Hof Den Haag, 14-10-2022, nr. 22-003450-21
ECLI:NL:GHDHA:2022:3046, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
14-10-2022
- Zaaknummer
22-003450-21
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2022:3046, Uitspraak, Hof Den Haag, 14‑10‑2022; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:718, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Uitspraak 14‑10‑2022
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in heroïne en daarnaast aan witwassen. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
PROMIS
Rolnummer: 22-003450-21
Parketnummers: 10-197468-21 en 10-207921-20 (TUL)
Datum uitspraak: 14 oktober 2022
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 november 2021 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
BRP-adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, alsmede tot een geldboete ter hoogte van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen hechtenis. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent het in beslag genomen voorwerp - te weten een geldbedrag - alsmede omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen met een ander, althans alleen,
van één of meerdere voorwerpen (een geldbedrag van in totaal ongeveer 13.000 euro),
- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of
- heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende(n) op dit voorwerp/geld c.q. deze voorwerpen is/zijn en/of
- dit voorwerp/geld c.q. deze voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden,
dat dit voorwerp/geld c.q. die voorwerpen,
onmiddellijk of middellijk,
afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
2.hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten
het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) voorwerpen en stoffen voorhanden gehad, te weten diverse geldbedragen (in totaal ca. 13.000 euro) en/of ongeveer 8000 gram heroïne en/of een personenauto (merk Renault, type Clio, kenteken [kenteken]) en/of meerdere bigshoppers en/of doorzichtige plastic zakken en/of emmers en/of kwasten en/of een weegschaal en/of een pers en/of mondkapjes en/of een versnijdingsspatel, waarvan hij, verdachte wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het delict;
3.hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 8000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, alsmede tot een geheel onvoorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 10.000,-.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Nadere bewijsoverweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het witwassen, noch dat hij wetenschap heeft gehad dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke zin, heroïne aanwezig heeft gehad, nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist van de heroïne in de kelderbox noch dat de heroïne zich in de machtssfeer van de verdachte bevond. De verdediging stelt zich in het verlengde daarvan op het standpunt dat ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde de voorbereidingshandelingen niet bewezen kunnen worden verklaard, nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte hier (voorwaardelijk) opzet op heeft gehad.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat op 22 juli 2021 om 21:25 uur er aan de verbalisanten een melding werd uitgegeven betreffende de [adres] te Rotterdam. Op dat adres zouden zich personen in een kelder bevinden. Die personen zouden steeds in en uit lopen met tassen. Voorts zou er een persoon op wacht staan en zou er mogelijk worden gedeald. De verbalisanten begaven zich vervolgens naar het gemelde adres. Om 21:35 uur kwamen de verbalisanten ter plaatse. In de daaropvolgende 14 minuten heeft de politie zicht gehad op de deur van de kelderbox van [adres]. In die periode heeft de politie niemand in of uit de deur zien lopen. Omstreeks 21:49 uur werd voor de politie de kelderbox door een man geopend. Na opening van de deur bleek dat het licht uit was. Er werd een drietal personen aangetroffen, onder wie de verdachte. De drie personen wilden gelijk naar buiten lopen.
Naast de drie personen werden voorts in de kelderbox, op het zadel van een fiets, drie grote stapels geld aangetroffen, ter waarde van € 13.000,00. Deze stapels geld bestonden uit coupures van twintig euro. Daarnaast werd een residu van bruin poeder aangetroffen en diverse big shoppers, waarvan aan de politie ambtshalve bekend is dat deze gebruikt worden voor het bewaren en/of verplaatsen van verdovende middelen. Voorts troffen de verbalisanten - in het zicht - diverse attributen aan voor het verwerken van verdovende middelen, zoals doorzichtige plastic zakken, kwasten, een weegschaal en een pers. Na verdere doorzoeking werd ongeveer 8000 gram heroïne aangetroffen.
Het hof overweegt dat in de kelderbox voorwerpen zijn aangetroffen die gebruikt kunnen worden bij het bewerken, verwerken, vervoeren of verkopen van drugs. Deze voorwerpen lagen in het zicht. Naar het oordeel van het hof had de kelderbox aldus, voor iedere neutrale waarnemer, de uiterlijke verschijningsvorm van een locatie waar de handel in drugs plaatsvond en/of werd voorbereid. Zelfs bij een zeer kortstondig verblijf in de kelderbox zou dit bijzondere karakter zich onvermijdelijk meedelen aan wie er ook maar zou binnentreden. Voorts is in de kelderbox een geldbedrag van € 13.000,00 aangetroffen, in coupures van € 20,00, en een partij heroïne van 8000 gram. Het is een feit van algemene bekendheid dat met de handel in verdovende middelen inkomsten worden gegenereerd en dat die inkomsten voornamelijk bestaan uit contant geld in kleine coupures. Het is ook algemeen bekend dat bij het voorhanden hebben van zoveel contant geld en drugs bij voorkeur geen buitenstaanders worden betrokken.
De – in elk geval: minutenlange – aanwezigheid van de verdachte in de kelderbox onder de bovenvermelde omstandigheden, dwingt naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat het geld en de voorwerpen bestemd waren voor handelingen met de heroïne als bovenvermeld en ook dat zijn opzet gericht was op het voorbereiden of het bevorderen van handelingen met de heroïne (feit 2). Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte heeft kunnen beschikken over heroïne, het geld en de betreffende voorwerpen die kunnen worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 10 lid 4 van de Opiumwet. Ook heeft de verdachte daarover feitelijke macht kunnen uitoefenen (feit 3).
Het hof neemt daarbij eveneens in aanmerking dat de verdachte en medeverdachten gelijk de kelderbox uit wilden gaan, op het moment dat de deur werd geopend en dat op het moment van het openen van de deur het licht uit was.
Voorts is het hof van oordeel dat de omstandigheden waaronder de verdachte is aangetroffen, in combinatie met de hiervoor genoemde feiten van algemene bekendheid, de conclusie wettigen dat de verdachte het in de kelderbox aangetroffen geld door de handel in heroïne en daarmee uit eigen misdrijf heeft verkregen (feit 1).
Het hof is van oordeel dat de hiervoor genoemde gedragingen van verdachte de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten opleveren. Voor dit alles, redengevend voor het bewijs van medeplegen, heeft verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven. De bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Derhalve acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een anderen, althans alleen,
van één of meerdere voorwerpen (een geldbedrag van in totaal ongeveer 13.000 euro),
- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of
- heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende(n) op dit voorwerp/geld c.q. deze voorwerpen is/zijn en/of
- dit voorwerp/geld c.q. deze voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en zijn mededaders wisten dan wel redelijkerwijs moest vermoeden,
dat dit voorwerp/geld c.q. die voorwerpen,
onmiddellijk of middellijk,
afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
2. hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten
het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, en gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) voorwerpen en stoffen voorhanden gehad, te weten diverse geldbedragen (in totaal ca. 13.000 euro) en/of ongeveer 8000 gram heroïne en/of een personenauto (merk Renault, type Clio, kenteken [kenteken]) en/of meerdere bigshoppers en/of doorzichtige plastic zakken en/of emmers en/of kwasten en/of een weegschaal en/of een pers en/of mondkapjes en/of een versnijdingsspatel, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het delict;
3. hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 8000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan de handel in
heroïne en daarnaast aan witwassen. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Ten slotte leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
1 september 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten.
Voorts heeft het hof in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. De verdachte heeft verklaard dat hij door een schietpartij lichamelijke klachten heeft opgelopen, waardoor hij pijn heeft in zijn buik en rug.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Verzoek opheffing geschorste bevel voorlopige hechtenis
Namens de verdachte is verzocht om opheffing van het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis omdat de ernstige bezwaren ontbreken en omdat voor de voorlopige hechtenis geen gronden aanwezig zijn en omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof is van oordeel – anders dan namens de verdachte is gesteld – dat de ernstige bezwaren en gronden onverminderd aanwezig zijn. Mede gelet op dit veroordelend arrest ziet het hof derhalve geen reden om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen wegens het ontbreken van ernstige bezwaren of gronden.
Voorts is het hof van oordeel dat zich – mede gelet op het veroordelend vonnis - thans niet de situatie voordoet zoals bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en ziet derhalve ook daarin niet een reden om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.
Vordering tenuitvoerlegging
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2021 onder parketnummer 10-207921-20 is de verdachte – voor zover van belang - veroordeeld tot een gevangenisstraf 1 maand met proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, gevorderd dat de gevangenisstraf omgezet zal worden naar een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 1 maand vervangende hechtenis.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.
In plaats daarvan zal het hof evenwel - gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken - een taakstraf voor de duur van 60 uren gelasten.
Beslag
Het hof zal het op de beslaglijst vermelde onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 1.045,00 – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – verbeurd verklaren, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en het is bestemd tot het begaan van de misdrijven.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 23, 24, 24c, 33, 33a, 47, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van
€ 10.000,00 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een geldbedrag van € 1.045,00.
Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2021 met parketnummer 10-207921-20, te weten een Gevangenisstraf 1 maand met proeftijd van 2 jaren, een
taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 1 (één) maand hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. V. Mul, mr. E.A. Lensink en mr. G.C. Haverkate, in bijzijn van de griffier mr. M. Rouw.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 oktober 2022.
Mr. V. Mul is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.