Bijv. HR 8 september 2009, LJN BI4080.
HR, 20-12-2011, nr. 10/05113
ECLI:NL:HR:2011:BU3597
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-12-2011
- Zaaknummer
10/05113
- Conclusie
Mr. Machielse
- LJN
BU3597
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BU3597, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BU3597
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2010:BO4253, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2011:BU3597, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑11‑2011
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BO4253
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BU3597
- Vindplaatsen
Uitspraak 20‑12‑2011
Inhoudsindicatie
Voorbedachte raad. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte haar dochtertje van het leven heeft beroofd en dat voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte daartoe haar dochtertje azijnessence heeft toegediend, althans daarmee een begin heeft gemaakt. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte haar eigen eventuele dood telkens verbindt met de dood van haar dochtertje en heeft het mede op grond daarvan niet aannemelijk geoordeeld dat de verdachte in een opwelling heeft gehandeld. Hierin ligt besloten dat het Hof niet aannemelijk heeft geacht de mogelijkheid dat verdachtes handelingen met betrekking tot het flesje azijnessence slechts verband hielden met haar voorgenomen zelfmoord. Voor zover het middel klaagt dat het Hof deze mogelijkheid heeft opengelaten, mist het feitelijke grondslag.
20 december 2011
Strafkamer
nr. 10/05113
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 november 2010, nummer 23/002825-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Utrecht, locatie Nieuwersluis" te Nieuwersluis.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring van de voorbedachte raad ontoereikend is gemotiveerd, nu het Hof de in hoger beroep aangevoerde en met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid dat verdachtes handelingen met betrekking tot het flesje azijnessence slechts verband hielden met haar voorgenomen zelfmoord, open heeft gelaten.
2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"zij op 15 januari 2008 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade haar dochtertje [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] een hoeveelheid azijnzuur toegediend en/of de keel van [slachtoffer] dichtgeknepen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."
2.2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2010 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:
"Geen voorbedachten rade
12. In de appelschriftuur heeft het openbaar ministerie voorts nog enkele andere omstandigheden aangedragen die het bewijs voor voorbedachten rade zouden moeten ondersteunen. Zo wordt het pakken van het flesje van de bovenste plank van het keukenkastje relevant geacht en uitgebreid geanalyseerd. Echter, de suïcidepoging van cliënte (inname van azijnzuur), brengt in dit verband mee dat het niet opportuun is dit keukenkastjes-scenario verder te ontrafelen.
Immers vanwege de poging is er een aannemelijke verklaring voor het pakken van de azijn ten behoeve van haarzelf. Het aantreffen van het mes op de wasmachine - dat overigens niet is gebruikt (!) - kan evenzo aan de suïcideneigingen van cliënte worden toegeschreven en vormt evenmin het doorslaggevende bewijs voor de vermeende voorbedachten rade ten aanzien van de dood van haar dochter.
13. Zoals betoogd heeft cliënte reeds in één van haar eerste verhoren verklaard dat zij handelde in een opwelling (verhoor ibs, 18.01.2008). Ook uit haar uitgebreidere rc-verhoor van 25 juni 2008 valt af te leiden dat de wurging snel is gegaan en zonder veel tegenstribbeling. In de gedragskundige rapportages wordt cliënte het veelzeggende begrip 'agressieve impulsdoorbraak' toegedicht. De indruk is ontstaan dat de agressie voortvloeit uit intense wanhoop. Cliënte heeft tegenover de rapporteurs bevestigd dat zij in relationele conflicten erg boos kan worden en dan de controle over zichzelf kortdurend kan verliezen.
14. Het is al decennia vaste rechtspraak dat voorbedachten rade het tegenovergestelde is van een gemoedsopwelling. Het door de gedragsdeskundigen gehanteerde begrip 'impulsdoorbraak' is in dit verband veelzeggend. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt evenwel dat zelfs bij een relatief korte tijd tussen het bedenken en uitvoeren reeds sprake kan zijn van voorbedachten rade (HR NJ 2002, r.o. 3.5). Nu cliënte daarover geen helderheid heeft kunnen verschaffen, omdat zij zich één en ander niet herinnert, is het voor de rechter niet mogelijk om vast te stellen of cliënte zich heeft bezonnen en of zij de reikwijdte en betekenis van haar voorgenomen handelen tot zich heeft laten doordringen. AG Machielse merkt in zijn conclusie voorafgaand aan HR NJ 2000, 605 op dat als de verdachte de rechter daarover niet inlicht (of kan inlichten, zoals hier, (...)), het begrijpelijk is dat het accent bij de vaststelling van voorbedachte raad verschuift van het moment van nadenken in de richting van de tijdspanne tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan. Echter, nu uit het dossier niet valt af te leiden of er tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan enige tijd heeft gelegen, gedurende welke tijdsspanne cliënte er blijk van heeft gegeven zich te hebben kunnen bezinnen, zal voorbedachten rade dan ook niet bewezen kunnen worden.
15. Tenslotte zij opgemerkt dat ook het openbaar ministerie erkent dat de reden waarom [slachtoffer] werd gedood niet duidelijk is geworden (p.2 schriftuur). Het niet kunnen vaststellen van een reden, of - om in juridische termen te spreken - een motief is bewijsrechtelijk niet, althans niet helemaal van belang ontbloot omdat voorbedachte rade en motief niet zelden nauw met elkaar samenhangen. Overigens zij opgemerkt dat in het Duitse en Zwitserse strafrecht de wetgever wel een specifiek motief voor moord is vereist. Ons recht abstraheert weliswaar het criterium van de voorbedachte raad van het motief. Maar als de lijn van de rechtspraak moet worden gevolgd, waarin de voorbedachte raad op de levensberoving ziet en niet op het middel waarmee dit gebeurt (vgl. HR NJ 1986, 741 en HR NJ 1987, 177), dan moet aangenomen worden dat het niet kunnen vaststellen van een motief het bewijs van de voorbedachte raad en bijgevolg van het daderschap ernstig verzwakt. Want zonder bewijs van voorbedachte raad komt het daderschap in deze zaak gelet op de omstandigheden van het geval in de lucht te hangen.
16. Welnu, omdat een motief ontbreekt, niet met zekerheid vastgesteld kan worden hoe het drama zich in de woning heeft voltrokken en evenmin een toxicologische doodsoorzaak is gebleken, is vanwege het bestaan van zoveel twijfel alsook wegens gebrek aan bewijs - gelijk het vonnis van de rechtbank - een vrijspraak volkomen op z'n plaats voor de tenlastegelegde voorbedachten rade. De verdediging meent dat vanwege de onzekere toxicologische resultaten het in dubio pro reo-beginsel van toepassing moet zijn met betrekking tot het bewijs dat cliënte haar dochter azijnzuur zou hebben toegediend."
2.2.3. Het bestreden arrest houdt dienaangaande in:
"De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat moord niet bewezen verklaard kan worden omdat voor de voorbedachten rade geen bewijs aanwezig is. Hij heeft daartoe - kort samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld hoe het drama in de woning zich heeft voltrokken en evenmin een toxicologische doodsoorzaak is gebleken, zodat moet worden uitgegaan van de verklaring van de verdachte dat zij in een opwelling [slachtoffer] heeft gewurgd. Naar het oordeel van de raadsman kan evenmin het toedienen van een hoeveelheid azijnzuur (het hof begrijpt: azijnzuur zoals vervat in azijnessence waarvan het lege flesje is teruggevonden) worden bewezen, reeds omdat aan verschillende bevindingen geen belang kan worden gehecht nu de hele plaats delict naar azijn rook en azijnzuur een lichaamseigen stof is.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de beoordeling daarvan gaat het hof uit van de volgende uit de stukken in het dossier blijkende feiten en bevindingen en hetgeen is besproken op de terechtzittingen in hoger beroep.
De woning [a-straat 1] is, voor zover van belang, als volgt ingedeeld. Op de begane grond bevindt zich de hal waar de verdachte is aangetroffen. Op de eerste verdieping bevindt zich de woonkamer met een open keuken en op de tweede verdieping de kinderslaapkamer, een badkamer en de ouderslaapkamer. Het dochtertje van de verdachte, [slachtoffer], verder: [slachtoffer], is op haar rug liggend aangetroffen in de badkamer met haar hoofd richting de trap (pv blz 5). Volgens verbalisant [verbalisant 1] kwam er schuim uit haar neus en mond en rook hij een sterke azijnlucht. In de badkamer stond op de wasmachine een flesje azijnessence met daarnaast liggend een groot formaat keukenmes.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van het Bureau Recherche Expertise (pv blz 91) blijkt, voor zover hier van belang, het volgende. In de keuken stond een keukenkastje boven de magnetron gedeeltelijk open - bijbehorende foto 26, bordje 3. In de kinderslaapkamer hing een sterke azijnlucht, op de vloer van de kinderslaapkamer is de dop van het flesje azijnessence aangetroffen en op die vloer werden geelbruine kringen en een kring gezien - bijbehorende foto 33. Op de bijbehorende foto 39 is een pollepel te zien op de vloer van de kinderslaapkamer. Op de bijbehorende foto 49 is te zien dat het flesje azijnessence 3 kringen heeft achtergelaten op de wasmachine. De verbalisanten merken op dat het truitje van het slachtoffer naar azijn rook.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 19 februari 2010 verklaard dat het keukenmes, het flesje azijnessence en de pollepel zich normaliter in de keuken bevinden en dat de pollepel op 15 januari 2008 's ochtends nog niet in de slaapkamer van [slachtoffer] lag.
[Betrokkene 1] heeft verklaard dat het mes op de ochtend van 15 januari 2008 nog niet in de badkamer lag (pv blz 184). Het flesje azijnessence wordt volgens de verdachte in de keuken in het kastje boven de magnetron bewaard (pv blz 212).
[Betrokkene 1] heeft verklaard dat hij om 14.05 uur van de tweede verdieping naar beneden is gegaan om naar zijn werk te gaan. De verdachte lag toen op bed in de ouderslaapkamer en [slachtoffer] lag op de eerste verdieping in de woonkamer op de bank televisie te kijken (pv blz 30/33).
In de telefonische melding door [betrokkene 1] bij de politie zegt [betrokkene 1] dat hij omstreeks 15.10 uur was gebeld door de verdachte die hem zei dat zij haar dochtertje van 7 jaar had vermoord (pv. blz 1 en blz 83). [Betrokkene 1] heeft ook familieleden gebeld waaronder zijn zwager [betrokkene 2] die verklaart dat [betrokkene 1] om 15.06 uur zijn voicemail heeft ingesproken. Volgens [betrokkene 2] vraagt [betrokkene 1] hem in paniek om terug te bellen. Het hof acht aannemelijk dat [betrokkene 1] toen al door de verdachte van haar daad op de hoogte was gesteld. Het hof leidt hieruit af dat de handelingen die hebben geleid tot de dood van [slachtoffer], zich hebben afgespeeld in die periode van maximaal een uur.
In die tijdsspanne zijn het mes, het flesje azijnessence en de pollepel, tegelijk of elk afzonderlijk, vanuit de keuken op de eerste verdieping naar de tweede verdieping gebracht. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij dat niet heeft gedaan na het moment dat zij "bij zinnen kwam" in de kinderslaapkamer met naast zich op de grond liggend [slachtoffer] die nergens meer op reageerde. Naar het oordeel van het hof moet het ervoor worden gehouden dat de verdachte deze voorwerpen naar de tweede verdieping heeft gebracht dan wel dat zij dit door [slachtoffer] heeft laten doen. Het hof acht onaannemelijk dat de 7-jarige [slachtoffer] eigener beweging een groot keukenmes of een flesje azijnessence naar boven heeft gebracht. Dat geldt volgens het hof ook voor de pollepel, waarbij het hof aantekent dat de verdacht ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij [slachtoffer] wel eens met een pollepel sloeg. Ook moet [slachtoffer], die immers in de woonkamer televisie lag te kijken, op enig moment naar de tweede verdieping zijn gekomen of gebracht.
Naar het oordeel van het hof volgt reeds uit deze handeling(en) dat de verdachte uitvoering heeft willen geven aan een voorgenomen besluit en daartoe op de eerste verdieping middelen heeft gezocht. Daarbij heeft de verdachte tussen het moment van het nemen van het besluit en de uitvoering ervan tijd gehad zich te bezinnen op haar handelen en zich rekenschap te geven van de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad. Daaraan doet niet af dat niet met zekerheid worden vastgesteld op welk exact moment in voornoemde tijdsspanne de verdachte deze handelingen heeft verricht. Evenmin doet daaraan af dat het hof niet kan vaststellen dat de verdachte het mes en/of de pollepel bij de uitvoering van haar voorgenomen besluit heeft gebruikt.
Reeds gelet op bovenstaande is naar het oordeel van het hof sprake van voorbedachte raad en dient het verweer van de raadsman te worden verworpen.
Daarnaast acht het hof, anders dan de raadsman, voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte aan [slachtoffer] azijnessence heeft toegediend, althans daar een begin mee heeft gemaakt. Het verslag voorlopige bevindingen van de arts-patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe (pv blz 72) noemt als mogelijke doodsoorzaak naast afsluiting van de luchtwegen door bijvoorbeeld smoren - waarvoor geen nadere aanwijzingen zijn gevonden - en samendrukkend geweld op de hals, ook uitdrukkelijk een toxicologische oorzaak door inname van irriterende stoffen dan wel een combinatie van deze oorzaken. Ook uit het toxicologisch rapport van 17 maart 2008 blijkt dat een vergiftiging met azijnzuur weliswaar niet kan worden vastgesteld maar ook niet kan worden uitgesloten. Naar het oordeel van het hof vormt de op de hals van [slachtoffer] aangetroffen huidverkleuring, die niet gepaard gaat met een onderhuidse bloeduitstorting en blijkens het nadere rapport van de patholoog van 2 juni 2010 goed past bij een uitwendige irritatie door een lokaal aangebrachte stof op de huid, daarvoor de duidelijkste aanwijzing. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat deze plek door azijnessence is veroorzaakt, mogelijk door morsen. Morsen vereist dat met het toedienen een aanvang is gemaakt hetgeen ook kan sporen met de door de patholoog-anatoom genoemde verschijnselen onder 83 in voornoemd rapport. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] voordien op haar hals geen afwijking had en dat zij een blauwe plek op de hals van [slachtoffer] heeft gezien op het moment dat zij, zoals zij verklaart, in de kinderslaapkamer "bij zinnen kwam" naast de op de grond liggende [slachtoffer] die nergens meer op reageerde. Voor deze irritatieplek is ook geen andere verklaring gegeven. Het hof wijst ook op de hierboven gerelateerde bevinding dat het truitje van [slachtoffer] naar azijn rook wat de veronderstelling dat sprake is geweest van morsen bij (het begin van) toedienen ondersteunt. Dat er, zoals de raadsman benadrukt, op meer plekken op de tweede verdieping een sterke azijnlucht hing, neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] uitdrukkelijk melding maken van deze bevinding in relatie tot het truitje. Het hof ziet ook in de bovenvermelde bevinding van verbalisant [verbalisant 1] dat er schuim uit haar neus en mond kwam, hiervoor een mogelijke indicatie. Dat bij het onderzoek van de monsters van neus en mond geen aanwijzingen voor azijnessence zijn aangetroffen, doet hieraan niet af. Deze monsters zijn genomen na de beademingssessie van ongeveer een half uur. Ook uit de aanwezigheid van een kring op de vloer van de kinderslaapkamer, van welke kring in het NFI-rapport van 15 oktober 2010 is vastgesteld dat die is veroorzaakt door azijnessence, en het aldaar aantreffen van de dop van het flesje blijkt dat het flesje met azijnessence in de kinderslaapkamer is gebruikt en verplaatst. Daaraan doet niet af dat het flesje is verplaatst naar de badkamer. Het toedienen van azijnessence vergt, nu onaannemelijk is dat [slachtoffer] daaraan vrijwillig heeft meegewerkt, dat het flesje wordt gepakt, de dop wordt verwijderd en het slachtoffer zodanig wordt vastgepakt dat de azijnessence kan worden toegediend. Naar het oordeel van het hof volgt reeds uit deze noodzakelijke handelingen dat de verdachte tussen het moment van het nemen van het besluit en de uitvoering ervan tijd heeft gehad zich te bezinnen op haar handelen en zich rekenschap te geven van de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad.
Ook reeds hierom is naar het oordeel van het hof sprake van voorbedachte raad en dient ook om die reden het verweer van de raadsman te worden verworpen. Aan een bewezenverklaring die tevens inhoudt de mogelijkheid dat de verdachte [slachtoffer] heeft gedood (mede) door het toedienen van azijnessence staat gezien onder meer deze bevindingen niet in de weg dat de verdachte zegt zich niet te herinneren dat zij dit heeft gedaan noch dat het hof niet kan vaststellen of [slachtoffer] aan de inname van een (dodelijke) hoeveelheid azijnessence is overleden.
Het hof acht derhalve de voorbedachte raad bewezen. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in een opwelling heeft gehandeld. Het verweer van de raadsman wordt op al zijn onderdelen verworpen.
Het hof ziet voor dit oordeel ook bevestiging in de bevinding uit het Tripel-onderzoek (blz 28 van dat rapport) dat de verdachte op 16 januari 2008 tegen Van Bommel, psychiater in het ziekenhuis, heeft verteld dat zij een zelfmoordpoging had gedaan en dat zij eerst haar dochtertje had gedood uit angst dat haar dochtertje alleen zou achterblijven. Ook uit de verklaringen van [betrokkene 1] (pv blz 36) en [betrokkene 3] (pv blz 175) blijkt dat de verdachte haar eigen dood telkens verbindt met de dood van haar dochtertje."
2.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte haar dochtertje [slachtoffer] van het leven heeft beroofd en dat voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte daartoe aan [slachtoffer] azijnessence heeft toegediend, althans daarmee een begin heeft gemaakt. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte haar eigen eventuele dood telkens verbindt met de dood van [slachtoffer] en heeft het mede op grond daarvan niet aannemelijk geoordeeld dat de verdachte heeft gehandeld in een opwelling. Daarin ligt besloten dat het Hof niet aannemelijk heeft geacht de mogelijkheid dat verdachtes handelingen met betrekking tot het flesje azijnessence slechts verband hielden met haar voorgenomen zelfmoord. Voor zover het middel klaagt dat het Hof deze mogelijkheid heeft opengelaten, mist het dan ook feitelijke grondslag.
3. Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren M.A. Loth en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 20 december 2011.
Conclusie 01‑11‑2011
Mr. Machielse
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 16 november 2010 voor ‘moord’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar.
2.
Mr. J.H. van Dijk, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. G. Spong, eveneens advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1.
Het eerste middel valt in twee onderdelen uiteen. In de eerste plaats voert het aan dat met name de voorbedachte raad niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid nu de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid open is gebleven dat de verdachte met haar handelingen met een flesje azijnessence zelfmoord heeft willen plegen. Het tweede onderdeel stelt dat de alternatief bewezenverklaarde causaliteit tussen de handelingen van verdachte en de levensberoving niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
3.2.
Het hof heeft bewezen verklaard dat
‘zij op 15 januari 2008 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade haar dochtertje [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] een hoeveelheid azijnzuur toegediend en/of de keel van [slachtoffer] dichtgeknepen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.’
3.3.
In zijn arrest heeft het hof een nadere bewijsoverweging opgenomen, waarin het hof redeneert, op basis van de door het hof vastgestelde feiten, waarom er sprake is geweest van voorbedachte raad. Het hof relateert daarin waar en hoe het slachtoffertje is aangetroffen en wat de verbalisanten ter plekke hebben bevonden ten aanzien van de aanwezigheid van een keukenmes, een flesje azijnessence en een pollepel. Uit de verklaringen van de partner van verdachte, [betrokkene 1], heeft het hof afgeleid dat de handelingen die hebben geleid tot de dood van het kind zich hebben afgespeeld in een periode van maximaal een uur. In die tijdspanne zijn het mes, de azijnessence en de pollepel vanuit de keuken naar de volgende verdieping gebracht. Het hof beredeneert dat deze voorwerpen door (toedoen van) verdachte moeten zijn verplaatst. Daaruit leidt het hof af dat verdachte uitvoering heeft willen geven aan een voorgenomen besluit en gelegenheid heeft gehad om zich te bezinnen. Aan het slot van de overweging is te lezen dat de dood van het kind voor verdachte samenhing met haar eigen eventuele suïcide.
3.4.
Het middel betoogt dat het door het hof vastgestelde handelen van verdachte, erin bestaande dat zij de azijnessence, een mes en de pollepel naar boven heeft gebracht of doen brengen, evengoed uitsluitend in verband kan worden gebracht met het besluit van verdachte om door middel van het innemen van azijn zelfmoord te plegen na haar dochtertje te hebben gewurgd. Het hof heeft een tentamen suïcide van verdachte aannemelijk geacht.
3.5.
Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.1.
3.6.
Het hof heeft deze betekenis van voorbedachte raad niet miskend. Mijns inziens heeft het hof de voorbedachte raad voorts uit de door het hof vaststelde feiten kunnen afleiden. Wat er ook zij van de intentie die verdachte zou hebben gehad met de verplaatsing van de pollepel, het mes en de azijnessence naar een hogere verdieping, vaststaat wel dat deze handelingen verband hielden hetzij met een besluit om haar dochtertje om het leven te brengen, hetzij met haar besluit om een einde aan haar eigen leven te maken. Nu evenwel de dood van haar dochtertje onlosmakelijk verbonden was met haar besluit om haar eigen leven te beëindigen, staat met het besluit om suïcide te plegen, eventueel door azijnessence in te nemen, ook vast dat aan die suïcide de levensberoving van haar dochter in haar eigen beleving moest voorafgaan.
Dus ook als de handelingen van verdachte in de sleutel van haar eigen voornemen om zelfmoord te plegen moeten worden gezet, is daarmee onafscheidelijk gegeven dat zij, alvorens tot uitvoering van dat voornemen over te kunnen gaan, eerst haar dochtertje van het leven zou moeten beroven. Tegen deze achtergrond is het in dit kader niet relevant of verdachte aan haar dochtertje azijnzuur heeft toegediend voordat het kind is overleden of daarna, hoewel de tweede mogelijkheid natuurlijk veel minder voor de hand ligt dan de eerste.
Dit onderdeel van het eerste middel faalt.
3.7.
Het tweede onderdeel klaagt dat de bewezenverklaring meerdere alternatieven bevat over de toedracht. Zo een bewezenverklaring moet evenwel voor elke der alternatieven steun vinden in de bewijsmiddelen. Die steun ontbreekt wat betreft het alternatief van de levensberoving door toediening van azijnzuur.
3.8.
Het hof heeft over de mogelijke toediening van azijnessence aan het kind het volgende overwogen:
‘Daarnaast acht het hof, anders dan de raadsman, voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte aan [slachtoffer] azijnessence heeft toegediend, althans daar een begin mee heeft gemaakt.
Het verslag voorlopige bevindingen van de arts-patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe (pv blz 72) noemt als mogelijke doodsoorzaak naast afsluiting van de luchtwegen door bijvoorbeeld smoren —waarvoor geen nadere aanwijzingen zijn gevonden— en samendrukkend geweld op de hals, ook uitdrukkelijk een toxicologische oorzaak door inname van irriterende stoffen dan wel een combinatie van deze oorzaken. Ook uit het toxicologisch rapport van 17 maart 2008 blijkt dat een vergiftiging met azijnzuur weliswaar niet kan worden vastgesteld maar ook niet kan worden uitgesloten. Naar het oordeel van het hof vormt de op de hals van [slachtoffer] aangetroffen huidverkleuring, die niet gepaard gaat met een onderhuidse bloeduitstorting en blijkens het nadere rapport van de patholoog van 2 juni 2010 goed past bij een uitwendige irritatie door een lokaal aangebrachte stof op de huid, daarvoor de duidelijkste aanwijzing. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders zijn dan dat deze plek door azijnessence is veroorzaakt, mogelijk door morsen. Morsen vereist dat met het toedienen een aanvang is gemaakt hetgeen ook kan sporen met de door de patholoog-anatoom genoemde verschijnselen onder B3 in voornoemd rapport. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] voordien op haar hals geen afwijking had en dat zij een blauwe plek op de hals van [slachtoffer] heeft gezien op het moment dat zij, zoals zij verklaart, in de kinderslaapkamer ‘bij zinnen kwam’ naast de op de grond liggende [slachtoffer] die nergens meer op reageerde. Voor deze irritatieplek is ook geen andere verklaring gegeven. Het hof wijst ook op de hierboven gerelateerde bevinding dat het truitje van [slachtoffer] naar azijn rook wat de veronderstelling dat sprake is geweest van morsen bij (het begin van) toedienen ondersteunt. Dat er, zoals de raadsman benadrukt, op meer plekken op de tweede verdieping een sterke azijnlucht hing, neemt naar het oordeel van het hof niet weg dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] uitdrukkelijk melding maken van deze bevinding in relatie tot het truitje. Het hof ziet ook in de bovenvermelde bevinding van verbalisant [verbalisant 1] dat er schuim uit haar neus en mond kwam, hiervoor een mogelijke indicatie. Dat bij het onderzoek van de monsters van neus en mond geen aanwijzingen voor azijnessence zijn aangetroffen, doet hieraan niet af. Deze monsters zijn genomen na de beademingssessie van ongeveer een half uur. Ook uit de aanwezigheid van een kring op de vloer van de kinderslaapkamer, van welke kring in het NFI-rapport van 15 oktober 2010 is vastgesteld dat die is veroorzaakt door azijnessence, en het aldaar aantreffen van de dop van het flesje blijkt dat het flesje met azijnessence in de kinderslaapkamer is gebruikt en verplaatst. Daaraan doet niet af dat het flesje is verplaatst naar de badkamer.’
3.9.
Bewijsmiddel 1, de verklaring van verdachte, houdt in dat verdachte de keel van haar dochtertje heeft dicht gedrukt in de slaapkamer van het meisje. Daarna heeft verdachte haar dochtertje klaarblijkelijk nog naar de badkamer verplaatst. Bewijsmiddel 2 geeft de bevindingen weer van verbalisanten die het slachtoffertje hebben aangetroffen. Een van de verbalisanten zag schuim uit haar neus en mond en hij rook een sterke azijnlucht. Bewijsmiddel 3, het rapport van de patholoog, houdt onder meer in dat verschijnselen aan het slijmvlies van de keel van het slachtoffertje, aan de slokdarm en de maag kunnen passen bij contact met irriterende stoffen zoals azijnzuur. Ook een uitwendige verkleuring aan de hals kan passen bij irritatie door een lokaal aangebrachte stof op de huid. Andere verschijnselen passen weer bij verstikking door afsluiting van de luchtwegen. De patholoog concludeert dat bij sectie geen anatomische doodsoorzaak is gebleken. Bewijsmiddel 4 is een rapport door een apotheker van het NFI opgemaakt. Deze deskundige maakt melding van het aantreffen in de maaginhoud van het slachtoffertje van azijnzuur. Azijnzuur kan ook postmortaal in het lichaam worden gevormd. Op grond van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek (bewijsmiddel 5) kan vergiftiging met azijnzuur worden vastgesteld noch uitgesloten. Inname van een sterke azijnzuuroplossing, zoals bijvoorbeeld een oplossing van 80% die het aangetroffen flesje heeft bevat, zal lokale sporen op de mond, keel en slokdarm achterlaten die bij sectie waarneembaar kunnen zijn. Het inwendig gebruik van azijnzuur kan tot de dood leiden.
Bewijsmiddel 6 houdt als bevindingen van verbalisanten in dat het truitje van het slachtoffer nat was en naar azijn rook. Ook op de kinderslaapkamer zijn op de vloer sporen van azijnzuur aangetroffen (bewijsmiddel 7).
3.10.
Strafrechtelijk bewijs bestaat erin dat is aangetoond dat in redelijkheid niet kan worden getwijfeld aan de juistheid van het verwijt. Absolute zekerheid behoeft er niet te zijn.2. De bewezenverklaring noemt als mogelijke doodsoorzaak het toedienen van een hoeveelheid azijnzuur, het dichtknijpen van de keel van het slachtoffertje of een combinatie van beide. Al deze mogelijkheden zullen steun moeten vinden in de bewijsconstructie.3.
3.11.
Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen en uit de overigens vastgestelde feiten geconcludeerd dat het kind het slachtoffer is geworden van uitwendig verstikkend geweld en van het slikken van azijnzuur. Die conclusie is toereikend verantwoord, gelet op het sterke vermoeden van aanwezigheid van azijnzuur op het truitje van het kind, de uitwendige verkleuring in de hals, de verschijnselen in keel, slokdarm en maag, het aantreffen van een leeg flesje waarin azijnessence 80% heeft gezeten, het aantreffen van sporen azijnzuur in de kinderslaapkamer. Het toxicologisch onderzoek kan een vergiftiging met azijnzuur vaststellen noch uitsluiten, omdat het onderzoek kwalitatief van opzet was. Het hof heeft beredeneerd geconcludeerd dat aan het slachtoffer azijnzuur moet zijn toegediend. Zo een intoxicatie met azijnzuur kan dodelijk zijn.
Het tweede onderdeel faalt.
4.1.
Het tweede middel klaagt dat aangewezen onderdelen van bewijsmiddel 1, de in hoger beroep door verdachte afgelegde verklaring, niet redengevend kunnen zijn voor de voorbedachte raad voor zover betrekking hebbend op het alternatief van levensberoving door adembeneming. Het gaat om de volgende passages:
‘Ze beweegt niet meer. Ik zat op dat moment op mijn knieën. Ik heb haar nog door elkaar geschud en in de badkamer nat gemaakt.’
En:
‘Op het moment dat ik weer bij zinnen kwam door de pijn in mijn slokdarm en mijn dochter naast me zag liggen, zag ik een verkleuring in haar hals.’
4.2.
Mijns inziens ziet het middel er aan voorbij dat de voorbedachte raad op levensberoving van het meisje te baseren is op de onlosmakelijkheid van deze gebeurtenis met het voornemen om zelf suïcide te plegen. Uit een eigen verklaring van verdachte staat vast dat zij de keel van het kind heeft dichtgeknepen. In dat licht moet de eerste passage worden gezien. De eigen waarneming van de verkleuring in de hals van het kind kan betrekking hebben op de bloeduitstorting ter hoogte van het strottenhoofd die ook door een verbalisant (bewijsmiddel 2) is waargenomen, maar ook bij de constatering van de patholoog die onder A3 in haar rapport is verwoord. Wat daarvan ook zij, het hof heeft het bewijs van de voorbedachte raad niet van deze zinnen afhankelijk gemaakt, maar dat bewijs afgeleid uit de omstandigheden die in de bewijsoverweging in het arrest zijn vermeld.
Het middel faalt.
5.
Beide voorgestelde middelen falen. Het tweede middel kan naar mijn mening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑11‑2011