Hof Den Haag, 04-05-2021, nr. 200.245.195/01
ECLI:NL:GHDHA:2021:1970
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
04-05-2021
- Zaaknummer
200.245.195/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2021:1970, Uitspraak, Hof Den Haag, 04‑05‑2021; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:1335, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:GHDHA:2019:1046, Uitspraak, Hof Den Haag, 14‑05‑2019; (Hoger beroep)
Uitspraak 04‑05‑2021
Inhoudsindicatie
Dwaling t.a.v. het sluiten van een huurovereenkomst in de context van onroerendgoed- en aandelentransacties in Belgie en Luxemburg met het (schijnbare) oog op belastingontduiking. Eindarrest; vervolg op ECLI:NL:GHDHA:2019:1046.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.245.195/01
Zaaknummer rechtbank : 6372877 RL EXPL 17-25265
arrest van 4 mei 2021
inzake
[appellante] ,
handelend in privé, alsmede in haar hoedanigheid van enig erfgename en executeur (in de nalatenschap) van [erflater] (geboren op [geboortedatum] te [plaats], overleden op [overlijdensdatum]),
wonende te Den Haag,
appellante,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. D.A. Beck te Leiden,
tegen
Baer Castle International N.V.,
gevestigd te Heist Op Den Berg, België,
geïntimeerde,
hierna te noemen: BCI,
advocaat: mr. R.L. Latten te Rotterdam.
1. Het geding
1.1.
Voor het verloop van het geding tot aan het arrest in incident van 23 juli 2019 verwijst het hof naar dat arrest. BCI heeft vervolgens een memorie van antwoord genomen, met producties 7-25.
1.2.
Ter zitting van 4 maart 2021 hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun advocaten. Ter zitting heeft het hof arrest bepaald op heden.
1.3.
Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt, buiten aanwezigheid van partijen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal, van welke gelegenheid mr. H. Flameling namens mr. Latten bij brief van 29 maart 2021 gebruik heeft gemaakt.
2. Beoordeling van het hoger beroep
opmerkingen over het proces-verbaal
2.1.
De opmerkingen van mr. Flameling over het proces-verbaal (hiervoor, 1.3) zijn irrelevant voor de beslissingen die in dit arrest worden genomen.
korte aanduiding van de zaak
2.2.
BCI is een Belgische vennootschap die in 2007 is opgericht. [de bestuurder] (hierna: [de bestuurder].) is in 2010 aangesteld als gedelegeerd bestuurder (voorzitter van de directie) van BCI.
2.3.
In 2010 zijn [erflater] en [appellante], in overleg met [de bestuurder]. en diens vader [de vader] ([de vader]), (toonder)aandeelhouders en (mede)bestuurders geworden van BCI in verband met de aankoop door BCI van een woning in België aan de [adres 1] (hierna ook: de Belgische woning). BCI heeft de Belgische woning aangekocht voor € 960.000. In 2012 heeft BCI voorts een appartement aan de [adres 2] (hierna ook: het Haagse appartement) aangekocht voor € 442.500.
2.4.
[erflater] heeft nadat hij met [appellante] aandeelhouder was geworden, gelden overgemaakt aan BCI ter financiering, en aflossing van externe financiering, van de Belgische woning en later ook het Haagse appartement.
2.5.
De destijds door [appellante] gedreven onderneming [naam onderneming 1] heeft vanaf 2012 tot en met februari 2017 managementvergoedingen van € 10.000 per maand betaald aan BCI, op grond van een daartoe tussen partijen gesloten managementovereenkomst (hierna: de managementovereenkomst).
2.6.
Volgens een op 31 maart 2014 gedateerde akte heeft de door [de vader] beheerste Luxemburgse vennootschap Green S.A. (hierna: Green) de aandelen van [erflater] en [appellante] in BCI gekocht en overgenomen met terugwerkende kracht tot 31 december 2013, tegen een koopprijs van € 160.000, welke koopprijs tegelijkertijd werd omgezet in een achtergestelde lening met een looptijd van 30 jaar.
2.7.
De door Green beheerste Belgische vennootschap Q Vastgoed N.V. (hierna: Q Vastgoed) heeft [erflater] financiering van BCI deels overgenomen, waartegenover [erflater] Q Vastgoed als debiteur kreeg. De betreffende transacties kennen de volgende specificaties:
Feitelijke betaling | Datum overeenkomst | Partijen | Bedrag | Rente | Looptijd | Bijzonderheden |
December 2012 | 18 juni 2011* | [erflater] Q Vastgoed | € 342.500 | 6,65% | - | Achtergesteld. Mutaties per 1 januari 2016: rente 4,65%, looptijd 30 jaar |
December 2012 | 18 juni 2011 | Q Vastgoed BCI | € 350.000 | 7,5% | 10 jaar | [appellante] c.s. hoofdelijk medeschuldenaren |
Augustus- september 2014 | 1 juli 2014 | [erflater] Q Vastgoed | € 635.000 | 6,65% | - | Achtergesteld. Mutaties per 1 januari 2016: rente 2,25%, looptijd 30 jaar |
Augustus- september 2014 | 1 juli 2014 | Q Vastgoed BCI | € 650.000 | 7,5% | 10 jaar | [appellante] c.s. hoofdelijk medeschuldenaren** |
* Een getekende versie van deze overeenkomst is niet overgelegd, alleen een ongetekende.
** In de tekst van de overeenkomst is [appellante] c.s. als hoofdelijk medeschuldenaar vermeld. Bij de ondertekening heeft [appellante] c.s. evenwel slechts getekend onder vermelding van bestuurder van BCI. Zij betwist nu aansprakelijk te zijn als hoofdelijk medeschuldenaar.
2.8.
Met betrekking tot zowel het Haagse appartement als de Belgische woning heeft BCI huurovereenkomsten gesloten met [appellante] c.s. Deze zijn gedateerd 1 januari 2014 respectievelijk 1 januari 2015. [appellante] c.s. bewoonde het appartement en de woning ook. De huurovereenkomst met betrekking tot het Haagse appartement wordt hierna ook wel genoemd: de huurovereenkomst.
2.9.
[appellante] en [erflater] zijn per 1 juli 2015 respectievelijk 6 juli 2016 afgetreden als bestuurder van BCI. [erflater] is overleden en [appellante] woont intussen elders. Het Haagse appartement is, na het eindvonnis in de onderhavige procedure (hierna, 2.12), verkocht en overgedragen aan een derde.
2.10.
[erflater] en [appellante] hebben in België een strafklacht met burgerlijke partijstelling ingediend tegen [de bestuurder] c.s., stellende dat [de bestuurder] c.s. hen, kort gezegd, met de hiervoor in 2.5 genoemde transactie (hierna: de aandelentransactie) heeft opgelicht. Deze zaak en de hierbij behorende strafzaak tegen [de bestuurder] c.s. (hierna: de strafzaak) zijn nog niet afgerond. Verder zijn de volgende procedures aanhangig:
- a.
Vordering van [appellante] en wijlen [erflater] (hierna: [appellante] c.s.) tegen Green en [de bestuurder] c.s. bij de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, strekkende tot vernietiging van de aandelentransactie. Deze procedure is geschorst in afwachting van de strafzaak.
- b.
Bewarend beslag op de onroerende goederen en onder derden tegen Q Vastgoed, gelegd op verzoek van [appellante] op 8 november 2018. Na derdenverzet is de beschikking inhoudende toelating tot beslag op 19 april 2019 ingetrokken. [appellante] is in hoger beroep gegaan; de zaak is aanhangig bij het Hof van beroep te Antwerpen.
- c.
Bewarend beslag op de Belgische woning. Derdenverzet werd in eerste aanleg ongegrond verklaard bij beschikking van 23 april 2019. BCI is in hoger beroep gegaan; de zaak is aanhangig bij het Hof van beroep te Antwerpen.
- d.
Vordering van [appellante] tegen BCI en Q Vastgoed bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Mechelen, strekkende tot terugbetaling van leningen. De zaak is geschorst in afwachting van de strafzaak;
- e.
De onderhavige procedure.
De volgende procedures zijn afgerond (afgezien van de kortgedingprocedures die het hof in 3.15-16 van zijn arrest van 14 mei 2019 heeft besproken):
Vordering van BCI tegen [appellante] c.s. tot betaling van achterstallige huur voor de Belgische woning en ontbinding van de huurovereenkomst. De Vrederechter van Hasselt heeft bij vonnis van 15 september 2017 de vorderingen toegewezen. Bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Turnhout, is het tegen het vonnis van de Vrederechter gerichte hoger beroep van [appellante] c.s. ongegrond verklaard.
Vordering van BCI tegen [appellante] tot betaling van achterstallige termijnen onder de managementovereenkomst. Bij vonnis van 20 oktober 2017 heeft de Rechtbank van koophandel te Antwerpen deze vordering afgewezen. Bij onherroepelijk arrest van 7 januari 2019 heeft het Hof van beroep Antwerpen het vonnis bekrachtigd.
vorderingen en vonnis in eerste aanleg
2.11.
In eerste aanleg heeft BCI, na eiswijzigingen, betaling van (achterstallige) huur van € 22.929,93 gevorderd (periode maart-november 2017), vermeerderd met rente en kosten, en opheffing van het door [appellante] c.s. op het Haagse appartement gelegde beslag. [appellante] c.s. heeft zich tegen deze vordering verweerd met onder meer de stelling dat de huurovereenkomst niet bestaat (een schijnhandeling betreft). Verder heeft zij zich erop beroepen dat hiervoor in 2.3-8 vermelde transacties gezamenlijk kwalificeren als oplichtingsconstructie van de zijde van [de bestuurder] c.s. In (voorwaardelijke) reconventie, na eiswijzigingen, heeft [appellante] c.s. vernietiging van de huurovereenkomst gevorderd wegens dwaling, bedrog en/of misbruik van omstandigheden, restitutie van € 95.000 aan betaalde huur, en een verbod aan BCI om het Haagse appartement of de Belgische woning te vervreemden of te bezwaren totdat alle procedures tussen partijen in België onherroepelijk zijn geëindigd, met veroordeling van BCI in de kosten, waaronder de gemaakte beslagkosten.
2.12.
In zijn bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis van 22 mei 2018 (hierna: het bestreden vonnis) heeft de kantonrechter de vorderingen van BCI toegewezen en die van [appellante] c.s. afgewezen, met veroordeling van [appellante] c.s. in de kosten.
vorderingen in het hoger beroep
2.13.
In het hoger beroep is de procedure vanwege het overlijden van [erflater] geschorst en hervat door [appellante] in haar in de in de kop van dit arrest vermelde hoedanigheden. [appellante] vordert vernietiging van het bestreden vonnis, en alsnog afwijzing van de vorderingen van BCI en toewijzing van haar eigen vorderingen, met veroordeling van BCI in de kosten van beide instanties. BCI concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.
verzoek tot schorsing van de procedure
2.14.
BCI heeft verzocht de onderhavige procedure te schorsen tot nadat in de strafzaak in eerste aanleg vonnis zal zijn gewezen, opdat daarmee bij de beoordeling van het hoger beroep in de onderhavige procedure rekening kan worden gehouden. [appellante] heeft zich tegen schorsing verzet.
2.15.
Het hof zal de behandeling van het hoger beroep niet schorsen, gelet op het verzet van [appellante] en het belang dat het hof binnen redelijke termijn op het hoger beroep beslist.
producties 64-68 [appellante]
2.16.
Bij pleidooi heeft het hof bepaald dat indien het een of meer van de producties 64-68 van [appellante] van belang mocht achten voor enige door hem te nemen beslissing, het partij BCI eerst nog in de gelegenheid zal stellen om schriftelijk op deze producties te reageren. Het hof heeft deze gelegenheid vervolgens niet geboden omdat het de inhoud van deze producties niet van belang acht voor de beslissingen in dit arrest.
beoordeling van de vorderingen in het hoger beroep
2.17.
Beroep op dwaling. De grieven van [appellante] strekken er onder meer toe dat [appellante] c.s. heeft gedwaald bij het sluiten van de huurovereenkomst, dat deze huurovereenkomst daarom moet worden vernietigd, en dat de reeds betaalde huurpenningen aan [appellante] dienen te worden gerestitueerd. De dwaling heeft volgens [appellante] met name hierin bestaan dat [appellante] c.s. ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst in de veronderstelling verkeerde dat zij de uiteindelijke zeggenschap had behouden over (het vermogen van) BCI, al dan niet in de vorm van een tegen Green geldend te maken terugkooprecht ter zake van de aandelen BCI, terwijl [de bestuurder] c.s. (Green) haar nadien is gaan tegenwerpen dat dit helemaal niet het geval is.
2.18.
Toepasselijk recht. Tussen partijen is niet in geschil dat de huurovereenkomst wordt beheerst door Nederlands recht (vlg. ook artikel 4 lid 1 sub c Rome I). Op grond van artikel 10 lid 1 Rome I geldt hetzelfde voor het door [appellante] gedane beroep op dwaling met betrekking tot deze huurovereenkomst.
2.19.
Verjaring. BCI stelt zich op het standpunt dat de vordering van [appellante] tot vernietiging van de huurovereenkomst op grond van dwaling is verjaard. Het hof verwerpt dit standpunt. De grondslag van het dwalingsberoep van [appellante] is dat zij en [erflater] ondanks het ondertekend hebben van de koopovereenkomst met Green met betrekking tot de aandelen BCI zonder side letter of anderszins regeling die [appellante] c.s. een terugkooprecht verschafte, in de veronderstelling verkeerden dat zij de controle over en de gerechtigdheid tot (het vermogen van) BCI hadden behouden, al dan niet via een overeengekomen of toegezegd terugkooprecht. BCI heeft niet concreet gesteld, of althans niet voldoende onderbouwd gesteld, dat zij (of een ander) [appellante] c.s. na het sluiten van de koopovereenkomst met Green anders heeft geïnformeerd voorafgaand aan haar brief van 29 december 2016. Dit betekent dat de verjaring van de gestelde dwaling niet eerder is gaan lopen dan per die datum. Daarvan uitgaande heeft [appellante] c.s. haar vernietigingsvordering binnen de geldende verjaringstermijn ingesteld (bij conclusie van antwoord/eis in reconventie in het onderhavige geding in eerste aanleg, van 7 november 2017).
2.20.
Verband met wilsgebrek ten aanzien van koopovereenkomst Green inzake aandelen BCI. BCI stelt voorts dat het dwalingsberoep van [appellante] niet kan bestaan naast het door haar gedane beroep op een wilsgebrek ten aanzien van de vervreemding van de aandelen BCI aan Green (waarover de hiervoor in 2.10 onder a genoemde procedure handelt). Aan BCI moet worden toegegeven dat wanneer laatstgenoemd beroep mocht slagen en die koopovereenkomst mocht worden vernietigd, de in de onderhavige procedure door [appellante] gestelde veronderstelling dat zij en [erflater] (steeds) rechthebbende waren gebleven met betrekking tot (het vermogen van) BCI alsnog niet onjuist blijkt te zijn geweest. [appellante] stelt zich echter op het standpunt dat haar dwaling ten aanzien van de huurovereenkomst er niet zozeer in is gelegen dat zij ten onrechte meende dat zij uiteindelijk rechthebbende was gebleven met betrekking tot (het vermogen van) BCI, al dan niet via een terugkooprecht, maar in het huidige standpunt van BCI dat dit niet het geval is, waarmee zij klaarblijkelijk bedoelt: de mogelijkheid, gegeven haar eigen gebrekkige bewijspositie, dat Green, en in haar voetspoor BCI, dit standpunt zou kunnen gaan innemen. Dit betreft geen (louter) toekomstige omstandigheid in de zin van artikel 6:228 lid 2 BW, omdat de situatie waarop het dwalingsberoep ziet zich reeds ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voordeed.
2.21.
Vonnis rechtbank Turnhout (hiervoor, 2.10 onder f). BCI verwijst naar het onherroepelijk vonnis tussen BCI en [appellante] c.s., waarmee [appellante] c.s. onder meer is veroordeeld tot huurbetaling voor de Belgische woning. In dit vonnis heeft de Turnhoutse rechter onder meer het volgende geoordeeld:
“Of de aandelen van [BCI] al dan niet op bedrieglijke wijze werden overgedragen, houdt geen enkel verband met de huidige procedure.”
En
“Appellanten stellen verder dat de huurovereenkomst deel uitmaakt van een oplichtingsconstructie en aldus de vordering van geïntimeerde ongegrond is.
Dit gegeven blijkt niet uit de voortgebrachte stukken en geïntimeerde heeft recht op betaling van huurtegoeden, ongeacht wie de eventuele aandeelhouders van deze vennootschap zijn.”
2.22.
Volgens BCI dient dit vonnis door het hof te worden erkend, en dient de vordering van [appellante] tot vernietiging van de huurovereenkomst op dezelfde gronden te worden afgewezen. Het hof begrijpt dat BCI met deze stellingname beoogt een beroep te doen op het gezag van gewijsde van het Turnhoutse vonnis. Het hof volgt BCI hierin niet. Uit het Turnhoutse vonnis blijkt dat de rechtbank de gestelde oplichtingsconstructie met betrekking tot de aandelen irrelevant oordeelt voor de ingestelde vorderingen met betrekking tot de huurovereenkomst. De rechtbank geeft hierover ook geen inhoudelijk oordeel. De enkele verwerping van het oplichtingsverweer met betrekking tot de huurovereenkomst inzake de Belgische woning (zelf) noodzaakt niet tot de conclusie dat [appellante] c.s. ten aanzien van de huurovereenkomst met betrekking tot het Haagse appartement niet kan hebben gedwaald; dat oordeel van de Turnhoutse rechter kan dan ook geen gezag van gewijsde hebben ten aanzien van die kwestie.
2.23.
Inhoudelijke beoordeling dwalingsberoep. Ter onderbouwing van haar dwalingsberoep, beroept [appellante] zich onder meer op een schriftelijke verklaring van 10 februari 2019 van [belastingadviseur], haar Nederlandse belastingadviseur van destijds, die voor zover van belang als volgt luidt:
“Sinds 2006 treedt mijn onderneming [naam onderneming 2] B.V. als belastingadviseur op voor de familie [erflater] alsmede voor de onderneming van [appellante], [naam onderneming 1]. Ik ben vanaf het begin op de hoogte van het geschil tussen de heren [de bestuurder]/Baer Castle International N.V. en de familie [erflater]. In dat kader heb ik reeds op 24 april 2017 een verklaring bij de federale gerechtelijke politie te Antwerpen afgelegd.
De familie [erflater] heeft mij verteld over de door Baer Castle International N.V. opgestarte procedures met betrekking tot de tussen Baer Castle International N.V. gesloten huurovereenkomsten inzake de woning in Grobbendonk en het appartement in Scheveningen. Ik was hier nogal verbaasd over nu deze overeenkomsten slechts zijn gesloten wegens fiscale redenen. [de vader] heeft deze constructie als adviseur van de familie [erflater] en bestuurders van Baer Castle International N.V. in het tweede kwartaal van 2015 in mijn aanwezigheid aan de familie [erflater] geadviseerd.
Ik heb een en ander nagetrokken in mijn agenda en er hebben op 12 maart en op 22 april 2015 gesprekken bij mij op kantoor plaatsgevonden waarbij [de vader] aanwezig was alsmede de familie [erflater]. Tijdens een van deze besprekingen is gesproken over het sluiten van een huurovereenkomst met betrekking tot het appartement in Scheveningen. De familie [erflater] verbleef hier geregeld. Het appartement was door Baer Castle International N.V. aangekocht, maar de maandelijkse hypotheeklasten werden feitelijk door de familie [erflater] voldaan. Dat ging als volgt. Per 1 januari 2012 verrichtte Baer Castle International N.V. voor een maandelijkse management fee van EUR 10.000,- managementwerkzaamheden voor [naam onderneming 1]. Deze werkzaamheden werden vanuit Baer Castle International N.V. door de heer [erflater] uitgevoerd. Voorheen verrichtte de heer [erflater] deze werkzaamheden zelf, maar op advies van de heren [de bestuurder] zijn deze via Baer Castle International N.V. gaan lopen. Op deze wijze konden op een fiscaal vriendelijke wijze de hypotheeklasten van de woning in Grobbendonk door Baer Castle International N.V. worden voldaan en later ook die van het appartement in Scheveningen. De heer [erflater] ontving hiervoor van Baer Castle N.V. geen salaris of andere geldelijke vergoeding. Dit was ook niet nodig nu door middel van deze constructie vermogen in Baer Castle International N.V. werd opgebouwd en de familie [erflater] was immers aandeelhouder van de vennootschap.
De familie [erflater] woonde vanaf 2010 in Grobbendonk, België, maar maakte vanaf 2012 dus tevens gebruik van het aangekochte appartement in Scheveningen. Zij konden van deze panden gebruik maken als vergoeding voor de aan [naam onderneming 1] gefactureerde managementwerkzaamheden. Tijdens de bespreking van 12 maart of 22 april 2015 gaf [de vader] aan dat de rekening-courant tussen de familie [erflater] en Baer Castle International N.V. door de aanzienlijke contante stortingen op de Belgische bankrekening van Baer Castle International N.V. bleef oplopen en dat hij een manier had gevonden om dit om te zetten naar vermogen van Baer
Castle International N.V. Daarnaast zou dit een fiscaal voordeel voor Baer Castle International N.V. opleveren nu de Nederlandse belastingdienst het niet accepteerde dat het appartement uitsluitend werd gebruikt als verblijf van de familie [erflater] als directie van Baer Castle International N.V. en de rest van het jaar niet werd verhuurd of bedrijfsmatig door Baer Castle International B.V. werd gebruikt. Door de Nederlandse belastingdienst werden de inkomsten van Baer Castle International N.V. vanaf 2012 dan ook verhoogd met een fictief rendement van 4% op de aankoopprijs van het appartement.
In dit kader is de huurovereenkomst opgesteld. Bijkomend voordeel was tevens dat de huurinkomsten bij Baer Castle International N.V. tegen Nederlands belastingtarief zouden worden belast. Dit leidde tot een extra fiscaal voordeel. Om met terugwerkende kracht de oplopende rekening-courant tussen de familie [erflater] en Baer Castle International N.V. te kunnen verlagen, heeft [de vader] aan de familie [erflater] geadviseerd om de ‘huur’ met terugwerkende kracht per 1 januari 2014 in te laten gaan.”
2.24.
Deze verklaring van [belastingadviseur] ondersteunt het standpunt van [appellante] dat de huurovereenkomst slechts om fiscale redenen werd aangegaan. De door [belastingadviseur] genoemde mededeling van [de vader] (ter vergadering met [appellante] c.s. en [belastingadviseur]) dat deze met de voorgestelde huurovereenkomst een manier had gevonden om de rekening-courantvordering van [erflater] op BCI om te zetten naar eigen vermogen van BCI, zou volstrekt tegen de belangen van [appellante] c.s. ingaan indien [appellante] c.s. niet uiteindelijk tot dat vermogen van BCI, al dan niet via een terugkooprecht op de aandelen (waarin bedoelde vermogensvermeerdering niet tot verhoging van de koopprijs zou leiden), gerechtigd zou zijn. De mededeling van [de vader] waarover [belastingadviseur] verklaart impliceert met andere woorden dat [appellante] c.s. die gerechtigdheid wel had.
2.25.
BCI heeft niet voldoende gemotiveerd weersproken dat [de vader] de door [belastingadviseur] genoemde mededeling op de door hem bedoelde vergadering heeft gedaan. Weliswaar heeft BCI in algemene zin gesteld dat zij of [de bestuurder] c.s. [appellante] c.s. niet heeft geadviseerd, maar dat is een juridische kwalificatie die als zodanig niet weerspreekt dat [de vader] de door [belastingadviseur] genoemde mededeling feitelijk heeft gedaan. Ook de algemene betwisting dat de huurovereenkomst pas in het voorjaar van 2015 in plaats van rond begin 2014 is ondertekend, is zonder concrete reactie op het door [appellante] c.s. aangehaalde relaas van [belastingadviseur] – die ontbreekt – onvoldoende.
2.26.
De nu door BCI ingenomen stelling dat zij gewoon aanspraak kon maken op huur omdat [appellante] c.s. het Haagse appartement gebruikte doet aan het voorgaande niet af, omdat dat volgens de verklaring van [belastingadviseur] niet de motivering is geweest die [de vader] heeft gegeven voor zijn voorstel om de huurovereenkomst aan te gaan. Los hiervan overtuigt dit argument van BCI ook niet, omdat BCI [appellante] ook al € 120.000 per jaar declareerde voor de (gestelde) managementwerkzaamheden van [erflater]. [erflater] verkreeg daarvoor geen geldelijke vergoeding van BCI, maar tussen partijen is niet in geschil dat hij als “vergoeding alle aard” de Belgische woning en het Haagse appartement kon gebruiken (samen met [appellante]). Als BCI (althans [de bestuurder]. als medebestuurder van BCI) die faciliteit niet meer wilde bieden, dan is niet duidelijk waarom de managementovereenkomst (met de betalingen van € 120.000 per jaar) evengoed werd gecontinueerd, zonder dat [erflater] daarvoor dan anderszins werd gecompenseerd. BCI heeft nog als verklaring aangedragen dat al deze betalingen dienden om de (toegenomen) rentebetalingen van BCI aan Q Vastgoed en daarmee indirect aan [erflater] zelf te financieren, maar dat verklaart nog lang niet de gehele € 120.000 per jaar en het tijdstip van het afsluiten van de huurovereenkomst, daargelaten dat een koppeling tussen de managementvergoeding en de rentebetaling ook helemaal niet was uitgeschreven.
2.27.
[appellante] c.s. heeft verder terecht aangevoerd dat ook het verleggen van de vordering van [erflater] op BCI tot een bedrag van € 650.000 naar een vordering op Q Vastgoed en een vordering van deze op BCI, in 2014, past bij haar toen bestaande veronderstelling dat zij uiteindelijk tot (het vermogen van) BCI gerechtigd was, al dan niet in de vorm van een terugkooprecht. Volgens de stelling van BCI was de aanleiding tot deze verlegging, net zoals tot die van 2011 (hiervoor, 2.7), de omstandigheid dat volgens toen geldende fiscale regels een schuld aan een aandeelhouder niet meer dan 3% rente mocht dragen, en [erflater] een hoger percentage wilde. Zou Green de aandelen BCI werkelijk en onherroepelijk hebben overgenomen, dan deed deze aanleiding zich voor de tranche van 2014 helemaal niet meer voor. BCI heeft hiervoor geen verklaring gegeven.
2.28.
Tussen partijen is niet in geschil dat de aanleiding tot de verkoop van de aandelen BCI aan Green, nieuwe wetgeving in België is geweest die kort gezegd toonderaandelen afschafte per 1 januari 2014. De stelling van BCI is dat [appellante] c.s. juist via BCI vastgoed had willen verwerven omdat BCI destijds een vennootschap met toonderaandelen was, zodat [appellante] c.s. haar aandeelhouderschap in BCI – en de door haar daarin belegde gelden – voor de Nederlandse fiscus verborgen kon houden. Dat kon niet zo blijven vanaf 2014 – de toonderaandelen werden aandelen op naam –, reden waarom de aandelen aan Green werden overgedragen. [appellante] stelt dat [de bestuurder] c.s. haar en [erflater] ter zake van deze aandelenoverdracht concreet hebben voorgehouden dat de aandelen slechts in Luxemburg (Green is een Luxemburgse vennootschap) zouden worden “geparkeerd” in verband met het behouden van de anonimiteit van [appellante] c.s., maar dat [appellante] c.s. altijd de mogelijkheid zou houden om de aandelen weer op haar naam te laten zetten. Of deze mededeling toen concreet zo is gedaan, kan voor de beoordeling van het onderhavige geschil in het midden blijven. Gelet op de hiervoor in 2.22-24 besproken mededeling van [de vader], de overige hiervoor in 2.25-26 besproken omstandigheden, en de omstandigheid dat een schijnhandeling met betrekking tot de aandelen BCI – al dan niet in de vorm van een niet-zakelijk “terugkooprecht” – zou passen binnen het door BCI gestelde motief van [appellante] c.s. om voor de Nederlandse fiscus onzichtbaar te blijven als aandeelhouder van BCI, onderschrijft het hof de stelling van [appellante] dat de huurovereenkomst pas in het voorjaar van 2015 is ondertekend en dat zij en [erflater] toen in de veronderstelling verkeerden dat zij uiteindelijk gerechtigd waren tot (het vermogen van) BCI, al dan niet via een terugkooprecht, en geen rekening hielden met de mogelijkheid dat Green daarover een ander standpunt zou (kunnen) gaan innemen. Hierbij verdient aantekening dat [appellante] c.s. weliswaar het aandeelhoudersregister BCI en de koopovereenkomst met Green hebben getekend, maar daarvan toen geen exemplaar hebben ontvangen; dat kregen zij pas veel later, ver na het sluiten van de huurovereenkomst.
2.29.
[appellante] en [erflater] waren destijds bestuurders van BCI – samen met gedelegeerd bestuurder [de bestuurder]. –, zodat niet valt in te zien waarom hun dwaling niet ook aan BCI zelf zou moeten worden toegerekend. Ten overvloede overweegt het hof dat indien [de bestuurder]. zelf niet dwaalde, hij [appellante] c.s. had behoren in te lichten. Ook voor hem moest in dat geval immers duidelijk zijn dat voor het aangaan van de huurovereenkomst én het handhaven van (de betalingen onder) de managementovereenkomst, geen zakelijke grond of ratio was aan te wijzen (indien zou worden uitgegaan van een ongeclausuleerde verkoop van de aandelen BCI aan Green). Hetzelfde geldt voor het verleggen van de vordering van [erflater] op BCI tot een bedrag van € 650.000 naar een leningconstructie via Q Vastgoed. Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat geen sprake was van wederzijdse dwaling (artikel 6:228 lid 1 sub c BW) was daarom ten tijde van het ondertekenen van de huurovereenkomst in elk geval een situatie aanwezig waarin [de bestuurder]. – die de huurovereenkomst namens BCI tekende – [appellante] c.s. over haar onjuiste voorstelling van zaken had behoren in te lichten (artikel 6:228 lid 1 sub b BW). BCI heeft niet voldoende gemotiveerd weersproken dat [appellante] c.s. zonder deze onjuiste voorstelling van zaken de huurovereenkomst niet zou zijn aangegaan.
2.30.
Het op dwaling gestoelde verweer tegen de vordering in conventie tot betaling van achterstallige huur slaagt, en hetzelfde geldt voor de vordering tot vernietiging van de huurovereenkomst en de daarop gestoelde vordering tot restitutie van reeds betaalde (verrekende) huur.
2.31.
Gebruiksvergoeding/onverschuldigde betaling. BCI voert aan dat vernietiging van de huurovereenkomst niet met zich brengt dat haar geldvordering dient te worden afgewezen of die van [appellante] toegewezen, omdat [appellante] c.s. hoe dan ook van het Haagse appartement gebruik heeft gemaakt (tot en met november 2017), en zij bij gebreke van een huurovereenkomst dan in elk geval een gebruiksvergoeding zou moeten betalen gelijk aan de huurprijs. [appellante] c.s. heeft deze grondslag niet weersproken voor zover het de periode februari-november 2017 betreft. Voor haar vordering in reconventie tot restitutie van betaalde (verrekende) huur heeft [appellante] deze grondslag (van het verweer van BCI) wel weersproken, met de stelling dat [erflater] tot februari 2017 reeds aanspraak had op gebruik van het Haagse appartement (samen met [appellante]) als vergoeding voor het management waarvoor BCI [appellante] € 10.000 per maand declareerde onder de managementovereenkomst. Deze weerspreking is gegrond (hiervoor, 2.26) en het verweer van BCI daarmee ongegrond. Dit betekent dat de vordering in reconventie tot restitutie van tot februari 2017 betaalde (verrekende) huur in hoofdsom zal worden toegewezen, onder aftrek van de verschuldigde gebruiksvergoeding over de periode februari-november 2017. [appellante] heeft deze vordering, na bedoelde aftrek, bij pleidooi in hoger beroep onweersproken (nader) berekend op (teruggebracht tot) € 77.851.
2.32.
Rente. [appellante] heeft bij pleidooi in hoger beroep ook aanspraak gemaakt op “de voorheen overeengekomen rente in de rekening-courant vanaf 1 januari 2014 tot heden”. In de akte vermeerdering van eis in (voorwaardelijke) reconventie van 22 januari 2018 was dat nog “de wettelijke rente vanaf de dag van de desbetreffende onverschuldigde betaling”. [appellante] heeft niet toegelicht op welke grond zij aanspraak zou kunnen maken op rente vanaf 1 januari 2014, gegeven dat zij niet heeft gespecificeerd per welke (rente)data de onverschuldigde betalingen (verrekeningen) hebben plaatsgevonden, terwijl aanspraak op rente-ingangsdata vóór die van voormelde akte eisvermeerdering, waarnaar de memorie van grieven nog verwees, in strijd zou zijn met de tweeconclusieregel. Daarmee zou ook in strijd zijn: toewijzing van de rekening-courantrente voor zover deze hoger is dan de wettelijke rente. Duidelijk is intussen dat de onverschuldigde betalingen (verrekeningen) niet ná 31 januari 2017 hebben plaatsgevonden. Het hof zal daarom toewijzen: de rekening-courantrente voor zover deze niet boven de (Nederlandse) wettelijke rente uitgaat, over de periode 1 februari 2017-4 maart 2021 (datum pleidooi).
2.33.
Vervreemdingsverbod. Gegeven dat het Haagse appartement reeds is verkocht en getransporteerd, en niet meer tot het vermogen van BCI behoort, heeft [appellante] geen belang meer bij het door haar gevorderde verbod tot vervreemding van dit appartement. Deze vordering zal dus worden afgewezen. Wat betreft het ten aanzien van de Belgische woning gevorderde vervreemdingsverbod geldt het volgende. BCI betwist de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om over deze vordering te beslissen. Dit verweer faalt voor zover het verbod strekt tot verhaal van de geldvordering die in reconventie wordt toegewezen. Het gevorderde vervreemdingsverbod berust in zoverre op hetzelfde feitencomplex als waarop deze vordering in reconventie is gebaseerd, in het voetspoor (feitencomplex) van de vordering in conventie (artikel 8 lid 3 Brussel 1 bis, vgl. HR 8 december 2017, NJ 2018/6). Voor het overige slaagt het. De vordering strekt ertoe dat het verbod geldt gedurende de looptijd van de juridische procedures tussen partijen in België en Nederland, waaronder het strafrechtelijk onderzoek met partijstelling, en tot het moment dat alle uitspraken in deze procedures in kracht van gewijsde zijn gegaan. Deze onbepaalde en in potentie nog zeer lange tijdsduur kan naar het oordeel van het hof evenwel leiden tot consequenties die zich onvoldoende laten overzien. Het hof zal de tijdsduur maximeren op zes maanden na de datum van dit arrest, welke periode [appellante] voldoende gelegenheid moet geven om desgewenst ter zake van de veroordelingen van dit arrest verhaalsbeslag te leggen op de Belgische woning dan wel anderszins (provisionele) maatregelen te treffen.
2.34.
[appellante] vraagt om een dwangsom “per dag”. Wat zij hiermee bedoelt, gegeven dat vervreemding, bezwaring en levering doorgaans éénmalige gebeurtenissen zijn, is het hof niet aanstonds duidelijk. Gelet op de aard van het gevraagde verbod ligt het naar het oordeel van het hof in de rede om een eenmalige dwangsom op te leggen. Het hof neemt bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom de hoogte van de aankoopprijs (een actuelere waarde-indicatie is niet voorhanden) in aanmerking.
2.35.
Beslag. [appellante] heeft geen grieven geformuleerd tegen de in eerste aanleg uitgesproken opheffing van het beslag op het Haagse appartement. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden bekrachtigd. Dit neemt niet weg dat het beslag rechtmatig was, en dat BCI daarom zal worden veroordeeld in de kosten ervan (hierna, 2.36).
2.36.
Slotsom, proceskosten. De grieven behoeven voor het overige geen bespreking. Geen van partijen heeft bewijs aangeboden van feiten die, indien bewezen, tot een andere beoordeling zouden kunnen leiden. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen behoudens de daarin uitgesproken opheffing van het beslag op het Haagse appartement (5.3 van het dictum), en de overige vorderingen af- en toewijzen zoals hiervoor overwogen. Het hof zal BCI, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van beide instanties, het beslag en het incident in het hoger beroep. Het hof begroot deze kosten als volgt:
beslag | |
griffierecht | € 287,00 |
explootkosten | € 522,38 |
salaris advocaat (1 punt x tarief € 700) | € 700,00 |
€ 1.509,38 | |
eerste aanleg | |
salaris advocaat conventie (2 punten x tarief € 400) | € 800,00 |
salaris advocaat reconventie (2 punten x tarief € 700 x 0,5) | € 700,00 |
€ 1.500,00 | |
hoger beroep | |
dagvaarding | € 98,01 |
griffierecht | € 726,00 |
salaris advocaat incident (1 punt x tarief II) | € 1.114,00 |
salaris advocaat hoofdzaak (4 punten x tarief IV) | € 8.124,00 |
€ 10.062,01 | |
nakosten hoger beroep | |
salaris advocaat zonder betekening | € 163,00 |
aanvullend salaris advocaat bij betekening | € 85,00 |
3. Beslissing
Het hof:
- -
verklaart zich internationaal onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tot het aan BCI opleggen van een vervreemdingsverbod met betrekking tot de Belgische woning, voor zover die vordering verder strekt dan tot voldoening aan de veroordelingen van dit arrest;
- -
vernietigt het bestreden vonnis, behoudens 5.3 van het dictum daarvan;
en in zoverre opnieuw rechtdoende
- -
vernietigt de huurovereenkomst;
- -
veroordeelt BCI tot betaling aan [appellante] van € 77.851, vermeerderd met de tussen [erflater] en BCI overeengekomen rekening-courantrente voor zover deze niet boven de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) uitgaat, over de periode 1 februari 2017-4 maart 2021;
- -
verbiedt BCI om zolang niet aan de overige veroordelingen van dit arrest is voldaan, gedurende de looptijd van de hiervoor in 2.10 aanhef en onder a-e vermelde procedures, tot het moment dat alle uitspraken in deze procedures in kracht van gewijsde zijn gegaan, met een maximum van zes maanden na de datum van dit arrest, de Belgische woning te vervreemden, te bezwaren en/of te leveren aan derden, op straffe van een dwangsom van € 960.000;
- -
veroordeelt BCI in de kosten van het beslag, aan de zijde van [appellante] begroot op € 1.509,38;
- -
veroordeelt BCI in de kosten in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] begroot op € 1.500;
- -
veroordeelt BCI in de kosten van het hoger beroep (incident en hoofdzaak), aan de zijde van [appellante] begroot op € 10.062,01 tot op heden, en op € 163 aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85 indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
- -
bepaalt dat voormelde beslag- en proceskostenveroordelingen binnen 14 dagen na de datum van dit arrest dan wel, wat betreft de hiervoor vermelde verhoging nakosten van € 85, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van de betreffende termijn van 14 dagen;
- -
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- -
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, A.A. Muilwijk-Schaaij en J.N. de Blécourt en is ondertekend en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2021 door mr. J.E.H.M Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.
Uitspraak 14‑05‑2019
Inhoudsindicatie
IPR. Arrest in incident. Incidentele tegenvordering (voorlopige voorziening) voldoende samenhang met conventie (artikel 8 lid 3 Brussel I bis) (3.14). Gesteld gezag van gewijsde Belgisch KG-vonnis prejudicieert niet incidentele vordering voorlopige voorziening in Nederlandse procedure (artikel 36 Brussel I bis) (3.15). Aanhouden hoofdzaak in hoger beroep in verband met samenhang Belgische procedures? (Artikel 30 Brussel I bis) (4.1).
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.245.195/01
Zaaknummer rechtbank : 6372877 RL EXPL 17-25265
arrest van 14 mei 2019
inzake
[naam 1] ,
handelend in privé, alsmede in haar hoedanigheid van enig erfgename en executeur (in de nalatenschap) van [erflater] (geboren op [geboortedatum] te [plaats] , overleden op [sterfdatum] ),
wonende te [woonplaats] ,
appellante,eiseres in het incident,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. D.A. Beck te Leiden,
tegen
Baer Castle International N.V.,
gevestigd te Heist Op Den Berg, België,
geïntimeerde,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: BCI,
advocaat: mr. A.H. Vermeulen te Den Haag.
1. Het geding
1.1.
Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 18 september 2018 verwijst het hof naar dat arrest. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 12 november 2018. Op deze comparitie heeft mr. Beck medegedeeld dat [erflater] (hierna: [erflater] ), eerder procespartij (mede-appellant), is overleden. Van de comparitie van partijen is proces-verbaal opgemaakt.
1.2.
Bij memorie van grieven, met producties, heeft [appellante] een incidentele vordering ingesteld. Bij memorie van antwoord in het incident, met producties, heeft BCI de incidentele vordering bestreden.
1.3.
Vervolgens zijn de stukken overgelegd en is arrest in het incident bepaald op heden.
2. In de hoofdzaak en in het incident
2.1.
In hun processtukken na voormelde comparitie hebben beide partijen appellante/eiseres in het incident aangeduid zoals de kop van dit arrest vermeldt. Het hof leidt hieruit af dat beide partijen ervan uitgaan, en het hof zal hen hierin volgen, dat wegens het overlijden van [erflater] het geding is geschorst en hervat, waarbij [appellante] voortprocedeert in haar beide vermelde hoedanigheden.
3. In het incident (voorts)
korte aanduiding van de zaak
3.1.
BCI is een Belgische vennootschap die in 2007 is opgericht. [naam 2] (hierna: [de bestuurder] ) is in 2010 aangesteld als gedelegeerd bestuurder (voorzitter van de directie) van BCI.
3.2.
In 2010 zijn [erflater] en [appellante] , in overleg met [de bestuurder] en diens vader [naam 3] ( [de vader] ), (toonder)aandeelhouders en (mede)bestuurders geworden van BCI in verband met de aankoop door BCI van een woning in België aan [het adres 1] (hierna ook: de Belgische woning). BCI heeft de Belgische woning aangekocht voor € 960.000. In 2012 heeft BCI voorts een appartement aan [het adres 2] (hierna ook: het Haagse appartement) aangekocht voor € 442.500.
3.3.
[erflater] heeft nadat hij met [appellante] aandeelhouder was geworden, gelden overgemaakt aan BCI ter financiering, en aflossing van externe financiering, van de Belgische woning.
3.4.
Volgens een op 31 maart 2014 gedateerde akte heeft de door [de vader] beheerste Luxemburgse vennootschap Green S.A. (hierna: Green) de aandelen van [erflater] en [appellante] in BCI gekocht en overgenomen met terugwerkende kracht tot 31 december 2013, tegen een koopprijs van € 160.000, welke koopprijs tegelijkertijd werd omgezet in een achtergestelde lening met een looptijd van 30 jaar.
3.5.
De door Green beheerste Belgische vennootschap Q Vastgoed N.V. (hierna: Q Vastgoed) heeft [erflater] financiering van BCI deels overgenomen, waartegenover [erflater] Q Vastgoed als debiteur kreeg. De rentepercentages die Q Vastgoed bij BCI in rekening bracht, lagen volgens de onderliggende overeenkomsten hoger dan die welke [erflater] in rekening bracht bij Q Vastgoed. Het ging hierbij om financieringen van € 342.500 en € 635.000.
3.6.
De destijds door [appellante] gedreven onderneming [de onderneming] heeft vanaf 2012 gedurende enige jaren managementvergoedingen van € 10.000 per maand betaald aan BCI.
3.7.
Met betrekking tot zowel de Belgische woning als het Haagse appartement heeft BCI huurovereenkomsten gesloten met [erflater] en [appellante] . Zij bewoonden de woning en het appartement ook.
3.8.
Dit laatste is thans niet meer het geval. [erflater] is overleden en [appellante] woont elders. Het Haagse appartement is, na het eindvonnis in de onderhavige procedure (hierna, 3.11), verkocht en overgedragen aan een derde.
3.9.
[erflater] en [appellante] hebben in België een strafklacht met burgerlijke partijstelling ingediend tegen [de bestuurder en diens vader] , stellende dat [de bestuurder en diens vader] hen, kort gezegd, met voormelde transacties heeft opgelicht. Verder lopen in België nog de volgende procedures:
- -
door BCI en Q Vastgoed ingestelde verzetprocedures tegen door [erflater] en [appellante] gelegde bewarende beslagen;
- -
een door [erflater] en [appellante] tegen BCI en Q Vastgoed ingestelde bodemprocedure met betrekking tot de opeising van de door [erflater] en [appellante] aan Q Vastgoed uitgeleende en door deze aan BCI doorgeleende gelden;
- -
een door [erflater] en [appellante] tegen BCI, Green en [de bestuurder en diens vader] ingestelde bodemprocedure met betrekking tot de verkoop en de overdracht van de BCI-aandelen door [erflater] en [appellante] aan Green en [de bestuurder en diens vader]
de vorderingen en het vonnis in eerste aanleg
3.10.
In eerste aanleg heeft BCI, na eiswijzigingen, ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot het Haagse appartement en betaling van (achterstallige) huur á € 22.929,93 gevorderd, vermeerderd met rente en kosten, en opheffing van het door [erflater] en [appellante] op het Haagse appartement gelegde beslag. [erflater] en [appellante] hebben zich tegen deze vordering verweerd met onder meer de stelling dat de huurovereenkomst niet bestaat (een schijnhandeling betreft). Verder hebben zij zich erop beroepen dat hiervoor in 3.2-7 vermelde transacties gezamenlijk kwalificeren als oplichtingsconstructie van de zijde van [de bestuurder en diens vader] In (voorwaardelijke) reconventie, na eiswijzigingen, hebben [erflater] en [appellante] vernietiging van de huurovereenkomst gevorderd wegens dwaling, bedrog en/of misbruik van omstandigheden, restitutie van € 95.000 aan betaalde huur, en een verbod aan BCI om het Haagse appartement of de Belgische woning te vervreemden of te bezwaren totdat alle procedures tussen partijen in België onherroepelijk zijn geëindigd, met veroordeling van BCI in de kosten, waaronder de gemaakte beslagkosten.
3.11.
In zijn bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis van 22 mei 2018 (hierna: het bestreden vonnis) heeft kantonrechter de vorderingen van BCI toegewezen en die van [erflater] en [appellante] afgewezen, met veroordeling van [erflater] en [appellante] in de kosten.
de vorderingen in hoger beroep en in het incident
3.12.
In hoger beroep vordert [appellante] vernietiging van het bestreden vonnis, en alsnog afwijzing van de vorderingen van BCI en toewijzing van haar eigen vorderingen, met veroordeling van BCI in de kosten in beide instanties.
3.13.
In het incident vordert [appellante] bij wege van voorlopige voorziening een verbod aan BCI tot vervreemding, bezwaring of levering van de Belgische woning voor de duur van de procedure in de hoofdzaak, op straffe van dwangsommen, ook met veroordeling van BCI in de kosten.
beoordeling in het incident
3.14.
BCI verweert zich tegen de incidentele vordering van [appellante] met de stelling dat het hof internationaal niet bevoegd is daarover te oordelen. Dit verweer faalt. De incidentele vordering vloeit voort uit hetzelfde feitencomplex als dat waarop BCI haar vordering in conventie baseert, zodat het hof op voet van artikel 8 lid 3 Brussel 1 bis bevoegd is om daarover te oordelen (vgl. HR 8 december 2017, NJ 2018/6).
3.15.
BCI stelt verder dat de gevraagde voorziening niet toewijsbaar is omdat gelijke voorzieningen reeds tot tweemaal toe, tussen dezelfde partijen, zijn geweigerd door de Belgische rechter, oordelend in kort geding. Deze Belgische beslissingen dienen volgens BCI door het hof te worden erkend (artikel 36 Brussel 1 bis). Zij hebben volgens BCI naar Belgisch recht gezag van gewijsde in kort geding, en volgens haar dus ook in relatie tot de door [appellante] in de onderhavige procedure gevraagde voorlopige voorziening. Ook dit verweer faalt. Naar Nederlands recht komt een in kort geding gegeven (afwijzende) beslissing geen gezag van gewijsde toe. Aan een buitenlands (Europees) in kort geding gegeven (afwijzende) beslissing hoeft de Nederlandse rechter daarom evenmin gezag van gewijsde toe te kennen (vgl. HvJEG 28 april 2008, zaak C-420/07, ECLI:EU:C:2009:271, r.o. 66).
3.16.
Hierbij komt nog het volgende. De Belgische beslissingen waarop BCI een beroep doet zijn beschikkingen in kort geding van de rechtbank van de eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, van 2 juli en 28 december 2018. In de beschikking van 2 juli 2018 heeft de rechtbank het gevraagde provisionele vervreemdingsverbod afgewezen omdat volgens de rechtbank [erflater] en [appellante] de voor hun vordering aangevoerde “hoogdringendheid” aan zichzelf hadden te wijten. In de daarna gegeven beschikking van 28 december 2018 heeft de rechtbank, ondanks de eerdere afwijzende beschikking, het gevraagde provisionele vervreemdingsverbod andermaal inhoudelijk beoordeeld. In die beschikking overwoog de rechtbank onder meer dat de inmiddels plaatsgevonden verkoop van het Haagse appartement en de omstandigheid dat BCI geen transparantie had geboden omtrent de uiteindelijke bestemming van de uit deze verkoop bekomen geldsom, een ander licht wierp op de te koop aangeboden Belgische woning en het risico op het bewust pogen weg te maken van activa. Bij hoogdringendheid zouden bewarende maatregelen zich volgens de rechtbank dan ook kunnen opdringen. Uiteindelijk achtte de rechtbank geen hoogdringendheid aanwezig, vanwege het bewarende beslag dat [erflater] en [appellante] reeds op (onder meer) de Belgische woning hadden doen leggen. [appellante] voert in het onderhavige incident echter aan dat de vordering ter verzekering waarvan dat beslag is gelegd, en van welk beslag BCI opheffing vordert (hiervoor, 3.9), de vordering van Q Vastgoed is, waarin [appellante] stelt te zijn getreden. Dat is een andere vordering/grondslag dan die ter verzekering waarvan zij in het onderhavige incident thans het vervreemdingsverbod vordert. Uit de beschikking van de Antwerpse rechtbank van 28 december 2018 blijkt niet dat deze dit aspect in haar beoordeling heeft betrokken, en BCI stelt dit ook niet. In zoverre is het thans door [appellante] gestelde belang bij het door haar provisioneel gevorderde vervreemdingsverbod in de Belgische procedures niet beoordeeld, laat staan ongenoegzaam bevonden. In tegendeel, losgezien van het beslag (hoogdringendheid) vond de Antwerpse rechtbank kennelijk juist dat dat belang zich kon opdringen.
3.17.
In de onderhavige procedure voert [appellante] in essentie aan dat [erflater] en zij onder meer door middel van de hiervoor in 3.3, 3.6 en 3.7 genoemde betalingen meer dan € 1,6 miljoen hebben geïnvesteerd in de Belgische woning en het Haagse appartement (koopprijs totaal € 1.402.500), dat zij de (indirecte) eigendom daarvan nu kwijt lijkt te zijn, en geen zicht heeft op enige opbrengst. Zij kwalificeert deze gang van zaken als oplichting door [de bestuurder en diens vader] (mede met gebruikmaking van BCI). Het provisionele vervreemdingsverbod strekt ertoe dat het nog aanwezige (verhaals)actief (de Belgische woning) niet lopende de onderhavige procedure buiten (verhaals)bereik raakt. [appellante] stelt dat [erflater] en zij voor het Haagse appartement slechts huur hebben willen betalen vanwege het fiscale voordeel (eerder woonden zij er om niet), op basis van hun veronderstelling dat zij steeds rechthebbende waren met betrekking tot de aandelen in BCI en dat de huuropbrengsten dus ook (indirect) naar henzelf zouden vloeien. Voor zover de huurovereenkomst al als geldig zou worden aangemerkt, vraagt [appellante] om vernietiging vanwege de door haar gestelde oplichting, op grond van dwaling, bedrog en/of misbruik van omstandigheden. Op die grondslag vraagt zij ook om de restitutie van reeds betaalde huur.
3.18.
Inhoudelijk betwist BCI de gestelde oplichting, met name door erop te wijzen dat [appellante] als gevolg van de diverse transacties vorderingen heeft verkregen op Q Vastgoed (geldlening) en Green (koopprijs aandelen). [erflater] en [appellante] zijn volgens BCI dus niet opgelicht. Verder stelt BCI dat wat er ook zij van de door [appellante] gestelde oplichting, deze volgens de eigen stellingen van [appellante] niet anders dan op het niveau van de aandelen in BCI kan worden gesitueerd, en dat dat er niet aan kan afdoen dat [erflater] en [appellante] een huurovereenkomst met BCI hebben willen sluiten, en daartegenover ook gewoon het huurgenot hebben gehad. Of de huur vervolgens wel of niet (indirect) terug in hun eigen vermogen zou vloeien, staat daar volgens BCI los van.
3.19.
Het hof oordeelt hierover voorshands als volgt. BCI heeft tegenover de door [appellante] gestelde oplichting vooralsnog geen inzicht verschaft in de gegoedheid van haarzelf en van de door haar bestuurder/indirecte aandeelhouder [de bestuurder en diens vader] gecontroleerde vennootschappen Q Vastgoed en Green als debiteuren. Evenmin heeft zij, vooralsnog, een toelichting gegeven op de volgens haar op 31 maart 2014 gesloten overeenkomst van koop en verkoop van de aandelen BCI voor de koopprijs van € 160.000 die is omgezet in een achtergestelde lening, in het bijzonder de hoogte van die koopprijs, noch inzichtelijk gemaakt hoe de verkoopopbrengst van het Haagse appartement is aangewend. Verder is bepaald opmerkelijk te noemen dat door het verschil in rentepercentages tussen de financieringen [appellante] -Q Vastgoed enerzijds en Q Vastgoed-BCI anderzijds, Q Vastgoed daarop een marge kan maken van, sedert 1 januari 2016, € 44.786,25 op jaarbasis, en dat [appellante] € 10.000 per maand aan BCI zou hebben willen blijven betalen ondanks overdracht van de aandelen BCI aan Green, voor door haar levenspartner [erflater] te verrichten managementwerkzaamheden, die zelf daarvoor geen tegenprestatie ontving (van BCI). Dit roept zoveel vraagtekens op, dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het beroep van [appellante] op nietigheid dan wel een wilsgebrek ten aanzien van de diverse transacties, althans de huurovereenkomst met betrekking tot het Haagse appartement, in de hoofdzaak gegrond zal worden geoordeeld. Aan BCI moet worden toegegeven dat [erflater] en [appellante] tegenover de door hen voor het Haagse appartement betaalde huur daadwerkelijk huurgenot ontvingen, maar dat verklaart nog niet waarom zij de huurovereenkomst hebben gesloten. Eerder woonden zij er zonder huurbetaling, en [appellante] heeft aannemelijk gemaakt dat de huurovereenkomst pas ruim na de door BCI gestelde aandelenoverdracht van 31 maart 2014 is gesloten, en dat daaraan voor [erflater] en [appellante] fiscale motieven ten grondslag lagen. Het veronderstelde fiscale motief was evenwel betekenisloos zonder gerechtigdheid tot de aandelen in BCI.
3.20.
Een belangenafweging brengt mee dat de incidentele vordering zal worden toegewezen. Het belang van [appellante] om een verhaalsobject te hebben indien haar vorderingen in de hoofdzaak in de onderhavige procedure en/of in de Belgische procedures (afgezien van die ter verzekering waarvan er al beslag ligt) mochten worden toegewezen, spreekt voor zichzelf. Die onderliggende vorderingen acht het hof in dit kader voorshands voldoende aannemelijk. Het belang van BCI om de Belgische woning te kunnen vervreemden en, dientengevolge, de opbrengst naar eigen inzicht te kunnen aanwenden, weegt niet daartegenop.
3.21.
Het hof tekent hierbij aan dat het wel (meer) gewicht toekent aan het belang van BCI om de Belgische woning überhaupt te vervreemden, gelet op de kosten en het feit dat de leegstand daarvan niet bevorderlijk is voor de waarde-ontwikkeling ervan. [appellante] heeft er op zichzelf ook geen belang bij dat de Belgische woning als zodanig behouden blijft; het gaat haar om de (verhaalbare) vermogenswaarde ervan. Naar het voorlopig oordeel van het Hof ligt het daarom in de rede dat een incidenteel verzoek tot opheffing van het met dit arrest uit te spreken provisionele verbod zal worden toegewezen indien BCI zo een verzoek zou onderbouwen met een zakelijk voorstel tot verkoop en tot securering van de verkoopopbrengst ten behoeve van BCI en [appellante] gezamenlijk (zonder dat afbreuk wordt gedaan aan rechten van bestaande gelijk- en hoger gerangschikte derden-schuldeisers), totdat daarover tussen partijen ten gronde zal zijn beslist, of anderszins een voorstel tot aanwending van de opbrengst op een wijze die genoegzaam tegemoetkomt aan de (verhaals)belangen van [appellante] .
3.22.
[appellante] vraagt om een dwangsom “per dag”. Wat zij hiermee bedoelt, gegeven dat vervreemding, bezwaring en levering doorgaans éénmalige gebeurtenissen zijn, is het hof niet aanstonds duidelijk. Gelet op de aard van het gevraagde verbod ligt het naar het oordeel van het hof in de rede om een dwangsom per overtreding op te leggen. Het hof neemt bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom de hoogte van de aankoopprijs (een actuelere waarde-indicatie is niet voorhanden) in aanmerking. De beslissing over de kosten in het incident zal worden aangehouden.
4. In de hoofdzaak (voorts)
4.1.
Op basis van de (onweersproken) beschrijving van [appellante] van de lopende procedures in België (hiervoor, 3.9) is het hof voorshands van oordeel dat deze, of sommige ervan, in de zin van artikel 30 Brussel 1 bis samenhangen met de hoofdzaak in de onderhavige procedure. Dat geeft het hof de mogelijkheid om de hoofdzaak lopende die procedures aan te houden, voor zover althans die procedures aanhangig zijn gemaakt voorafgaand aan de aanhangigheid van de onderhavige procedure. Vanwege de veelheid aan procedures, terwijl bovendien, naar het zich laat aanzien, de door [appellante] gestelde oplichting zal moeten worden beoordeeld (mede) naar Belgisch recht, ligt het in de rede om een dergelijke aanhouding serieus te overwegen. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om zich nader over de lopende Belgische procedures uit te laten, in het bijzonder ook over de materiële reikwijdte van de burgerlijke partijstelling in het kader van de strafklacht tegen [de bestuurder en diens vader] (in hoeverre die zaak samenhangt met de onderhavige) (vgl. HvJEG 22 oktober 2015, zaak C-523/14, ECLI:EU:C:2015:722 (Aertssen c.s./VSB c.s.)), over het tijdstip van aanhangigheid van de diverse procedures, alsook over de wenselijkheid van aanhouding van de hoofdzaak in de onderhavige procedure.
4.2.
Volledigheidshalve vermeldt het hof dat een eventuele aanhouding als hiervoor in 4.1 bedoeld, niet behoeft te verhinderen dat een incidenteel verzoek zoals hiervoor in 3.21 bedoeld, wordt gedaan; ook overigens kan een aanhouding op de voet van artikel 30 Brussel 1 bis, al dan niet op verzoek, worden beëindigd.
4.3.
Het voorgaande laat vanzelfsprekend onverlet dat partijen eenstemmig kunnen vragen om doorhaling (totdat een partij deze weer opbrengt) van de onderhavige procedure.
5. Beslissing
Het hof
in het incident
- verbiedt BCI gedurende de looptijd van de onderhavige procedure in de hoofdzaak om over te gaan tot het bezwaren en/of vervreemden en/of leveren aan derden van de Belgische woning, op straffe van een dwangsom van € 960.000 per overtreding;
in de hoofdzaak
- verwijst de zaak naar de rol van 11 juni 2019 voor akte aan de zijde van beide partijen om zich uit te laten over wat is vermeld in 4.1; op de rolzitting van vier weken nadien kunnen partijen op elkaars aktes reageren;
in de hoofdzaak en in het incident
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, A.A. Muilwijk-Schaaij en J.N. de Blécourt en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2019 in aanwezigheid van de griffier.