HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3839.
HR, 18-09-2018, nr. 17/05379
ECLI:NL:HR:2018:1689
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-09-2018
- Zaaknummer
17/05379
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:1689, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 18‑09‑2018; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:610
ECLI:NL:PHR:2018:610, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 12‑06‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1689
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2018-0340 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Uitspraak 18‑09‑2018
Inhoudsindicatie
Meineed, art. 207.1 Sr. Bewijs dat de belofte is afgelegd op de bij de wet voorgeschreven wijze tijdens verhoor verdachte bij RC als getuige in strafzaak tegen ander? Het Hof heeft kennelijk de in het p-v van de RC opgenomen verklaring van verdachte aldus uitgelegd dat de vermelding "u houdt mij voor dat ik nu een andere verklaring afleg dan dat ik bij de politie heb gedaan en dat u om die reden op verzoek van de officier van justitie mij zult beëdigen", en "ik heb op uw verzoek zojuist de belofte afgelegd" bezwaarlijk iets anders kan betekenen dan dat de in de bewezenverklaring weergegeven verklaringen van verdachte zijn afgelegd nadat zij op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de RC de belofte heeft afgelegd de waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. Die aan het Hof voorbehouden uitleg is niet onbegrijpelijk. Gelet op dit e.e.a. is de bewezenverklaring, ook in het licht van hetgeen namens verdachte ttz. in h.b. is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. CAG: anders.
Partij(en)
18 september 2018
Strafkamer
nr. S 17/05379
AJ/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 3 maart 2017, nummer 22/003009-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte als getuige "onder ede" de in de bewezenverklaring weergegeven valse verklaringen heeft afgelegd, niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"zij op 8 juni 2015 te Rotterdam bij de Rechter-Commissaris (tijdens een verhoor van haar, verdachte, als getuige in de strafzaak tegen [betrokkene 1]), zijnde een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert mondeling en persoonlijk opzettelijk de volgende valse verklaring(en) onder ede heeft afgelegd:
"U vraagt of ik [betrokkene 1] ken. Ik heb die naam pas leren kennen toen ik op het politiebureau kwam. Ik heb hem dus voor de eerste keer gehoord na de dag waarop ik thuis kwam en tot mijn grote schrik zag dat het huis een ravage was."
en
"Het is ook niet zo dat ik achteraf heb begrepen wie [betrokkene 1] was. Ik had die persoon tevoren nooit gezien."
en
"U vraagt mij of ik [betrokkene 1] kende als het ex-vriendje van mijn dochter. Nee, ik kende [betrokkene 1] niet"
en
"U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik [betrokkene 1] oppervlakkig kende en dat ik hem wel eens tegen kwam op de markt en dat hij één van degenen was die in mijn woning een kamer huurde. [betrokkene 1] kende ik niet"."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op het volgende bewijsmiddel:
"1. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Rotterdam van 8 juni 2015. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 8 juni 2015 in de strafzaak tegen de verdachte [betrokkene 1] tegenover deze rechter-commissaris in Rotterdam afgelegde getuigenverklaring van [verdachte]:
U vraagt of ik [betrokkene 1] ken.
Ik heb die naam pas leren kennen toen ik op het politiebureau kwam. Ik heb hem dus voor de eerste keer gehoord na de dag waarop ik thuis kwam en tot mijn grote schrik zag dat het huis een ravage was.
Het is ook niet zo dat ik achteraf heb begrepen wie [betrokkene 1] was. Ik had die persoon tevoren nooit gezien.
U vraagt mij of ik [betrokkene 1] kende als het ex-vriendje van mijn dochter.
Nee, ik kende [betrokkene 1] niet.
U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik [betrokkene 1] oppervlakkig kende en dat ik hem wel eens tegen kwam op de markt en dat hij één van degenen was die in mijn woning een kamer huurde. [betrokkene 1] kende ik niet.
U houdt mij voor dat ik nu een andere verklaring afleg dan dat ik bij de politie heb gedaan en dat u om die reden op verzoek van de officier van justitie mij zult beëdigen. Ik heb op uw verzoek zojuist de belofte afgelegd. Mijn verklaring is mij nogmaals voorgelezen door de griffier en ik zeg u dat deze verklaring klopt."
2.2.3.
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts onder meer het volgende overwogen:
"De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig de overgelegde pleitnotities - op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde, nu het bewijs dat de verdachte tijdens het getuigenverhoor van 8 juni 2015 bij de rechter-commissaris is beëdigd ontbreekt.
(...)
Beoordeling hof
Op 20 januari 2012 is het strafrechtelijk onderzoek 'Lombok' gestart, op die datum is de door de verdachte gehuurde woning aan de [a-straat 1] te Dordrecht betreden. In het kader van dat onderzoek werden 2 mannen, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) verdacht van het voorhanden hebben, verpakken en verhandelen van verdovende middelen in die woning. De verdachte is aanvankelijk ook vervolgd voor deze zaak, maar is door de rechtbank vrijgesproken.
De verdachte is vervolgens op 8 juni 2015 onder ede als getuige bij de RC gehoord in de strafzaak tegen [betrokkene 1]. Uit het - door de rechter-commissaris en de griffier getekende - proces-verbaal van getuigenverhoor van 8 juni 2015 (onderaan p. 3) blijkt voldoende dat verdachte als getuige was beëdigd. Dat zij vervolgens geweigerd heeft de verklaring te ondertekenen, doet daar niet aan af."
2.2.4.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2017 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:
"Vaststelling van de eed/belofte ontbreekt in het proces-verbaal van getuigenverhoor van 8 juni 2015
De enige verwijzing naar de belofte die [verdachte] zou hebben afgelegd tijdens het getuigenverhoor van 8 juni 2015 is de volgende tekst op p. 3 van het PV van getuigenverhoor:
"U houdt mij voor dat ik nu een andere verklaring afleg dan dat ik bij de politie heb gedaan en dat u om die reden op verzoek van de officier van justitie mij zult beëdigen. Ik heb op uw verzoek zojuist de belofte afgelegd."
Het proces-verbaal maakt verder geen melding van de beëdiging van de getuige.
Het proces-verbaal relateert alleen aan de verklaring van de getuige over een afgelegde belofte. In de eerste geciteerde zin verklaart de getuige dat de rechter-commissaris de getuige zal beëdigen. De tweede zin verklaart dat getuige dat zij op verzoek van de rechter-commissaris de belofte heeft afgelegd.
Het proces-verbaal relateert niet zelfstandig aan het feit dat de belofte is afgelegd als in: "De getuige legt de belofte af."
Om tot het wettige bewijs te komen van het feit dat de getuige de belofte heeft afgelegd, is een verwijzing daarnaar in de verklaring van de getuige niet toereikend.
Het beëdigen van een getuige bij een getuigenverhoor door de rechter-commissaris is niet alleen een omstandigheid die tijdens het verhoor niet ongemerkt passeert, maar het onder ede stellen van de getuige is een handeling waar het recht gevolgen aan verbindt. Als het proces-verbaal van de rechter-commissaris niet zelfstandig refereert aan die beëdiging, is het bewijs dat die beëdiging heeft plaatsgevonden, op basis van dat proces-verbaal van getuigenverhoor niet aanwezig. De verwijzing naar de belofte in het proces-verbaal door de getuige, van wie de juistheid van die verklaring door het Openbaar Ministerie wordt betwist, lost die leemte in het bewijs van het hebben plaatsgevonden van die beëdiging niet op.
De passage waarin de verwijzing door de getuige (thans verdachte) voorkomt in het proces-verbaal van getuigenverhoor, wordt door het Openbaar Ministerie zelfs aan cliënte tenlastegelegd als een verklaring die in strijd met de waarheid is afgelegd.
Op basis van het ontbreken van het bewijs dat [verdachte] tijdens het getuigenverhoor is beëdigd, dient vrijspraak van het tenlastegelegde feit te volgen."
2.3.
Het Hof heeft kennelijk de in het hiervoor onder 2.2.2 weergegeven proces-verbaal van de Rechter-Commissaris opgenomen verklaring van de verdachte aldus uitgelegd dat de vermelding "u houdt mij voor dat ik nu een andere verklaring afleg dan dat ik bij de politie heb gedaan en dat u om die reden op verzoek van de officier van justitie mij zult beëdigen", en "ik heb op uw verzoek zojuist de belofte afgelegd" bezwaarlijk iets anders kan betekenen dan dat de in de bewezenverklaring weergegeven verklaringen van de verdachte zijn afgelegd nadat zij op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de Rechter-Commissaris de belofte heeft afgelegd de waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. Die aan het Hof voorbehouden uitleg is niet onbegrijpelijk. Gelet op dit een en ander is de bewezenverklaring, ook in het licht van hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.
2.4.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het derde middel
4.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4.2.
Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2018.
Conclusie 12‑06‑2018
Inhoudsindicatie
Conclusie AG over 1. Meineed. Volgt uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor dat verdachte als getuige onder ede een verklaring heeft afgelegd? Eisen art. 207 Sr; 2. Verwerping verweer; en 3. Redelijke termijn. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Nr. 17/05379 Zitting: 12 juni 2018 (bij vervroeging) | Mr. A.J. Machielse Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 3 maart 2017 voor: in de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
2. Mr. M. Jansen, advocaat te Spijkenisse, heeft cassatie ingesteld en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat uit het proces-verbaal van getuigenverhoor voldoende blijkt dat de verdachte als getuige is beëdigd omdat niet uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat verdachte de door de wet gevorderde eed of belofte op de bij de wet voorgeschreven wijze heeft afgelegd.
3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:
"zij op 8 juni 2015 te Rotterdam bij de Rechter-Commissaris (tijdens een verhoor van haar, verdachte als getuige in de strafzaak tegen [betrokkene 1] ), zijnde een geval waarin een wettelijk voorschrift de verklaring onder ede vordert mondeling en persoonlijk opzettelijk de volgende valse verklaring(en) onder ede heeft afgelegd:
"U vraagt of ik [betrokkene 1] ken. Ik heb die naam pas leren kennen toen ik op het politiebureau kwam. Ik heb hem dus voor de eerste keer gehoord na de dag waarop ik thuiskwam en tot mijn grote schrik zag dat het huis een ravage was."
en
"Het is ook niet zo dat ik achteraf heb begrepen wie [betrokkene 1] was. Ik had die persoon tevoren nooit gezien."
en
"U vraagt mij of ik [betrokkene 1] kende als het ex-vriendje van mijn dochter. Nee, ik kende [betrokkene 1] niet"
en
"U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik [betrokkene 1] oppervlakkig kende en dat ik hem wel eens tegen kwam op de markt en dat hij één van degenen was die in mijn woning een kamer huurde. [betrokkene 1] kende ik niet"."
3.3. Verdachte is zelf niet ter terechtzitting van het hof verschenen. Wel was aanwezig een bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat die erop heeft gewezen dat uit het proces-verbaal van getuigenverhoor niet kan blijken dat is vastgelegd dat de getuige de eed of belofte heeft afgelegd.
3.4. Het hof heeft in het bestreden arrest dienaangaande het volgende overwogen:
“Op 20 januari 2012 is het strafrechtelijk onderzoek ‘Lombok’ gestart, op die datum is de door de verdachte gehuurde woning aan de [a-straat 1] te Dordrecht betreden. In het kader van dat onderzoek werden 2 mannen, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) verdacht van het voorhanden hebben, verpakken en verhandelen van verdovende middelen in die woning.
De verdachte is aanvankelijk ook vervolgd voor deze zaak, maar is door de rechtbank vrijgesproken.
De verdachte is vervolgens op 8 juni 2015 onder ede als getuige bij de RC gehoord in de strafzaak tegen [betrokkene 1] .
Uit het – door de rechter-commissaris en de griffier getekende – proces-verbaal van getuigenverhoor van 8 juni 2015 (onderaan p. 3) blijkt voldoende dat verdachte als getuige was beëdigd. Dat zij vervolgens geweigerd heeft de verklaring te ondertekenen, doet daar niet aan af.”
3.4. De strafrechter zal zelfstandig moet onderzoeken of de verklaring onder ede is afgelegd, hetgeen wil zeggen dat is voldaan aan de voorschriften van de Eedswet. Dat zal doorgaans kunnen blijken uit het proces-verbaal waarin de verklaring die onder ede is afgelegd is opgenomen. Voldoende is dat in dat proces-verbaal is vermeld dat betrokkene de door de wet gevorderde eed op de bij de wet voorgeschreven wijze heeft afgelegd. Dat kan echter ook uit de inhoud van andere bewijsmiddelen worden vastgesteld.1.De strafrechter kan een beschikking van de civiele rechter, waarin is opgenomen "als verklaring van M.J.B als getuige op 24 november 2005 (belofte)" aldus uitleggen dat de in die beschikking vermelde verklaring door de verdachte is afgelegd nadat hij op de bij de wet voorgeschreven wijze voorafgaand aan het getuigenverhoor in handen van de civiele rechter de belofte heeft afgelegd de waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. Die uitleg is volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat door of namens verdachte in feitelijke aanleg niet is aangevoerd dat de belofte niet op de bij wet voorgeschreven wijze is afgelegd terwijl het proces-verbaal van verhoor van de verdachte als getuige ook inhoudt dat de verdachte voorafgaand aan dat verhoor de belofte heeft afgelegd dat hij als getuige de waarheid zal spreken tijdens het verhoor.2.
3.5. In de onderhavige zaak is in feitelijke aanleg wel betwist dat de getuige de eed of belofte heeft afgelegd. Bewijsmiddel 1 bevat het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 8 juni 2015 dat de verklaring van verdachte als getuige weergeeft en waarin als onderdeel van haar verklaring is te lezen:
“U houdt mij voor dat ik nu een andere verklaring afleg dan dat ik bij de politie heb gedaan en dat u om die reden op verzoek van de officier van justitie mij zult beëdigen. Ik heb op uw verzoek zojuist de belofte afgelegd. Mijn verklaring is mij nogmaals voorgelezen door de griffier en ik zeg u dat deze verklaring klopt.”
De zinsnede in de bewezenverklaring "dat zij (...) opzettelijk de volgende valse verklaring(en) onder ede heeft afgelegd" zal als een verwijzing naar de eisen van artikel 207 Sr moeten worden opgevat. De mededeling van de verdachte dat zij op verzoek van de rechter-commissaris zojuist de belofte heeft afgelegd is naar mijn oordeel onvoldoende om aan te kunnen nemen dat aan alle eisen van het eerste lid van artikel 207 Sr is voldaan.
Het middel slaagt.
4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof de juistheid van een verweer in het midden heeft gelaten hoewel dat verweer niet door de gebezigde bewijsmiddelen wordt weerlegd, waardoor een met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid is blijven bestaan dat niet verdachte maar een ander de berichten heeft verzonden of ontvangen.
4.2. Als bewijsmiddel 2 heeft het hof een proces-verbaal van bevindingen van de politie gebruikt. In dat proces-verbaal is onder meer opgegeven dat er contacten zijn geweest tussen de telefoon van [betrokkene 1] en het telefoonnummer 06- [001] , van welk telefoonnummer de opmaker van het proces-verbaal verklaart dat dit nummer kennelijk dus in gebruik was bij verdachte. Als "Bron 3" is ook een verklaring van verdachte opgenomen waarin verdachte geconfronteerd wordt met de resultaten van het uitlezen van de telefoons en waaruit zou blijken dat verdachte zeer veel sms'jes heeft verzonden naar en gekregen van [betrokkene 1] . Daarop antwoordt verdachte dat dat klopt en dat het gaat om sms'jes tussen vriend en vriendin. Het hof heeft uit deze uitlating van verdachte kunnen afleiden dat zij zeer veel sms'jes heeft gekregen van en verzonden naar [betrokkene 1] . Aldus heeft het hof het verweer gepareerd dat de sms berichten van [betrokkene 1] voor een ander dan voor verdachte bestemd waren en ook door een ander aan [betrokkene 1] waren verzonden.
Het middel faalt.
5.1. Het derde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in cassatie omdat het dossier niet binnen acht maanden na het instellen van het cassatieberoep ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
5.2. Op 3 maart 2017 is het cassatieberoep ingesteld. Op 6 november 2017 is het dossier ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De door de stellers van het middel genoemde data zijn dus juist. Maar omdat naar mijn oordeel het eerste middel terecht is voorgesteld en het bestreden arrest daarom behoort te worden vernietigd, kan deze klacht onbesproken blijven.
6. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het derde middel kan onbesproken blijven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑06‑2018
HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2954, r.o. 4.3.