorgaande rechtens gerechtigd tot en had ook de instructiebevoegdheid ten aanzien van het saldo op de kwaliteitsrekening.25.
B. Klachten en toelichting
1. Lastgeving ter incasso op eigen naam art. 7:414 BW (rov. 6.8 en 6.9)
1.1. Inleiding: beoordeling van het hof
10.
Het hof heeft geoordeeld dat VDBP geen ‘vorderingsrecht heeft jegens Eendracht om (…) ten laste van de kwaliteitsrekening betalingen te (laten) doen naar haar eigen privérekening’ (rov. 6.8). Het hof oordeelt op basis daarvan dat ‘CJIB, en niet VDBP, de rechthebbende is op het op [het saldo op] de kwaliteitsrekening van Eendracht’ (rov. 6.8). Het saldo op de kwaliteitsrekening ‘behoort’ aldus uitsluitend toe aan het CJIB (rov. 6.9). Het valt niet in te zien en zou ter zitting ook niet zijn toegelicht dat het saldo ‘op enig moment' zou zijn gaan toebehoren aan VDBP (rov. 6.9). Daarbij maakt het volgens het hof niet uit of ‘VDBP bij de gemaakte incassoafspraken nu heeft gehandeld als middellijk vertegenwoordiger voor het CJIB of niet’ (rov. 6.9). Het andersluidende standpunt zou geen steun vinden ‘in het recht’ (rov. 6.9). Het hof verwerpt de grieven en bekrachtigt het vonnis in eerste aanleg (rov. 6.11 en dictum).
11.
Het hof heeft, zoals blijkt uit het voorgaande, in het midden gelaten of sprake was van middellijke vertegenwoordiging. Dat betekent dat in cassatie zal moeten worden aangenomen dat een overeenkomst tot stand is gekomen die kan worden gekwalificeerd als lastgeving ter incasso op eigen naam (hypothetische feitelijke grondslag). Het CJIB heeft dat overigens in de procedure ook niet voldoende gemotiveerd betwist.
1.2. Hof miskent regels lastgeving ter incasso op eigen naam
12.
Het hiervoor beschreven oordeel dat VDBP geen ‘vorderingsrecht heeft jegens Eendracht’ getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof miskent de hier toepasselijke wettelijke regeling inzake lastgeving ter incasso op eigen naam als bedoeld in art. 7:414 BW. VDBP was op grond van deze regeling, zoals in deze procedure ook uitvoerig is toegelicht, als enige juridisch gerechtigd betalingen te laten doen van de kwaliteitsrekening naar de eigen rekening en/of naar een andere rekening (zie § 9 hiervoor).
13.
Dat deze rechtsklacht gegrond is vindt bevestiging in zowel de literatuur als de jurisprudentie. Daarin bestaat geen twijfel over het feit dat bij lastgeving op eigen naam (enkel) een vordering ontstaat van de lasthebber (VDBP) op de wederpartij (Eendracht). Er ontstaat geen rechtstreekse vordering van de lastgever (CJIB) op de wederpartij (Eendracht).
- a.
Asser/Kortmann 3-III 2017/102-108 (onderstreping toegevoegd):
‘Wie als tussenpersoon in eigen naam een overeenkomst met een derde sluit, is uitsluitend, partij bij de overeenkomst met de derde (…).’
‘In de rechtspraak van de Hoge Raad vindt de stelling dat de overeenkomst die een tussenpersoon ter uitvoering van een opdracht persoonlijk aangaat, een contractuele betrekking doet ontstaan tussen de opdrachtgever en de wederpartij, geen enkele steun (…). Veeleer geldt dat deze visie door de Hoge Raad duidelijk is verworpen. Zie het onder nr. 104 geciteerde arrest van HR 11 maart 1977, NJ 1977/521; AA 1977, p. 589 (Stolte/Schiphoff). Vgl. voorts HR 10 januari 1969, NJ 1969/190 (Hofmann A.G./Zeven Provinciën). (…)’
‘De tussenpersoon die persoonlijk — dus niet als gevolmachtigde — handelt, is zelf contractspartij. De opdrachtgever is niet partij, ook niet mede partij. Vorderingen uit de overeenkomst komen uitsluitend toe aan de tussenpersoon.’
‘Het vorderingsrecht tegen de wederpartij tot vergoeding van schade wegens wanprestatie is rechtens een vorderingsrecht van de tussenpersoon. De tussenpersoon zal op verzoek van de opdrachtgever vergoeding van diens schade ingevolge de wanprestatie van de wederpartij van deze laatste moeten vorderen. De aard van de rechtsverhouding tussen opdrachtgever en tussenpersoon brengt dit naar billijkheid mede. (…)’
- b.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/244, 244, 246 (onderstreping toegevoegd):
‘Indien de lasthebber ter uitvoering van de last in eigen naam een overeenkomst met een derde sluit, is uitsluitend de lasthebber partij bij de overeenkomst met de derde. Men spreekt van middellijke vertegenwoordiging.’
‘ Hoewel de lastgever de materiële belanghebbende is bij de overeenkomst tussen lasthebber en derde, staat hij juridisch hierbuiten. (…) Indien de lasthebber ter uitvoering van de last in eigen naam voor rekening van de lastgever een overeenkomst met een derde sluit, kan men de lastgever in economisch opzicht als partij bij de overeenkomst met de derde beschouwen. De rechten en verplichtingen van de lasthebber jegens de derde gelden in de interne verhouding als rechten en verplichtingen van de lastgever. Alle voor- en nadelen die uit de transactie met de derde voortvloeien, komen ten goede aan en ten laste van de lastgever. De lastgever staat evenwej juridisch gezien buiten de overeenkomst. Hij is daarom afhankelijk van de lasthebber om zijn belang bij de nakoming van de overeenkomst te behartigen.’
- c.
W.L.C. van der Grinten, Lastgeving (monografieën NBW, Deventer: Kluwer 1993/22, 30 (onderstreping toegevoegd):
‘De overeenkomst die de lasthebber aangaat, doet geen contractuele rechten of verplichtingen van de lastgever ontstaan.’
‘De verbintenis van de wederpartij is niet een verbintenis tegenover de lastgever, doch tegenover de lasthebber; de lastgever is niet schuldeiser van de wederpartij.’
- d.
S.Y.Th. Meijer, Middellijke vertegenwoordiging (diss. VU), Deventer: Kluwer 1999, p. 48:
‘Het rechtsgevolg van het handelen krachtens de bevoegdheid tot middellijke vertegenwoordiging is dat de middellijke vertegenwoordiger en niet de principaal partij wordt bij die rechtshandeling.’
- e.
J. Nijland, GS Bijzondere overeenkomsten,art. 7:419 BW, aant. 1:
‘Art. 7:419 BW heeft evenals art. 7:420 BW en 7:421 BW betrekking op de situatie dat de lasthebber in eigen naam handelt. In dat verband wordt wel van middellijke vertegenwoordiging gesproken. In beginsel ontstaat bij middellijke vertegenwoordiging geen rechtsbetrekking tussen de principaal en de derde met wie de middellijke vertegenwoordiger handelt. Dat de rechtshandeling voor rekening van een ander wordt aangegaan, is iets waar de derde in beginsel buiten staat (…).’
1.3. Motivering en bewijsaanbod
14.
Voor zover het oordeel niet onjuist zou zijn, is de beoordeling in ieder geval onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het hof laat in het midden of sprake is van middellijke vertegenwoordiging. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt tegen die achtergrond niet in te zien waarom VDBP geen ‘vorderingsrecht' heeft jegens Eendracht en evenmin gerechtigd zou zijn betalingen te laten doen van de kwaliteitsrekening van Eendracht. Het hof heeft in ieder geval niet voldoende duidelijk en begrijpelijk gerespondeerd op de essentiële stellingen die daarover zijn ingenomen zoals hiervoor in § 9 besproken en samengevat.
15.
Het hof verwerpt de grieven omdat die ‘geen steun [vinden] in het recht’ (rov. 6.9). Le Grand q.q. leest daarin geen afwijzing van zijn uitleg of kwalificatie van de overeenkomst als overeenkomst van lastgeving ter incasso op eigen naam. Het hof laat dat alles immers uitdrukkelijk in het midden (rov. 6.9). Mochten de bestreden overwegingen onverhoopt anders moeten worden gelezen, in die zin dat daarin een impliciet oordeel over de uitleg van de overeenkomst zou zijn vervat, is dat (impliciete) oordeel ten onrechte niet voorzien van een begrijpelijke motivering. In ieder geval had het hof dan niet, althans in ieder geval niet zonder nadere motivering, voorbij mogen gaan aan het uitdrukkelijke aanbod getuigen te horen over (de uitleg van) de overeenkomsten en de rechtsverhouding tussen Eendracht, VDBP en het CJIB.26. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden (art. 166 lid 1 jo. art. 353 lid 1 Rv).27.
1.4. Veegklacht
16.
Het slagen van één van de voorgaande klachten brengt reeds mee dat de bestreden overwegingen geen stand kunnen houden, evenals de daarop voortbouwende overwegingen in o.m. rov. 6.1028., 6.11 en 6.12. Dat heeft als gevolg dat ook (het dictum van) het arrest moet worden vernietigd. De klachten van het navolgend middelonderdeel zijn slechts ten overvloede opgenomen.
2. Begrip rechthebbende in artikel 19 GDW (rov. 6.3–6.9)
2.1. Inleiding
17.
Het hof bespreekt in het arrest de regeling van artikel 19 GDW. Het hof stelt met juistheid dat de rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening diegenen zijn ‘ten behoeve van wie geldbedragen op die rekening zijn gestort, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden’.29. Die norm strookt met vaste rechtspraak van de Hoge Raad.30.
18.
Partijen verschilden vooral van mening over de wijze waarop deze norm moet worden toegepast. Le Grand q.q. heeft gesteld dat het begrip rechthebbende een juridisch begrip is. Het gaat er bovenal om de vraag wie juridisch aanspraak kan maken op betaling, hetgeen blijkt uit ‘voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden’. Het gaat dus niet zozeer om de vraag wie daar uiteindelijk een achterliggend economisch belang bij zou kunnen hebben.31.
19.
Het hof concludeert dat het saldo op het op de kwaliteitsrekening uitsluitend aan het CJIB 'toebehoort' (rov. 6.8 en 6.9). Het hof gaat daartoe in op (i) de wettelijke regeling (rov. 6.8), (ii) het gegeven dat de deurwaarder uitsluitend vorderingen heeft geïnd van het CJIB (rov. 6.8), (iii) het beschermingsdoel van de wettelijke regeling (rov. 6.8), (iv) de vermelding op de exploten bij het innen van de debiteuren (rov. 6.8), (v) de vraag of het ongerijmd is als een schuldeiser achter het net zou vissen (rov. 6.8), (vi) overwegingen over het (bestaan van) een vorderingsrecht van VDBP (rov. 6.8) (vii) het ontbreken van een titel op basis waarvan een saldo op enig moment is gaan ‘toebehoren’ aan VDBP (rov. 6.9) en (viii) het Procall-arrest.
2.2. De maatstaf is niet juist en afdoende gemotiveerd toegepast
20.
Het hof stelde op zichzelf met juistheid voorop dat de rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening diegenen zijn ‘ten behoeve van wie geldbedragen op die rekening zijn gestort, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden'.32. Het hof heeft deze rechtsnorm in de hiervoor besproken en samengevatte overwegingen evenwel miskend, door deze vervolgens niet op de juiste wijze toe te passen, althans, door de beschermingsdoelstelling daarvan onjuist uit te leggen, althans door niet de juiste factoren en omstandigheden mee te nemen in de beoordeling. Het hof heeft zijn beoordeling in ieder geval niet afdoende gemotiveerd en is ten onrechte voorbijgegaan aan een specifiek en relevant bewijsaanbod. Deze klachten worden in de navolgende subonderdelen nader uitgewerkt en toegelicht.
2.3. CJIB was de oorspronkelijke schuldeiser (rov. 6.8, begin)
21.
Het hof oordeelt dat het saldo betrekking heeft ‘op gelden die een bij Eendracht werkzame deurwaarder ten behoeve van het CJIB heeft geïncasseerd, bij schuldenaren van alleen het CJIB, welke schuldenaren alleen wat betreft hun schuld aan het CJIB bevrijdend aan die deurwaarder konden betalen (rov. 6.8, tweede zin).’ Het hof overweegt enkele regels later dat dit ook blijkt uit exploten die zijn betekend aan debiteuren (rov. 6.8, vierde zin). Het hof kent hier kennelijk veel waarde aan toe en velt vervolgens een algemeen rechtsoordeel dat de ‘oorspronkelijke schuldeiser van de te incasseren vordering’ degene is ten behoeve van wie is betaald.
22.
Het hof miskent dat voor de vraag wie rechthebbende is, niet zonder meer beslissende betekenis toekomt aan de vraag wie de oorspronkelijke schuldeiser is van de te incasseren vordering en/of de vraag wie op een exploot als zodanig wordt genoemd.33. Het hof miskent dat heel veel gevallen denkbaar zijn waarin het evident is dat de rechthebbende een ander is dan de oorspronkelijke schuldeiser.34. Of dat in een concrete zaak het geval is hangt af van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder de ‘voorwaarden die in [de] onderlinge verhouding gelden’.
23.
Het hof had in de beoordeling in ieder geval voldoende kenbaar acht moeten slaan op de ‘voorwaarden die in [de] onderlinge verhouding gelden’.35. Het hof had daartoe nader in moeten gaan op de contractuele afspraken tussen de betrokken partijen en hoe die nader moeten worden gekwalificeerd. Het hof had in het bijzonder stil moeten staan bij de contractuele verplichtingen van de deurwaarder jegens diens opdrachtgever en eventuele derden. Het hof had dat ook kenbaar moeten meewegen in de beoordeling.36. Het hof heeft dat niet, althans niet afdoende gemotiveerd gedaan. Integendeel: het hof laat de vraag of sprake is van middellijke vertegenwoordiging zelfs heel uitdrukkelijk in het midden (rov. 6.9). Voor zover het hof hier wel acht op zou hebben geslagen, is de beoordeling in ieder geval onjuist en onbegrijpelijk (zie onderdeel 1).
2.4. Beschermingsdoelstelling kwaliteitsrekening (rov. 6.8 derde zin)
24.
Het hof oordeelt dat ‘[u]it de beschermingsdoelstelling van artikel 19 GDW volgt dat degene ten behoeve van wie op de bijzondere rekening is gestort in de zin van die bepaling niet (noodzakelijkerwijs) de rechtstreekse opdrachtgever is van de incasserende deurwaarder, maar de oorspronkelijke schuldeiser van de te incasseren vordering (rov. 6.8, derde zin).’
25.
Deze overweging is onjuist omdat de beschermingsdoelstelling in deze zaak geen geweld is aangedaan.37. De kwaliteitsrekening beoogt uiteraard cliënten en soms ook derden te beschermen tegen fraude door een deurwaarder en/of het faillissement van een deurwaarder.38. Die doelstelling is hier verwezenlijkt: de gelden op de kwaliteitsrekening vallen immers niet in de faillissementsboedel van Eendracht. Voor zover het oordeel niet onjuist is, is het in ieder geval onvoldoende gemotiveerd omdat het hof niet kenbaar is ingegaan op de essentiële stelling dat de doelstelling van de regeling in dit geval gewaarborgd was en dat daar niets aan af is gedaan.39.
26.
De beoordeling van het hof is ook overigens onjuist, althans onbegrijpelijk. Artikel 19 GDW strekt niet zover dat deze ook beoogt geheel andere risico's af te dekken dan — kort samengevat — fraude of faillissement aan de zijde van de betrokken deurwaarder. Artikel 19 GDW biedt aldus geen bescherming in geval van een faillissement van een ander dan die deurwaarder. De beschermingsdoelstelling is er niet op gericht grote professionele partijen te beschermen tegen door hen zelf goedgekeurde40. betaalstromen die praktische voordelen meebrengen maar ook voorzien in andere economische risico's dan die in het domein van de deurwaarder die de vorderingen int. Het CJIB had die risico's vooraf wellicht in contractuele onderhandelingen kunnen wegnemen, door de betaalstromen anders te laten lopen of door pandrechten te bedingen. Artikel 19 GDW beoogt eigen achteraf bezien ongelukkige keuzes niet ongedaan te maken. Artikel 19 GDW beoogt ook niet in de paritas creditorum te doorbreken als sprake is van een faillissement van een ander dan de deurwaarder die de kwaliteitsrekening beheert. Dat volgt ook uit het hierna te bespreken Procall-arrest .
27.
Het oordeel dat uit de beschermingsdoelstelling volgt ‘dat degene ten behoeve van wie op de bijzondere rekening is gestort in de zin van die bepaling niet (noodzakelijkerwijs) de rechtstreekse opdrachtgever is van de incasserende deurwaarder, maar de oorspronkelijke schuldeiser van de te incasseren vordering’ is in ieder geval onduidelijk en onbegrijpelijk omdat het woord ‘noodzakelijk’ tussen haakjes staat. De zinsnede is nietszeggend als alleen de haakjes worden weggedacht. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt in dat geval niet in te zien waarom een nietszeggende zin enige steun zou kunnen bieden voor het eindoordeel van het hof in deze zaak. Als het woord dat tussen haakjes staat geheel wordt weggedacht, dan is het oordeel onjuist. In dat laatste geval is een algemeen rechtsoordeel gegeven waarvan de strekking is dat de oorspronkelijke schuldeiser altijd degene is ten behoeve van wie geld is gestort. Een dergelijke algemene regel kan men evenwel niet formuleren. De vraag ‘ten behoeve van wie’ op de rekening is gestort hangt immers af van de relevante omstandigheden van het geval, in het bijzonder ook van de ‘voorwaarden’ die in de onderlinge verhouding gelden.
28.
Bij het voorgaande geldt bovendien dat de rechtszekerheid ermee is gediend als de deurwaarder in geval van middellijke vertegenwoordiging kan uitkeren aan zijn of haar contractuele wederpartij. Wat als daarover onduidelijkheid zou ontstaan of daarover al te veel discussie mogelijk is? Dan zou een deurwaarder moeten achterhalen wie alle mogelijke economische belanghebbenden zijn. Als er enige twijfel zou bestaan wie precies gerechtigd is tot het saldo of wie precies tot welk aandeel gerechtigd is, dan zal de deurwaarder (moeten) opschorten en pas overgaan tot het doen van een uitkering als eenieder akkoord is (zie artikel 6:37 BW). Het betalingsverkeer en het werk van de deurwaarder zou daardoor sterk worden bemoeilijkt.
2.5. De paritas creditorum is niet ongerijmd (rov. 6.8 vijfde zin)
29.
Het hof oordeelt dat ‘een andere uitleg zou leiden tot het ongerijmde gevolg dat die oorspronkelijke schuldeiser achter het net zou vissen wanneer de deurwaarder aan wie hij zijn incasso-opdracht heeft gegeven, die opdracht op zijn beurt aan een collega doorgeeft’ (rov. 6.8, vijfde zin).
30.
Ten eerste; het hof had moeten vaststellen wie ‘rechthebbende’ is door te beoordelen ‘ten behoeve van wie geldbedragen op die rekening zijn gestort, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden.’ Het hof heeft kennelijk een heel andere toets aangelegd door (ook) na te gaan of de gevolgen van zijn oordeel ‘gerijmd’ of ‘ongerijmd’ zouden zijn. Dat betreft een criterium dat niet relevant is, althans waaraan niet getoetst dient te worden volgens de rechtsnorm die het hof zelf voorop heeft gesteld. Het hof is aldus uitgegaan onjuiste rechtsopvatting (zie ook § 20 hiervoor).
31.
Ten tweede: het oordeel dat het ‘ongerijmd’ zou zijn als een oorspronkelijke schuldeiser achter het net zou kunnen vissen is ook overigens onjuist, althans in ieder geval niet afdoende gemotiveerd. Het hof gaat in dit verband niet kenbaar in op essentiële stellingen die zijn aangevoerd en waaruit volgt dat het rechtsgevolg niet ongerijmd is. Het CJIB heeft immers zelf ingestemd met een constructie waarbij de gelden werden overgemaakt naar de ‘gewone’ bankrekening van VDBP.41. Het CJIB stemde ook in met de overdracht van de incasso-activiteiten door VDBP aan Eendracht.42. De uiteindelijke constructie is het resultaat van afspraken tussen partijen. Die constructie kende praktische voordelen, nadelen en voorzag in een bepaalde verdeling van risico's. Die constructie was niet noodzakelijkerwijs onlogisch of onredelijk: een deel van de bedragen die werden ontvangen op de kwaliteitsrekening strekte ter dekking van de incassokosten en zouden aldus niet ten goede komen aan CJIB. Het hof mocht die rechtsgeldig tot stand gekomen afspraken niet terzijde stellen omdat die ongerijmd zouden zijn, althans, het hof heeft in ieder geval miskend dat in zo een geval rechtens een grote terughoudendheid betracht zal moeten worden (vgl. artikel 6:248 BW).43.
32.
Ten derde: het oordeel is ook niet afdoende gemotiveerd omdat het hof geen inzicht geeft in enige redenering waarom het ongerijmd zou zijn als een schuldeiser ‘achter het net’ zou vissen. Het is immers gebruikelijk (en niet ongerijmd) dat schuldeisers rechtsvorderingen hebben die leiden tot ongedekte concurrente vorderingen en dat daardoor een risico bestaat dat een vordering niet of slechts voor een beperkt deel wordt voldaan. Het komt vaker voor dat een schuldeiser dan achteraf bezien een en ander beter had kunnen regelen, bijvoorbeeld door betaalstromen anders vorm te geven of door eerder zekerheden te vestigen. Bovendien had het CJIB in dit geval ook niet akkoord kunnen gaan met constructie dat VDBP zoals omschreven in § 31 hiervoor. Maar dat alles rechtvaardigt niet dat een rechter zou afwijken van de wettelijk regeling van de paritas creditorum als bedoeld in artikel 3:277 BW. In het Procall-arrest is benadrukt dat een wettelijke grondslag moet bestaan om een separatistenpositie toe te kennen aan een schuldeiser.
2.6. Gebrekkig oordeel over (vereiste titel voor) toebehoren (rov. 6.9)
33.
Het hof oordeelt dat ‘niet valt in te zien dat en hoe het aan het CJIB toebehorende saldo op de kwaliteitsrekening van Eendracht zonder daarvoor bestaande titel, die de curator en VDBP tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd niet hebben kunnen geven, op enig moment aan VDBP is gaan ‘toebehoren’ of VDBP bij de gemaakte incassoafspraken nu heeft gehandeld alsmiddellijk vertegenwoordiger voor het CJIB of niet.’
34.
Wat het hof precies hier bedoelt is niet (voldoende) duidelijk. De bewoordingen ‘titel’ en ‘gaan toebehoren’ wekken de indruk alsof het hof heeft beoordeeld of sprake was van enige overdracht als bedoeld in artikel 3:84 BW. Het hof benadrukte in de eerdere overweging dat het in deze zaak gaat om de inning van vorderingen van het CJIB. Wellicht bedoelt het hof dat die oorspronkelijke vorderingen niet door middel van een cessie zijn overgedragen. Als het arrest zo moet worden gelezen, dan is dat juist, maar verder niet relevant of beslissend.
35.
Hoe de bewoordingen ook moeten worden uitgelegd, zij gaan uit van een onjuiste rechtsopvatting. De oorspronkelijke vorderingen zijn door betaling tenietgegaan. In plaats daarvan staat een saldo op een kwaliteitsrekening en ontstaan vorderingen op basis van de overeenkomsten tussen de betrokken partijen. De rechthebbenden op het saldo van de kwaliteitsrekening zijn degenen ten behoeve van wie gelden op de rekening zijn gestort, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden.44. Beslissend is ten behoeve van wie de deurwaarder de gelden op zijn kwaliteitsrekening incasseert en onder zich neemt, wat afhankelijk is van de verplichtingen die de desbetreffende deurwaarder heeft tegenover diens opdrachtgever45. en/of wat de (overige) voorwaarden zijn die in de onderlinge (rechts)verhouding nader gelden. Het hof legt ten onrechte een andere toets aan door na te gaan of er een titel is op basis waarvan aanspraken zijn overgedragen en/of aan een ander zijn gaan toebehoren. Althans, het hof heeft in ieder geval miskend dat uit de rechtsverhouding tussen partijen kan voortvloeien dat het saldo is ‘gaan toebehoren aan’ VDBP (zie onderdeel 1).46. Waarbij VDBP overigens op haar
beurt als lasthebber contractueel gehouden was de ontvangen gelden na aftrek van kosten door te betalen aan het CJIB.
2.7. Beoordeling inzake Procall-arrest (rov. 6.9, 6.1047.)
36.
Het hof overweegt in rov. 6.9 dat de ‘geïncasseerde gelden staan op de kwaliteitsrekening van Eendracht (…). Reeds om die reden strandt het beroep van de curator en Rexwinkel op het arrest van de Hoge Raad van 1 juni 2003 [Procall], In die zaak ging het namelijk om gelden die nu juist niet op een kwaliteitsrekening waren gestort.’
37.
Het hof oordeelt met juistheid dat de oorspronkelijke vorderingen in deze zaak zijn geïnd op een kwaliteitsrekening. Het arrest Beatrixziekenhuis/Procall betrof inderdaad een geval waarin in het geheel geen sprake was van enige betaling op een kwaliteitsrekening. Le Grand q.q. heeft dat ook altijd onderkend. De beoordeling van het hof is in zoverre nietszeggend: het hof benoemt één punt dat nimmer in geschil was. Het hof gaat echter niet in op hetgeen de curator heeft aangevoerd over het belang van het arrest Beatrixziekenhuis/Procall. Le Grand q.q. heeft een beroep gedaan op dit arrest, omdat het laat zien dat lastgeving tot incasso in eigen naam tot consequentie heeft dat de lastgever een insolventierisico loopt en dat, als dat risico zich verwezenlijkt, de lastgever geen rechtstreekse aanspraak heeft op de derde.48. Dat betoog van de curator is ten onrechte niet kenbaar in de beoordeling betrokken.
38.
Het hof miskent in de bestreden overwegingen de (rechtens relevante) kern van het arrest Beatrixziekenhuis/Procall.49. De Hoge Raad oordeelde in dat arrest over een geval waarin Procall incassodiensten leverde ten behoeve van het Beatrixziekenhuis. Dat gebeurde doordat vorderingen werden geïnd op een aparte gewone bankrekening die op naam stond van Procall. Op de acceptgiro die werd verstuurd aan debiteuren stond wel als begunstigde genoemd: ‘Coöperatie Beatrixziekenhuis’. De tenaamstelling van die gewone rekening was ook voorzien van de toevoeging ‘inzake Coöperatie Beatrix’. Dat alles gelijkt sterk op de feiten in deze zaak. VDBP maakte in deze zaak immers ook gebruik van een gewone bankrekening. In Beatrixziekenhuis/Procall is geoordeeld dat het saldo op de ‘gewone rekening’ in de boedel viel. De Hoge Raad benadrukte dat de schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden en dat zonder wettelijke grondslag geen sprake kan zijn van een separatistenpositie. Het feit dat het geld bedoeld was voor het ziekenhuis en daartoe was gestald op een aparte bankrekening deed daar niets aan af:
‘3.1
(…) ProCall verzorgde voor de Coöperatie [Beatrix] de facturering en incasso. Met het oog daarop heeft zij op haar eigen naam een rekening geopend bij de Generale Bank. De tenaamstelling van die rekening was voorzien van de toevoeging ‘inzake Coöperatie Beatrix’. Op deze rekening zijn uitsluitend betalingen ontvangen van patiënten van de Coöperatie. Deze betalingen werden gedaan door middel van acceptgiro's waarop als begunstigde stond vermeld ‘Coöperatie Beatrixziekenhuis Gorinchem’ alsmede ‘ProCall Factureerdiensten bv Inzake Coöperatie Beatrixziekenhuis’. Procall is op 10 december 1997 in staat van faillissement verklaard. Op die datum bedroeg het saldo van de rekening bij de Generale Bank ƒ 72.223,10. Nadien is het saldo opgelopen tot ruim ƒ 173.000,--. (…)
3.2
Centraal in deze zaak staat de vraag of het saldo op de rekening bij de Generale Bank tot de failliete boedel van ProCall behoort; anders gezegd: of het bij die rekening gaat om een kwaliteitsrekening, met als gevolg dat het saldo is afgescheiden van die boedel.
(…) 3.3.4
Aanvaarding van een kwaliteitsrekening betekent dat een uitzondering wordt gemaakt op het hiervoor in 3.3.2 (slot) onderstreepte, in art. 3:276 BW verankerde, uitgangspunt dat een schuldenaar in beginsel met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden tegenover al zijn schuldeisers. Blijkens de bewoordingen en strekking van deze bepaling kan een uitzondering daarop slechts worden aanvaard als de wet anders bepaalt (…) De door de Coöperatie in dit geding aangevoerde gronden kunnen (…) niet leiden tot het oordeel dat het saldo (…) bij de Generale Bank niet tot de failliete boedel van ProCall behoort maar tot het vermogen van de Coöperatie.’50.
2.8. Bewijsaanbod ten onrechte gepasseerd
39.
Het hof oordeelde over de vraag aan wie het saldo op de kwaliteitsrekening ‘toebehoort’ (zie § 19 hiervoor). Daartoe is onder andere ingegaan op de inning van de oorspronkelijke vorderingen (rov. 6.8), de vraag wat al dan niet ongerijmd is in de onderlinge rechtsverhouding (rov. 6.8) en het al dan niet bestaan van ‘vorderingsrecht’ of een ‘titel’ (rov. 6.8 en 6.9). Het hof heeft (kennelijk) op één of
meer van deze punten een beslissing genomen. Het hof had dat evenwel niet mogen doen zonder op zijn minst eerst gevolg te geven aan het concrete aanbod om getuigen te horen over (de uitleg van) de overeenkomsten en de rechtsverhouding tussen Eendracht, VDBP en het CJIB.51. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden (art. 166 lid 1 jo. art. 353 lid 1 Rv).52. Voor zover het hof had gemeend dat er een rechtvaardiging zou hebben bestaan om aan het bewijsaanbod voor bij te gaan, had het hof dat oordeel in ieder geval moeten motiveren, hetgeen het hof ten onrechte in het geheel niet heeft gedaan.
2.9. Veegklacht
40.
Het slagen van elk van de voorgaande klachten van het tweede middelonderdeel brengt op zichzelf reeds mee dat ook de grond ontvalt aan de beoordeling in rov. 6.8 en 6.9, en de daarop voortbouwende overwegingen rov. 6.1053., rov. 6.11 en 6.12. Met andere woorden: het slagen van een enkele klacht lijdt reeds tot vernietiging van het bestreden arrest.
Conclusie
Le Grand q.q. c.s. vorderen op grond van dit middel de vernietiging van het arrest, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑09‑2024
Arrest, rov. 6.6.
Arrest, rov. 6.7 onder verwijzing naar HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, NJ 2023/291 m.nt Jac. Hijma (Centavos), rov. 3.1.4. Zie ook: HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001: AA 9441, NJ 2002/371 m.nt. H.J. Snijders (Koren/Tekstra), rov. 3.3; HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4948, NJ 2011/372 m.nt. A.I.M. van Mierlo (Ontvanger/Eijking), rov. 3.4.2; HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, NJ 2022/193 m.nt S. Perrick (Kadasterkosten) rov. 3.3.
Arrest, rov. 6.8.
Arrest, rov. 6.9.
Arrest, rov. 6.9.
Arrest, rov. 3.2.
Arrest, rov. 3.3.
Arrest, rov. 3.3.
Arrest, rov. 3.4.
Arrest, rov. 6.1. Daaruit volgt dat het hof rekening hield met de bezwaren die in de eerste grief zijn aangevoerd. Die eerste grief luidde ‘geen overeenkomst tussen Eendracht en CJIB’ (zie MvG § 12).
Arrest, rov. 3.2.
Arrest, rov. 3.4.
Arrest, rov. 3.6.
Dagvaarding productie 7 (‘Eerste Rapport Steneker’). CvA productie 21 (‘Tweede Rapport Steneker’).
Arrest, rov. 6.9 laat uitdrukkelijk in het midden of sprake is van middellijke vertegenwoordiging.
Er was geen sprake van een nieuwe overeenkomst, en ook niet van een contractsovername en/of toetreding tot het reeds bestaande contract, zie CvA § 2.7-2.9, 3.8, Eerste Rapport Steneker, par. 5.3, Tweede Rapport Steneker par. 3.2 en MvG, grief 1. Het hof lijkt het daarmee eens te zijn. Zie voetnoot 10 hiervoor.
CvA § 2.2 onder verwijzing naar Eerste Rapport Steneker, par. 5.3.
CvA § 2.3 onder verwijzing naar o.m. producties 5–7.
CvA § 2.4.
CvA § 3.15. Eerste Rapport Steneker, par. 7. ‘Of tussen het CJIB en VDBP sprake is van een lastgeving ter incasso, zegt op zichzelf ook niet veel. Een lastgeving ter incasso kan volgens art. 7:414 lid 2 BW zien op inning in naam van de lastgever (het CJIB) of op inning in eigen naam (VDBP). In deze zaak is duidelijk dat tussen het CJIB en VDBP was afgesproken dat VDBP de bedragen van Eendracht diende te innen op de bankrekening die zij in eigen naam aanhield en dat het CJIB de daarop ontvangen gelden van die rekening zou incasseren (via automatische incasso).’ Tweede Rapport Steneker, ‘is dus duidelijk dat dat contract inhield dat VDBP daarbij als lasthebber tot incasso in eigen naam, en dus als middellijk vertegenwoordiger, optreedt.’
Zie bijv. MvG §§ 26, 27 Tweede Rapport Steneker, par. 3.3.
Eerste Rapport Steneker, par. 7 ‘Ook art. 3:110 BW kan niet tot een andere conclusie leiden. Gedacht zou kunnen worden dat VDBP de op haar rekening te ontvangen bedragen weliswaar in eigen naam ontvangt, maar gaat ‘houden voor het CJIB’, dat het CJIB daar dus rechtstreeks rechthebbende van wordt en dat het CJIB daardoor wellicht in zoverre ook zou kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks rechthebbende van de gelden op de kwaliteitsrekening van Eendracht. Die redenering gaat echter niet op. De Hoge Raad heeft uitdrukkelijk uitgemaakt dat de ‘directe leer’ van art. 3:110 BW geen toepassing kan vinden op vorderingen op naam (zoals vorderingen tot betaling van het saldo van een bankrekening). Ook als kan worden getraceerd dat gelden op een gewone bankrekening zijn geïncasseerd ten behoeve van een derde, betekent dat niet dat die derde rechthebbende is van die gelden.‘ Steneker verwijst naar HR 23 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1454, NJ 1996, 461 m.nt. W.M. Kleijn (Kas Associatie/Drying) , rov. 3.5. ‘De thans op art. 3:110 BW te gronden (…) regel (…) kan slechts worden toegepast op goederen waarvan de levering plaatsvindt door (…) de verkrijger het bezit daarvan te verschaffen. Art. 3:110 betreft immers slechts de mogelijkheid iemand rechtstreeks bezitter te maken door middel van een ander, die dan voor hem gaat houden. Deze regel kan niet dienen — ook niet bij analogie — als grondslag voor een directe levering van een recht op naam (…) waarbij bezitsverschaffing geen rol speelt.’ A. Steneker, Kwaliteitsrekening en afgescheiden vermogen, Deventer: Kluwer 2005, p. 84 e.v. schrijft dat dit arrest tot de conclusie leidt dat de leer van de directe verkrijging in geen geval kan dienen als een grondslag van een belanghebbenden om aanspraak te maken op een saldo op een kwaliteitsrekening. Vgl. voor onroerende zaken, waarvoor hetzelfde geldt als voor vorderingen op naam: HR 2 april 1976, NJ 1976/450 (Modehuis Nolly) .
MvG, § 27.
Pleitaantekeningen Le Grand q.q. van 6 juni 2024, § 7; Tweede Rapport Steneker, § 2.3-2.4.
MvG, § 27, 28, 39, Tweede Rapport Steneker, par. 4.4.
Zie CvA h. 4 waarin een duidelijk aanbod is vervat ‘meer in het bijzonder door het doen horen van getuigen, waaronder, doch niet beperkt tot, Van den Bergh en Snelderwaard inzake de Overeenkomst’. Uit CvA §§ 2.3 en 2.9 en producties 5–7 blijkt onmiskenbaar waarover zij zouden kunnen verklaren. Zie ook MvG § 43 ‘biedt hij aan zijn stellingen te bewijzen met behulp van alle middelen rechtens, waaronder doch niet beperkt tot het (doen) horen van de volgende getuigen: a. mevrouw [getuige 1] (de facto enig bestuurder van Eendracht) met betrekking tot de rechtsverhoudingen tussen Eendracht, VDBP en het CJIB en het contact met het CJIB'
Zie bijvoorbeeld HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:856, rov. 3.2. Zie ook bijvoorbeeld HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.6; HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, NJ 2015/426, rov. 3.5; HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49, RvdW 2016/147, rov 3.4.1; en HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1313, NJ 2020/310, rov. 3.2.1.
Rov. 6.10 is overigens zo voorzichtig geformuleerd dat daarin geen eindbeslissing lijkt te zijn vervat. De vraag of de uitkomst mogelijk anders was geweest in een hypothetische situatie die zich niet heeft voorgedaan is overigens niet relevant en ook niet dragend voor de beoordeling.
Arrest, rov. 6.7.
Arrest, rov. 6.7 onder verwijzing naar HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588.
Zie MvG Grief 2, onder verwijzing naar het Eerste en Tweede Rapport van Steneker.
Arrest, rov. 6.7.
Zie CvA § 3.13, Le Grand q.q. heeft daar toegelicht dat artikel 45 lid 2 vereist dat je de ‘verzoeker’ moet noemen maar dat zulks op zichzelf nog niets zegt over de rechtsverhouding tussen de deurwaarder en diens opdrachtgever en/of eventuele derden.
Zie bijv. HR 16 april, ECLI:NL:HR:2021:588(Centavos). Wat als een bank een geldbedrag stort dat bedoeld is voor de aanschaf van een woning op een derdenrekening van een notaris? De koper is de oorspronkelijke schuldeiser van de bank uit hoofde van een leningovereenkomst. Het geld wordt echter niet gestort ten behoeve van de koper, maar ten behoeve van de verkoper, die daar in de regel aanspraak op kan maken als hij het onroerend goed daadwerkelijk levert. Als de verkoper daarmee in gebreke blijft, of als de koop wordt ontbonden of vernietigd, dan kan de zaak van kleur verschieten en wordt het geld aangehouden ten behoeve van de koper, althans de bank. Dat alles hangt af van de onderlinge afspraken/rechtsverhoudingen. Ook ingeval van de incasso van vorderingen kan het evident zijn dat een ander dan de oorspronkelijke schuldeiser rechthebbende is. Denk bijv, aan gevallen waarin een factoring maatschappij al een enorm voorschot heeft verstrekt aan de oorspronkelijke schuldeiser en aldus feitelijk gerechtigd is tot het (grootste deel van) de vordering en in dat kader ook een pandrecht heeft gevestigd op die vorderingen en/of enig saldo op een kwaliteitsrekening.
Aldus de formule in vaste rechtspraak zoals hiervoor ook aangehaald.
Zie ook MvG, § 19-24.
Zie MvG, §§ 33-35.
Arrest, rov. 6.4. Vgl. HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, NJ 2022/193 m.nt. S. Perrick, rov. 3.2.
Zie MvA, § 35.
Arrest, rov. 3.4.
CvA, nr. 3.18; MvG, nr. 32 — 35; Pleitnota Le Grand q.q. 6 juni 2024, nr. 10–12.
Arrest, rov. 3.4 stelt dat ook vast.
Dit is vaste rechtspraak, zie bijv. HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:153, NJ 2021/44(Bart's Retail)
Zie de arrest, zoals hiervoor al aangehaald: HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001: AA 9441, NJ 2002/371 m.nt. H.J. Snijders (Koren/Tekstra), rov. 3.3; HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4948, NJ 2011/372 m.nt. A.I.M. van Mierlo (Ontvanger/Eijking), rov. 3.4.2; HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588, NJ 2023/291 m.nt Jac. Hijma (Centavos), rov. 3.1.4. HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1720, NJ 2022/193 m.nt S. Perrick (Kadasterkosten) rov. 3.3.
Zie ook MvG, § 19-24.
Zie o.m. het Eerste en Tweede Rapport Steneker, waar in de stukken veelvuldig naar is verwezen.
het hof lijkt in rov. 6.10 te overwegen dat het geld inderdaad in de boedel zou (kunnen) vallen als het zou zijn betaald op de bankrekening van vdbp. dat is juist, zoals volgt uit het procall-arrest. waarom het hof zeer voorzichtige bewoordingen gebruikt is niet duidelijk.
Pleitaantekeningen Le Grand q.q. c.s. 6 juni 2024, § 13; MvG, § 29.
HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, JOR 2003/209 m.nt. Kortmann & Steneker.
HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, JOR 2003/209 m.nt. Kortmann & Steneker.
Zie voetnoot 26 hiervoor waarin de bewijsaanbiedingen zijn aangehaald en vindplaatsen zijn vermeld.
Zie voetnoot 27 hiervoor.
Rov. 6.10 is overigens zo voorzichtig geformuleerd dat daarin geen eindbeslissing lijkt te zijn vervat. De vraag of de uitkomst mogelijk anders was geweest in een hypothetische situatie die zich niet heeft voorgedaan is overigens niet relevant en ook niet dragend voor de beoordeling.