RvdW 2023/931:Medeplegen (verlengde) invoer van cocaïne d.m.v. drugskoeriers vanuit Suriname naar Schiphol, art. 2 onder A Opiumwet. Bewijsklacht medeplegen. HR herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2016/411, m.nt. N. Rozemond, m.b.t. medeplegen en in het bijzonder afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Hof heeft o.g.v. camerabeelden, historische verkeersgegevens en WhatsApp-gesprekken tussen verdachte en medeverdachte vaststellingen gedaan over taakverdeling en samenwerking tussen verdachte, medeverdachte en koeriers in periode zoals genoemd in bewezenverklaring (1 juni 2016 tot en met 19 september 2016). Die vaststellingen houden in dat verdachte en medeverdachte telkens rondom drugstransporten WhatsApp-gesprekken hebben gevoerd, dat die gesprekken werden gevoerd in versluierd taalgebruik, dat in veel gevallen foto’s van koerier en/of van bagage door verdachte naar medeverdachte werden gestuurd en dat verdachte en medeverdachte nauw contact hadden over ophalen door medeverdachte van koeriers en over gebeurtenissen na aankomst van koeriers, waaronder aanhouding van koeriers. ’s Hofs oordeel dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met medeverdachte en koeriers bij invoer van cocaïne in periode zoals genoemd in bewezenverklaring, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is (gelet op ’s hofs vaststellingen over intensiteit van samenwerking en onderlinge rolverdeling in die periode) niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2023/930.