HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498, r.o. 2.2.
HR, 16-04-2024, nr. 22/00931
ECLI:NL:HR:2024:595
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-04-2024
- Zaaknummer
22/00931
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:595, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑04‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:273
ECLI:NL:PHR:2024:273, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑03‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:595
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0075
Uitspraak 16‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Diefstal van geld met valse sleutel door huishoudelijke hulp bij bedlegerige vrouw door contant geld op te nemen en cadeaubonnen voor zichzelf te kopen met van vrouw verkregen bankpas en pincode, art. 311.1.5 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht. Verweer dat verdachte toestemming had om zich geld toe te eigenen. 2. Strafoplegging, strafmaximum. Kon hof geldboete van € 30.000 opleggen? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft geoordeeld dat verdachte niet gerechtigd was geld van bankrekening van vrouw te halen en zich toe te eigenen. In dat kader heeft hof geoordeeld dat het geen aanleiding ziet te twijfelen aan drie consistente verklaringen van vrouw daarover en dat er “geen begin van aannemelijkheid” is dat verdachte toestemming had voor toe-eigening van bedrag. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie verder niet worden getoetst. Ook als verdachte toestemming zou hebben gehad voor het overboeken van geldbedrag van spaarrekening naar lopende rekening van vrouw, wil dat nog niet zeggen dat verdachte toestemming had zich bedrag vervolgens toe te eigenen. Ad 2. HR ambtshalve: O.g.v. art. 311.1.5 jo. 23.4 Sr kan voor bewezenverklaarde diefstal met valse sleutel een geldboete van ten hoogte € 20.750 worden opgelegd. Door hof opgelegde geldboete van € 30.000 is hoger dan dit strafmaximum. ’s Hofs arrest kan daarom wat betreft strafoplegging niet in stand blijven. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing. CAG gaat niet in op strafmaximum.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00931
Datum 16 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 maart 2022, nummer 22-003398-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van de tenlastegelegde diefstal van geld met een valse sleutel. Het klaagt in het bijzonder over de verwerping door het hof van het verweer dat de verdachte toestemming had om zich het geld toe te eigenen.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 11.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof en beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Op grond van artikel 311 lid 1, aanhef en onder 5°, in samenhang met artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde, kan voor de door het hof bewezenverklaarde diefstal met een valse sleutel een geldboete van ten hoogste € 20.750 worden opgelegd. De door het hof opgelegde geldboete van € 30.000 is hoger dan dit strafmaximum. Het arrest van het hof kan daarom wat betreft de strafoplegging niet in stand blijven.
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024.
Conclusie 12‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Diefstal door middel van pinpas. Falend middel over gebruik verklaring aangeefster voor bewijs. Slagend middel over overschrijding inzendtermijn in cassatie. Conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde geldboete en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00931
Zitting 12 maart 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 16 maart 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens primair “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, en een geldboete van € 30.000,00 met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het middel klaagt over het gebruik als bewijs van de verklaring van de aangeefster die onder meer inhoudt dat zij de verdachte geen toestemming heeft gegeven om een bedrag van € 20.000 van haar spaarrekening naar haar lopende rekening over te schrijven om daarvan te pinnen. Deze vaststelling is volgens de stellers van het middel evenwel niet zonder meer begrijpelijk, omdat de verdediging heeft aangevoerd dat de aangeefster en de verdachte samen contact hebben gelegd met de Rabobank over deze overschrijving en een medewerker van de Rabobank daarover met de aangeefster heeft gesproken, waarna de overschrijving heeft plaatsgevonden.
4. Ten laste van de verdachte is primair bewezenverklaard dat:
“zij, in de periode van 3 juni 2019 tot en met 13 november 2019 te Vlaardingen en Rotterdam een hoeveelheid geld (in totaal 29.282,32 euro), die aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door middel van gebruik van de pinpas (en bijbehorende pincode) van die [slachtoffer] , tot het gebruik waarvan zij, verdachte, niet gerechtigd was.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 15 november 2019 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2019343745-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 16-18):
als de op 15 november 2019 afgelegde verklaring van [slachtoffer] :
Op maandag 8 april 2019 is [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , voor mij komen werken als hulp in huis. Ik had een goede band met [verdachte] en ik vertrouwde haar, ik heb haar daarom gevraagd om voor mij boodschappen te doen en geld op te nemen. Ik gaf haar mijn pinpas met bijbehorende pincode, zij pinde dan de boodschappen en als ik geld nodig had dan pinde zij dat voor mij.
[verdachte] was de enige die mijn pincodes wist. Ik heb [verdachte] toestemming gegeven om boodschappen te betalen met de pinpas en om contant geld op te nemen voor mij. Ik had namelijk ook contant geld nodig, ook om [verdachte] te betalen voor haar werkzaamheden. Aan ongeveer 1.000 euro contant in de maand zou ik genoeg hebben. Ik heb [verdachte] geen toestemming gegeven om meerdere bedragen op te nemen van mijn bankrekening.
Uit onderzoek naar mijn bankzaken blijkt dat vanaf 3 juni 2019 vreemde bedragen werden opgenomen van mijn rekening bij de ABN Amro met het rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van [slachtoffer] . Het viel op dat er elke keer 1250 euro opgenomen werd. In zeven dagen tijd al 3750 euro. Ik gebruik niet zoveel geld en ik heb er geen er toestemming voor gegeven.
Uit onderzoek bleek dat er na 9 augustus 2019 geld opgenomen was van mijn andere rekening bij de Rabobank. Dit rekeningnummer is [rekeningnummer 2] op naam van [slachtoffer] . Van deze rekening is ook veel geld opgenomen. Er is zonder toestemming 20.000 euro van mijn spaarrekening overgeschreven naar mijn betaalrekening. De medewerksters van de Rabobank bevestigden dat deze overschrijving door een mevrouw gedaan is die zich [verdachte] noemde.
2. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 8 januari 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2019343745-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 21-23):
als de op 8 januari 2020 afgelegde verklaring van [slachtoffer] :
V: Op welke dagen kwam zij dan?
A: Eerst op maandag en woensdag en later ook op donderdag en zaterdag.
V: Hoe ging dat dan met haar betalen?
A: Zij kreeg 50,00 euro per keer dat zij kwam.
V: Hoe betaalde je haar?
A: In het begin gaf ik het contant. Totdat mijn contante geld op was. Vanaf toen pinde zij het.
Zij blijkt veel meer te hebben gepind. Dat wist ik helemaal niet.
3. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 10 februari 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2019343745-33. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 210-212):
als de op 10 februari 2020 afgelegde verklaring van [slachtoffer] :
V: [verdachte] heeft verklaard dat zij met toestemming van u het geld had gepind en dat zij dit mocht houden, zodat zij ervan kon sparen. Zij mocht dan wekelijks 1.250,00 euro pinnen. Klopt dat?
A: O wat erg. Dat klopt zeker niet.
V: [verdachte] heeft verklaard dat zij een telefoon had gekocht van uw geld ten behoeve van uw zaken. Klopt dat?
A: Ik wist dat zij een nieuwe telefoon had gekocht. Dit had ze mij verteld en laten zien, maar ik wist niet dat die van mijn geld was gekocht. Daar heb ik nooit toestemming voor gegeven.
V: [verdachte] heeft verklaard dat u op de hoogte was dat zij cadeaubonnen kocht en dat zij daarvan kleding van u mocht kopen. Klopt dat?
A: Ik wist niet dat zij cadeaubonnen kocht, tot u mij dat vertelde. Ik heb ook nooit gezegd dat zij kleding mocht kopen.
V: Zij zou met uw toestemming 20.000,00 euro van uw spaarrekening hebben overgeschreven naar uw lopende rekening, zodat zij hier vanaf kon pinnen. Klopt dat?
A: Nee, dat is ook niet waar.
4. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 maart 2022 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Ik kreeg de beschikking over de pinpas van [slachtoffer] met de pincode om boodschappen te doen. Ik heb geldbedragen opgenomen. Op een gegeven moment heb ik de pinpas ook voor andere dingen dan de boodschappen gebruikt, zoals cadeaubonnen. Het klopt dat ik met behulp van de pinpas van [slachtoffer] ook kleding voor mij en dingen voor in mijn huis heb gekocht.
5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 februari 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2019343745-24. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 193-203):
als de op 10 februari 2020 afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik ging dat dus pinnen. Ik kon maximaal 1.250,00 euro per keer pinnen. Dit deed ik wekelijks.
Ik had twee pinpassen gekregen. Een van de Rabobank en een van de ABN Amro. Volgens mij gebruikte ik eerst de ABN Amro pas en later de Rabobank pas.
6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 januari 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2019343745-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 25-28):
Ik deed onderzoek naar de bijlagen die door de aangeefster bij haar aangifte werden gevoegd.
De bijlagen bestaan uit rekeningafschriften van de Rabobank ten name van [slachtoffer] te [plaats] . IBAN/Rekeningnummer: [rekeningnummer 2] .
Op maandag 12 augustus 2019 werd een bedrag van 20.000,00 euro bijgeschreven vanaf de spaarrekening van [slachtoffer] , [rekeningnummer 3] .
Op maandag 12 augustus 2019 om 14.50 uur werd er 800,00 euro opgenomen bij een Rabobank geldautomaat te Rotterdam.
(…)
Alle opnames zijn gedaan door middel van de pinpas met het pasnummer [001] .
Dit overzicht maakt een totaal van 21.184,32 euro wat door de verdachte zou zijn gepind en opgenomen.
7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 januari 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2019343745-12. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 45-46):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik deed onderzoek naar de afschriften van de ABN Amro bank ten name van [slachtoffer] te Vlaardingen.
IBAN/Rekeningnummer privérekening: [rekeningnummer 1] .
IBAN/Rekeningnummer vermogens spaarrekening: [rekeningnummer 4] .
Vanaf 3 juni 2019 is te zien dat er meerdere malen grote geldbedragen worden opgenomen en boodschappen worden betaald. Dit was eerder niet het geval.
Er zijn diverse malen geldbedragen opgenomen bij een ABN Amro pinautomaat, gevestigd te [plaats] .
Totaal opgenomen: 12.900,00 euro.
8. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 februari 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2019343745-45. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 235-236):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Om vast te stellen hoeveel geld de [verdachte] zich zonder toestemming van aangeefster [slachtoffer] zou hebben toegeëigend, heb ik de volgende berekening gemaakt:
Uit het proces-verbaal van bevindingen onder volgnummer -7 blijkt dat er in de periode van 11 augustus 2019 tot en met 13 november 2019 een totaalbedrag van 21.184.32 euro werd afgeschreven van de Rabobank rekening van aangeefster [slachtoffer] . Uit het proces-verbaal van bevindingen onder volgnummer -12 blijkt dat er in de periode van 3 juni 2019 tot en met 6 november een totaalbedrag van 12.900,00 euro werd afgeschreven van de ABN Amro rekening van aangeefster [slachtoffer] . Hier zijn kleine uitgaven welke duidelijk voor boodschappen waren buiten beschouwing gelaten.
Uit bovenstaande stel ik vast dat er in de periode van 3 juni 2019 tot en met 13 november 2019 een totaalbedrag van 34.084,32 euro werd opgenomen door [verdachte] vanaf de bankrekeningen van aangeefster [slachtoffer] .
Uit eerdere verklaringen van zowel de aangeefster als de verdachte blijkt dat de [verdachte] in beginsel contant betaald kreeg van aangeefster [slachtoffer] en dat zij na twee maanden de beschikking kreeg over de pinpas van aangeefster [slachtoffer] , daar het contante geld van aangeefster [slachtoffer] op was. Vanaf dit moment moest [verdachte] zelf het bedrag pinnen wat zij zou ontvangen van aangeefster [slachtoffer] . Zowel aangeefster als verdachte hebben verklaard dat de [verdachte] per dag dat ze bij aangeefster [slachtoffer] had gewerkt, 50 euro verdiende.
Zowel aangeefster als verdachte hebben verklaard dat de [verdachte] in beginsel twee dagen en later vier dagen werkte voor aangeefster [slachtoffer] . Omdat het onduidelijk is vanaf welke periode de verdachte vier dagen is gaan werken, wordt er in deze berekening vanuit gegaan dat de verdachte de gehele periode, vanaf het moment dat zij de beschikking kreeg over de pinpassen van aangeefster [slachtoffer] (3 juni 2019), vier dagen per week werkte.
De periode tussen 3 juni 2019 en 13 november 2019 telt 23 weken en drie dagen, naar boven afgerond op 24 weken.
24 weken x 4 werkdagen = 96 werkdagen.
96 werkdagen x 50 euro = 4.800 euro.
De verdachte had recht op maximaal: 4.800 euro.
De verdachte heeft opgenomen: 34.084,32 euro.
34.084,32 - 4.800,00 = 29.282,32 euro.
Hieruit stel ik vast dat de verdachte 29.282,32 meer had opgenomen dan waarvoor zij toestemming zou hebben.”
6. Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“Het hof is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte niet gerechtigd is geweest om het bewezenverklaarde geldbedrag van de bankrekening van aangeefster te halen en aan zichzelf toe te eigenen. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de drie consistente verklaringen die aangeefster hierover heeft afgelegd en is van oordeel dat er geen begin van aannemelijkheid is dat – zoals de verdediging heeft aangevoerd – sprake zou zijn geweest van toestemming voor de toe-eigening van het geldbedrag.”
7. Het middel is gebaseerd op een door de verdediging gevoerd verweer over de overschrijving van € 20.000 van de spaarrekening naar de lopende rekening van de aangeefster. De verdachte heeft hierover ter terechtzitting van het hof verklaard:
“Ze [ [slachtoffer] , D.P.] wist echt van alle transacties af. Dit blijkt ook uit de e-mail die ik stuurde naar de medewerker van de Rabobank, daar staat namelijk heel specifiek in dat er contact kon worden opgenomen met [slachtoffer] zelf.
U vraagt mij hoe het overmaken van het bedrag van € 20.000,- is gegaan.
Dat is via mijn telefoon gegaan en daar zijn e-mails over gestuurd zoals ik al heb uitgelegd.
Het klopt niet dat [slachtoffer] geen overzicht meer had over haar rekening. Elke week kwamen namelijk de afschriften binnen. Ik heb gelezen dat ze die ook had overhandigd aan de politie. Ze had alle stukken. Ze was hartstikke scherp. Alle bedragen zijn samen met haar overgemaakt.
[slachtoffer] , [betrokkene 1] en ik hebben destijds met z’n drieën in de woonkamer gezeten. [betrokkene 1] zei dat ze eigenlijk de pinpas niet mocht geven, want ik moest gemachtigd worden. Maar dat wilde [slachtoffer] niet, en toen zag [betrokkene 1] het door de vingers. Ik weet niet precies waarom [slachtoffer] niet wilde dat het via een volmacht zou gaan. Ze deed alles uit emotie. Ze vond het niet veilig het zwart op wit te zetten. De euthanasieverklaring was een heel proces geweest dat maanden heeft geduurd. Elke week is haar gevraagd om het goed te regelen.
Ik begrijp wel dat [betrokkene 1] dit niet zo heeft kunnen verklaren, maar het is wel echt zo gegaan.”
8. De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof verder aangevoerd:
“De verklaring van [betrokkene 1] bevestigt dat cliënte zuiver was in haar bedoeling. Dit kan ook worden opgemaakt uit de e-mail van 12 augustus 2019. Cliënte heeft niet langs [slachtoffer] gewandeld, maar heeft het voor haar geregeld. Telkens in opdracht van haar. Ze faciliteerde [slachtoffer] bij de bancaire aangelegenheden. Uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt dat zij wist van de situatie van [slachtoffer] . Er werd dus niets versluierd. Het is dan ook onduidelijk hoe [betrokkene 1] wist dat [slachtoffer] geen toestemming had gegeven dat iemand anders gebruik maakte van haar pinpas, zoals ze heeft verklaard op 11 februari 2020. [betrokkene 1] heeft haar eigen hachje willen redden door niet te verklaren dat ze door de vingers heeft gezien dat cliënte gebruik maakte van de pinpas van [slachtoffer] zonder dat daarvoor een volmacht was verleend.”
9. Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. De rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behalve in bijzondere gevallen. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan de Hoge Raad onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn.1.
10. Het hof heeft geoordeeld dat op basis van de bewijsmiddelen kan worden bewezenverklaard dat de verdachte niet gerechtigd is geweest om het bewezenverklaarde geldbedrag van de bankrekening van de aangeefster te halen en zichzelf toe te eigenen. Het hof heeft in dat kader geoordeeld dat het geen aanleiding ziet te twijfelen aan de drie consistente verklaringen van de aangeefster daarover en dat er “geen begin van aannemelijkheid” is dat de verdachte toestemming had voor de toe-eigening van het geldbedrag. Het oordeel komt er dus op neer dat het hof niet meegaat met het betoog van de verdediging dat de verdachte zuiver was in haar bedoeling en slechts in opdracht van aangeefster heeft gehandeld.
11. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie verder niet worden getoetst. Het verweer van de verdediging kan daaraan niet afdoen. Ook als de verdachte toestemming zou hebben gehad voor het overboeken van het geldbedrag van de spaarrekening naar de lopende rekening van de aangeefster, wil dat nog niet zeggen dat zij ook toestemming had zich het bedrag vervolgens toe te eigenen. Juist daarop zien de bewezenverklaring en de verklaringen van de aangeefster.
12. Het middel faalt.
Het tweede middel
13. Het middel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
14. Op 16 maart 2022 is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 31 augustus 2023 door de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim negen maanden overschreden. Omdat dit niet meer kan worden hersteld door een voortvarende afdoening, moet strafvermindering volgen. Omdat de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk is opgelegd, zal dit dienen te leiden tot vermindering van de geldboete.2.
15. Het middel slaagt.
Slotsom
16. Het eerste middel faalt. Omdat de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en het middel over de bewezenverklaring gaat, ligt niet voor de hand het middel af te doen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.3.Het tweede middel slaagt.
17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑03‑2024
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.6.2.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.5.