Rb. Midden-Nederland, 06-03-2024, nr. C/16/567355 / KL ZA 23-335
ECLI:NL:RBMNE:2024:1329
- Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
- Datum
06-03-2024
- Zaaknummer
C/16/567355 / KL ZA 23-335
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBMNE:2024:1329, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 06‑03‑2024; (Kort geding)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2024:543
ECLI:NL:RBMNE:2024:543, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 05‑02‑2024; (Kort geding, Tussenuitspraak)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2024:1329
Uitspraak 06‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Na akte van het COA na het tussenvonnis voldoende aannemelijk dat voor de baby van gedaagde geen acute noodsituatie zal ontstaan bij ontruiming. Gevorderde ontruiming toegewezen met langere ontruimingstermijn.
Partij(en)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
handelskamer
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/567355 / KL ZA 23-335
Vonnis in kort geding van 6 maart 2024
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,
gevestigd te Den Haag,
eiseres,
advocaat: mr. F. van der Lecq te ‘s-Gravenhage,
tegen
[gedaagde] voor zich en in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarig kind [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2023),
verblijvend in het asielzoekerscentrum te [plaats] ,
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna het COA en [gedaagde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Na de akte van het COA na het tussenvonnis stelt de voorzieningenrechter vast dat voldoende aannemelijk is dat voor de baby van [gedaagde] geen acute noodsituatie zal ontstaan bij ontruiming. De voorzieningenrechter zal daarom de ontruiming toewijzen en daarbij de ontruimingstermijn bepalen op zes weken. [gedaagde] zal verder worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Deze beslissingen worden toegelicht onder punt 3.
2. De (verdere) procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 5 februari 2024.
Daarin is het COA in de gelegenheid gesteld om een nadere akte te nemen. [gedaagde] heeft daarop bij brief gereageerd. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter vonnis bepaald op vandaag.
3. De verdere beoordeling
Ontruiming
3.1.
In het tussenvonnis is al geoordeeld dat de gevorderde ontruiming in beginsel toewijsbaar is. Verder is overwogen dat de voorzieningenrechter ook rekening moet houden met het zwaarwegend belang van het kind bij onderdak, zeker omdat het gaat om een baby van nu circa negen maanden oud. Voldoende aannemelijk moet zijn dat er geen acute noodsituatie zal ontstaan doordat de baby door de ontruiming dakloos raakt. Daarom is het COA in de gelegenheid gesteld om zich daarover uit te laten.
3.2.
Het COA heeft in dat verband bij akte onder andere het volgende gesteld.
De verantwoordelijkheid voor het welzijn van het kind geldt voor zowel voor de moeder ( [gedaagde] ) als de vader. Om een acute noodtoestand te voorkomen zou het kind – tijdelijk (ook al is dit niet ideaal) – bij de vader ondergebracht kunnen worden tot [gedaagde] een oplossing heeft gevonden, zo nodig met behulp van hulpverlenende instanties. Verder heeft het COA een overzicht gegeven van hulporganisaties die [gedaagde] kan benaderen. Daarnaast kan zij bij de GGD Flevoland een aanvraag doen voor nood- of crisisopvang.
3.3.
[gedaagde] heeft in haar brief wederom spijt betuigd en gevraagd om een tweede kans, maar daarvoor is het te laat (zoals in het tussenvonnis is overwogen onder 4.6).
3.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het COA (nu) voldoende gemotiveerd en concreet heeft aangegeven tot welke hulpverlenende instanties [gedaagde] zich kan wenden om te voorkomen dat haar kind bij een ontruiming in een acute noodsituatie terecht zal komen. Verder heeft het COA aangegeven dat rekening kan worden gehouden met de belangen van het kind door een ruimere ontruimingstermijn te hanteren dan gevorderd.
3.5.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de gevorderde ontruiming toewijzen en de ontruimingstermijn bepalen op zes weken na betekening van dit vonnis.
Proceskosten
3.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het COA worden begroot op:
- dagvaarding € 129,86
- griffierecht € 668,00
- salaris gemachtigde € 697,00
- nakosten € 173,00 + plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 1.667,86
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om de bij haar in gebruik zijnde ruimte in het AZC te [plaats] aan de [adres] , of elke andere door het COA verzorgde opvanglocatie, binnen zes wekenna betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan haar toebehoren en niet aan het COA;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.667,86, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 90,00 extra betalen, plus de betekeningskosten;
4.3.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst af wat er meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2024.
4578
Uitspraak 05‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Het COA vordert in kort geding ontruiming van een vergunninghouder met haar baby uit het AZC, omdat zij een passende woning heeft geweigerd. De voorzieningenrechter stelt het COA in de gelegenheid om nadere informatie te verschaffen omdat onvoldoende kan worden vastgesteld dat bij ontruiming geen noodsituatie zal ontstaan voor de baby. Artikel 3 IVRK.
Partij(en)
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
handelskamer
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/567355 / KL ZA 23-335
Vonnis in kort geding van 5 februari 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,
gevestigd te Den Haag,
eiseres,
advocaat: mr. F. van der Lecq te ‘s-Gravenhage,
tegen
[gedaagde] voor zich en in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarig kind [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2023),
verblijvend in het asielzoekerscentrum te [plaats 1] ,
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna het COA en [gedaagde] genoemd.
1. De zaak in het kort
1.1.
[gedaagde] verblijft met haar baby in een asielzoekerscentrum (hierna: het AZC).Zij heeft een verblijfsvergunning gekregen, waardoor zij haar recht op opvang in het AZC verliest en in aanmerking komt voor huisvesting. Aan een vergunninghouder wordt eenmalig een passende woning aangeboden. [gedaagde] heeft de aangeboden woning echter niet geaccepteerd. Daarom heeft het COA [gedaagde] gesommeerd om het AZC te verlaten.
[gedaagde] is niet vertrokken.
1.2.
Het COA vordert nu dat de bij [gedaagde] in gebruik zijnde verblijfsruimte in het AZC wordt ontruimd, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
1.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat nadere informatie van het COA nodig is om in dit kort geding tot een eindbeslissing te komen. Dit oordeel wordt onder punt 4 toegelicht.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 27 december 2023.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 januari 2024. Namens het COA zijn verschenen mr. F. van de Lecq en mr. [A] . [gedaagde] is verschenen in persoon, samen met haar baby. Het COA heeft een pleitnota overgelegd. [gedaagde] heeft een brief overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. Waar de zaak over gaat
Inleiding
3.1.
[gedaagde] heeft de Eritrese nationaliteit. Zij verblijft momenteel met [minderjarige] , haar circa acht maanden oude baby (hierna: de baby), in ruimte [ruimte] van het AZC aan de [adres 1] in [plaats 1] . Haar relatie met de vader van de baby was kortstondig en is inmiddels geëindigd. De vader van de baby woont in [plaats 2] met zijn eigen (andere) gezin.
3.2.
Op 4 juli 2023 heeft [gedaagde] , (met terugwerkende kracht) met ingang van 29 maart 2022, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: VBT) gekregen. Hierdoor komt [gedaagde] in aanmerking voor huisvesting. In dat verband heeft op 17 juli 2023 het huisvestingsgesprek plaatsgevonden tussen het COA en [gedaagde] . Daarbij was telefonisch een tolk aanwezig.
3.3.
Op 10 oktober 2023 is aan [gedaagde] een woning aangeboden aan de [adres 2] te [plaats 3] (hierna: de woning). [gedaagde] heeft de woning na de bezichtiging geweigerd. Op 17 en 24 oktober 2023 zijn woningweigeringsgesprekken gevoerd tussen het COA en [gedaagde] , waarbij ook een tolk (telefonisch) aanwezig was. Daarbij is [gedaagde] (nogmaals) gewezen op de gevolgen van haar weigering: namelijk de beëindiging van de verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekking asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: Rva), waaronder het recht op onderdak, geld en verzekeringen. [gedaagde] is echter niet (tijdig) teruggekomen op haar woningweigering.
3.4.
Bij brief van 9 november 2023 is [gedaagde] gesommeerd om het AZC, samen met haar baby, te verlaten. [gedaagde] heeft niet aan deze sommatie voldaan.
Daarom is het COA dit kort geding gestart.
Wat wil het COA?
3.5.
Het COA vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot ontruiming van de bij haar in gebruik zijnde verblijfsruimte in het AZC binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.6.
Ter onderbouwing stelt het COA dat het recht op opvang van [gedaagde] van rechtswege is geëindigd, omdat zij een aanbod tot passende huisvesting heeft geweigerd (artikel 7 lid 1 sub a Rva). Hierdoor verblijft [gedaagde] momenteel zonder recht of titel in het AZC. Dit is onrechtmatig tegenover het COA.
3.7.
[gedaagde] voert verweer.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
Van een spoedeisend belang van het COA bij haar vordering is voldoende gebleken, gelet op de aard van de gevraagde voorziening, namelijk het beëindigen van het (gestelde) onrechtmatig gebruik van de verblijfsruimte in het AZC door [gedaagde] en haar baby.
Ontruiming
4.2.
Toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding heeft verstrekkende en veelal onomkeerbare gevolgen. Daarom is vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter in een bodemprocedure de vordering tot ontruiming ook zal toewijzen en dat het van de eisende partij niet kan worden gevergd dat de uitkomst van een bodemprocedure wordt afgewacht.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat het noodzakelijk en begrijpelijk is dat het COA, gelet op de uitvoerbaarheid, de druk op de capaciteit van de opvangcentra, de krapte op de woningmarkt en de politiek maatschappelijke belangen, strikte regels hanteert. Die regels houden in dat aan een vergunninghouder éénmalig passende woonruimte wordt aangeboden. Weigering van een passende woning leidt in beginsel tot beëindiging van de opvang in het AZC (artikel 7 lid 1 sub a Rva).
4.4.
Beoordeeld moet worden of het COA in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de woning voor [gedaagde] passend is. Het COA meent van wel. Volgens [gedaagde] is de woning echter te klein en onveilig voor haar kind, maar de voorzieningenrechter gaat hier niet in mee. Het gaat immers om een appartement (op de begane grond) met een totale woonoppervlakte van 51 m2, met onder meer een woonkamer, twee slaapkamers, een berging en een tuin. Ter vergelijking: haar verblijfsruimte in het AZC is slechts 12 m2.Verder achten ook de gemeente [gemeente] en de woningcorporatie de woning passend voor twee tot drie personen (productie 5). Na toetsing van de door [gedaagde] opgeworpen bezwaren blijft het COA bij het standpunt dat de aangeboden woning passend is. Ook daarom valt niet in te zien waarom [gedaagde] hier niet met haar baby – in ieder geval tijdelijk – zou kunnen wonen. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat de open keuken onveilig is voor haar kind, vooral als hij later wat groter is en al kan lopen en spelen. Daargelaten dat dit iets voor de verdere toekomst is, zijn hiervoor eenvoudige oplossingen te bedenken, bijvoorbeeld door het plaatsen van een kinderhekje. Andere door [gedaagde] aangevoerde argumenten zijn te beschouwen als subjectieve woonwensen en daar hoeft het COA geen rekening mee te houden. Die subjectieve woonwensen vormen geen grond voor woningweigering. [gedaagde] had – zoals het COA haar ook meermaals heeft geadviseerd – de woning kunnen accepteren om daarna vanuit die woning (verder) te zoeken naar een andere woning die beter aansluit op haar persoonlijke wensen en verwachtingen.
4.5.
Gelet op het voorgaande wordt door de voorzieningenrechter uitdrukkelijk onderschreven dat het COA een passende woning heeft aangeboden. Omdat [gedaagde] de woning heeft geweigerd, betekent dit dat [gedaagde] geen recht meer heeft op de verstrekkingen op grond van de Rva en dat zij dus het AZC in beginsel moet verlaten (artikelen 9 lid 1 en 7 lid 1 sub a Rva).
4.6.
De voorzieningenrechter begrijpt dat [gedaagde] inmiddels spijt heeft van haar woningweigering, maar dat is nu een gepasseerd station. [gedaagde] heeft voldoende gelegenheid gehad om de woning alsnog te accepteren, maar zij is – ook na twee woningweigeringsgesprekken, waarin zij weer is gewaarschuwd voor de gevolgen – niet op de weigering teruggekomen. Bovendien is de woning ondertussen al vergeven aan een ander.
Het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind(hierna: IVRK)
4.7.
Artikel 3 lid 1 IVRK, dat rechtstreekse werking heeft, schrijft voor dat de belangen van het kind een eerste overweging moeten zijn bij alle maatregelen betreffende kinderen.
4.8.
Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] , als ouder, zelf verantwoordelijk is voor de gevolgen van haar weigering van een passende woning, ook tegenover haar kind. Ook de verantwoordelijkheid voor het welzijn van haar kind ligt, in de eerste plaats, bij [gedaagde] zelf.
Dat het welzijn van het kind de verantwoordelijkheid is van de ouder(s) doet echter niet toe of af aan de verantwoordelijkheid van de rechter om conform artikel 3 IVRK het belang van het kind als een zwaarwegend belang mee te wegen. Er zijn echter hulpverlenende instanties die ingeschakeld (kunnen) worden. Om die reden moet niet te snel worden aangenomen dat de betrokkenheid van een kind aan toewijzing van een ontruiming in de weg staat. Dit zal bijvoorbeeld wel het geval kunnen zijn wanneer de ontruiming tot een acute noodtoestand voor het kind zou leiden.
4.9.
De voorzieningenrechter zal zich dus – zeker in dit geval, omdat het om een baby van slechts 8 maanden oud gaat – voldoende rekenschap moeten geven van het zwaarwegende belang van het kind bij onderdak en voldoende zeker moeten weten dat er geen acute noodsituatie zal ontstaan doordat een baby dakloos wordt.
4.10.
Het COA heeft in dit verband desgevraagd niet concreet kunnen aangeven welke maatregelen er genomen zijn of worden – al dan niet in samenspraak met de Raad voor de kinderbescherming, de gemeente, of andere instanties – om te voorkomen dat de baby in een noodsituatie komt te verkeren. De juistheid van de stelling van het COA dat de baby bij de vader terecht kan blijkt nergens uit. Niet alleen woont de vader met zijn eigen (andere) gezin, bovendien is de baby scheiden van de moeder vooralsnog geen reële optie. Het COA heeft desgevraagd slechts verklaard dat de situatie nu wordt gemonitord door verschillende organisaties, maar dat is onvoldoende concreet.
4.11.
Daarom kan de voorzieningenrechter, op basis van de nu beschikbare stukken, niet met voldoende zekerheid vaststellen dat en door wie de nodige opvang en hulp voor de baby daadwerkelijk zal worden geboden (en dat dus geen noodsituatie voor de baby zal ontstaan) als de ontruiming wordt toegewezen.
Nadere informatie
4.12.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het COA in de gelegenheid stellen om zich nader uit te laten over door wie en welke voorzieningen zijn of zullen worden getroffen om te voorkomen dat de baby in een noodsituatie belandt bij ontruiming. In dat kader moet het COA nadere informatie verschaffen, bijvoorbeeld door concrete informatie op te vragen bij de betrokken gemeente en/of maatschappelijke organisaties.
4.13.
Daarna zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld om binnen twee weken bij antwoordakte op de akte van het COA te reageren.
Overig
4.14.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
stelt het COA in de gelegenheid om uiterlijk op 19 februari 2024 een akte te nemen zoals overwogen in rechtsoverweging 4.12;
5.2.
bepaalt dat [gedaagde] daarna in de gelegenheid zal worden gesteld om binnen twee weken bij antwoordakte op de akte van het COA te reageren;
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2024.
4578