Rb. Den Haag, 24-05-2024, nr. C/09/654723 / FA RK 23-7168
ECLI:NL:RBDHA:2024:8398
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
24-05-2024
- Zaaknummer
C/09/654723 / FA RK 23-7168
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2024:8398, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 24‑05‑2024; (Beschikking)
Uitspraak 24‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Wijziging geslachtsnaam gelet op bijzondere omstandigheden.
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-7168
Zaaknummer: C/09/654723
Datum beschikking: 24 mei 2024
Verbetering akte register burgerlijke stand
Beschikking op het op 26 september 2023 ingekomen verzoek van de officier van justitie in het arrondissement Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. T. Dreiling te Leiden,
[de vader] ,
de vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
en
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Leiden,
zetelend te Leiden,
de ambtenaar.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, ingekomen op 26 september 2023;
- het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de zijde van de moeder, ingekomen op 27 november 2023.
Op 12 januari 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader, alsmede mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2] namens de ambtenaar.
Na de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
- het bericht van 3 februari 2024, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
- het bericht van 5 maart 2024, met bijlagen, van de zijde van de moeder;
- het bericht van 5 april 2024 van de zijde van de ambtenaar.
Feiten
- Uit de moeder is op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats 1] de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ) geboren en op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
- Op de geboorteakte, nummer [nummer geboorteakte 1] van het jaar 2012, ingeschreven in het register van geboorten van de gemeente [geboorteplaats 1] op 11 december 2012, is als geslachtsnaam van [minderjarige 1] “ [geslachtsnaam 1] ” opgenomen. Aan de geboorteakte is op 31 december 2012 een latere vermelding betreffende erkenning van [minderjarige 1] door de vader toegevoegd. Bij de erkenning is gekozen voor de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam 2] ”. Blijkens de akte latere vermelding betreffende vaststelling geslachtnaam en voornamen is bij Koninklijk Besluit, nummer [nummer 2] , van 30 oktober 2015 de geslachtsnaam van [minderjarige 1] vastgesteld als “ [geslachtsnaam 1] ”.
- Op de geboorteakte, nummer [nummer geboorteakte 2] van het jaar 2020, ingeschreven in het register van geboorten van de gemeente [geboorteplaats 2] op 8 juni 2020, is als geslachtsnaam van [minderjarige 2] “ [geslachtsnaam 1] ” opgenomen. Aan de geboorteakte is op 8 juni 2020 een latere vermelding betreffende erkenning van [minderjarige 2] door de vader toegevoegd. Bij de erkenning is gekozen voor de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam 2] ”.
Verzoek en verweer
Naar de rechtbank begrijpt strekt het verzoek tot verbetering van de geboorteakte van [minderjarige 2] , in die zin dat op vervolgblad 1 (latere vermelding betreffende erkenning) “gekozen voor geslachtsnaam: [geslachtsnaam 2] ” wordt verbeterd in “geslachtsnaam kind is: [geslachtsnaam 1] ”.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:
- de ambtenaar te gelasten de latere vermelding bij de geboorteakte van [minderjarige 1] te verbeteren in die zin dat hierin tot uitdrukking komt dat de moeder en de vader bij de erkenning hebben verklaard dat de geslachtsnaam zal zijn “ [geslachtsnaam 2] ”;
- de ambtenaar te gelasten de latere vermelding bij de geboorteakte van [minderjarige 2] in stand te laten omdat daarin tot uitdrukking komt dat de geslachtsnaam van [minderjarige 2] “ [geslachtsnaam 2] ” zal zijn, nu het eerste kind van de moeder en de vader door naamskeuze bij de erkenning de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam 2] ” heeft gekregen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met compensatie van de proceskosten.
Beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het besprokene op de zitting is de rechtbank het volgende gebleken.
De vader en de moeder hebben samen vier kinderen. Het oudste kind, [minderjarige 1] , is geboren in 2012. Enkele weken na zijn geboorte is [minderjarige 1] erkend door de vader. Ter gelegenheid van de erkenning hebben de vader en de moeder gezamenlijk verklaard dat [minderjarige 1] de geslachtsnaam van de vader, te weten “ [geslachtsnaam 2] ”, zal hebben. In 2015 is bij Koninklijk Besluit aan de moeder het Nederlanderschap verleend. Hierbij is de geslachtsnaam van [minderjarige 1] vastgesteld als “ [geslachtsnaam 1] ” (de geslachtsnaam van de moeder). Namens de gemeente is op de zitting betoogd dat de moeder er destijds bewust voor heeft getekend dat [minderjarige 1] de naam “ [geslachtsnaam 1] ” zou krijgen. De moeder geeft zelf aan dat zij zich hier niet van bewust is geweest. De relatie tussen de vader en de moeder was op dat moment verbroken.
In 2020 is [minderjarige 2] , het tweede kind van de vader en de moeder, geboren. Bij de geboorteaangifte heeft de vader [minderjarige 2] erkend. De ouders hebben ook hier weer gekozen voor de geslachtsnaam van de vader, te weten “ [geslachtsnaam 2] ”.
In 2022 en 2023 hebben de vader en de moeder nog twee kinderen gekregen. Na de geboorte van het derde kind in 2022 is de ambtenaar erachter gekomen dat [minderjarige 2] de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam 1] ” had moeten krijgen in verband met het in artikel 1:5 lid 8 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) neergelegde beginsel van eenheid van naam binnen het gezin. Dit is de aanleiding geweest voor het starten van de onderhavige procedure.
De vader en de moeder zijn het niet eens met het verzoek om de geslachtsnaam van [minderjarige 2] te wijzigen in “ [geslachtsnaam 1] ”. Het is hun uitdrukkelijke wens dat alle vier de kinderen de geslachtsnaam van de vader zullen dragen. Vanwege de onderhavige procedure heeft de vader de twee jongste kinderen nog niet erkend.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op dit moment is de situatie zo dat in het gezin van ouders drie kinderen de naam van de moeder dragen ( [minderjarige 1] en de twee jongste kinderen) en één kind de naam van de vader ( [minderjarige 2] ). De ambtenaar heeft gelijk dat op grond van artikel 1:5 lid 8 BW volgende kinderen van dezelfde ouders dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind dienen te hebben. Dit zou betekenen dat alle kinderen de naam “ [geslachtsnaam 1] ” zouden moeten dragen. Ouders geven echter beiden aan dat dit nooit hun bedoeling is geweest. Ter gelegenheid van de erkenning van [minderjarige 1] hebben ouders op basis van artikel 1:5 lid 2 BW gezamenlijk gekozen voor de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam 2] ”. Partijen geven daarbij aan dat het volgens hun geloof, traditie en cultuur belangrijk is dat de kinderen de achternaam van de vader hebben. Uit de feiten lijkt te volgen dat de vader op geen enkele wijze is gekend in de wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige 1] van “ [geslachtsnaam 2] ” in “ [geslachtsnaam 1] ” bij de naturalisatie in 2015. De rechtbank acht dit in strijd met het uit artikel 8 EVRM voortvloeiende recht op bescherming van het privé leven van de vader, nu partijen ten tijde van de erkenning juist een bewuste keuze hebben gemaakt voor de achternaam van de vader. Naar het oordeel van de rechtbank is het voorts onverenigbaar met het uit artikel 8 EVRM voortvloeiende recht op bescherming van het familie- en gezinsleven van de ouders dat naamskeuze nu niet meer mogelijk is. Ouders kunnen de geslachtsnaam van [minderjarige 1] niet laten wijzigen bij Koninklijk Besluit (artikel 1:7 lid 1 BW) omdat niet wordt voldaan aan de daarvoor gestelde voorwaarden (ouders wonen niet samen zodat niet wordt voldaan aan de verplichte verzorgingstermijn).
Gelet op voormelde bijzondere omstandigheden, alsmede op het feit dat [minderjarige 1] eerder de naam “ [geslachtsnaam 2] ” heeft gedragen en [minderjarige 2] deze naam al bijna vier jaar draagt, ziet de rechtbank aanleiding om het eerste zelfstandige verzoek van de moeder toe te wijzen. De rechtbank begrijpt het verzoek van de moeder aldus dat zij verzoekt om de ambtenaar op basis van artikel 1:24 lid 1 BW te gelasten de geboorteakte van [minderjarige 1] te verbeteren door middel van het plaatsen van een latere vermelding achter de geboorteakte en daarin te vermelden dat de geslachtsnaam van [minderjarige 1] in plaats van “ [geslachtsnaam 1] ” “ [geslachtsnaam 2] ” zal zijn. Nu op grond van artikel 1:5 lid 8 BW de geslachtsnaam van het eerste kind bepalend is voor de geslachtsnaam van de volgende kinderen, heeft de moeder geen belang meer bij toewijzing van haar tweede zelfstandige verzoek, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.
Nu het eerste zelfstandige verzoek van de moeder zal worden toegewezen is er geen reden meer om de geboorteakte van [minderjarige 2] te verbeteren. Het verzoek van de officier van justitie daartoe zal dan ook worden afgewezen.
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
gelast de verbetering van de akte, nummer [nummer geboorteakte 1] , van het jaar 2012, voorkomend in het register van geboorten van de gemeente [geboorteplaats 1] , door middel van het plaatsen van een latere vermelding achter de geboorteakte en daarin te vermelden dat de geslachtsnaam van [minderjarige 1] “ [geslachtsnaam 2] ” zal zijn;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.S.F. de Nijs, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. C.P.E. van de Fliert-Verburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2024.